Geen categorie

DITMAR BAKKER – Ach wat den donder, hier hèjje het sonnet – Vreselijk, vreselijk, vreselijk en Thomas (C) laat me maar niet los.

 

 

Pom, liefste,

Di se stesso! Je verwacht een heel sonnet maar daar zijn we nog lang niet. We moeten het eerst doen met een pover di se stesso…en waarom? Ach wat den donder, hier hèjje het sonnet, het is tijd het ècht volledig te trachten te ontsluiten en -sleutelen:

61 – DI SE STESSO
Sciolto e legato, accompagnato e solo,
gridando, cheto, il fiero stuol confondo:
folle all’occhio mortal del basso mondo,
saggio al Senno divin dell’alto polo. 
Con vanni in terra oppressi al ciel men volo,
in mesta carne d’animo giocondo;
e, se talor m’abbassa il grave pondo,
l’ale pur m’alzan sopra il duro suolo.
La dubbia guerra fa le virtù cónte.
Breve è verso l’eterno ogn’altro tempo,
e nulla è più leggier ch’un grato peso.
Porto dell’amor mio l’imago in fronte,
sicuro d’arrivar lieto, per tempo,
ove io senza parlar sia sempre inteso.
[T.C.]

Vreselijk, vreselijk, vreselijk en Thomas laat me maar niet los. “Ik ben vrij, en gebonden, tesamen alleen…” welk een woorden! Het is zo ongeveer hoe ik me voel momenteel, nog afgezien van God en het eeuwig begrip. Di se stesso! De vierendertig compartimentjes voor alleen het woordje di die het Italiaans woordenboek ons al geeft en ons wanhopig heen en weer naar Google Translate laten schieten om in elk geval de concepten helder te krijgen (spoiler: di doet van alles, net als van) laten we even los en we kijken vol verwachting naar de tweetalige editie van ons aller Miz Roush: “On Himself”. Tja—Google Translate peurde er ook als vanzelf “Van zichzelf” uit, dus daar moesten we dan maar voor gaan, nietwaar? Doch het knauwt in diverse categorieën: waarom maakte die gekke homosuele Engelsman er “The Sage on Earth” van—nogal een wijziging, kwestie van ‘die oude romantici’? En waarom geeft het Italiaans woordenboek aan dat se in archaïsche zin (vijftienhonderdzoveel—me dunkt archaïsch genoeg) ook een bijwoord kan zijn met een werkwoord in aanvoegende wijs die een wens uitdrukt en lijkt het werkwoord stare (zijn, blijven, bevinden (tot), persisteren) in de subjonctief (of, pardon: ‘aanvoegende wijs’)—inmiddels veranderd tot stessi als het vreselijk onregelmatige werkwoord dat het is en voor zover iemand in sound state of mind de eerste of tweede persoon van het werkwoord in de verleden tijdsvorm(!) van de subjonctief zou willen gebruiken—zich nu in precies die optatieve staat te bevinden met zijn abjecte vervoeging?

Opdat Maria de Moeder Gods weent?! En dan hebben we het werk zelf nog niet eens ter hand genomen—alle vlijtige nonnen zijn reeds gevlucht. U weet—die krankzinnig-briljante paljas laat soms vingerwijzingen achter in zijn titels maar daar kom je meest pas achter als je eerste vertaling gelukt mislukt is omdat je de dubbele bodem van de goochelaar niet opgemerkt had en hóp! Opnieuw gaan we maar weer. En er lag toch zo’n fijn gelukte redelijk getrouwe eerste versie klaar—Facebook jubelde—we hadden alleen die amfibrachen losgelaten en er fijne anapesten neergezet, waarschijnlijk omdat we de opmaat van ‘ik ben’ die het scala aan tegenstellingen inluidt (stoute Thomas zegt dat zelfs in zijn voetnoot bij het werkje) anders niet kwijt dachten te kunnen. Prestó et voilá!

61 – OP ZICHZELF
Ik ben vrij, en gebonden, tesamen alleen,
mijn stilzwijgend gegil maakt driest meuten verward:
in hun plat-werelds ogen is gekte mijn part,
maar Gods hemels Verstand weet er wijsheid doorheen.

Aards gekortwiekt vlieg ik toch ter heilige meen
wijl uit zwak-droevig vlees juicht een ziel zonder smart
en indien door ’t gewicht weer terneder gestart
lichten vleugels mij op boven mortel en steen.

