Geen categorie

JOLIES HEIJ: op de presentatie van Dean Bowens bundel Bokman. allemensen, wat een spetterende voordracht en wat een sprankelende taal!

 

Alle gezondheidsperikelen op een stokje, laten we het vandaag gewoon eens over poëzie hebben, lieve lezer. Niet over wat poëzie nou eigenlijk uitmaakt, want dat is een oeverloze discussie en in die wateren wens ik niet te varen. Het is ook een typisch nederlandse discussie omdat alles moet worden ondergebracht in keurig aangeharkte hokjes, kadertjes, strominkjes, genretjes en hypejes. Ik schreef al eerder dat de duitse Slammers van alle markten thuis zijn. In de bundel van Sebastian23 met de klinkende titel Hinfallen ist anlehnen, nur später staan rijmgedichten, klankgedichten, verhalende teksten, columns. Een allegaartje van een dichter die niet weet wat hij wil, zouden we hier zeggen. Daar niet. Daar is de ware kunstenaar iemand die alle registers weet te bespelen.

Het overkomt me wel eens dat als ik hier op een podium een wat langere, niet van humor gespeende tekst breng, mensen me na afloop vragen: “Hoe heet dat eigenlijk wat jij doet?” – en ik simpelweg antwoord: “Tekst.” Men ziet kennelijk graag dat er een etiketje aan bungelt. Ik ben al voor diverse vertelkringen gevraagd, alhoewel ik niet “vertel” en al helemaal niet uit het hoofd. Er wordt van mij verwacht dat ik dan zelf maar een genretje uitroep in de trant van het “prozagedicht” of de “autobiofictie” – ook al van die onzinnige modetermen. Als er één constante is in mijn leven, is het wel de weigering om mij in een hokje te laten stoppen en dat gaat zelfs zo ver dat ik pertinent weiger om zelf een hokje in te richten. Voor mij is dat hetzelfde als een gevangenis en de creatieve geest moet vrij kunnen “schweifen”, om maar eens een mooi antiek duits woord te gebruiken.

Bovendien hebben hokjes een houdbaarheidsdatum omdat ze tegenwoordig maar al te vaak aan hypes geliëerd zijn. Vanzelfsprekend is de poëzie daar ook aan onderhevig. “Ik ben gestopt met Slam, want de podia worden slechts nog bevolkt door meisjes met statements,” klaagde Melvin van Eldik tegen mij. “De meisjes van tegenwoordig produceren alleen nog maar oneliners,” zei ook Elbert Gonggrijp. “Ze zijn zo gewend aan het appen van korte berichten dat ze niet meer weten hoe ze een verhaal moeten vertellen.”

En het is succesvol, kijk maar naar de Kira Wucks en de Asha Karami’s. Mij doet zulke poëzie eerlijk gezegd niets. Oneliners en statements vind ik iets voor de politiek, maar ik wil een dichter er natuurlijk niet van weerhouden om politiek te bedrijven en geëngageerd te zijn. Ik mis echter het verhaal. Als er geen rode draad door een tekst loopt, kunnen de woorden nog zo mooi zijn, maar dan vervliegen ze als een vleugje chanel. Met een beetje geluk wordt het losse zand bijeengeveegd in een conceptbundel – nog zo’n rage. Nu heb ik daar op zich niks op tegen – een verhaal is een verhaal -, maar het gevaar bestaat dat als één balk verwijderd wordt, het hele bouwwerk instort, secu, één gedicht uit het concept maakt een totaal onbegrijpelijke voordracht. Een sonnet vertelt een verhaal met een heuse plotwending na acht regels. We zijn afgedreven van het vormvaste en dat is niet erg, maar iedere tekst heeft een handvat nodig om de toehoorder bij de les te houden, me dunkt.

En ja, Kira Wuck werkt op papier veel beter dan in de voordracht. Zijn het dan gewoon papieren meisjes die liever willen publiceren dan de toehoorder prikkelen? Zou kunnen. Maar vorige week was ik op de presentatie van Dean Bowens bundel Bokman. Ik heb ‘m nog niet gelezen, dus ik kan er nog niet veel over zeggen, maar allemensen, wat een spetterende voordracht en wat een sprankelende taal! Niks oneliners, maar een verhaal dat in elkaar greep en de toehoorder aangreep en nieuwgierig maakt naar de bundel. “Schreven er maar meer dichters zoals hij,” verzuchtte de redactrice van de uitgeverij. Dus dichters van morgen: gooi de oneliners bij het oud vuil, laat de taal zingen en vertel je verhaal!

 

 

Troubadour zonder lier
 
Je trekt van stek naar stek opgezweept
door de leenheer aan wie je het hart
in onderpand en de geuzentitel muze hebt
verstrekt. Je gaat door stad en beemd zij
 
aan zij met de papieren man die je niet
losweken kan. Zijn ziel voelt zwaar zijn
hand onbereikbaar. Je beklimt trappen naar
het hoogste podium de volgende stotteraar
 
die meent dat hij als vernuftig woordgoochelaar
van zijn tijd in dat beduimelde pantheon
verblijft. Overal staat een bed klaar en lieg
 
je over de doornen. Als je struikelt ligt het aan
de lier. Je bent vertier, je kent geen ander hier dan
tussen woord en wit, wal en schip, heg en steg.
 
 
Jolies Heij

Share This:

Geef een reactie