VON SOLO in het donker

Deel 322. Donker

Het was halftwee in de nacht. Door het schemerduister wankelde ik van de slaapkamer naar de badkamer. Op mijn blote voeten op de koude tegels stond ik voor de wc. Water klaterde in de bak. Ik keek naar opzij naar buiten in de nacht. De gebouwtjes in de tuinen waren gedompeld in een onaards koud, blauw licht. Het was stil. In de belendende panden was geen enkel licht aan. Aan de wolkeloze hemel stond een gigantische maan. Dreigend. In stilte glipte ik terug in bed. En droomde. In de vroege ochtend werd ik met een stuiptrekking wakker. Voor de wekker. Het was nog steeds donker. Maar niet meer zoals een paar uur daarvoor.

Soms komt er iemand in je leven. Na de eerste woorden, de eerste blik, weet je dat deze persoon niet te vertrouwen is. Maar je wil dat dat anders is. Je vertelt deze persoon alles. Je stelt je open. Want je hoopt dat je gevoel niet klopt. Je hoopt dat alles nooit zo erg kan zijn, als je je voorstelt. En deze persoon zwijgt. Rustig voedend op je gedachten en gevoelens. In alle kalmte de offers verorberend als een wrede vergeten godheid. Pas met gespleten tong worden spaarzaam woorden gesproken. Altijd op momenten dat de tijd niets toelaat. Op valrepen en als de trein al wegrijdt. Maar jij hebt je geloften. Jij bent schatplichtig. Deze woekeraar doet niet aan advocaten. Maar jij wil enkel slapen.

Als de nacht bijna ten einde is, kleed je je aan. In zwart. Alles nauwsluitend. Het laat geen ruimte. Kent geen reflectie. Want je weet ondanks het ontbreken van de zon hoe laat het is. Je rent. Geen mens op straat. Geen leven en geen geluid. Tot de eerste tram langs rommelt en je de afslag neemt het bos in. Waar de vogels nog slapen en de geesten van vroeger stierven voor de belangen van de nieuwe mens. Het pad knarst onder je voeten en de koude wind striemt je gezicht. Niets of niemand kan wat doen aan de cycli van de maan. De maan is een koude dode steen. Maar als de duivel wakker is, wordt het kwaad slapen. Er zit dan niets anders op. Slijp je mes n steek het bij. Blijf wakker en wees bereid.

‘Bolje rat nego pakt, bolje grob nego rob’ (Servisch gezegde)

VON SOLO

DICHTER, COLUMNIST,  PERFORMER EN CINEAST

Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl

Share This:

Merik van der Torren: ‘ik had je nog willen vertellen over die blinde poes die uit Utrecht is komen lopen…’

Open brief aan de buurvrouw

Ik heb nog een paar verhalen laten liggen
in dat lange gesprek met jou;
verhalen over Mirjam en de blinde poes bijvoorbeeld.
Dat verhaal heb ik laten liggen
om te praten over de voeten van de buurvrouw,
tagliatelle en stokrozen en dat je niet
moet schoffelen in januari,

maar ik had je nog willen vertellen
over die blinde poes en hoe Mirjam aan haar kwam,
de poes die uit Utrecht is komen lopen,
de poes die thuiskwam,

komt een andere keer,
tot later,
dag

Share This:

jolies heij over het SLAM wezen

Over drietrapsmetaforiek & zolderkamertjes

Slam is als het leven zelf, stelde Ditmar op de Pom in een open brief aan columniste voor een hart onder de riem, waarvoor dank. Die “tweetrapsmetaforiek” duikt vast ooit wel in mijn biografie op. Ik vind het een adequate omschrijving van mijn werk en inderdaad, dit is niet altijd even toegankelijk voor het grote publiek. Dat de dichteresjes steeds jonger worden kan ik best hebben. Van gesjoemel met publieksstemmen heb ik niets gemerkt. Maar ik heb nu vier keer de eer gehad om aan de halve finale van het NK mee te mogen doen en ben daarvan drie keer stukgelopen op een incompetente jury zonder enig benul van zaken. Die stonden te stamelen en te schutteren van: ehm, dat vond ik wel een mooie regel, ja. Beste jury, het gaat er niet om wat u goed vindt, maar om uw deskundig oordeel!

Het zijn van die figuren die hun autoriteit aan hun “beroemdheid” ontlenen, maar de ballen verstand hebben van feedback geven, van voordracht, niet eens van de woordkunst. Toen ik begon met Slam, dacht ik dat het mijn literaire carrière een optater zou geven. Tot dan toe was ik een zolderkamertjesschrijfster met drie ongepubliceerde romans op mijn naam. Ik had geen connecties en kende geen andere schrijvers, want schrijvers waren losgeslagen types die steevast in de goot belandden, zo had ik van mijn moeder geleerd. Ik moest maar een fatsoenlijk beroep gaan uitoefenen, zoals lerares Duits, waar ik meesterlijk in ben gefaald. Toen had het idee zich in mijn hoofd postgevat om in alle stilte aan een roman te werken, waarmee ik in één klap zou doorbreken. Dit bleek echter voorbehouden aan de “nikserige” jongens als Ronald Giphart, Rob van Erkelens en Ingmar Heytze. Jonge schrijfsters/dichteresjes waren toen nog niet zo in trek als nu. Ja, je had Désanne van Brederode, maar die werd naar voren geschoven dankzij het feit dat ze Arjan Peters van de Volkskrant neukte. En je had Connie Palmen die weliswaar al ietsje ouder was, maar de hele grachtengordel neukte.

