VON SOLO strijdbaar!

Deel 341. Strijdbaar

Er is altijd iemand groter dan jij. Er is altijd iemand sterker dan jij. Er is altijd iemand slimmer dan jij. Er is altijd iemand anders dan jij. En jij bent altijd iemand anders dan de ander. En toch proberen we maar al te vaak hetzelfde te zijn.

En daarom willen we vechtsporten doen. Laatst ging ik wandelen met mijn dochtertje langs de plas en zagen we een rijke blanke man, met zijn zoon, gecoached door een ex-crimineel, boks oefeningen doen op het trapveldje. Echt heel stoer. En in hun geval, handig tegen buitenlanders, vluchtelingen en arme mensen. Ook gewoon als ze je niet lastigvallen, dan kun je ze toch als in de tijd van de plantages een pak rammel geven. Vooral zielig ook. Want die zware jongen die hun ‘traint’ weet ook wel dat het bange mannetjes zijn.

Bange mannetjes doen dat soort dingen, omdat het ze aan een killer instinct ontbreekt. Iemand met handschoenen aan een tik verkopen, of een watje op het schoolplein samen met je vrinden in elkaar slaan is kan natuurlijk heel stoer overkomen op Instagram. Maar dient het een doel? Behalve misschien een paar likes en de credits dat je weer een lief en zacht iemand beschadigd hebt. Nee, wees dan een man, zoek een in en in slecht mens uit en schop die blijvend de invaliditeit in. Zoiets vereist een bepaald karakter, dat het deze parkboksertjes ontbreekt. Die bellen liever eerst hun advocaat en laten zich dekken door hun vriendjes. Bange mannetjes. Nog het meest voor zichzelf. Om erachter te komen hoe ze echt in elkaar steken.

Zelf zal ik het niet onder stoelen of banken steken. Ik ben levensgevaarlijk. Niet omdat ik zo groot ben of sterk. Niet omdat ik voortdurend met wapens rondsjouw. Maar wel omdat ik bereid ben. En bewust. Ik weet hoe breekbaar het leven is. Bewust dat de mens niet slecht is, maar enkel bang. Bang voor de ander en daarmee zichzelf. Daarom doen menselijke wezens zulke malle dingen. Omdat ze geen idee hebben wat ze ook zouden kunnen doen met hun tijd, als ze zich wat minder van die angst voor de anderen zouden aantrekken.

Ik weet het wel, en daar heb ik geen coach voor nodig.

Share This:

MIRJAM AL op de woensdag: ” En nu effe serieus….”



En nu effe serieus
 
Wat denk je? Loop ik in de Kalverstraat, kom ik een ijsbeer tegen. Hé, meneer  de Beer, zei ik, wat doet U hier nu weer? Dit is trouwens de eerste keer, dat ik een ijsbeer zie in de Kalverstraat in dit pokkenweer. Ja, en ook de laatste keer, blafte Ijsbeer terug, want morgen is mijn sneeuwwitte Saab met chauffeur weer klaar en dan rijd ik naar de evenaar, es effe kijken daar of er nog wat te bikken valt voor de wereld uit elkaar knalt. Olivier Hardy zei ooit, ik citeer: It’s a nice mess you got me into. En Stan Laurel dan: O, but I did not do anything. En Olivier Hardy weer: That’s just the problem: that you did not do anything, while you had to.
Het is altijd de ander zijn schuld. Maar diep van binnen dat stemmetje: eigen bult, dikke schuld. O, je wilt niet weten hoe ik de mensen soms haat en daarom ben ik gaan shoppen in de Kalverstraat, maar morgen is mijn sneeuwwitte Saab met chauffeur weer  klaar en rijd ik in volle vaart naar de evenaar.
 
 
 
Mirjam Al

 

Share This:

JOLIES HEIJ in Festina Lente: Daar had je Ditmar met een lied van Dalida, Erika over obscure vrouwen, Ali over gevonden voorwerpen en Monique Hendriks over de eenheidsworst.

Over piranha’s & voetstukken

Hoog tijd voor weer eens wat gezelligheid en sociale interactie en nee, niet in het tuinhuis waar de natuurgenezer het tegenwoordig alleen met het servokroatische leraresje af kan. Ik geb mijn levensgezellin gevonden, sprak hij verrukt, ik ben gegeel gelukkig met gaar. Maar ben je niet een beetje te oud voor haar, Radovan? wierp ik bezwaren op. Ik ben sowieso te oud om mijn paal te olieën, glimlachte hij, wij gebben een zuiver platonische vader-dochter, dokter-guisgoudster relatie. Jaja, dat hebben wij ook sinds heugenis, gaf ik, wat is er eigenlijk met de geilsoldate gebeurd? Die geilt tegenwoordig op die leipe, gekuifde dichterdokter die levenslang gekregen heeft. Wie? Hans Plomp? Ondanks de gelijkenis met de kuif moet ik dit ontkennen. Neen, zij slijt gaar dagen met get schrijven van liefdesbrieven aan Karadzic en gaar voorgevel voor zijn raam in de scheveningse gevangenis te ontbloten zonder dat gij enige sjoege geeft.

Ach, we gebben allemaal begoefte aan onze onbereikbare liefdes die we op een voetstuk kunnen zetten, maar niet betasten laat staan bepotelen. Daarom gebben wij geen sex, ik wil dat jij goog en droog op jouw voetstuk prijkt. Wel, na deze natuurgenezerswijsheid ga ik maar es naar de jaarfinale in Festina Lente om nog meer woorden aan te horen, sprak ik al staande in de deuropening. Ik goorde trouwens laatst een of andere Kosovaar beweren dat mijn aartsvijand Milosevic nog leeft, veerde hij op alsof hij me voor weggaan wilde behoeden. Lijkt me een typisch Balkancomplottheorietje, gaf ik. Jullie Balkanezen hebben zo’n levendige fantasie, daar kan geen eenvoudige dichter als ik aan tippen. En nu moet ik gaan. Wacht nou toch, zei hij eveneens in de deuropening staand, ik geb nog een gedicht voor jou, dat goort bij jouw voetstukstatus. En hij hield mijn hand als een reddingsboei vast. De vuurspuwende blik van het servokroatische leraresje om hem te doen terugdeinzen bleef achterwege waarop ik zelf maar mijn hand uit de zijne wrong en het tuinpad afliep.

