Geen categorie

JOLIES HEIJ het hele land door – van het alphense Castellum naar Spinyopaat in Breda én naar het cultuurhuis van Waalre – en ergens ook de orgastische samenspraak met VON SOLO

Columniste heeft opnieuw een rijk weekend boordevol poëzie achter de rug. In het alphense Castellum bomen met Johan Meesters over zijn speciale relatie met de blogliterator Anton Woest in een kringgesprek over literaire kritiek. En de volgende dag was het alweer feest bij Spinyopaat in Breda, alwaar ik met open armen werd opgewacht door Gerard Scharn en Stanislaus Jaworski. Sven en Adriaan wezen de weg door de kunstbende naar het podium, alwaar ik met Gerard op een houten vlondertje neerzeeg om de kwisvragen op te lossen als: noem drie voorlopers van dadaïstische gedichten en welk beroep oefende Paul van Ostaijen uit? Oef, dit zijn vragen om op te googelen, verzuchtte ik. Ik heb slechts een nokia, antwoordde Gerard schouderophalend. Tjonge, ik ben vroeger kennelijk blond geweest, merkte Stanislaus op, want ik weet geen enkele vraag.

Intussen schalde Alexander Frankens alternatieve volkslied over ons heen. Er was een vlaamse romantica in recovery met roodjurkje, zwarte laarsjes en bril en een vlaamse met laptop en een nog grotere bril. Er was soep en een kloosterling met ukelele die over zijn indiase avonturen vertelde. En natuurlijk Rik beweeg-als-een-strateeg van Boeckel die een indiase klankschaal uit Portugal en een perzisch slagwerk introduceerde. En daar stapte Von Solo ook zowaar op zijn lieslaarzen binnen. Kolere, riep hij uit, ik kwam gewoon bijna 010 niet uit, ik moest helemaal via Roosendaal. Geeft niet, zei ik, je bent mooi op tijd voor onze orgastische samenspraak. En nadat Adriaan moedwillig een kostbaar beeld had stukgegooid – want altijd moet er wel iets kapot of ontregeld – sprong Solo tussen de scherven met een uitsteeksel voor zijn kruis en ging als een baviaan tekeer. Kom nou Von, gaf ik, je hebt toch wel iets stijlvollers in huis? Waarop hij zowaar een heus liefdesgedicht speciaal voor columniste ten gehore bracht en ik riposteerde met mijn spermavlekken-op-het-kinderzitjegedicht. Doen jullie het wel vaker? werd mij na afloop gevraagd. Zelden, antwoordde ik, maar we inspireren elkaar en dat lijkt me genoeg.

En ik stapte naar buiten voor een welverdiend rokertje samen met de kloosterling die mij in het kloosterleven inwijdde. Ik heb jou eerder gehoord, merkte een andere roker op, jij deed toen een gedicht over de Drina. Sterker nog, ik heb erin gezwommen, zei ik. De jongeman viel van de ene verbazing in de andere toen mijn lief vertelde dat we iedere zomer naar Osijek op vakantie gaan. Waarom niet naar de dalmatische kust? wilde hij weten, want iedere Servokroaat droomt daarvan. Mwah, te veel herrie, te veel krijtrots en te veel zon voor onze kreeftehuidjes, zei ik. En hoe is jouw naam eigenlijk? Goran, antwoordde de jongeman. Is dat niet een servische naam, zoals Radovan? Neen, het is een modernjoegoslavische naam. Hoe is het eigenlijk met Radovan? kwam Von Solo. Schuurt en schurkt ie nog steeds zo lekker met die peniskoker tegen je aan? Ongetwijfeld, al gebruikt die eunuch ‘m hoofdzakelijk voor de zelfbevlekking sinds ie de voorbips niet meer weet te vinden. Maar genoeg nu, laten we naar de band gaan luisteren.

Toen het dak eraf ging zijn we gegaan, want ik had de volgende middag alweer iets met poëzie in het cultuurhuis van Waalre met uitzicht op het ven. Met de wonderschone liedjes van Renate Spierdijk uit Heerhugowaard. Met een therapeutische sessie waarbij het veelal over jeugd en ouders ging, wat aan de alphense stadsdichter Kaj Elhorst de uitspraak ontlokte: mijn ouders vonden mij onhandelbaar – wel, ik hen ook! Na afloop vroeg Pierre Maréchal aan mij: mag ik jou nu eindelijk knevelen en ontvoeren naar de eindhovense textielfabriek? Je bent oud genoeg om mijn vader te kunnen zijn, gaf ik, dus de uitgelezen kandidaat voor het verwerken van mijn poescomplex. En nee, we deden het niet tussen de kousen, sokken en jarretels, maar in het voormalige opzichterskantoortje met een jazzbandje. En onze poëzie ging van zinnenprikkelend naar ronduit funky.

 

 
zij bloeit, hij vergroeit
 
je noemde me ooit nachtvlinder in een maanziek verlangen
maar ik had het seizoen niet mee, zo meewarig
 
stond ik wat te dromen achter glas, je cultiveerde me
tot ik paars zag en aan elke vinger een vertakking
 
een draad om naar jou toe uit te spannen
een web aan mogelijkheden van heb me lief
 
slorpende tongen om aan lijven te blijven kleven
zij is dictatuur, hij het geschubde wezen
 
er is geen verdorren of het blijft in leven
terwijl hij de vuisten balt en baltst
 
tegen de nacht in onder haar open raam
en de doornen in haar struikgewas hem lek steken
 
een vrouw heeft alleen zin als kamerplant
die hij botanisch kan kweken, zo perkt hij het uitbotten in
 
als zij hoopt op bloei breekt hij de knop
en wijt de scheefgroei aan de volle maan
 
je kunt amper houden van het ongerijmde, het onzegbare
maar voor jou zet ik een orchidee voor mijn raam
 
Jolies Heij

Share This:

Een gedachte over “JOLIES HEIJ het hele land door – van het alphense Castellum naar Spinyopaat in Breda én naar het cultuurhuis van Waalre – en ergens ook de orgastische samenspraak met VON SOLO

  1. Sterk verslag, niet te kort en toch bondig. En met de terugkeer op scène van de enige echte Von Solo. Het land is gered, hoera. Maar Jolies, hoe je dat blijft doen, met het openbaar vervoer, in het weekend? Je moet toch allicht stilaan groot deskundige terzake zijn

Geef een reactie