Zulke connecties had ik niet, maar ik was zo naïef te denken dat ik er met noeste arbeid, veel schrijven, veel schaven om mijn werk te perfectioneren wel zou komen. Mijn manuscripten pasten of niet in het fonds, of werden niet goed genoeg bevonden, dus bijschaven maar weer. Tot ik erachter kwam dat dit de standaardafwijzing van de uitgeefheren was en mijn woord zonder de broodnodige contacten een dode letter was in het literaire wereldje. Bovendien wilde ik van die zolderkamer afkomen. Letterlijk. Ik schreef in die tijd op de zolder van het eetcafé waar ik een Melkertbaan had met een fles wijn binnen handbereik en de dronken stad onder mijn raam. Het klinkt heel romantisch, maar het was vooral heel eenzaam. Ik had behoefte aan lotgenoten. Ik ging in mijn woonstee Utrecht op zoek naar podia. Dat viel vies tegen, want die zijn er in de kloosterstad met haar dienstbaarheid naar subsidieverstrekkers toe nauwelijks voor beginnende dichters.

Ja, een Michel Houellebecq wordt van de ruimhartige subsidie naar Utrecht gehaald, maar fris talent kon alleen bij de Uslam in de Bastaard terecht. Ik had inmiddels de ommezwaai naar de poëzie gemaakt omdat ik ook wel snapte dat zich dat beter leent voor voordracht dan hele lappen romanteksten. Ik vond Slam altijd iets voor elkaars dissende hiphoppers met hoodies. Ooit was ik ergens aan het begin van het millennium door de historicus meegesleurd naar Festina Lente. Wat een theater, wat een schijnvertoning en wat een slechte winnaar die een brij van onbegrijpelijkheid over de hoofden uitstortte. Maar ik had geen keus, in Utrecht was er niets anders. Zo werd ik wel gelijk in het diepe gegooid. De Uslam verloor ik glansrijk, de jury vond mijn gedichten hooguit geschikt voor op een tegeltje. Ellen Deckwitz won met een gedicht over haar fietsbel. Ik was er gelijk klaar mee en dacht: als ik over zulke banaliteiten moet schrijven om te winnen hoeft het van mij niet. Op puur geluk gaf ik me twee maanden later toch weer op voor de Slam in Zeist en won. Ellen Deckwitz zag mij plots staan. Slam heeft mij veel gebracht, veel lieve collega’s en vrienden. Ik hang mijn Slamvork ook nog niet geheel aan de wilgen. Maar dat NK hoeft van mij niet meer.

handleiding voor verliefden

ze zegt dat ze altijd verliefd is, dat ze de schimmel
in je koelkast wil zijn, maar jij hebt genoeg

aan je eigen woekeringen, je wilt wel verliefd
maar niet als zij dat dicteert, want een gevoel

laat zich niet in woorden vangen, je wilt liever
je eigen demonen kiezen, je noemt het poëzie

dat heet het beteugelen van de muze die je laat
kruipen voor een kruimel, een gelaagde toenaderingspoging

de gehengelde vis te glibberig voor jouw
geoefende handen, die je spijtig teruggeeft aan de zee

de diepte van gevangen in cliché’s, het woekerende
van metaforische anemonen, de stiltes die tronen

op wat jij haar nooit zult zeggen, een ander die wegloopt
die steelt wat jij lang geleden hebt uitgekookt

aan verlangen, de aanjager die de dichter beweegt
tot afdalen onder de huid, tot gistende cellen

maar eenmaal aan het licht, zo naakt, zo schriel
dat je enkel gevild tot op het bot en nog steeds verliefd

Jolies Heij

Share This:

Karin Beumkes: ‘Ik ruik de adem van verliefde rozen…’

de keuze van Karin Beumkes – mens&melodie op de maandag


Lichtwandeling

Er zal een dag zijn
dat alles klopt
ik vind het vliegtuig
naar een gestorvene terug
hij heeft in de hemel
de koffie klaar
en staat al blij
naar mij te lachen.

Ik ruik de adem
van verliefde rozen
er zijn geen gevangen vragen meer
we lopen gearmd
door het drukke stadsverkeer
en alle naargeestige nomaden
zullen voor ons wijken.

Karin Beumkes

antwoord aan mijn beum

hoe dood ook
weerstaan zal ik je niet – je tover pracht aan woorden
maar ook wie je bent hoor

ik zal de aarde voor je ploegen
dat je je koningin kunt voelen
(én ik zal die wennemars zijn bek snoeren anders kom je nooit aan je rust toe)

om vandaag te vergeten
en alleen nog te weten
hoe mooi je was

pom wolff

Share This:

FRANS TERKEN wint de enige echte virtuele unterwelttrofee op pomgedichten – Petra Maria zilver en Anke Labrie brons

wie wint de enige echte virtuele unterwelttrofee op pomgedichten?

dank aan alle dichters die ons lezers lieten meegenieten in hun onderwereld. onder de gedichten leest u het juryrapport – overleg hier in het redactielokaal over de bekroning leverde drie namen op als kanshebbers – frans terken, petra maria en anke labrie – berichten uit de unterwelt op poëtisch wijze geëtaleerd – anke doet het met veel bloed deze week – petra maria zonder uitzicht en hoop en frans terken houdt de hel heel aktueel – kiezen we hier in het redactie lokaal voor fransgoud, petramariazilver en ankebrons. arbitrair maar natuurlijk en van harte!