Het was niet eens goed gevuld in Festina, zodat ik zelfs op het podium een tafeltje voor het uitzoeken had. Ali Serik, die ik van Taalpodium ken, nam tegenover me plaats. Zo, al in de startblokken? informeerde hij. Ik doe niet mee, antwoordde ik, behalve de publieke spek- en bonenprijs heb ik hier nog nooit wat gewonnen. Hij zette grote ogen op. Maar je bent zo goed! Dat zijn de ondoorgrondelijke wegen van de Slam, gaf ik. Jan Bulsink uit Veenendaal voegde zich bij ons. Hoe is het in Veenendaal? informeerde ik. Breek me de bek niet open, brieste hij, die gemeentelijke verordeningen… Een vriend van me had piranha’s in de sloot uitgezet, maar dat mocht niet omdat er alleen maar inheemse stekelbaarsjes mochten zwemmen. Dát is Veenendaal, eigen soort eerst. Nou, op de Utrechtse Heuvelrug willen ze niet eens uitheemse dichters, zei ik. En als die piranha’s zich nou hadden laten dopen? Niks hoor, hij moest ze allemaal weer uit de sloot vissen.

Toen zwegen we omdat de Slam begon. Daar had je Ditmar met een lied van Dalida, Erika over obscure vrouwen, Ali over gevonden voorwerpen en Monique Hendriks over de eenheidsworst. Ik verdrong me voor de bar voor een kopje koffie, het was immers nog vroeg op de dag. In mijn ooghoek zag ik Ditmar met Erika in een donker hoekje duiken. Ik wilde me discreet uit de voeten maken, maar Ditmar wenkte me luidruchtig. Mogen we vanmiddag niet van jou genieten? informeerde hij. Neen, gaf ik, er zijn jury’s die mijn tweetrapsmetaforiek te moeilijk vinden. Bij mij glijdt het anders als sperma naar binnen, zei hij verlekkerd. Zeg, schiet die jury nou eindelijk es op met dat rapport? Ik moet nog assisteren bij een homo-orgie in de Biltsche Hoek. Wat? Speel je orgel? kwam Erika. Nee, eerder fluit. Daar is trouwens ook een geile SM-dokter met energetische knot van de partij. Is dat soms jouw natuurgenezer? Nee, zijn dubbelganger. Verdraaid, riep hij uit, waarom doet die jury toch zo lang over het hoogtepunt? Dan maar voor het zingen de kerk uit. En weg was ie, zonder Erika of mij af te zoenen.

De muze geeft antwoord

Zul je ooit aan de liefde leven? Zie het toch aan
een beetje doodgaan is makkelijker, het is je liever
voor het hart uit te reizen, het gegeven paard
in de bek te kijken, het geschenk niet te verpakken.

Je wilde een ouderwetse muze, geen hartendievegge
een kunstwerk om ongenaakbaar aan te raken
je hebt liever een idee dan een vingerwijzing
je hebt het beste met de wereld en de mensheid voor

maar een vrouw is een grillig, onbarmhartig wezen
wees op het lijden toch niet jaloers. Het is platvloers.
Zetel in die zachte stoel. Sta hem niet af aan hartstocht.

Je hebt me in beton gegoten als betere versie van jezelf.
Vrouw die jij zoekt maar niet wilt vinden. Het geheim
in ieder beeld, in iedere regel die je nog moet schrijven.

Jolies Heij

Share This:

Ditmar Bakker – de brel van leiden – van lief en leed – sings DALIDA

*getrouwe* vertaling van het door Dalida onsterfelijk gemaakte nummer “Pour Ne Pas Vivre Seul”, behoudens één gemoderniseerde strofe aangezien homoseksualiteit in Westerse landen godlof niet meer zo risqué is als in de jaren ’70. Oorspronkelijke tekst: Sébastien Balasko (pseud. van Jacques Luent). Muziek: Daniel Faure. Vertaling & uitvoering: Ditmar Bakker. WWW.DITMARBAKT.NL

Lieve Ditmar, samen sterven is dat wat?

gaan we weer eens naar de zee
rennen tegen de golven in
tot we niet meer verder kunnen?


samen sterven is dat wat?

pw

Share This:

Karin Beumkes in EXTASE – mens&melodie op een verrukkelijke maandag

Extase


De nacht is niet sympatiek
de nacht is wreed
zonder kaarsen is de nacht
een schaduw die niet wil wijken.

Ik blijf maar naar je kijken,
ik heb spoken in de kast verjaagd
wanneer ontdek ik ons geheim…

Laten we dit spel niet imiteren
het is bijna genant hoe wij
elkander steeds bezeren.

Liefste leg je beide armen opzij
en kleed me uit, de nacht is warm en zwoel
woel niet verder onder de dunne deken.

Hier in deze lichamen
zullen wij het spokenspel verbazen
want wij liggen niet meer in
de herinnering en voel het lief
op de schaal van Richter
de aardbeving van onze gevoelens is nabij.



Muziek: The Eurythmics & Luciano Pavarotti –  There must be an Angel  https://youtu.be/AVhQaHe3kvY


Groetjes en liefs
Karin
in de verte zag ik haar
gebogen over papier
én heel het eiland glom
als de wang die ik zoende

 

pom wolff

Share This:

FRANS TERKEN wint de enige echte virtuele ‘zeg het zoals het nooit meer klinken zal – zeg het dan met die paar woorden die er over zijn..’ op pomgedichten – zeg het – zeg het hier asjeblieft. Cartouche zilver, Anke Labrie en Petra vdE brons.

onze juryvoorzitter Jeanine Hoedemakers heeft gesproken – ik wil haar even in het zonnetje – dank voor je invoelende commentaar. dank ook aan de dichters voor de gloedvolle woorden. het was mooi deze week. Jeanine meldt:

Goud Frans Terken
Zilver Cartouche
Brons Anke en Petra
 
 
Iedereen bedankt voor de inzendingen. Het is elke keer weer een spannend en verrassend  leesfeest.
 
Fijne zondag!
 
Uw aller Jeanine

 
  • Petra Maria – alsof gelukkig zijn er niet toe doet
  • Marc Tiefenthal – je glimlacht warm tot afgunst van de zon
  • Frans Terken – dat wie zij is mij vleugels geeft
  • Cartouche – zeg me
  • Anke Labrie – zo nabij kon ik nog nooit
  • Erika De Stercke – in de nachten waar jij ontbreekt
  • Rik van Boeckel – zij slaan kraters zij slaan kraters
  • Lisan Lauvenberg – dat je op een dag zo zult verdwijnen
  • wedstrijd echt gesloten!

naar de regels die peter posthumus ons aandroeg in het vorige item – de zondagochtendwedstrijd op pomgedichten – nou ja wedstrijd – wie wint de enige echte virtuele ‘zeg het zoals het nooit meer klinken zal – zeg het dan met die paar woorden die er over zijn..’ op pomgedichten? zeg het – zeg het hier asjeblieft. – een heerlijk dramatisch thema deze week. alle vrijheid voor de dichters – onze inmiddels beroemde jeanine hoedemakers voor de broodnodige correcties als juryvoorzitter – uw webmaster voor de vrolijke noot én pomgedichten voor uw noodzakelijke zuurstof met vleugjes CO2 uitstoot. hoe dan ook – u kent de regels – zeg het… zeg het hier… asjeblieft!

