Gepost door Pom Wolffop 2013/4/27 9:40:00 (86 keer gelezen)
In precies de juiste gemoedsgesteldheid vanochtend Dag pauw oog van MERIK VAN DER TORREN gelezen. zijn laatste dichtbundel. vier hoofdstukken – 12 -10 -10 en 25 gedichten. mooie uitgave fijn korrelig papier. de gemoedsgesteldheid: we modderen voort. Nou ja heden ik, ik mag toch hopen, morgen gij. Op de radio een meisje dat meldt waar je ‘de lekkerste oranje tompoesjes’ kunt halen. als merik zou luisteren zou daar wel een gedicht door hem over geschreven kunnen worden. aandacht voor het detail. voor het gewone. dat zeiden ze ook over martin bril, merik stopt de onalledaagse alledaagsheid in zijn gedichten. geen opsmuk – veelal ‘stukke’ dingen. beter gezegd de alledaagsheid uitgelicht door merik vervreemdt waar je bij staat, vloeit uit, vreet in. en meestal lukt het hem.
als ik iets van kritiek zou moeten geven – laat ik zeggen als ik zijn redacteur zou zijn geweest dan waren de gedichten gesneuveld die merik net niet over de grens de vervreemding in weet te tillen, slechts observaties blijven. ongeveer 40 gedichten zou ik laten staan.
niet dat ik iets tegen observeren heb en zeker niet als merik als ‘verborgen camera’ fungeert. De trage moeizame gang door hopeloos leven laat zich als een trein lezen. is troostrijk. gelukkig denk je als lezer – het is toch waar – ik ben het niet alleen die door de ellende van alledag zich een weg moet banen. merik ging me voor. en zoals merik schrijft lijkt het van alle mensen te zijn. ja het gedicht over ‘oranje tompoesjes’ dat merik nog moet schrijven, werkt nu al troostrijk. op je nuchtere maag oranje tompoesjes, dat vrolijke stemmetje, het kan niet erger. als merik gewone dingen de poëzie intrekt heb je er, zeg maar, op straat geen last meer van.
In hoofdstuk 1 Pink Queen getiteld staat de dood centraal:
Hij heeft de plek bezocht, de bloemen stonden er goed bij.
Een sigaret gerookt, niemand kuchte.
(…)
Bij de uitgang de kleuter van marmer gegroet, een leuke foto genomen van het wijsneusje
ja zo wil je wel meekijken op een begraafplaats. en we komen op veel plaatsen. die onmogelijke natuur trekt merik vaak zijn poezie in. niet alleen als observatie maar om een gedraging, een eigenschap, om iets TE gewoons in af te drukken. dan kunnen we weer voort. we weten het in goede handen, in een prachtige dichtbundel opgeslagen. het hoeft ons niet meer te storen als wij er tegen aan lopen.
over de nieuwe buurman, een pooier met een nieuwe vriendin:
(…) Twee motoren ronkten door de straat, die zich met benzinedamp vulde.
Ja, zei ik, heerlijk is dat, lekker klussen in de natuur, tussen het groen en de vlinders ook
Merik omarmt wat anders alleen maar irriteert of ligt te rotten. “Kijk” lees je soms in zijn gedichten - om dan te kijken naar iets dat in essentie slechts is wat het is en niet, zoals we vaker de dingen niet meer kunnen zien, anders dan met vooroordelen omhangen. Altijd met mededogen voor wat omarmd moet worden: een selectie uit de wereld die hem goed doet: van de eenvoud, van de armen en van de ‘stukke’ dingen.
In één enkel gedicht Dagpauwoog laat hij de wereld voor wat de wereld is, komt zijn eigen gemoedsgesteldheid even bloot te liggen – dan lezen we jan arends : “mijn schrale leven doet zo zeer.” en ‘mijn leeggehuilde ogen zijn nu droog,’ als merik de gewone dingen de poëzie intrekt heb je er zelf geen last meer van.
Merik van der Torren – Dag pauw oog Uitgeverij Vliedorp - Havenstraat 2 – 9973 PL Houwerzijl ISBN/EAN: 978-94-6048-011-9
Gepost door Pom Wolffop 2013/3/18 1:20:00 (64 keer gelezen)
[Arie Arriveert, 17.03.2013]
Nada in Eijlders
Voor Nada’s poesiealbum Eens breekt de zon voor je door. Voor jou wordt het ook eens weer lente. Eens geef en krijg jij gehoor. Want zo is het niks, Nada. Niente.