  • Frans Terken – jij stak nog een hand uit voordat je wegzakte
  • Rik van Boeckel met weemoed
  • Petra Maria – we gaan elkaar verliezen alleen nog niet vandaag
  • Marc Tiefenthal – liever dood dan levend
  • Cartouche een op- en ondergang
  • Jolies Heij met een handleiding voor verliefden
  • Marten Janse Dat was het…
  • Anke Labrie van begin tot eind
over uw unterwelt graag deze week!

juryvoorzitster (bregje) hoedemakers is volgende week weer aan zet – deze week gaat u met webmaster de unterwelt in – ‘een opgeborgen zijn om uit te breken’ – schreef ik eerder in cel 041 van de inmiddels gesloten inrichting – de haarlemse koepelgevangenis. ergens vermoed ik bij elke dichter een unterwelt – voor den draat daarmee! nu willen we het ook weten ook. op naar uw unterwelt dat we ervan lezen mogen. u kent de regels:
de gedichten niet te lang svp – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10.30 uur. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of ‘laat een reactie achter’ onderaan dit item – ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst.

unterwelt

likbaar koud verkild een liedje
totdat het over is voorbij
een houtje nog om op te bijten
kun je daarmee leven
je zal wel moeten

ik heb het over unterwelt
een onbestaanbaar niets
zo onbestaanbaar kan het liefste zijn
de vrouw die je net een hand gaf
dat was je moeder jongen

pom wolff

Wees welkom zegt hij

In de onderwereld waar het vergeven is
van haatdragende lieden zeiksnorren
die op jacht naar tere vaasjes
de weelde van liefde naar het leven staan

zoals de baardaap die klimaatrammend
de borstelharen in vuur en vlam wil zetten
de uitslaande brand slaat terug
in het verwrongen aangezicht

dat ik uit die hel jou moet redden
jij stak nog een hand uit
voordat je wegzakte en onderging

wilde je aan je haren daarbovenuit trekken
maar kon enkel toezien
hoe je me door de vingers gleed

FT 19.01.2019

tegenover het utopia van john de mol de unterwelt van de dichter. deze week. al heeft utopia op tv heel veel weg van een unterwelt – alle kwade dampen en sappen van de gehele mensheid mogen we elke dag weer meebeleven – ze elimineren elkaar, er wordt geroddeld tot ze er bij neervallen, ze zijn verslaafd, ze jatten van elkaar – het is de hel! hebben we gelukkig die prachtige unterwelten van de dichters nog – waar het goed in taal toeven is. frans terken heet welkom. leidt ons naar een wereld van politiek en gekonkel – geen redden aan en zo mogen we dat ook aan het einde van het gedicht lezen. de VVD de hel – een politiek statement van frans voor de goede lezer. ik vermoed niet dat hij wordt uitgenodigd op een VVD congres als dichter spreker. welkom op pomgedichten in een  zuiver klimaat voor elke dichter!

Langs aders

Verankerd in de regel van verliefdheid
losbrekende impasse van de passie

een nieuwe laag van betekenis
herbergt de kamer van het hart

aorta van ritme zoekt uitweg
langs aders van weemoed.

Rik van Boeckel

het zoeken van een uitweg langs de weg van de  weemoed – in de unterwelt is het erger, harder. het zachte gemoed van rik zit hem in de weg bij een genadeloos thema als UNTERWELT.  geen redden aan – zoiets moeten we lezen rik. voor dit thema ben jij te lief.

ONS WACHT

hetzelfde
eenmaal gevonden
telt verval niet
het leven
haalt ons toch wel in

ik weet het wel
achter de zwarte nevel
zijn de nachten donker
waar anders
wordt het licht gebroken

we gaan elkaar verliezen
alleen
nog niet vandaag

PetraMaria

zo zien we het graag – dat we elkaar gaan verliezen – inderdaad geen redden aan – dat is het thema – unterwelt – we gaan ten onder dat we het weten – dichter petra maria stelt het allemaal nog 24 uur uit – en dat mag – daar is taal voor daar heeft ze woorden voor daar zijn de woorden voor.  maar de zinloosheid van het bestaan – de mensheid aangeboren unterwelt – is gegeven in de titel.

Hoe vind ik mijn hel terug?

Een dief in het diepst van mijn getaal.
Wie mijn onderwereld wil onderzoeken,
vraag ik beleefd te wachten tot ik sterf.
Ik wil liever dood dan levend worden gevild.

Onderhuids houd ik alles verborgen.
Het krioelt er.

Slechts wie mij liefheeft krijgt er toegang.

marc tiefenthal

de vraag stellen is de vraag…. deze variant op neeltje maria min – heeft net teveel IK in zich om geloofwaardig over te komen voor de lezer.

Zonder schrik

Graag zou ik een gang graven in een hersenpan
historisch worden – in een boekenkast vooraan of
ergens achteraf – niet slapen, maar een vaste plek
op aarde in plaats van zwalken over water, agitato

of andante tot de dood, geen smachten meer
naar een eerlijk zeemansgraf, hemel, goddelijke
komedie, maar een doorgang naar en opstaan
uit de onderwereld zonder ooit nog om te zien

mijn lieve E., jou hand tong en lippen te laten
om bloedrood samen te smelten en te drogen
als levende legende ons geheime leven te lezen
hoe en wie we zijn, wat ik ben, een of twee

in een wereld zonder schrik en prikkel
heeft voor wie niet veel verlangt alles
elke draad iets weg van een pantheon

een op- en ondergang

190119
Cartouche

Cartouche gaat zich weer eens helemaal te buiten – muziektempo’s, romeinse tempels alles maar dan ook alles door de tijd heen wordt ingezet om de kronkels in zijn hoofd om die ene (geheime) geliefde heen vorm en luister  te geven – we begrijpen het lieve Cartouche – het is ook niet allemaal makkelijk het leven. we ontmoeten die lieve E graag – op deze manier beschreven zijn we van haar gaan houden – is ze ook van ons geworden – moet je haar met de lezer delen. in de unterwelt van Cartouche kom je prachtige schonen tegen zoveel is nu duidelijk geworden, in de unterwelt van Cartouche is Cartouche nooit alleen. in de unterwelt van Cartouche is het sodom en gomorra. zo brengt Cartouche culturen bijeen.

