Zij lijkt op een meisje. En mischien is ze dat ook. Zoals ze zit zo schrijft ze. Soms. Nooit Links. Soms om te verbloemen. Alsof een mens niet mooi kan zijn met een arm en aan twee benen stompen. Vandaag schrijft ze niet. De arm zo nodig om niet te kantelen. De handschoen die een hand suggereert, een echte hand – dat we zien wat er niet is, zo zorgvuldig zijn de vingers neergelegd. Zo is ze een gedicht. Een wereld op zich. Maar er ontbreekt nog wat. De rechter bovenarm tot aan haar elleboog – het bevalt haar niet – de linkerkant van haar gezicht - en ook het haar niet. te realistisch nog die elementen. Zo realistisch is een gedicht niet. Zo realistisch is haar gedicht niet.

overnieuw:
ze zit. Ze zit goed. mooi als een mens mooi kan zijn. Een rug in kleuren. Een blauwe broek. Completer kan compleet niet zijn. Een bed bij de hand. En toch mist ze iets. We zoomen in. We zien een handschoen waarin we haar hand vermoeden. Wat is er aan de hand? Ze schrijft zo weinig nog. Zo zwart kan het zijn.

Meisjekindzijn
Voorzichtig
Niet bewegen want ik zag er één
Een meisje dat nog kind is
Daar! Een meisje dat nog kind is!
En ik hou van haar
Ik hou van haar ik wil haar zijn
Ze wil niet ouder worden
Ik heb het zo lang volgehouden waarom is dat niet gelukt
Nee niet bewegen
Dit is kind, straks gaat het schrikken
Ze zijn zeldzaam tegenwoordig zulke meisjes
Nu nog kind zijn
Twaalf en dan nog kind zijn
Is prestatie
Dit kind doet niet aan volwassen
Is een meisje dat nog kind is
Is toch, kijk, prachtexemplaar
En ik wilde, en ik wist toch
En ik had ik maar en kon ik maar
nienke esther grooten