Jezus. Ik zit nog na te shaken van de Eijldersdichtmiddag. Deze editie was voor mij persoonlijk wel heel bijzonder en bevrijdend. Dat ik hier, eindelijk weer eens ‘op de Pom’ arriverend (toch een soort thuiskomen), nu al tweemaal het woord ik en eenmaal mij heb gebruikt verbaast me nog wel een beetje. Sorry: hém nog een beetje. In de poëzie was die ‘ik’ helemaal een ellendig iets voor mij. Eh, voor hem. Beste mensen, het is nog wennen, de eerste persoon. Ik… eh… deze jongen heeft, nee: hàd er gewoon moeite mee. Hij (deze dus) verschool zich achter betweterigheid, schets, cryptohistorie en dwarsstraat. Zolang de eerste persoon enkelvoud er maar geen deel van uitmaakte, was het goed. Tot hij haar zag. Of liever gezegd: las. Waar was het ook weer? In Zutphen ja. Hij nam een paar weken terug de trein naar dat prachtige vestinggat om indrukken op te doen. Sfeer te proeven. Om er misschien zelfs een aardig gedicht aan over te houden. Altijd meegenomen. Een gedicht dat dan hopelijk niet vormvast zou zijn. Nee, het was geen lukrake keuze: op Zutphen viel al niet te rijmen. Om to the point en kort te gaan: in Zutphen overwon ik zijn ik-angst. In een stoffig alternatief boekwinkeltje was het dat ik toevallig op haar poëziebundeltje stiet, getiteld Mijmeren en zijn. Ik bladerde er even in en was direct verkocht. De naam van de dichteres? Nada Exrel Met die mysterieuze extra initiaal. A. Waar zou de A. voor staan? Het deed er niet toe. Het ging om de poëzie. Een overdonderende ervaring. Nee, de ik-vorm schuwde Nada niet bepaald. Zoals vele dichters die niet schuwen. Maar het was niet direct een ‘Nada-ik’. Het was eerder een ‘ik’ die vormgaf aan… aan… de spagaat van het bestaan. Zoiets. Aan de spagaat van al dan niet willen en moeten en kunnen en… Ach, de hele bups hulpwerkwoorden eigenlijk. Een spagaat dus. Oke, van háár bestaan waarschijnlijk. Maar wel een herkenbare spagaat. Ik vond het opgeteld niet precies te duiden, maar werd ondertussen wel compleet omver geblazen door de kracht van haar gedichten. Van het niets verbloemende taalgebruik. De plasticiteit. De openheid. De trots. De twijfel. De levensvragen. De vrouwelijkheid, toegegeven. ‘Nada, Nada’, zong het in mijn hoofd. Nederig boog hij, herstel: ik, het hoofd, en mij herpakkend, als op een soort bekentenissenpoëziestoomtraining ‘ik-ik-ik’ stamelend, drukte ik krachtig met vlakke hand het dichtbundeltje op de tafel naast de kassa. “Doe mij maar de nieuwste Exrel.” Ik wilde indruk maken als een Nada-kenner. De puisterige verkoper lachte. “U kunt er zeker van zijn: dit is ongetwijfeld de nieuwste. Het is namelijk haar debuutbundel. U hebt zelfs de eerste van de stapel, geloof ik.” Hij wilde weten of ik soms ook uit deze streek kwam. Ik ontkende. Maar ik speelde al, gezien het Eijldersdichtersthema voor de maand maart, met de opwindende gedachte iets van Nada voor te dragen. Of Nada zelf Zutphens was wist de jongeman niet, maar randstedelijk zeker niet.
Vanavond heb ik dus een gedicht uit Nada’s debuut Mijmeren en zijn voorgedragen. Ik deed voorafgaand daaraan ook twee verzen van eigen hand. Wat onsamenhangend om de hete brij heen sloffende dingen natuurlijk weer. Nou goed, iets meer ‘ik’ erin, hij gaat vooruit. Slam Queen Jolie S. Heij, die op een laag krukje aan mijn tafel zat (soms opvallend zwoel tegen Frans Terken aanschurkend overigens) was zowaar te spreken over het groeiend slamgehalte van mijn eigen werk. De reeds tussen haakjes genoemde Eijldersdichter daarentegen bleek net zo van Nada onder de indruk als ik in de Zutphense boekwinkel was. Nauwelijks was ik van de Exrel-voordracht teruggekeerd of Terken sloeg in kortstondig motorische beperking zijn glas Chardonnay over het dichtwerk van Lisanne, die op het punt stond daaruit voor te dragen. Hij kon niet anders dan haar bij de microfoon bij te staan door haar een voor een de door witte wijn verzadigde vellen nog moeilijk leesbare poëzie aan te reiken. Een bijzondere avond. Het woord nu aan de dichteres. Ik vertrek.