handleiding voor verliefden

ze zegt dat ze altijd verliefd is, dat ze de schimmel
in je koelkast wil zijn, maar jij hebt genoeg

aan je eigen woekeringen, je wilt wel verliefd
maar niet als zij dat dicteert, want een gevoel

laat zich niet in woorden vangen, je wilt liever
je eigen demonen kiezen, je noemt het poëzie

dat heet het beteugelen van de muze die je laat
kruipen voor een kruimel, een gelaagde toenaderingspoging

de gehengelde vis te glibberig voor jouw
geoefende handen, die je spijtig teruggeeft aan de zee

de diepte van gevangen in cliché’s, het woekerende
van metaforische anemonen, de stiltes die tronen

op wat jij haar nooit zult zeggen, een ander die wegloopt
die steelt wat jij lang geleden hebt uitgekookt

aan verlangen, de aanjager die de dichter beweegt
tot afdalen onder de huid, tot gistende cellen

maar eenmaal aan het licht, zo naakt, zo schriel
dat je enkel gevild tot op het bot en nog steeds verliefd

Jolies Heij

onze jolies heij door ditmar bakker op een paard gezet. maakte haar eigen slamhel mee deze week. en daar zit je dan in de unterwelt van de slam. iedereen weet al jaren dat ze daar in utrecht – het zit ze in de vezels – het was ooit  alexis al die stiekum ooit muntjes in potjes liet gooien om slams te winnen door voormalig vriendin gina vd B.  – dat ze daar alles ‘voorprogrammeren’ maar lieve jolies doet er tien jaar over om dat te ontdekken. het is de onschuld in haar wezen – in het wezen van een dame op leeftijd – wat moet je nog willen slammen te midden van 11 jarigen? nouja we lezen jolies hier. in een handleiding voor geliefden en we stuiten meteen al op schimmel? lekker is dat.

we lezen over een hij en een zij – en hij zoekt het in de poëzie – kiest liever zijn eigen demonen – lezen we – mooi is dat. en ook zijn muze laat hij kruipen – de dichter komt er niet goed vanaf – zoveel is zeker. maar aan het einde van het gedicht is ze nog steeds verliefd. nou best wel mooi toch zo een verhaaltje in de ochtend.

zie hoe het verhalende slamwezen in deze dichteres heij is getrokken. er komt geen normaal woord meer uit. van de mooiste thema’s maken slammers verhaaltjes. en die verhaaltjes moeten uit jonge monden gesproken worden. en dan plak je het woord slam op de onvolwassen zoektocht in het leven en dan heb je slam. in 010 in de schouw hoor je niet anders van die 0-10-ers. tijd voor onze heij om de poëzie weer eens te omhelzen, te aanvaarden in het leven. om volwassen te zijn.

Schaduwwereld

Weggedoken in mijn kraag
doodgelopen in een steeg
speelt licht een vals spel
met avond en adem

Je duikt op in maanlicht
glimmend rood en zwart
ontmoet je geschiedenis
in mijn trage ogen

Dat was het en meer
is er niet geweest
Weinig woorden
Nauwelijks poëzie

Marten Janse

marten janse vat de unterwelt mooi samen – een leven zonder poëzie – dat is de unterwelt in optima forma. gelukkig maakt marten er poëzie van  in en  met de dichters van  de haarlemse dichtlijn – dat las u hier

van begin tot eind

krijsend glijdt ook hij
bloederig de wereld in
projectiescherm voor al hun dromen

vanaf de start
wilde hij niet gepamperd worden
in de drek wilde hij graaien
kraaiend van genot
niet de trots zijn van zijn ouders
niet de knapste van de klas
aan zijn eigen dromen
had hij zijn kinderhanden vol

uit huis gezet voor hij vertrok
zocht hij in elke vrouw een moeder
elke man werd een rivaal

hij haalde het journaal
en alle kranten
bij zijn bloederig einde

anke labrie

het leven in een notedop – de hel – de unterwelt – bloed ook – de poëzie hier van anke labrie. dat we bloederig te wereld komen en bloederig ten onder gaan. noem het maar een zonnetje dit gedicht. met kracht lijken de woorden hier op het papier gesmeten – zo gaat het toe in de unterwelt van dichters.

Share This:

DITMAR BAKKER: Open brief aan Jolies Heij, betreffende haar nederlaag op de halve finale van het NK Poetry Slam ten faveure van een elfjarige dillettant-in-wording

Ditmar Bakker veegt de vloer aan met….

Beste, lieve en weldenkende Jolies,

De afgelopen dagen heb ik zijdelings in de gaten gehouden welke wantoestanden zich nu weer in Slamland hebben afgespeeld—ik voel me enigszins met je verbonden; wij hebben beiden een decennium slam achter ons liggen, al heb jij de tomeloosheid der inzet de afgelopen jaren weten op te voeren waar de mijne enkel afkalfde: ik zoek zo nu en dan een slam uit waar ik aan mee wens te nemen, en laat de happy few soms delen in een klein optreden op een festival of in een theater waar geen mens nadien ruchtbaarheid aan geeft. Na driemaal deelnemen aan een halve finale van het NK Poetry Slam; na een ban op een site voor geriatrische plezierdichters; na het aan der lijve ondervinden hoe vertalingen die door een expert op de gebieden van vertaalkunde en Italiaans ‘kundig en kunstig’ werden genoemd, door dommere mensen dan de expert maar desalniettemin studerenden op talig gebied klaarblijkelijk niet werden begrepen, want te moeilijk, was het mij duidelijk: enig plezier en mogelijke postume roem waren de zaken waar ik mij op voor zou kunnen staan—geluk is met de dommen en succes ligt bij de modus. Mijn operandi blijkt voor fijnproevers, wellicht de jouwe ook—of ligt ze in Duitsland.