de gedichten niet te lang svp – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd.



is er nog iemand die van mij houden wil

iemand die zegt:
je was lief voor me, die avond
je hielp me in het weten
hoe het was om naast je te zijn
in zo heel veel

in hoe je deed en altijd doet, die kleine gebaren
waarin je me voor laat gaan bij een deur
in hoe je naast me zat en keek
zo mooi, meer dan mooi
meer dan zeldzaam, onbenoembaar

iemand die zegt:
dat er een liefde in mijn leven was en is
die bijzonderder is dan alle liefdes die ik kende
bijzonderder dan liefdes die ik in boeken lees
of die ik me ooit voor had kunnen stellen

steeds dieper voel ik dat
door alles wat we mee maakten
door alles heen
om bij elkaar uit te kunnen komen
om elke keer weer te kunnen kijken zoals die eerste keer

iemand die zegt:
dat de stilte in mij waarop ik altijd terug kan vallen
daar waar verder niemand is
waar ik ooit alleen met me zelf sprak

iemand die dan zegt:
dáár ben jij en ga je niet
én dieper kan niet
dieper bestaat niet, lief


pw

ZEG HET ME

zijn wij te ver
te laat
en puur alleen
omdat ik zweeg

jij iets achterliet
van
verwachting

wat ons
verscheurt
in eenzaamheid
terwijl we doen

alsof
gelukkig zijn
er niet toe doet

tenzij ik jou
terugvind
jij mij kust

omdat het nooit
iets anders
is geweest

Petra Maria


pom: prachtige regels van peter posthumus – de emotie mag vandaag de vrije hand hebben. over de top ik zal er niet bij klagen. heerlijk. gooi het eruit maar dam het tegelijk wel in – en de dichters van pomgedichten slagen daar elke week weer in – dank jullie wel voor de inzendingen. nou dan hebben we aan petra een goeie – terug uit het land löss – thuis is de zoektocht opnieuw begonnen – de geliefde op afstand en zo dichtbij. omdat het altijd al zo was lezen we in de laatste regels. de afstand in de eerste strofe de omarming in de laatste – feitelijk heeft ze niet iets tastbaars gevonden maar hebben we wel – en petra voorop – de poëzie.

jeanine:
Petra Maria
 
terwijl we doen
alsof
gelukkig zijn
er niet toe doet
 
Deze regels til ik uit het gedicht, voor mij is dit de essentie. De regels dragen de rest, ze vertellen me hoe belangrijk praten is. Zwijgen mag dan goud zijn, liefde is onbetaalbaar. Zeg het haar!
Zie je Petra, ik neem het op voor de dichter, die hier in alle eenvoud nog een ‘tenzij’ biedt. Een onmiskenbare opening naar een herstart van iets wat wegglipt. Het gaat voorbij, tenzij…
 
 
 
 
Een in de hand lopende reggae
 
Mijn welbevinden in je tepelhof,
op weg naar die van Eden,
is het punt.
 
Mijn punt jouw punt.
Uitgepunt en hoe langer hoe meer
wezig, aan en af, komen wij er.
Woorden vallen gaande weg,
nog even mompel ik
rozentuin zonder doornen,
je glimlacht
warm tot afgunst van de zon.
 
Er ligt een hoerastemming
op elk van ons
te wachten tot ver
na het ontwaken. 



marc tiefenthal
dichter essayist / poète essayiste
Sint-Niklaas

pom: zelfs tiefenthal gaat uit zijn dak – zo erg dat ie de woorden door elkaar husselt. het ontbijtje staat klaar begrijp ik. een poëtisch ontbijtje – dat moet gezegd.

jeanine:
marc tiefenthal
dichter essayist / poète essayiste
Sint-Niklaas
 
Laat zo die zon maar afgunstig zijn, is wat ik denk. Er gaat niet veel boven een warme glimlach. En dan die hoerastemming. Hoe meer wezig, aan en af, is weer zo’n heuse Tiefenthal constructie. Het is goed dat ik doorlas, bij tepelhof zat ik even verward om me heen te koekeloeren, waar is dan dat Eden, ik vroeg het me af want tja, ook hier dat spel met ‘bestaande begrippen’ . Ik zet er even van die haakjes omheen, om discussie te vermijden. Tot ver na het ontwaken zal ik je woorden dragen.


Muze

Ik schijf mijn muze op een voetstuk
bewierook haar met een overvloed
aan woorden van verwondering

schrijf mij meer zegt ze
wat ik vanbinnen overhoud is
een bede om jou alles te geven

wil haar toefluisteren
dat wie zij is mij vleugels geeft
m’n hand trilt boven het blad

het blijft onzegbaar
dat ze meer nog alles is
in haar aanwezigheid

haar om me heen voelen
op welke afstand ook
elke groet ademt een zoen

FT 15.06.2019


 
pom: een op en neer aan emoties – de beweging in de eerste drie strofen van dit gedicht en de adembenemende conclusies in de laatste twee strofen. hoe de dichter naar een voetstuk kan opvliegen. het is allemaal mogelijk in de poëzie.


Jeanine:
FT 15.06.2019

 
Wat een ontzettend mooi begin, die eerste twee strofes. Bij de derde strofe lees je natuurlijk wel dat de dichter weer zelf aan het woord is maar toch mis ik hier het simpele ‘ik’. Dan de strofe in haikustijl/vorm gegoten. Waarna de slotstrofe, met als laatste regel, onder het motto,  ik til dit gedicht nog eens even flink op ; elke groet ademt een zoen.  De dichter die zelf in vervoering raakte tijdens het schrijven van een vers, dit dacht ik al lezend te proeven. Wat wil je als lezer nog meer?


