Geen categorie

DITMAR BAKKER: Opium, Religie, Poëzie?

33 – DELLA PLEBE
Il popolo è una bestia varia e grossa,
ch’ignora le sue forze; e però stassi
a pesi e botte di legni e di sassi,
guidato da un fanciul che non ha possa,
ch’egli potria disfar con una scossa:
ma lo teme e lo serve a tutti spassi.

Né sa quanto è temuto, ché i bombassi
fanno un incanto, che i sensi gli ingrossa.

Cosa stupenda! e’ s’appicca e imprigiona
con le man proprie, e si dà morte e guerra
per un carlin di quanti egli al re dona.

Tutto è suo quanto sta fra cielo e terra,
ma nol conosce; e, se qualche persona
di ciò l’avvisa, e’ l’uccide ed atterra.


33 – OP HET VOLK
Het volk: een veelzijdig, gigantisch groot beest,
zijn kracht onbewust, dit terwijl het toch staat
gewichtig met takken en stenen belaad,
beteugeld door ’n kracht’loze knul (er geweest 
zo ’t hem met één schop van zijn leiding geneest)
maar nee, ’t blijft geknecht en serviel en beaat.
Zo, doof, blind, en stom, door zwaarwegend gepraat
en leugens betoverd—weet ’t slecht zich bevreesd.

Onkenbaar! Het ketent zichzelf en het legt
elk lot in rex’ handen—sticht oorlog in ’t oord
voor ’n fooi: vergelijk waar een koning voor vecht!

Wijl al tussen Hemel en Aarde behoort
’t onwetend beest toe, maar zo ’t aan werd gezegd,
dan werd wie het zei door het beest vlot vermoord.

Share This:

Geef een reactie