Ik wil en zal niet pretenderen dat ik jouw poëzie begrijp—de eervolle keer, echter, dat jij een gedicht aan mij gewijd hebt, vielen schellen van mijn ogen en werd ik in staat gezet middels jouw poëtica te communiceren: ik vraag me af of méér dan een vijftal mensen buiten onszelf de woordenwisseling begrepen heeft, maar wij begrijpen elkaar inmiddels. Nietwaar, Jolies? Althans, corrigeer me wanneer ik het mis heb, maar jouw poëzie—vertalingen daargelaten—lijken mij gekenmerkt te worden door een soort ‘tweetraps-metaforiek’ die voor buitenstaanders nu eenmaal onbegrijpelijk blijft, en misschien is dat het punt—ik weet het niet. Dorothy Parker als sletje van Hemingway, dat was mijn sleutel tot jouw herme(neu)tiek, en sedertdien kan ik vaker door de beschilderde vensters kijken waarvan ik vermoed dat ze voor je geheugenpaleis liggen.

Evenzogoed—je poëzie mag onbegrijpelijk zijn voor de meute: dat is de norm in letterland geworden sinds nazi’s en Vijftigers, die recentelijk doorweven zijn in het groots tapijt dat naoorlogs Nederlands poëzieland vormt. Een vleug mystiek en misinterpretatie van sprung rhythm is voldoende voor de VSB Poëzieprijs in officiëel letterland—erg genoeg, maar de schattigheid van een elfjarige (het gekkengetal, nota bene) is voldoende voor een aanzet daar naartoe. Wacht—hier kom ik nog op terug, want onze verlossing ligt, paradoxaal genoeg, nu juist dáárin.

Adriaan Jaeggi—ook al dood—verwoordde het netjes in zijn recensie van Tjitske Jansens “Het Moest Maar Eens Gaan Sneeuwen”, die eenvoudige bundel slampoëzie bestaand uit gevoelsuitstortingen die met een lichte cursus metaforiek-en-lastiger-beeldspraak volkomen duidbaar is als lichtzinnigheid die naar paarse viooltjes en zure lappen ruikt: “Op poetry slams wordt poëzie voorgelezen, voorgedragen, geschreeuwd, geacteerd, gefluisterd, alles mag, en de beste voorlezer – degene die het hardste applaus krijgt – wint. Dat is heel oneerlijk, want vaak winnen mensen met een grote bek en oppervlakkige gedichten het van bescheiden types met gedichten waar lang over is nagedacht. Ook krijgt een lekkere meid met een gedicht over neuken vaak aanzienlijk meer applaus dan de getergde jongen met zijn homerische lofzang op het antiglobalisme. Poetry slam is, kortom, net het moderne leven.”

We zien thans de doorbraak van Dagmer Dimer Koolwijk—een naam die aan kindermishandeling grenst—die de aanmoedigingsprijs kreeg van een vakjury in Festina Lente, maar hierdoor (ik wed dat de jury zichzelf de haren uitgetrokken heeft) per ongeluk doorstiet naar de halve finale van het NK. Jolies, ik wed dat we geen vrouwelijk Rimbaud getroffen hebben, en zelfs die was haast zestien toen hij begon met zijn baanbrekendheid en willig ondergaan van pederastie. Wel hebben we van doen met de ultieme schattigheid, het dappere kind dat zich de bühne opgevochten heeft en tussen schreeuwlelijkerds haar broze, lieflijke teksten krijt: wie zou daar nu níet voor stemmen?

Wel, iemand die poëzie serieus neemt—wat publiek noch vakjury blijkt te doen. Het is precies zoals ik las in…ik meen in Filter, dat lees ik graag, maar het kan ook een ander vakblad vol littéraire bobo’s zijn geweest, en ik parafraseer naar memorie: poëzie is een kunstvorm die elke sociale, maatschappelijke, politieke en economische relevantie verloren heeft. Het naar voren duwen van een elfjarige is hier een symptoom van: liever geeft men een prepuberaal kind een podium, dan het werk van een academisch en bovendien in het vakgebied gepokt en gemazeld auteur, zoals jij, Jolies. Eigenlijk is het nog gemeen ook dat wicht klaar te stomen voor twintig jaar desillusie, want stoppen met het beoefenen van die sociaal, maatschappelijk, politiek en economische lege (kunst?)vorm zal ze voorlopig niet doen, terwijl ze waarschijnlijk gewoon orthodontist worden kan, getuige het kekke brilletje dat haar patchwork-family-parents haar opgezet hebben.

Wij, Jolies, de volwassenen die gepokt en gemazeld zijn en met enige laconie naar de wansmaak die wordt uitgespeeld kijken en luisteren, hopen stiekem op haar winst: aangezien het publiek nu eenmaal de dienst uitmaken zal op het NK, is er gelegenheid genoeg het schattige, dappere, lelijke meisje (maar lelijk in de luier is prachtig in de sluier, al is haastig getrouwd snel berouwd, Dagmar, gebruik je hoofd als je je voeten wilt sparen en meer van zulks) tot letterkundig hertogin te benoemen bij monde van een onkundig publiek dat nu eenmaal liever eigen zelfingenomenheid bevestigt door de Vent de Parnassus op te juichen in plaats van de Vorm—wat ten tijde van Forum al Inhoud betekende—met het respect te bejegenen dat zij verdient.