Zeg me
 
Zeg me, noem me
noem me maar gestoord
zo als het nooit klinken zal
nachtschade, fluitenkruid, dovenetel
al wat ik wil is woord – loos contact
dat kan niet verbeterd worden
 
laat me alsjeblieft
mij in jou verzwijgen
zo alleen, met blote hand
valt een tuin te begieten
maken, bekennen wij elkaar


wijsheid is inzicht, kennis
van al wat zicht- en voelbaar
in woord-delen bij elkaar komt
gaf jij me te verstaan. Nee, veel meer
weet ik mij, dichter –  bij een prinsentuin
het enige, dat bij uitstek telt als jij
mijn schat, me zeggen kunt :
 
hoe om te gaan met gebrek
 
15-06-2019 / Cartouche


pom: o dit is liefdesgedicht van cartouche voor bregje zonderland – jeanine zal vreemd opkijken deze morgen. de vrede lijkt getekend – cartouche aanvaardt. én hij noemt haar ‘schat’- dat hadden we niet durven dromen. eindelijk heeft de liefde toegeslagen bij cartouche – blijkt zij toch bregje te heten. ook hier net als bij tiefenthal springen de woorden en woorddelen uit emotie soms alle kanten op.

jeanine:
15-06-2019 / Cartouche
 
Even dacht ik aan Maria Neeltje Min maar dat verwierp ik al snel. Hoe om te gaan met gebrek, ach toch…..met toegeven dat het er één is ben je al een heel eind. Ik vind dat je een mooi gedicht schreef en voel me een beetje aangesproken, al kan ik niet precies zeggen waarom. Misschien was Bregje/ik te streng?  Te wijsneuzerig wellicht.
 
laat me alsjeblieft
mij in jou verzwijgen
zo alleen, met blote hand
valt een tuin te begieten
maken, bekennen wij elkaar
 
Van de eerste strofe zou je de eerste regel kunnen schrappen, dan komt het gedicht sterker binnen maar noodzakelijk is het niet.  Ik denk dat je gedicht mij wel duidelijk is. Je moppert, bent te nadrukkelijk onder een loep gelegd waartegen je jezelf verzet. Heerlijk hè, als je dat om kunt zetten in poëzie.  Bijna net zo fijn als het hebben van een tante die de dingen bij naam durft te noemen omdat ze vindt dat ze oud is en veel inzichten verwierf. Brekje, zei ze net, nou ja, ze siste het meer, Brekje, die Cartouche is bang.
Voor mij tante?  Nee Brekje, natuurlijk niet, voor mij!
Oh, eh, ja tante, dat zal het zijn
 


de maskers zijn aan het verdwijnen
zo nabij kon ik nog nooit
ik houd haar hand nog even vast
die nu pas mijn warmte kan ontvangen
 
deze blijkt mijn leven lang 
ondanks alle barre winters 
toch ergens te zijn opgeslagen
 
voor het eerst geen u
ook moeder past hier niet
hier ligt een doodmoe kind
dat altijd groot moest zijn
 
zacht fluister ik haar meisjesnaam
 
anke labrie


pom: een scene uit een leven – beter gezegd uit twee levens – uiteindelijk mocht het toch nog gebeuren – lezen we – de bijna stilte in dit gedicht schreeuwt in stilte – de woorden en de dichter fluisteren mee.

jeanine:
anke labrie
 
Ach, wat vreselijk mooi en gevoelig neergezet. Een moeder op haar kwetsbaarst. En de dochter voelt en vindt best wel het een en ander maar ze ziet die kwetsbaarheid en voelt het oergevoel naar boven komen. Warmte, genegenheid. De dochter neemt de rol over en noemt de moeder bij haar meisjesnaam. Je zou kunnen zeggen, hier vloeit iets in elkaar over waar we als dichter nog veel over kunnen schrijven, uitpluizen en nadenken, terwijl we diep vanbinnen haarfijn weten wat er zich voltrekt.  Eigen wensen, grieven, onvermogen, het doet er even allemaal niet meer toe. Enkel de warmte telt. Een warmte die opgeroepen werd door breekbaarheid. Heel puur.
 
de spam-spom-groeten

Afspraak
We omarmen elkaar, al is er
de afstand, ik hou je onder
mijn vleugels om te verwarmen
in de nachten waar jij ontbreekt.

Lieve woorden, ze vliegen met
de wind mee, vinden het open
raam waar jij wordt verwacht op
een bed van overtreffingen.

In brieven prikken de agenda’s
een datum, je kleurt hem zoet
aan de randen en ik kus hem
dagelijks met mijn muskusgeur.

Vensters sluiten, deuren zitten
klem en wij, bij dit treffen
rollebollen door de uren alsof
het is de eerste keer.

Erika De Stercke


pom: hoe ik het gedicht ook lees steeds lees ik en val ik stil bij ‘een bed van overtreffingen’- ik tracht het mij voor te stellen. het is in ieder geval belgisch taalgebruik – in amsterdam kennen we dat type bedden niet. goede morgen meneer – goede morgen meneer wolluf. wat mag ik voor u betekenen. ik ben toe aan een bed van overtreffingen – o loopt u maar even mee. we hebben ze in alle soorten en maten – kijk dat is DE ERIKA – ons paradepaardje overtreft alles. daar kan DE BARNAS niet tegenop, DE DECKWITZ met al die aanstellerige details al helemaal niet en zelfs  DE HAGAR valt hierbij in het niet.

jeanine;
Erika De Stercke
 
Fijn taalspel zie ik hier, bijvoorbeeld de agenda’s die een datum prikken in brieven. Dan die tweede strofe met de regel, een bed van overtreffingen. Ja, denk ik dan, daar wacht ze, de geliefde, hoopvol en in de wetenschap dat haar geliefde verrast zal zijn door hetgeen zij te geven heeft. Alles gaat ze overtreffen. Haar bed. De overtreffende trap aller bedden. 
Dan de laatste strofe, daar denk ik meteen, zie je wel, ik heb gelijk.
Lekker rollebollen door de uren, alsof het de eerste keer is… waarom alsof het is de eerste keer?  Wat maakt poëzie tot poëzie, een regel die de lezer even ophoudt, of de totaliteit?  Soms weten we het niet zeker. Zelf zou ik kiezen voor een gewone vloeiende overgang, immers dat wenst de dichter ook waar het de liefde betreft.

Onze stem

De dagen zullen vertellen
hoe de jaren voorbij hebben geklonken

de sterren zullen aanschouwen
hoe het universum leeft in ons

de woorden zijn als supernova’s
exploderend in de poëzie van ons lichaam

zij slaan kraters zij slaan kraters
symbolen van ons leven op aarde

zij verzinnen zij bezinnen zij verdienen
onze stem onschuldige tedere ademhaling

zij zingen het owidowido patararama
van ons hartelijk gedachtenstelsel.

Rik van Boeckel
16 juni 2019

jeanine:
Rik van Boeckel
16 juni 2019
 
 
Bij de laatste drie strofes begin ik zowaar te neuriën. Wat leuk en wat een gezellige regels zijn het.  Bij die ontploffende supernova’s hou ik mijn adem even in. Dat is echt andere koek dan die regels die me doen neuriën.
Lekker vlot geschreven gedicht. Dankjewel Rik, vooral voor het feit dat je me muziek bracht.
Jij werd zo hard bij mij weggerukt
in de nacht, vlak nadat je kwam
dat ik jaren later nog, als je hand me loslaat
in een diep verdriet schiet omdat ik
niet op een weerzien durf te hopen.