Wertheims gangbang
Plantageparkgroen. Verborgen hoeken, te bezingen, te betreden voor wie beter, heter en ongeziener zoeken. Beestentuin. Tongportiek voor bovarymadammen en ladychatterleymannen.
Doorpakken wil ik, geven en vooral nemen, maar waar vind ik de tijd, de ruimte, als de ochtend mijn taken klokt en grenzen trekt? Ik heb immers geen strepen om op te staan. Nee, uitgeziekt dient dit levensverdriet. Buiten tunneleindlicht in duister dress sla ik me door dagen onplukbaar als beton. God, hoeveel jaren nog? Hebt U enig zicht?
We kantelen ons brak. Vergroven de taal. Hangen maar wat tegen elkaar aan en tegen Het Leven, die toog waar niet aan ontsnapt. Maar ondertussen, ondertussen banen wij gedwongen onze eigen gang, bang. O aards laag bestaan! O angst, o verlangen, o armen van een tang die maar niet hapt!
“En jij dan, wie ben jij helemaal?” Weer kwam zo’n amechtige man in mijn nek hijgen. In een meur van kaas en frituur stelde hij zich voor. Och, van alles stelde hij zich voor. ‘Ommetje saam’. Zo begon ie. Of het daar het weer al voor was.
Nou! Oud koud bleek de kermis die hij achterliet. Halfstok, onberijdbaar zou zijn rimpelgarnalenvlag die niets-te-herdenken-dag vast hangen. Doei! Opnieuw een storm die niet opstak, enkel in een glas nat lag, onvoldaan getrokken spoor. O angst… O verlangen… O armen van de tang…
(‘Splendide’ had hij me nog een naam gefluisterd. ‘Mabiche’ in het oor. ‘Vochtige Vagijn’. Het zat de Brusselaar niet glad.)
Een laatste peuk dan. Een laatste slok. Jezus. Ik zal alleen de gang verder moeten graven. Bezompt, bezopen thuiskomen. Het slijk van Het Zijn. In het mijn. Dat vertrouwde terrein. Mijn intratuin. Mijn harkpark. Ik sluit meteen het gordijn.
'Ik wil geen lessen van een schrijvende poëet die zelf vervuilt, verteert, recycleert...'
pagina 25 van Manifest voor de Poëzie Philip Meersman
Philip Meersman, Manifest voor de Poëzie, De Contrabas, 9789079432639, 60 pagina's
Een recensie. Als de recensie geschreven zou moeten worden zoals de bundel is ingericht dan zou er weinig seks in zitten, weinig liefde ( 'poëzie moi – wist ik maar wat jij betekende'), veel wereld, dood, oorlog, veel bezette stad, een paul van ostaijen die met verbijstering 2012 aanschouwt en beschrijft, heel veel moderne tijd, stilte ook, heel veel poëzie ('is kriek en geuze – de caramelverzen van pa'). Heel veel opsomming.
Het is een onmogelijke taak om over de bundel van Philip Meersman een recensie te schrijven. Dat wordt wel snel duidelijk. Ik zou de typografie ook moeten aanpassen want overal schiet de boem paukeslag boem als paddenstoel uit de grond. De bundel is kijken, lezen, in je opnemen. Maar wat neem je op. Wat neem je in een recensie op?
En nee hij wil geen lessen. Hij heeft zelf te veel te vertellen. De bundel laat zich het meest nog als een verslag beschrijven waarin de dichter vorm geeft aan de moderne tijd en hoe hij deze beleeft. De bundel is een beleven zowel in aktieve zin als in passieve zin.
Als Meersman de wereld aktief beleeft dan komen we terecht in een visionair spektakel waarin wensdromen beschreven zijn – 'ik wil ogen sluiten zonder branden bloeden.. ik wil geen chokolade meer …', geen wereld die lijdt aan boulimie. Dan wil hij samen met de schapen, even samen, foto's delen, omzien samen, rechtdoor samen, treinen samen – de opsomming gaat nog even door. Maar Meersman weet ook dat hij zijn dromen moet wassen 'vergeten in de kast besmeurd met illusies en beloften .. aan de waslijn van verandering':
Het water weekt de dromen zorgvuldig van mijn vel. Ze drijven boven verloren. Zonder doel druipt hoop zorgeloos vuil over de rand.