Voor wat de vakjury betreft—het is vreemd hoe een kunstvorm waarvan sinds de jaren ’60 bij monde van Barthes het credo ‘De auteur is dood’ zou gelden, de laatste jaren bewezen heeft dat dit in een substantiëel deel van haar uitvoering niet (meer?) geldt. Dat een elfjarige dit bewijs moest leveren, is treurig. Wellicht kent de vakjury haar theorie niet en is—zoals Jaeggi in zijn recensie ook al stelt, leest u maar na—de slampoëzie werkelijk de rock ’n roll van deze jaren, waarbij het uiterlijk van de deelnemer belangrijker is dan wat deze ook te berde brengt.

Dus Jolies, wellicht wint die lelijke eend en krijgen we ons armzalig gelijk; zullen we wéten dat poëzie, of Slampoëzie in elk geval, in Nederland niet méér behelst dan wat we op de speelplaats van de basisschool mochten uitvechten: welke kleuter het hardst op een biels ‘poep’ durft te roepen tot jolijt van de minder dappere-of-aangedane kinderen tot een pedagogisch geschoold volwassene het groteske circus een halt toeroept—poëziecircus: chapeau.

Overigens, Campanella, die oude, gekke filosoof-cum-magiër, wist het zo’n vijfhonderd jaar geleden al. Zijn sonnet zegt het in volledigheid:

***
17 – KONING IS NIET WIE EEN RIJK HEEFT, MAAR WIE WEET TE REGEREN

Geen have—penselen, pigmenten, waarmee
hij somtijds op muur of doek kliedert en klunst—
maakt ’n schilder; de gave bezit hij der kunst
al zonder inkt, slagpen, pot, stift of cahier.

Noch maakt hem een pij of tonsuur tot abbé,
en ’t volgzame rijk tot een rex? Transeuntst;
nee, Jezus, Mars, Pallas inéén zijn begunst
de poverste slaaf—hoedde vader dan vee. 

Geen mens komt ter wereld natuurlijk gekroond
als heerser der beesten—die hebben ’t van node
daar investituur ze hun meesterschap toont.

Ik zeg: ’n republiek is aan ’t mensdom geboden…
O rex, niet door ganzenveer, pluimpjes gedroomd:
doch proeve in zon—en in deugdzame mode.
***

Ik blijf, Jolies, één uit de karige vierschare lotgenoten,

Ditmar.

Share This:

VON SOLO: ‘Met een gevoel van weemoed en verwondering realiseerde ik me dat ik nu dus ook echt zo’n vader ben geworden…’



VON SOLO
DICHTER, COLUMNIST,  PERFORMER EN CINEAST
Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl

Deel 321. Blik

Het was vrijdagavond. Ik zat in de knutselwerkplaats aan de voorzijde van onze woning en deed een poging de fiets van mijn dochtertje te repareren. De achterband was lek en de voor rem remde niet meer. Een echte vader repareert dat soort dingen. En dat doet hij dan vooral graag na zo’n eerste werkweek na de vakantie. Zo’n werkweek die aanvoelt als een nieuwjaarsduik. Je springt als bij Scheveningen het koude water in en worstelt vervolgens drie dagen om weer boven te komen. Boven gekomen breek je door het oppervlak. Met je hoofd boven water kijk je rond. Het eerste dat je ziet is weer zo een golf die op je afkomt. Je gaat weer kopje onder. En voor je het weet zit je om negen uur ’s avonds op vrijdag nog een fiets repareren.

De buitenband zat erg strak, wat het lichten ervan met mijn oude metalen bandenlichters niet gemakkelijk maakte. De binnenband bleek lastig uit de buitenband te halen. Dat kwam door de schuifrem. Die moet eerst los, alvorens je het wiel weer vrij kunt bewegen. Het kostte me ruim vijf minuten om daar achter te komen. Ik vond al snel het lek. De oorzaak was een stukje glas in de buitenband. Ik plakte de band en legde hem er met de nodige moeite weer op. Pompte de band op en hoorde het sissen. Weer opnieuw de band eraf, om tot de conclusie te komen dat er nog een lek in zat. Ook geplakt, band opgepompt en deze bleef wonderwijl hard.

Het stellen van de voor rem leek zo gebeurd. De rem bleek echter niet te werken omdat de kabel in de knijper los was gegaan. Toen ik de knijper demonteerde sprong er een veertje uit, dat er voor zorgt dat de knijper na inknijpen ook automatisch de uitgangspositie weer inneemt. Na zeven pogingen lukte het om zowel de kabel te bevestigen als het veertje weer op z’n plek te krijgen.

En toen klonk er een geluidje. Ik was nog zodanig geconcentreerd, dat het geluidje op de tweede band binnenkwam. Er begon een tandwiel in mijn hoofd te kraken. Het was het geluid van een blikje. Een leeg blikje. Een leeg blikje dat in een fietskrat viel. In een fietskrat vlak voor mijn deur. Mijn fietskrat dus. Als ik zie dat iemand slinks zijn rommel in mijn fietskrat heeft gemieterd, word ik altijd boos. Dit proces speelde zich dus halfbewust in mijn hoofd af in een spanne van tien seconden. De conclusie, die zich ineens bewust aandiende was duidelijk. ‘Iemand heeft zojuist een blikje in mijn fietskrat gegooid, en daar word ik boos van!’