Jij groeide groter met de jaren
en verliet me nooit, al woonde je in barakken
overleefde op bier, wijn en heel veel chips,
ons blije weerzien is gebleven
maar de angst verkleint maar niet.

Dat je op een dag zo zult verdwijnen
als je in mijn leven kwam, in het donker
met geweld en al op de wereld gezet.

Hoe gekoesterd je ook en hoe geliefd
je al die jaren bent geweest en gebleven
in je mooie gezicht weerspiegelt mijn verdriet.

Maar de liefde, de liefde is gebleven.
Die verdwijnt gelukkig niet.

©Lisan Lauvenberg
16 juni 2019

Jeanine:
 
©Lisan Lauvenberg
16 juni 2019
 
 
Helemaal vatten doe ik het gedicht niet. Gaat het over een kind of een geliefde?  Ik denk als eerste aan een kind maar het kind werd bij de moeder weggehaald?  Het groeide ergens anders op en dat ging niet goed, terwijl het tegelijkertijd ook in het gemis van de moeder verder groeide?  Ook bij de weggerukte geliefde is gemis zichtbaar maar anders, iets wat de achtergebleven moeder/geliefde verdriet doet.  Ik begrijp uit de woorden dat de moeder het kind terugzag maar bedenk me dat ik er volledig naast kan zitten. ‘In je mooie gezicht weerspiegelt mijn verdriet ‘   Het komt door die regel in combinatie met de eerste strofe dat ik wat op drift raak. Vergeef het me maar als ik er naast zit.
 

Share This:

Peter Posthumus: zeg het zo dat nooit iets schaamtelozer heeft geklonken

Zeg het met zoveel woorden
als dat er nodig zijn
bevrijd van iedere bedoeling
en bedoeld om te ontkennen

zeg het zo dat nooit iets
schaamtelozer heeft geklonken
zeg het
zoals het nooit meer klinken zal
zeg het dan
met die paar woorden
die er over zijn
dan zul je zien
dan raast de aarde
de sterren tegemoet

Share This:

abraham von solo terug van vakantie

Deel 340. Boze mensen

Het regende, zoals het dat in Nederland wel vaker doet. Op mijn ov-fiets peddelde ik over een de nagenoeg verlaten Vleutenseweg in Utrecht, onderweg naar een afspraak. Op een afstand van vijftig meter zag ik een jongen oversteken. Snel gerekend kon ik inschatten dat onze paden exact zouden kruisen. Verkeerstechnisch zou ik op het moment van kruisen voorrang hebben. Het moment kwam steeds dichterbij. Twee deeltjes in de ruimte.

Een paar seconden later kruisten onze paden. Ik reed vlak voor hem langs. De afstand kan niet meer dan een meter zijn geweest. In die korte tijd bekeek ik zijn gezicht. De jongen had een andere etniciteit dan ik. Hij droeg een capuchon over zijn hoofd, hetgeen bij dit weer niet vreemd hoeft te zijn. Ik droeg zelf ook een capuchon. De blik die ik ontmoette was een boze. We hadden een echte  ‘gangster’ aan de hand.

Terwijl ik doorfietste stelde ik me voor dat ik doorlaadde en hem een paar kogels door zijn knieën zou jagen alvorens hem na wat monumentale laatste woorden een voet op de nek te zetten en zijn gezicht aan flarden zou schieten. Want zo eindigen gangsters doorgaans. Dit gebeurde niet, want ik had geen pistool bij me. Ik heb namelijk helemaal geen pistool en schiet ook geen mensen neer. Wat ik intussen wel geleerd heb, is dat ik zo niet in elkaar steek. Er is wel een groot gevoel van bereidheid, maar mijn praktische verstand houdt me van dat soort daden af. Nog even afgezien van het feit dat ik gewoon een heel zacht karakter heb.

Wat ik wel in zijn blik herkende en ook waarom de gedachte in me opkwam, was een spiegel. Zijn boze gezicht herinnerde me vooral aan de zinloze boosheid die in mensen heerst. Een boosheid die vaak niet nodig is en niet ondersteund wordt met het nodige vermogen om er echt daden mee te stellen die iets goeds vertegenwoordigen. Het is een boosheid die vaak alleen leidt tot zielige toestanden. Het met een grote groep een zwakkere enkeling in elkaar slaan, een oud vrouwtje beroven, een weerloos meisje aanranden, de wereld uitschelden, omdat alles zo onterecht is. Het is een boosheid die gelijkstaat met machteloosheid en zwakheid, zich enkel uitend in verderfelijke boosaardigheid en latere spijt.

Dat zie je helder als je veertig bent geweest en zonder bezwaar door de regen kan fietsen. Als je twintig bent, denk je waarschijnlijk nog dat het zin heeft. En toch heb ik gisteren mijn fiets omgedraaid en ben teruggefietst en heb de jongen teruggeroepen. ‘Vuile tyfusleier!!! Kom ’s effe terug jij!!!’ Hij draaide zich om en liep mijn kant uit. Daar stonden we tegenover elkaar in de regen. Ik gaf hem een duw tegen zijn borst. Hij gaf mij een duw. We weken niet. En toen lachte hij ineens. Ik volgde zijn voorbeeld. Daar stonden we dan, nergens, in de regen. Stoer te doen. Half half verwachtte ik nog wel een rechtste hoek, maar die kwam niet. De jongen draaide zich om en liep weg.

Er is nog hoop voor mij.

Share This:

Merik van der Torren: ‘Straks klussen de smeerlappen weer…’


Hoi Pom,
de recente storm in de nacht van woensdag op donderdag en de bouwwoede van Amsterdam, brachten me tot deze tekst, in de bijlage,
 
Groet, Merik


Storm

Straks klussen de smeerlappen weer;
dakpannen vallen tot gruis, bomen ontworteld,
hagelstenen als eieren zo groot
verwonden mens en dier.
 
Voor gloednieuwe winkels verrijzen
en woningen spik-en-span
klussen de smeerlappen weer;
nog wat groenige rotzooi opgeruimd,
nog wat scharrelen bij de plinten weggejaagd,
 
Nieuwe tijden

Share This:

Ditmar Bakker leert Sander Meij vertalen – van brontaal naar doeltaal en niet andersom svp.

Ditmar Bakker legt collega Sander Meij eens even haarfijn uit hoe het zit met dat vertalen: een college van brontaal naar doeltaal!

