Geen categorie

Pom, liefste, De dichteres Rinske Kegel—ze herinnerde zich mij in badjas, oh de tweeslachtigheid—doet reiki tegenwoordig, wist je dat al?

 

Pom, liefste,

De dichteres Rinske Kegel—ze herinnerde zich mij in badjas, oh de tweeslachtigheid—doet reiki tegenwoordig, wist je dat al? Ik heb haar de groeten gedaan maar verzuimd te vragen of ik ze overbrengen moest aan jou—je mag ze hebben. Haar beestenboek met illustraties is subliem—van bijzaak tot ramkraak, ze heeft ze allemaal weten te vatten. Thomas was chagrijnig toen ik thuiskwam en liet me niet vergeten dat ik de Onsterfelijke Ziel eigenlijk nooit had weten te vatten, noch volledig gedeeld had. Bovendien zei die goede oude Jolies—die de boel altijd weet op te luisteren door te vertellen over de tijd dat er nog maar 2 netten waren op TV of met haar niet mis te verklaren impersonaties van Wieteke van Dort (“Hallo Bandoeng?” Hoop ik haar ooit nog te horen zeggen) dat ze geen reet snapte van een eerdere toelichting. Wat zakelijker dan maar. Aangezien het octaaf ruimschoots onder le loup heeft gelegen beperken we ons tot het terribel, terribel sextet. Ik wil volstaan op te merken dat het originele werk—zoals meer werken van in ons taalgebied onderbelicht werk dat Campanella geleverd heeft—zich op twee manieren laat lezen.

Eén: de onsterfelijke ziel die ons toegedicht wordt spreekt en schreeuwt van de honger in het octaaf. Hoeveel ook gelezen wordt door de (tijdelijke) vesting van de ziel die de mens is, het is nooit voldoende, en hoe meer de ziel ter lezing krijgt, des te meer beseft zij niets te weten, volledig onwetend te zijn, zoals absoluut experts in hun vakgebied schoorvoetend te kennen kunnen geven ‘een beetje’ of ‘iets’ van de neurale synapsen van kuikenembryo’s, of de relatieve massa van quarks af te weten—om maar zijstraten te noemen. In het sextet wordt benadrukt dat zij, de ziel, beseft een weerspiegeling dan wel (af)beelding van God te zijn, door God (Campanella’s Padre) omgord zoals de zee vissen omsluit. Het syllogisme (“alle A=B, C=B, ergo C=A”) is als een pijl die de roos treft (immers is elk syllogisme een logische wetmatigheid), terwijl het Italiaanse l’autorità, dat een ruim semantisch betekenisveld in zich draagt en niet één op één te vertalen is met het Nederlandse ‘autoriteit’, in handen van mensen ligt. Zekerheid is enkel aan hen beschoren, die zich door God laten raken, omvatten, omhullen en (ver)volmaken.

Twee: de ziel van de (corrupte?) magistraat spreekt, op een veel wereldser manier. Overziend de zittingszaal, waarin zich twee twistende partijen presenteren (in het origineel een zekere Aristarco en een Metrodoro—voorkomende familienamen destijds) wil de magistraat informatie van de lieden hebben teneinde een vonnis of toewijzing uit te kunnen spreken. Hoe meer om informatie gevraagd wordt, des te schimmiger de situatie echter wordt, bij monde van de twistende partijen. Maar de goede Padre (zoals de Vader der burgers) weet in zijn eeuwige goedheid te deduceren en als een schot in de roos het juiste vonnis aan te wijzen, beseffende hoe hij er (want ook de focalisatie van regel negen raakt ambigu, zeker in de context van de voorgaande en volgende regels) als een baken van wijsheid uit moet zien vanuit het perspectief van de eisers. Enfin—zijn deductie en daaruit vloeiend oordeel zijn de enig juiste (uit hoofde van zijn functie), de uitvoering (l’autorita) ligt in handen van anderen, en hoe dan ook: het enige waar de mens ècht zeker van is, is dat zij, na penetratie, ‘baren moet, of ze al dan niet wil baren, want het kind is groeiende in haar schoot.’
De mogelijkheid van duale interpretatie dient terug te komen in vertaling, anders is zij onvoldoende of invalide te noemen—ongeacht de bedoeling van de auteur ligt deze betekenis immers in de semantiek van de woorden besloten en in de context (en daarmee grammatica) waarin zij hun tweeslachtigheid bereiken. Dit wordt in vertaling bereikt door de hersenen te vertalen met het enigszins obscure ‘harns’, en eenzelfde syntactische ambiguïteit te creëeren. Regel vijf en zes zijn in vertaling namelijk op twee manieren te lezen, uitgaande van de fonetische kenmerken van de zinnen (nog afgezonderd van de minstens dubbele betekenis van ‘leefruim’ als ‘wereld’ dan wel ‘bedoening’):

1. Zo’n Oorts Al, met Frisius’ leefruim, waarin ’t weldadig vertoeven is, ’n oordeel bekome.
2. Zo’n Oort zal, met Frisius’ leefruim, waarin ’t weldadig vertoeven is, ‘n oordeel bekome(n).


In de eerste lezing zijn Oort en Frisius de Friese geleerden, in de tweede lezing zijn Oort en Frisius lieden die voor een magistraat zijn ter beoordeling van één of ander feit dat geslecht dient, en het oordeel van de magistraat zal ten gunste van Oort zijn, waarschijnlijk. Leest ons (eindelijk!) in volledigheid:

5 – Anima immortale
Di cervel dentro un pugno io sto, e divoro
tanto, che quanti libri tiene il mondo
non sazian l’appetito mio profondo.
Quanto ho mangiato! e del digiun pur moro!
D’un gran mondo Aristarco, e Metrodoro
di più cibommi, e più di fame abbondo;
disïando e sentendo, giro in tondo;
e quanto intendo più, tanto più ignoro.
Dunque immagin sono io del Padre immenso,
che gli enti, come il mar li pesci, cinge,
e sol è oggetto dell’amante senso;
cui il sillogismo è stral, che al segno attinge;
l’autorità è man d’altri; donde penso
sol certo e lieto chi s’illuia e incinge.
[T.C.]

5 – Onsterfelijke Ziel
Gevestigd in harns vuistpand ik en verslind
zoveel, of geen aardrijk in schrift afgenomen
ooit ’t dorsten, mijn onpeil’bre drang, weet betomen.
Zoveel nam ik tot mij, en vraatzucht blijft blind!
Zo’n Oort’s al, met Frisius’ leefruim, waarin ‘t
weldadig vertoeven is, ’n oordeel bekome—
ik hunker met boekmaag naar meer, bol van dromen,
die, zekerheid zoekend, onwetendheid vindt.
In ’t ik-zijn lei ’t beeld des weids Vaders gewis
alleen, door zijn innig gevoelen omhuld:
zo vat hij elk leven, zo zee vat elk vis.
Deductie de schicht die geen dubio duldt,
dan ’t dogma in handen van anderen is,
wijl zuiver Zijn wording met zegening vult.
[D.B.]

-x-

D.

Share This:

Geef een reactie