Dubieus deze oorlog—doet deugd waarlijk tellen,
elk moment duurt maar kort naast volmaakt’ eeuwigheid,
ook weegt niets vederlichter dan welkom gewicht.

Mijn gezichtsveld voert liefdes portret, vaart voorts wel en
zo verzekerd van zegening, aankomst op tijd
waar tot mij zich een woordloos begrip immer richt.
[D.B.]

Het lijkt allemaal zo netjes te passen (wiens is dat Verstand?), een zuivere anapest dan maar in godsnaam—die extra lettergreep tellen we als winst en boekstaven we níet als verkrachting. En wiewatwaar gáát het eigenlijk over? Stichtelijks natuurlijk! En is het niet bijzonder grappig hoe de beste man—in adequate vertaling met ‘op zichzelf’—nee, terug naar het Italiaans, prutser. Goed, goed: “Over zichzelf” als eerste vertaling dan, anders wordt het wel een heel rare mix van conditionele woorden: “Zó, indien als zodanig”? Vreemder dan het misschien lijkt, als u zich realiseert dat stessissimo als overtreffende trap van ‘stesso’ (ècht als zodanig; precíes hetzelfde) toch ook bestaat. Rare jongens, die Italianen? Campanella wendde gekte vóór, is de consensus.

Ik wil maar zeggen dat er misschien méér dan één betekenis resoneert in de titel. Daar zijn we alvast. Met de driedeling waarin anima en spiritus zich begeven zullen we ons niet bezig houden—wat dell’alto polo ook gebeurt. We hebben er bovendien geen rúimte voor, dergelijke laat-renaissancistische metafysica maar aan de andere kant is God—het moet zo zijn, het was altijd zo geweest en de mens is daar onderdeel van, niet? Behoed ons stervelingen—de man was in elk geval katholiek. Godgodgod en ‘nuff said voor nu.

Daarmee valt het eerste kwatrijn tweeërlei te lezen—al zijn de verwijzingen misschien van een flinke peso vergeleken met andere werkjes (Onsterfelijke Ziel!), zo’n ‘welkom gewicht’ kan toch ook van wereldse wege komen? Hij moet wassen en wij maar minder worden. Zelfs Thomas mocht twijfelen na een kwatrijn in geheiligde gekte rondgesprongen te zijn: het gevecht van de vroom-belijdende man met de heidense buitenwereld, die hem immers nooit begrijpt, wordt innerlijk bekeken en metaforisch ingevuld. Wellicht stijgt de spiritus hem zelfs naar het hoofd en daarboven. In het sextet wordt deze innerlijke geloofsstrijd verder ingevuld en opgelost: God wacht met eeuwig begrip. “Op zichzelf”. Basta!

No bene! Ik schimpte eens over de Vigil waar hij in gehouden was—niet wetende dat het wakkerhouden vergezeld ging van het bekneld gezeten houden worden op een soort gympaard met stekels erop die pijn veroorzaken zodra je beweegt. Zesendertig uur werd hij, moest hij zich, in deze positie (ge)houden—ongeacht wat de Heeren verder van hem wilden: de wet zei daarna dat hij voor een waanzinnige moest worden gehouden: wie zulks doorstaat is dood of kwartgaar. En mogen we ook eindelijk het schimmige ‘welkome gewicht’ interpreteren? Tijdens lugubere praktijken werd meer, meer en meer gewicht toegevoegd tot slachtoffers tenslotte konden bezwijken—hij moet het hebben ondergaan. Thans zijn we er—in de kerker, en ons blijmoedige interne gestrubbel voldoet ineens niet meer. Enter versie twee:

61 – ZO ZIJ HIJ (“Op Zichzelf”)

Lichtvaardig gevat, saamgevangen alleen,
ik schreeuw—wees toch stil, trots zo’n heerschap piqûeert,
gemorteld in ’t oog ’s werelds manie, en zweer ‘t
meer hemels verstand dan ‘k weet wijs erdoorheen.

Arm vlucht aards gekortwiekt, vlieg ‘k ter heil’ge meen,
wijl ’t afgemat vlees laat de ziel ongedeerd
getrokken terneer door ’t gewicht dan gekeerd,
gevleugeld mijzelf boven mortel en steen.

Dees twist—dubieus, zij doet deugden pas tellen
zo kort elk moment naast vergaan voor altijd
en ons weegt niets lichter dan welkom gewicht.