Sander Meij ooit over de informatiedichtheid van Ditmar Bakker: “De wederom in badjas gehulde Ditmar Bakker, die de eerste ronde afsloot, is op z’n minst een dichter die altijd vragen oproept. En daarom wordt hij zowel geprezen als verguisd. Hoe het ook zij, ook op deze avond  overstelpte hij zijn publiek op verontrustend olijke wijze met ollekebollekeachtige gedichten waarin vaak een zwartromantische fascinatie voor viezigheid doorklinkt. Althans, als ik een en ander goed verstaan heb (neem bijvoorbeeld ‘de aars bewrat’). Dat goed verstaan ligt trouwens niet alleen aan mijn gebrekkige gehoor, maar ook aan de informatiedichtheid die Ditmars werk kenmerkt. “.

Ditmar Bakker legt collega Sander Meij eens even haarfijn uit hoe het zit met dat vertalen: een college van brontaal naar doeltaal!

I. Met Meij in het haar met Meij
De onvolprezen S.M. vond eerder bericht geraaskal—handschoen genoeg om één en ander euhm, ah, *doorzichtiger* te formuleren voor de beste man. Centraal staat de strategie van het vertalen, waarin ik mij discipel (hihihihihi—zoek maar op) van Nida waan. Grond genoeg om één en ander te verduidelijken en middels een voorbeeld te expliciteren.
                Wanneer over ‘vertaalstrategie’ wordt gesproken raak ik altijd een beetje driftig: er ligt immers een tekst in een brontaal die er moet komen te liggen in een doeltaal. Vormaspecten dienen daarbij waar mogelijk behouden te worden zonder geweld aan de inhoud te doen. Een werk dat op rijm is geschreven reproducere (want modulaties ten spijt is het resultaat toch een soort reproductie—één die hopelijk gelijk Pygmalions beeld leven in te blazen valt) men dus men gebruikmakend van een vorm van rijm in de doeltaal, of haar literair-cultureel (want door taal) bepaald equivalent in vertaling. 
                In Filter wordt dergelijks door vertalers wel omschreven als maximaal vertalen. Nu, daar ben ik helemaal vóór—de huidige trend van rijmende verzen hertalen tot proza[1] begrijp ik niet. Het aan Frost toegeschreven adagium volgend gaat er opeens wel véél verloren, immers. Of ging het soms gewoon om rijmend proza?! Een onoplosbare kwestie… 
                Er moet nu echter gesproken worden over een strategie; hierbij vermeld ik dan maar dat ik het concept van Eugene Nida’s ‘dynamische’ versus ‘formele’ equivalentie aanhang, hier toegelicht middels een (volgens Filter apocrief[2], maar dermate beeldend dat het op de Pom niet misstond, zo dacht ik) verhaal over de Inuit, een zeeleeuw en het lam Gods. Waarmee ik eigenlijk de clou al weggeef—god, ik kan mijn tong wel afbijten.
                Het verhaal volgend, zou Nida hebben verteld over het probleem van vertaling van bepaalde begrippen rondom de Abrahamitische God naar (literaire) culturen die het concept van enkele van die te vertalen begrippen of ‘woorden’, in het geheel niet kenden. Het genomen voorbeeld is nu dat van het Lam Gods. In het Engels simpelweg te vertalen als het lammetje van god: The Lamb of God. Europese doeltalen, onder anderen door schaapshoeders gesproken, ondervinden weinig problemen wanneer zij het Lam Gods in hun formeel equivalent voorgeschoteld krijgen. Wat, echter, te doen wanneer het volk dat de doeltaal spreekt (in dit geval een vorm van Inuit) in het geheel geen schapen kent—en een lief lam dus evenmin? Een neologisme vormen dat het dier in al zijn eigenschappen omschrijft? Nee, zei Nida: in dat geval zoeke men een dynamisch equivalent, dat de gevoelswaarde van het originele concept zoveel mogelijk overbrengt in de cultuur van de doeltaal. In het geval van de Inuit werd het lammetje een jonge zeeleeuw. 
                Immers is een zeeleeuw net zo onschuldig, net zo blank, waarschijnlijk—een optelsom van de verschillende connotaties die het woord voor het concept bij zijn lezers moet oproepen.
                Zo er zich problemen voordoen bij het omzetten van een begrip—hierbij wil ik opmerken dat het woord ‘begrip’ voor mij als vertaler zowel woord als concept behelst, als het ware als hors-texte (want die is er natuurlijk wèl, en zij zweeft tussen dichter en vertaler)—naar een woord of woordgroep in het Nederlands, tracht ik te zoeken naar een dynamisch equivalent waar het formele niet voldoet, ofwel door semantische (het begrip bestaat niet, zoals bij het lam en de zeeleeuw) of nuanceringsproblemen (de connotationele waarde van het woord in de doeltaal wijkt dermate af van die in de brontaal dat overzetten problematisch is), ofwel door problematiek in het behouden van vormaspecten, doordat het voor de hand liggend formeel equivalent—bijvoorbeeld—in eindrijmpositie staat en een uitgang vraagt die in het Nederlands volstrekt niet gangbaar is. In dergelijke gevallen kan een dynamisch equivalent uitkomst bieden—en dit is nog in lijn met het ‘maximaal’ vertalen zoals hierboven genoemd ook. Laat ons een bekend sonnet ter hand nemen—één van de koningin van het 20e-eeuwse light verse: Dorothy Parker.


ON AN ALPINE NIGHT
My hand, a little raised, might press a star—
Where I may look, the frosted peaks are spun,
So shaped before Olympus was begun,
Spanned each to each, now, by a silver bar.
Thus to face Beauty have I traveled far,
But now, as if around my heart were run
Hard, lacing fingers, so I stand undone.
Of all my tears, the bitterest these are.

Who humbly followed Beauty all her ways,
Begging the brambles that her robe had passed,
Crying her name in corridors of stone,
That day shall know his weariedest of days—
When Beauty, still and suppliant at last,
Does not suffice him, once they are alone.
 
[D.P.]