Ik sprong op en rende naar de voordeur. Deed deze open en keek in mijn fietskrat. Daar lag een leeg blikje energie drank. Twintig meter verderop liepen drie jongemannen. Ik griste het blikje uit de krat en riep: ‘Heeee!!!’ De jongens keken om terwijl ik in hun richting beende. Tot mijn verbazing zetten ze het op een lopen. Ik zette zelf ook een sprint in. Eén van de jongens vloog rechtdoor en de twee anderen schoten een zijstraatje in. Ik ging het tweetal achterna. Het was een hele toer ze bij te houden en toen we de bocht naar de volgende straat om gingen schatte ik mijn kansen goed ze in te halen. Maar ik had ook mijn voordeur open laten staan, en dat zat me niet lekker. Ik riep ze na dat ze zoiets niet nog een keer moesten flikken en staakte de achtervolging.

Ik liep terug het zijstraatje in. Een hipsterstelletje kwam uit het duister en liep met me mee op. ‘Is er iets ergs gebeurd?’, vroeg een meisje in een bruin suède jas met een knot op haar hoofd. ‘Nee,’ zei ik ‘ze hadden een blikje in mijn fietskrat gegooid en ik vind dat dat niet hoort. Dat wilde ik ze duidelijk maken.’ ’Oh, een van die jongens ging daar in dat bochtje aardig op zijn plaat, dat moet wel zeer gedaan hebben.’ Toen ze dat zei voelde ik me een beetje schuldig. Het enige dat ik wilde was uitleggen dat ik niet gediend ben van afval in mijn fietskrat. Toen bedacht ik me dat ik me net mijn vader voelde. Die heb ik, toen ik jong was, om zoiets kleins ook ooit uit zijn slof zien schieten jegens enkele plaaggeesten uit de buurt. Dat vond ik indrukwekkend en stoer en ook wel een beetje spannend.

Met een gevoel van weemoed en verwondering realiseerde ik me dat ik nu dus ook echt zo’n vader ben geworden. Ik kan me nauwelijks voorstellen waarom drie jongens in de bloei van hun leven op de loop gaan voor een klein ouder mannetje. Wat was ik van plan geweest? Of misschien is dat toch een beetje oer magie. Net als de laatste keer bij de poëzie avond in de Schouw iemand me vertelde dat ik veel groter lijk als ik voordraag, dan wanneer je naast me staat. Dat er toch meer aan de mens is, dan enkel zijn fysieke lichaam. Dat het een geheel is van lichaam en geest dat je op bijzondere momenten als compleet laat zien.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd, zat de voorruit van ons huis er nog in, mijn fiets was onbeschadigd en de fietskrat leeg. Er was ook niet in onze portiek gepist. De achterband van de fiets van mijn dochtertje stond weer plat. Zo’n supermens blijk ik dan toch ook weer niet te zijn. 

Share This:

MERIK VAN DER TORREN kandidaat Nobelprijs voor witte wijn

met de woorden ‘mijn grijze leren pet (is) gevonden’ heeft merik van der torren de wereld mededeling gedaan van zijn enorme blijdschap. eerder ontvingen we het bericht van een geheel ontredderde merik: ‘de Smoeshaan en dronken (…) witte wijn. Op weg naar huis wist ik: ik ben mijn pet vergeten, mijn grijze, leren pet.’

witte wijn/grijze pet  – op de een of andere manier hebben deze zaken met elkaar te maken leren we van de mededeling van merik.

  • als u witte wijn drinkt draag in godsnaam nooit een grijze pet
  • rode wijn? zet rustig uw grijze pet op – no problem
  • toch zin in witte wijn draag een witte pet, een zwarte pet, een kleurtje
  • grandmarnier, cola,  elke drank wat dan ook, alcohol geen alcohol, alles  is te combineren met de grijze pet – die pet blijft gewoon op uw hoofd zitten

het is onze merik die een nieuwe natuurwet proefondervindelijk heeft blootgelegd (als een hoofd zonder deksel) dat een nobelprijs in 2019 voor drinken niet uit kan blijven: wilt u van uw grijze pet af drink witte wijn! (maar dan wel in de hoeveelheden die merik gewend is).

Share This:

Merik van der Torren pet terug – jos van hest heeft de bundel betaald

merik bericht over zijn hervonden leren pet – op mijn vraag of die van hest inmiddels de beleefdheid heeft gehad om meriks bundel te betalen die hij had besteld antwoordde merik: ‘Vanochtend heeft Jos de bundel betaald, met een excuus dat het zo lang geduurd had.’

Dagboekaantekening, 11 januari 2019

Gisteren kreeg ik een nieuw modem aangesmeerd,
de volgende dag zou die worden bezorgd.
“s Avonds dronk ik met Mirjam heerlijke cappuccino in de Smoeshaan.
Na de rondvaart langs bijvoorbeeld tachtig lichtgevende spinnen op de Herengracht,
keerden we terug naar de Smoeshaan en dronken er witte wijn.
Op weg naar huis wist ik: ik ben mijn pet vergeten, mijn grijze, leren pet.

Vandaag hing ik een briefje bij mijn voordeur: Beste postbode, pakket gaarne retour.
Ik tramde naar de Smoeshaan,
mijn grijze leren pet was gevonden, lachte de barvrouw en schonk me nog eens in.
En zo is het goed. Zo kunnen we verder, op naar de volgende voorstelling.