’t Gezichtsveld voert liefdes portret, vaart voorts wel en
verzekerd van zegening, aankomst op tijd
waar tot mij een woordloos begrip zich steeds richt.
[D.B.]

De hendecasyllaben hebben we als vanzelf maar weer hersteld (als vanzelf…gloeiende gloeiende…wie begint over de laatste voeten van regel vijf bijt ik zijn tong af)—Frans van Dooren zou trots op ons zijn geweest (hoewel, hij maakte in zijn enige vertaling van een ander sonnet “De Mens Als Acteur” weer tien lettergrepen van het geheel—we raken in de war)—en alle zaken trachten we in vertaling terug te laten komen, te hertalen of te substitueren zonder daarbij nog obscuurder te worden dan we al genoodzaakt zijn te eh…zijn, bijvoorbeeld in die gruwelijke eerste regel. De man wendt immers waanzin voor—het zij zo! De ‘drieste meuten’ vervangen we door een daadwerkelijke kerkerwacht met aanhangige sentimenten en zelfs een pook in het werkwoord. Een niet geheel onprettige woordherhaling gebruikend laten we paragrammatisch ‘martelen’ terugkomen in de tekst, respectievelijk zwaar en licht meetrillend met de stenen die Thomas later op zich gestapeld krijgt. Het wat ál te letterlijke ‘zwak-droevige’ vlees maken we ‘afgemat’ en daarbij hebben we een daadwerkelijke strijd tussen gemartelde (of sound mind!) en martelwerker naar de voorgrond laten bloeden en zijn we beland bij het sextet. En wat was er nu met die titel aan de hand en waarom zitten we zo rap in het sextet? Het is toch nog steeds “Op zichzelf”? Fócus, mensen!

Het zit ‘m in regel twaalf—een enigmatische regel waarvan die gekke homosuele Engelsman in zijn noten aangeeft dattie niet goed weet wat er nu precies bedoeld wordt. Miz Roush—het spijt me, professor—lijkt er werkelijk iets mals van te maken door Thomas een bid-of-ander-prentje op zijn voorhoofd te laten plakken(!)<!–[if !supportFootnotes]–>[1]<!–[endif]–>. Hier komen we aan de optatieve wijs van in de titel van het werk en een—mijns inziens—correcter interpretatie: de gemartelde Thomas houdt zich vanzelfsprekend God, God en alléén God (en wellicht een maîtresse die eventueel mannelijk is gezien de aantijgingen van homoseksualiteit die hem o.a. met de zware aanklacht van ketterij belastten) voor tijdens de vreselijke praktijken. De ‘twist’ waar hij over spreekt is niet zozeer de innerlijke die hij voert (natuurlijk kent elk mens zwakten, maar welk kan zoiets uiteindelijk bekennen ten voorstaan van God?) als wel de twist die hij met zijn beulen voert. Het is de eeuwige, alomvattende liefde van God die hem in staat stelt eenzelfde, hoewel mindere, liefde te voelen voor de mens die zich als altijd in zijn gezichtsveld beweegt: zijn beul. De ware, wellicht godsvruchtige, mens bemint zelfs zijn beul—en hier springt de titel ons weer in gedachten: “Opdat hij toch zó zijn zou!” Wel, zo zij hij. En over de mogelijke focalisatiewisseling in het eerste kwatrijn met alle consequenties van dien—die zijn immers bijeengeraapt en erin verwerkt—zwijgen we decent; gratis is het nooit, lezer. “Zei hij zo?” Het zij zo, beul.
<!–[if !supportLineBreakNewLine]–>
<!–[endif]–>

-x-

D.

<!–[if !supportLineBreakNewLine]–>
<!–[endif]–>

<!–[if !supportFootnotes]–>
<!–[endif]–>

<!–[if !supportFootnotes]–>[1]<!–[endif]–> Mens, kijk dan zelf. Roush vindt u op https://the-eye.eu/public/Books/Poetry/Tommaso%20Campanella%20%20-%20Selected%20Philosophical%20Poems%20of%20Tommaso%20Campanella%20A%20Bilingual%20Edition.pdf, die homosuele Engelsman op http://www.jstor.org/stable/10.1086/664130. Flink bladeren hoor! Nummer 61. Dat is LXI volgens de Engelsman. You’re welcome.

Share This:

Geef een reactie