II. Naar een maximale vertaling
Men mag van een vormvast dichteres die een klassieke vorm ter hand neemt verwachten dat de uitwerking hiervan dan ook op de klassieke manier vergaat, en in zekere zin is dat ook zo bij dit sonnet. 
                Vóór vertaling een lezing en voorzichtige analyse—men kan geen begin vertalen als men niet weet hoe het sluit. De titel geeft al aan de lezer aan dat er sprake is van een vertelsel, een inhoudelijk gebeuren, rondom een Alpennacht, of een ‘Alpse nacht’ dan wel ‘nacht der Alpen’, letterlijker. De eerste regel zet onmiddellijk het décor: de protagonist, uitgaande van anekdotiek, of het lyrisch ik, uitgaande van lyriek, bevindt zich op een plaats die zó dicht op het uitspansel zit, dat het eenvoudig oprichten van een hand haast tot de sterren reiken doet. Dit uitkijkje wordt gedurende het eerste kwatrijn verder uitgesponnen, zoals het uitgespannen was in ijzige toppen sedert de Olympus zelve stond. 
                Hier dien ik iets op te biechten—alleen in gevallen waar de vorm dit absoluut noodzakelijk maakt, maak ik na lezing een structurele analyse van het werk. Vaker is het zo dat tijdens lezing al wat schichtjes door het hoofd schieten, aanzetjes tot verdere vertaling. Die vangen meest aan met de eerste regel, zodat dát de plaats is waar ik liefst begin, en waarbij ik dáármee toch ook uitga van de meest aan de wortel, de oorsprong, liggende plaats waar de oorspronkelijke auteur zelf tevens begonnen moet zijn geweest vóór afwerking van het geheel—hoeveel revisies het werk dan ook mag hebben gekregen. Dat—in het kader van een ‘tactiek in vertaling’, wellicht—toegevoegd, op naar het tweede kwatrijn.
               Waar met “Thus to face beauty” het thema van het geheel nader tot uitdrukking komt: het lyrisch ik is, parafraserend, naar verre, mooie oorden gereisd zoals nu de alpen, maar weent toch bittere (de bitterste!) tranen ooit, vanwege de harde, wringende vingers die nu wel om het hart lijken te liggen. 
                De chute in het geheel maakt de weg vrij voor een moraliserend sestet, waarin aangegeven wordt (onder andere middels een enigmatisch beeld; “begging the brambles”, met bijbelse connotaties) dat de allegorische Schoonheid, steeds met hoofdletter geschreven en daardoor zowel mogelijk refererend aan een concept als aan een concrete invulling van die schoonheid, niet voldoet, “once they are alone”. Dit beeld wordt verder verbeeld door het eerder genoemde “begging the brambles” en “corridors of stone”—die zoveel kunnen beduiden en niet automatisch gelijkgesteld mogen worden met de muren van Manhattan. Het grossiert in superlatieven: “bitterest tears”, “all her ways”, “weariedest of days”, “at last” en emotioneel geladen werkwoorden als “begging”, “crying”. Het effect is bepaald te zeggen dramatisch, met een hoofdrol voor de geschaakte schoonheid—geschaakt!—en ‘the days of man’ in het sestet, waar het lyrisch ik door het gebruik van mannelijk gekleurde pronomina in r. 12 en 14 vrijwel ontkoppeld raakt met datgeen uit het kwatrijn (specifiek het “I” in r. 7). 
                Tot dusver een aanzet tot analyse die enkele zwaartepunten voor het eindresultaat aangeven: we zetten in op een sonnet dat het oorspronkelijke rijmschema in volgorde en aantal rijmen volgt. Twee kwatrijnen die plaats, handeling en persoon weergeven en een sestet-vol-moraal. Zijn er pijnpunten te vinden vóór vertaling? De derde regel lijkt in het Nederlands wat wollig en lang te worden als we die helemaal willen vertalen. Wat is voorts een ‘silver bar’ precies in het Nederlands? En worden toppen bij ons wel gesponnen? Er valt ook niet veel garen te spinnen bij de uitgang – onnen: ge/ver/wonnen, be/verzonnen, geronnen…weinig bruikbaars.
                Zoals ik bekende begint een vertaling meest het ‘fijnst’ aan het begin van het gedicht, en dat laat zich nu vrij probleemloos in een jambische pentameter vertalen: ‘Mijn hand’, want dáár begint het nu eenmaal mee, die hand die opgericht wordt, raakt haast een ster. Bam, dat staat. Om het naadloos te laten passen maken we er “Mijn hand, wat opgericht, raakt haast een ster” van. We hebben ons dan voorlopig gecondamneerd tot een op het eerste gezicht wat schaarse rijmuitgang -er (ster, ver, er, …) als we ons realiseren dat ook Jupiter op die Olympus woonde, en die toch ook behoorlijk oud was of is naar hedendaagse maatstaven. Dat biedt een uitgangspunt—hoewel er van een mythe waarin Jupiter bergen maakt geen sprake is, zal de metonymische verschuiving de meeste lezers niet hinderen.
                Tijd om een tweede uitgang te kiezen dus. Hier merke men op dat het origineel uitgaat van enkel mannelijke rijmuitgangen. Van een codespraak in uitgangen lijkt geen sprake te zijn, noch worden er vreemde streken met het rijm uitgehaald. Het lijkt dus een vormaspect dat dermate weinig definiërend is voor de volledigheid van het werk, dat we er ons enige speling in kunnen veroorloven, zodat een mannelijk rijm niet per sé noodzakelijk is. 
                Wel moet er gekort worden. “Where I may look”—Ik zie. We hebben de persoon al in de bergen geplaatst—of dat doen we nu door als werktitel ‘Op een nacht in de Alpen’ te nemen samen met die eerste regel en ik zie slechts…ijzige? Nee, wítte bergtoppen, waarmee we dat ‘spun’ toch nog een beetje in de witte wol(ken) op de toppen laten rusten. En dan is het even puzzelen…we kunnen Jupiter nu wel mee laten doen, maar we hebben nog een extra rijmwoord nodig. Eerst opschrijven maar, waarmee een aanzet wordt gezet tot het eerste kwatrijn. Als we nog losser werken en proberen dat later op te lossen, proberen we die ‘siver bar’—een zilveren streep? Is dat mooi Nederlands?—te laten rijmen met een eerder gebruikt element in rijmpositie en hechten het aan elkaar. Zo komen we aan het eerste kwatrijn, maar we zien dat we het omarmende rijm nu al losgelaten hebben en een (toch mannelijk!) kruisend rijm hebben geconstrueerd. 
                Nu is het zo dat Parker een Petrarcaans schema gebruikt, waar wij nu een aanzet toe hebben is een Siciliaans schema (ABAB). Besloten wordt, het kwatrijn te laten staan, eenzelfde kruisende variant te nemen voor het tweede kwatrijn van het octaaf en te zien of het ons iets evenwichtigs oplevert. Waarschijnlijk heeft de cadans van twee terugkerende rijmklanken in het hele octaaf méér van doen met het totale effect van het rijm, dan de precieze manier waarop dit geschikt is. Met andere woorden: het is waardevoller twee rijmklanken te gebruiken in iets andere schikking dan het origineel, dan het aantal rijmklanken te vermeerderen. Er wordt dus een knieval gemaakt waarbij zoveel mogelijk van het originele effect wordt getracht te behouden.
                Om dit toch in elk geval te doen slagen moet nu verder gewerkt worden met de uitgangen     -ier en -er. Far/ver ligt voor de hand en resoneerde wellicht al in het hoofd bij het neerschrijven van ‘ster’, naargelang er vingers gebruikt worden ligt ‘manier’ in zekere zin ook al op de loer (oorspronkelijk Lat. manus, hand). Verder lijken de ‘wrangste tranen’ in zekere zin equivalent met ‘bitterest tears’. We willen in elk geval het ‘er’ en ‘ver’ erin fietsen als er een rijm door het hoofd flitst voor de laatste regels: van ‘of all’ maken we ‘tot zover’ en om Schoonheid in regel 5 daadwerkelijk met het gezicht toe te treden reizen we wel ‘ver’, maar met haar ‘in het vizier’ rijmend! Waarmee we ‘ver’ letterlijk kunnen gebruiken in de vijfde regel maar het rijke rijm ermee in de laatste regel van het octaaf kwijtraken. Het verplaatsen van ‘lacing’ naar de zesde regel in vertaling, waarbij we er steeds voor opletten jambisch te werken en daarbij haast de vingers van onze linkerhand verrekken, als ‘verstrikkend’, en de opvolging door het typisch Nederlandse woordje ‘er’, dat immers zo vaak ingevoegd kan worden en ruimte biedt tot explicitering of duiding van het voorgaande; die twee zaken bieden de ruimte om het octaaf goed af te kunnen hechten. 
                Om er vervolgens achter te komen dat het schema inderdaad weinig meer weg heeft van het oorspronkelijk Petrarcaanse. Voor nu laten we het als het is en begraven ons in het argument dat het behouden van de twee rijmklanken in het octaaf het voornaamste is, ongeacht hun volgorde—grof gezegd. We willen voort met het sextet, en de klanken van het nieuwe schema zijn niet onsierlijk.
                Het sextet wordt makkelijk begonnen met het bezwerende ‘wie’, waarna we vrij letterlijk kunnen vertalen, een elisie lezend om het jambische metrum vol te houden, waarbij we plaats van lijdend voorwerp (Schoonheid) en vervoegd werkwoord (volgde) omdraaien om de Nederlandse vervoegde bijzin te maken die de langere zin, waar het sextet immers idealiter in zijn geheel uit zal moeten bestaan, moet ondersteunen. Het ‘schaken’ zit nog steeds in ons hoofd en we maken de mentale notite ‘schaken/raken/maken’ om te zien of het passen zal. 
               Wat vorsen is nodig voor het mysterieuze ‘begging the brambles’: welk beeld tracht dichteres hier op te roepen? Dan doemt de arenlezende Ruth op voor het geestesoog der lezer: te zien valt hoe schoonheid in zijn of haar jak achtervolgd wordt door een ik, zij het niet direct het lyrisch ik uit het eerste octaaf, maar één dat eerder De Mens omvat. De mens jaagt Schoonheid na en leest daarbij ‘the brambles’, de prikkende struiken, die, om de alliteratie met ‘begging’ niet helemaal te verliezen, vertaald worden als ‘steekstruiken’; gelijk Ruth aren las, op zoek naar stofjes, plukjes van die mantel, restjes van een Schoonheid. 
                Het probleem dat zich hier als vanzelf opwerpt wordt opgelost met een interjectie, een vraag als in het luchtledige: “door haar kleed geraakte?”, gescheiden door een gedachtestreep. Daarmee wordt ook de bijbelse connotatie (“in het boek Genesis spreekt men van kleed”) niet geheel losgelaten, daarnaast biedt zulks ruimte om de verleden vorm van dat schaken in te voegen in het geheel: “die uiteindelijk geschaakte / hem niet voldoet, getweeën dan alleen” dat als vanzelf ook lijkt te rijmen met de steen die nog nodig is in de derde regel van het sestet—het Engels rijmpaar alone/stone is vriendjes met het Nederlandse! 
                Daarmee lossen meer zaken op: het enjambement in het Nederlands (“overal / steekstruiken lezend”) wordt opgevangen met zijn -al klank door de toekomende tijd in de derde persoon van het werkwoord ‘zijn’ in het Nederlands: ‘weariedest’ laat zich voorts vertalen met ‘triestste’ in gelijkend mondgevoel en -geluid, en schakeert zich naast de vertaling voor ‘will know’. Verkregen wordt “De triestste van zijn dagen kennen zal / als Schoonheid, die uiteindelijk geschaakte / hem niet voldoet, getweeën dan alleen.” De hier toegepaste inversie laten we de lezer dan, als om eraan te herinneren dat het niet alles in steen gebeiteld blijft. Noem het liever een dichterlijke vrijage met het Engels, waar de reproductie immers vanaf stamt, dan een dichterlijke vrijheid—die zijn er immers voldoende tegenwoordig, zo u mij een persoonlijke noot toestaat: neem een zaadgrage edoch manloze teef als hanna pest, waar ik, tussen haken, mijn hond nog vanaf zou schoppen, die de vrijheid nam mijn geestelijke vermogens te betwijfelen—waarschijnlijk in razernij over haar met de dag onvruchtbaarder gerakend baarmoederwand. Kon je die maar opnieuw behangen, meid—dan kwam er tenminste eens wat plaksel op.