Share This:

JOLIES HEIJ hekelt het fundamentalisme van de utrechtse literatuurprof Fabian Stolk

over haar tienjarig slamjubileum

Over blaadjes & stemtelling

Tegen de tijd dat u dit leest, lieve lezer, ben ik mij aan het opmaken voor de halve finale van het NK Poetry Slam vanavond in de utrechtse Bastaard. Een thuiswedstrijd, dus een makkie, zou je denken. Niets is minder waar. Misschien komt het doordat ik de laatste tijd te weinig in het Utrechtse te horen ben geweest, maar bij de Uslam, waar het publiek tegenwoordig de dienst uitmaakt, lig ik er steevast na de eerste ronde uit en ben ik ver daarbuiten, in periferieën als Heerlen en Almelo, een stuk succesvoller. Of nou ja, meestal word ik tweede, een enkele keer win ik.

Desalniettemin besloot het Literatuurhuis om mij een wildcard te verstrekken. Een jonge dichter vroeg mij laatst: wat moet je doen om zo’n kaart te krijgen? Geen idee, antwoordde ik, volhouden misschien? Want, lieve lezer, dit jaar vier ik mijn tienjarig Slamjubileum. In die tijd heb ik een handvol jaarfinales gewonnen, werd ontelbare malen tweede, stond drie keer in de halve finale van het NK en heb het nog nooit tot in de finale gered. Ik ken er maar één die net zo fanatiek is als ik: Erika de Stercke, van wie ik de voorronde in Almelo nu eens heb gewonnen. Maar Erika stond al wel eens in de finale. En Erika doet de teksten uit het hoofd als het erop aan komt.

Ik krijg dat niet voor elkaar en dat levert op het NK strafpunten op, al heeft Daniël Vis ooit met zijn multobandje gewonnen. Dat geeft maar weer aan hoe arbitrair de beoordeling van jury en publiek is. Al zijn sommige juryleden heel consistent in hun beoordeling. Als voorproefje stond ik vorige week op de Awaterslam van de studievereniging Nederlands in de Kargadoor. De jury werd voorgezeten door de docent, tegen wie ik wel eens tijdens een halve finale ben aangelopen en die mij steevast het paspoort tot de finale weigert: onze plaatselijke literatuurprof Fabian Stolk. En wat vond de literatuurprof van mijn performance? Typische Slamtoon, te veel Slamdictie, staat van haar blaadje voor te lezen. Dat is de grammofoonplaat die hij bij mij steeds weer heel consistent opzet. Maar dit is toch ook een Slam? merkte mijn metgezel niet-begrijpend op, om dan verontwaardigd te blazen: jij hebt dan wel het papier in de hand, maar je wekt niet de indruk dat je het opleest.

Ach, sommige jury’s zijn daar behoorlijk fundamentalistisch in, gaf ik schouderophalend. Het is niet zo dat ik te lui ben om teksten uit mijn hoofd te leren, het kost me echt vreselijk veel moeite. Op school leerde ik op herkenning. Niet eens de duitse voorzetselrijtjes kon ik opdreunen, maar als ik “mit” zag staan, wist ik automatisch dat er een derde naamval moest volgen. Tijdens mijn studie moest ik voor een tentamen Middelhoogduits een hele reader over middeleeuwse literatuur van buiten kennen. Daar heb ik wekenlang op zitten zweten en bloeden. Bij toneel koos ik altijd voor een bijrolletje met zo min mogelijk tekst. Bovendien kan ik als asperger niet goed multitasken, als ik op het podium in mijn hoofd mijn tekst aan het recapituleren ben, lukt het me niet om tegelijkertijd contact met het publiek te maken. Dan kan ik dat blaadje er maar beter bij houden, dat verschaft me rust waardoor ik een stuk ontspannener op het podium sta.

Overigens heb ik eerder het vermoeden dat jury’s, die op mijn blaadje afgeven, feitelijk niet van mijn poëzie houden en dat blaadje als excuus gebruiken om mij af te serveren. Mijn metgezel maakte het daarop nog wat bonter. Toen de publieksstemmen geteld moesten worden en de studentes zich een paar keer vértelden, merkte hij als natuurkundige en rasbèta op: het valt voor die alfa’s ook niet mee om goed te tellen. Een verontwaardigd gesis viel ons ten deel en de studentes Nederlands draaiden ons hooghartig hun nek toe.

Dus lieve lezer, als dit riekt naar meer, als u meer Slamperikelen wilt, mij met mijn blaadje van het podium te zien worden gesleurd, kom dan vanavond om acht uur naar de Bastaard op het Jansveld te Utrecht. Want uiteindelijk is het dat wat Slam voornamelijk is: amusement. En daarna kunnen we weer fijn achterover leunen, de tegenkandidaten dissen en de jury zwart maken. Het houdt ons van de straat en op het virtuele dorpsplein.

laatste trein naar nergens

we kwamen uit de stad, hebben onder kasseien geleefd
speelden liedjes voor elkaar, beschonken en uit de maat

het daglicht tekende onze contouren, poleerde de glazen
in nachttreinen is het moeilijk ademhalen

de zelfkant van het recreatieve pierewaaien
heeft zich verzameld in konvooien naar de rafelranden

er wordt een moord begaan voor een zoen, al plakt het
en alle menselijke resten in rafels op een natte bank

het is een zeurend begin van zouteloze dagen, de vragen
die je vervoert door rijdende kamers in de nacht

de opgeschoren nekken van matrozen te fijn voor jouw
eeltige handen, te guur voor dit tijdstip en alles ligt besloten

in het nachtzicht van de man die de sporen blindelings volgt
je kunt de slaapstad ruiken, de geur van stukgekookte

spruiten, opstandigheid gaar gesmoord en het ontwaken
al verdronken voordat je op weg was, hier springt men laag

maar zo lang de trein rijdt kun je zingen van verre
kusten, tussen waken en slapen dromen ontginnen.

Jolies Heij

Share This: