Geen categorie

DITMAR BAKKER: “Ik heb lief en zou moeten zwijgen.” – met de ‘Noli me tangere’ van Margo van Gelder

 

Ik heb lief en zou moeten zwijgen. Een ontzettende ontdekking, dat is het. “’t Is waar dat wie liefheeft altijd wint aan kracht, / daar ’t minnebeeld spiegelt in schoonheid, zodat / de ziel van de minnaar verdubb’len kan, wat / beproevingen simpel maakt, pijn steeds verzacht.” Leugens, ongetwijfeld neergepend toen hij ze nog niet had gehusseld—en helaas te mooi om te verbranden na twintig jaar kerkers, martelwerk en uitstapjes naar prostituées. Pardon: sekswerkers.

En beproefd raak je, door zo’n Pool. Hij is terug, Pom. Hij wou me nooit meer zien maar de belofte van gezelschap en verdovende middelen deed hem zwenken—hij verwaardigde zich tegen me te spreken en liet me zelfs in het roodverlichte kozijn zitten waar hij boven woont en een uur later gemakkelijk Engels sprekende dames hun kunsten zouden vertonen.

Want een kunst is het—zelden verdiende ik—de verhalen die ik je vertellen kan(!) De verhalen die hij míj vertelde! Zo high als ik nooit in Drake’s—die notoire rokerige cabinehal boven die keurig verlichte winkel voor geslachtsverkeersartikelen—vooral anders, maar erger nog, daar hij met naalden danst, ingegeven door dat vuns meisjesblad. Hij is zo mooi en beschadigd. Ooit bekende ik het publiek van Festina Lente:

In Drake’sdaar ik ben, gieren drugs door het lijf.
De start van ’t toneelstuk dat ik u omschrijf.
’t Is heet in het hok; mijn handen verwarmd
daar buurman hierbinnen zijn botermelk karnt:
in oud Amsterdam! Noeste arbeid hierbinnen,
een club waar de klanten hun manzijn ontginnen.
de schemer beschermt hen
de mannen zijn schuw
hun afkomst divers, hun manieren meest ruw.
De Warmoesstraat wemelt, een steenworp ver
van trekken toeristen, terwijl her en der
men meeuwen hoort mekkeren. Homo leeft
wijl klam aan zijn schoenzool condomerie kleeft.

De gangen van Drake’s zijn met manvolk gevuld,
in hokken vol heren wordt herrie geduld,
daar sommigen schreeuwen, wijl sissent een vent
de etage verlaat
heeft zijn buurman herkend.
Mijn hoofd tolt, mijn partner tuft mij in ’t gezicht
voorts trekwerk die gast tot orgasme verplicht. 

Het ging vast slecht met me: ik experimenteerde zelfs met toppenverzen. Maar nog vlakt in mijn binnenst een bittere vlam—ik heb hem weggejaagd. Wellicht zocht hij een excuus om verjaagd te worden; “Love is not all” was hem eerder op de dag voorgelezen en daar had ik het bij moeten houden. Ik dacht nog: ’t zou kunnen, maar waarschijnlijk is het niet. Onmogelijk misschien zelfs. Laten we hem Miron noemen. Anoniem genoeg: Miron woont allang niet meer Leiden, hij verhuisde met zijn man naar het zuiden van Limburg en kreeg prompt longkanker van de zuivere lucht daar. Mijn Pool verhuist over afzienbare tijd ook naar het zuiden, ik wissel Leiden over een jaar misschien voor Polen—geliefden verdwijnen en onze God heeft complexe ironie nodig om ons de futiliteit van de Zin van het Bestaan te doen bevatten. Hoe zou het verder gaan, my Polack?

Opkijkend zie ik achter hem Miron,
Die wenkt
hij wil dat ik naar buiten kom.
We trekken naar de Warmoesstraat,
Miron en ik. Terwijl hij praat
van al zijn wapenfeiten, steek
ik weer een peuk op. Onderbreek
hem als hij voor de derde keer
zo’n, echt zo’n grote jongeheer
(zijn armen wijd) in kleur omschrijft.
“Als jij zodaad’lijk buiten blijft,”
zeg ik, “dan jaag je niemand weg
met je geleuter, want zelfs ik,
is je bekend, die zoveel slik
word ziek van horen hoe je Dik-
kie Dik in een cabine hebt
gezogen.” Hij doet of hij mept
naar mijn gezicht en zegt verwijfd:
“Je weet dat dat mijn fetish blijft,
de Dikke Man: een archetype
waar zoveel schilders al om riepen,
zo’n Rubens, die was ook niet gek!”
Ik zeg alleen: “Hou toch je bek.”

We spraken Engels. We vonden een drietal mannen—ik genoot van zijn genot, aanwezigheid en de schaarse toenadering. De mens is zo voorspelbaar als je beschadigd geheeld bent en de oneindigheid een ondeelbaar moment hebt moeten bevatten. Als ik niet zo wijselijk dom was zou ik die kwaliteit misschien nog kunnen benutten ook, nu was het een wachten, spreken, delen en weer opsluiten, waarna hij sigaretten voor me kocht als symbolisch offer aan de drugs die ik hem de daar voorafgaande uren geleverd had in ruil voor de warme schijn van zijn aanwezigheid.

We slaan linksaf voorbij de tweede brug;
Een uitsmijter roept een toerist terug,
Een coffeeshop doet gelden zoete walm
en uit het carrilon komt het gegalm
vanaf de grote kerk ons tegemoet.

Ter plaatse staat er al een hele stoet
voor nummer negen. Wij twee sluiten aan
en kunnen even later binnengaan.
Een man geeft ons twee knaapjes, zodat wij
ons kleding kwijtkunnen. Ik ga opzij

en, uitgekleed, met in mijn laars de bon
der garderobe, een fles poppers, mon-
ter naar de bar toe. Miron volgt, bestelt
twee bier. Die men opschrijft. Men komt met geld
pas bij het weer verlaten van de tent.

Wij zijn het schouwspel lang en goed gewend:
een man of vijftig, naakt, die allen hier
bijeenkomen voor seksueel vertier.
Een sling, drie tafels waarop men verdekt
en gratis glijmiddel, condooms verstrekt. 

In zijn stamkroeg vond ik hem zoekend nooit, noch zocht hij naar mij—ik raak te makkelijk gevonden en op mijn halsband staat geen Noli me tangere gestanst als was ik Caesar’s prijsvette beer.

 

Noli me tangere

Ik kijk je huis kris kras alle lege dozen recht voor wie van orde houdt,
spreid mijzelf als een veel te slappe lappenpop om jou, goedkoper dan
de eerste de beste hoer om de hoek, één cappuccino later, ergens in
een straat recht ik het stro in mijn armen mijn voeten mijn hoofd,
vraag je wat als god bestaat of god mag weten wie dan ook maar iemand
om het stro te harden de straten te wissen mijn voeten te vinden
graniet te weerstaan

achtennegentig redenen om hier te zijn en
twee om dat niet
jij
jij

Margo van Gelder

 

Soms wist ik mijzelf er zelfs van te overtuigen dat ik niet zocht en het leven niet ontstaan is uit een gedementeerde bewustzijnsstaat van eonenlang in eenzaamheid Zijn, tot de geperverteerdheid zelve de eerste herinneringen, een Moeder, wellicht een vader creëeren kan en vergeten is dat sterven de enige onmogelijkheid van het Zijn is. Schoon is de dood, onschuldig was het kind, maar boeten zul je herhaaldelijk. In elk geval geniet ik nu je gezelschap, Pool! In het holst van de homoseksualiteit, ontkleed in vaal licht.

Daar zie ik Rien, bekend, een centimeter
meer dan Daan, Koen, Willibrord of Peter
(mij ook bekend). Miron gaat onderwijl
bij nog zo’n vette zeekoe voor de bijl.
Ik voeg mij bij Rien.
Dan, wij tongen met
verve, zie ik hoe hij zijn vingers vet
maakt. Als hij dan mijn rug positioneert
(en daarbij licht mijn elleboog bezeert)
En met zijn roede door mijn billen splijt
(dit kost hem maar een paar seconden tijd)

Vraagt hij me of hij harder kan gaan neuken,
hij zit al in me: zowat negentien
(oef!) centimeter voel ik hard aanbeuken,
ik spuug, en zeg daarna zwoel: “Even zien,

ik ben nog hard, je pik doet amper jeuken,
en jij hoort slechts gepuf & geen gegrien,
men stopt pas bij complexe ribbenbreuken,
dus waar was jij alweer gebleven, Rien?”

Zijn antwoord dan: een felle Demarrage,
ik, als een goed ontsloten Ribandel
weet vieren steeds mijn kringspier, en massage

omklemmend teder heel zijn klokkenspel.
Een laatste peristalt
hopla! Drainage…
de roos van vlees lekt proteïnegel.

Leugens en leugens—allen onbekenden en zo ambigu als mijn autonomie. Wij zijn tweeslachtig: penetrant en gepenetreerde tegelijk—graag zelfs. Hoe breed of wijd het seksueel spectrum ook zijn moge, de zelfverklaarde homo’s laten ook zelfverklaarde hetero’s toe tot hun club indien deze bereid zijn ander mannelijk vlees te betasten, of zich in elk geval willen laten aanraken door behaarde handen. Meedoen met homo’s is makkelijk; je moet alleen niet vies zijn van pik in het tijdsbestek dat doorgebracht wordt met andere mannen, en niet door de maatschappij tot vrouw gemaakt zijn. Hoe graag, Pool—Miron zou ik je noemen—had ik je vastgebonden, verkracht, gedrogeerd en het spel herhaald in willekeurige volgorde. Was meegegaan:

Dit lustproces herhaalt zich nog driemaal,
voorzien van speeksel, ongekuiste taal
en dan staat in de rookkamer Miron,
verveeld. “Twee spekkies,” zegt ‘ie. “Ik begon
me al af te vragen waar je nu was.
Ik wil naar Leiden, drink je glas
leeg. Wij rekenen eerst af
en lopen dan in draf
richting het station,
met ons gezicht
naar de zon
gericht.

De ijlende droom van een door Lust of Liefde verwarde man. Simpel vertier, een oude bekentenis—Festina Lente, 2014, naar ik meen? Het kan later zijn, of eerder—ik wil niet leven in het nu. Ik heet voor jou, Pool, en ik zal je niets ontzeggen. Rond Kerst haal ik alles in huis en zullen we zien of je hol in ’t holst van mijn hol te lokken valt. Ik zou je uren voorlezen, beminnen en verkrachten—voor jou, beeldige junk, begeerd beschadigd specimen, is het, verpakt in lievige glans, perkans voldoende:

Serveer hen: hashiesj, coke & heroïne,
Mephedrone, isobutylnitriet,
Crystal meth, 4-FA, crack & speed,
Marihuana, methoxetamine;

Voor een voltooid sonnet is ’t niet genoeg,
Maar kom, mijn lief, de avond is nog vroeg!

Ik zal op je wachten tijdens Kerstmis en de koelkastmagneet herinpakken—die mag je me duizendmaal schenken, zelfs in afwezigheid. De voeten dansen—waar is mijn wijn?

 

 

Share This:

Geef een reactie