EEN NACHT IN DE ALPEN
Mijn hand, wat opgericht, raakt haast een ster—
Ik zie slechts witte bergtoppen, die hier
Het landschap vormen sinds ooit Jupiter
Hen bond met ijs—een zilveren rivier.
Ik reisde ver, met Schoonheid in ’t vizier,
Maar nu is ’t als lag hard, verstrikkend, er
Een koude hand om ’t hart, op die manier
Mijn wrangste tranen trekkend, tot zover.

Wie need’rig Schoonheid volgde, overal
Steekstruiken lezend—door haar kleed geraakte?
En om haar schreeuwend, steeds omhuld door steen,
De triestste van zijn dagen kennen zal
Als Schoonheid, die uiteindelijk geschaakte,
Hem niet voldoet, getweeën dan alleen.

[D.B.]


[1] De voorbeelden zijn te talrijk om te noemen, maar een tendens is het waaraan steeds meer dode dichters ten prooi vallen. Wat, u wilt wèl voorbeelden? Goed: Biesheuvels vertalingen van het Middelnederlands. Een onrijmende Divina Commedia. Een hertaling van de exquise vertalingen-in-verzen van Marie de France door Kisling & Verhuyck in proza! Zelfs Apollinaire verging het niet beter sinds Kiki Coumans verdronk in zijn alcoholisch rijm en het dus losliet. Wee ons!

[2] Zo werd op de digitale rubriek ‘Vrijdag Vertaaldag’ uit de doeken gedaan.

Share This: