Geen categorie

DITMAR BAKKER en NABOKOV op één lijn: “De derde en ergste graad van verdorvenheid wordt bereikt als een meesterwerk wordt gepolijst en platgeslagen [of] verachtelijk wordt verfraaid.”

 

Pom, liefste,

Nabokov, die de Onegin volledig in rijmloze verzen vertaalde, zei er het volgende van: bij “verbale transmigratie kunnen we drie kwaden onderscheiden. De eerste en minste van de drie bestaat uit aperte fouten, te wijten aan onwetendheid of foute kennis. […] De volgende stap naar de Hel wordt gezet door de vertaler die doelbewust woorden of passages overslaat die hem teveel hoofdbrekens kosten […]. De derde en ergste graad van verdorvenheid wordt bereikt als een meesterwerk wordt gepolijst en platgeslagen [of] verachtelijk wordt verfraaid.” Hij zag blijkbaar geen kwaad in het verliezen van vormaspecten, of heeft deze zijns inziens opgevangen.

Aan alledrie de kwaden heb ik mij wel bezoldigd, het meest flagrant in de Onsterfelijke Ziel, die ik je nog nooit in zijn geheel toegestuurd heb. De aperte fouten vind je meestal in foute vrienden—foute kennis—of het verkeerd interpreteren van een bijvoeglijk naamwoord voor een werkwoord—onwetendheid. Soms worden beide betekenissen (van naam- en werkwoord) bedoeld, in elk geval in resonantie—en zodra je dat weet maar negeert, kom je direct uit bij Nabokovs verachtelijkste graad. En ja, soms raken zaken verloren in vertaling, hoeveel facetten je ook tracht te transponeren (weet je nog, onze ‘antieke geleerden’? Bah!).

Het volgende werkje bracht Leiden in last, de namen vooraleerst, het discours achteraf:

 

1 – PROEMIO
Io, che nacqui dal Senno e di Sofia,
sagace amante del ben, vero e bello,
il mondo vaneggiante a sé rubello
richiamo al latte della madre mia.

Essa mi nutre, al suo marito pia;
e mi trasfonde seco, agile e snello,
dentro ogni tutto, ed antico e novello,
perché conoscitor(a) e fabbro io sia.

Se tutto il mondo è come casa nostra,
fuggite, amici, le seconde scuole,
ch’un dito, un grano ed un detal ve ‘l mostra.

Se avanzano le cose le parole,
doglia, superbia e l’ignoranza vostra
stemprate al fuoco ch’io rubbai dal sole.

 

 

 

Ik heb uiteindelijk maar gezegd ‘fuk dat’ en de vertaling Proëem genoemd, want een probleem is het. Ons aller Thomas heeft in zijn oneindige humor-of-waanzin getracht niet een dubbele, geen driedubbele, maar een vierdubbele-of-nóg-meer betekenis te laten resoneren en willicht is het daarom wel—ook gezien de architectonische poëtica die hij onderschrijft—als eerste sonnet opgenomen in zijn ‘filosofische’ gedichtenbundel. Of het is één grote grap; of de man was voorzichtig—ik ben er nog niet uit.

Hoe dan ook komen God (het Eeuwig Verstand) en Sophia (Wijsheid) om de hoek kijken, welk laatste Campanella ook als eenvoudig Sophietje die Giovanni baarde opvoert. Eigenlijk begint het gelazer al in de eerste regel als we het romaanse nacqui moeten vertalen en eigenlijk geen ruimte hebben voor een hulpwerkwoord, want de informatiedichtheid. En Senno kan natuurlijk ook nog een soort eigennaam voor paps zijn die tegelijkertijd God en Verstand incorporeert. Het aardse en het hemelse verbonden. Om het nog leuker te maken lijken allerlei zaken naar elkaar te verwijzen in de eerste strofe en lijkt dat ook allemaal redelijk te kunnen.

Sophia kunnen we Sennodank laten staan want dat betekent bij ons ook gewoon Wijsheid. Lekker voor je, Tom. Na lang vorsen en indachtig jongensnamen als Storm, Planeet, Jaydon en Badeloch (arme jongen, arme, arme onbelezen ouders) moest ik mij gewonnen geven en besloot ik onze Heer maar Elahn te noemen; geestdrift (net geen verstand, maar och), naam en God inéén. Basta. Nacqui lossen we op door een elliptische zin te maken en de functie van het hulpwerkwoord over te laten nemen door een voorvoegsel dat tevens ouderschap aanwijst.

Je wordt er al moe van, hè, Pom. Ik ook—die man is onmogelijk soms en dat vond de inquisitie ook. Goed, Pom, niet huilen. Weet alleen dat ik ‘prachten’ als sterk verouderd werkwoord heb genomen om één en ander passend te krijgen. Het betekent wel ‘zich verhovaardigen’. De ‘ze’ in regel drie verwijst zowel naar moeder Sophie/Wijsheid, als naar de gevangenbewaarders, als naar een naamloze minnares (ja echt, daarom roept hij ‘roodrebels’ als ‘haar melk’ is verloren. Smeerkees was het o.a.). Goed, enfin enfin enfin—Goddelijke wijsheid, een kerkerontsnapping, een bezoek aan zijn minnares en bovendien de wijnkelder en die stómme mensen van de rechtsgang—het zit er allemaal in. Zoek maar—hup! Giovanni, Vladimir, Elahn, fijne triptiek, verontschuldig mij en bezie dit doornenkluwen:

 

1 – PROËEM!
Ikzelf, door Elahn; van Sophia, geboren,
—die pracht waar hij ’t goede met geestdrift bemint—
herinner ze, ijlende aard, moeders kind,
zo roodrebels roepend: haar melk is verloren.

Devotie doet voeden—ik word, ‘r Mans behoren,
pas ècht vervuld, omdat ‘k behendig ontbind
vlug ’t oudste en jongste—elk al ondervind
‘k ontsloten—’k ben smid, connaisseur, metafoor, en

Beware ons huis heel de wereld, verliet
’t gebouw verder scholing, vriend, zonder pardon:
’t voelt vinger tot grein aan de tand—toont meer niet.

Zo’n zaak leidt tot voortgang door zulk een jargon—
fik af uw hoogmoedigheid, stomzijn, verdriet
dat ze smelten in ’t vuur dat ik stal van de zon.

Want doglia, hier gescheiden door zo’n fijne, fijne komma(!) zijn ook honden! Arf!

-x-

Share This:

Geef een reactie