We zijn al weer snel terug in de wereld. En wat van Ostaijen in 2012 aan de hand van Philip Meersman in die wereld moet waarnemen is overweldigend. Zo zijn de meeste gedichten ook vorm gegeven in opsommingen, in typografische hoogstandjes, in een taal die poogt om de wereldchaos om de dichter heen te beheersen. Dat lukt. Soms een marteling, soms om moe van te worden. In de bundel leven we mee. Bijzonder is wel en ook aangenaam dat Meersman de moraalridder aan zich voorbij laat gaan. Het is en blijft een poëtisch manifest geen politiek manifest. Nergens gaat de dichter over deze grens. Als we met hem meegaan en moe worden dan worden we niet moe van de getuigenis maar van een veelheid aan indrukken die de dichter waarneemt op zijn wel heel eigen wijze. Een belevenis. Alles beweegt in de taal van Meersman. En ook de lezer wordt meegesleurd. Heel veel gedichten beginnen en eindigen met een eenvoudige vraag – tussen de vragen treffen we het verslag aan in een overweldigende bombast – een rondleiding door de wereld aan de hand van Philip is nooit rustig, dat is zeker. Meersman kan niet niksdoen daar komt het op neer:
niksdoen = misdadig wiskundig feit. De dierenboerderij zwijnt verder. Vertel maar aan die trillillende lijklijfoverblijfsels – eens (netnog) mens- geplakt aan automuurwrakhekmanvrouwpaalwegdek dat DE democratie wint.
Aan de hand van Philip de wereld door – dat is de bundel dus ook en met name. Dan komen we in de bezette stad, en als de dichter dan 'weggeblakerd' is moeten we hem beloven dat het met de oorlog voor altijd gedaan is.
Hoe hard ik ook loop kogelregens sprinten sneller Hoe hard mijn stem ook klinkt marteltuigen schreeuwen luider
om in stilte te eindigen : 'morgen daalt de stilte weer' – soms schreeuwt de dichter het uit, snakt hij naar stilte. stil, STIL – steeds groter typografisch weergegeven – de letters lijken op papier gesmeten. Alsof de wereld en het hoofd van de dichter tot rust moeten worden gebracht. En ja hoe dicht je je eigen hoofd dan nog naast haar.
Gepost door Pom Wolffop 2012/6/26 20:20:00 (213 keer gelezen)
martin is het beste te eren in zijn werk. voor zijn verjaardag - de herhaling van de recensie hier op zijn laatste meesterwerk. martin van harte!
De vormgeving van TALISMAN een sensatie. Maar ja ik ben niet van de afdeling beeldend. Daarover moet de kenner, de typograaf, de vormgever zich maar uiten of u als lezer met het aangeschafte kunstwerk van Martin Beversluis in uw handen. Martin stuurde pomgedichten een pdf bestand. Ik heb een uur gekeken en kwam niet aan lezen toe zo mooi. Godzijdank ook een wordbestand. Er kon gelezen, gezongen en gedanst, vrij naar Marsman. Wij hier zijn van de gedichten. Maar toch de bundel ligt als een naakte van jonge schoonheid overlopende vrouw in wel lustige mannenhanden. Dat wat betreft de vorm. De inhoud is andere koek. De recensie.
40 gedichten Martin Beversluis, drie afdelingen 'Demon” 14 gedichten, 'Karma' 14 gedichten en 'Talisman' 12 gedichten. En alle 40 Martin Beversluis. Het kan niet missen. Dunne gedichten met daarin parlando afrekeningen. Zo wordt de wereld opgemaakt, afgerekend. De rekening per gedicht opgemaakt. Elk gedicht op weg naar het einde in per regel afgebroken taal. Het is alsof de dichter bij voortduring haast heeft om wat hem beweegt per gedicht naar het einde te dragen. Altijd op weg deze beversluis in zijn gedichten. Geeft u mij maar de rekening kun je zeggen in Cafe Beversluis, dan krijg je een gedicht 'dat geef ik u op een briefje' – zal barman Beversluis zeggen.
Hebben we de vorm gehad, hebben we nog een keer de vorm gehad van de gedichten komen we eindelijk aan de inhoud toe. Gaat u er even voor zitten. Neemt u diep adem. U kunt nog weg. Nee u kunt al lang niet meer weg want u heeft dat kunstwerkje op uw schoot liggen en de vorm gebiedt nu eenmaal. U gaat bladeren, onontkoombaar bladeren. U treedt de wereld binnen van Martin Beversluis. De razende. In alle betekenissen van het woord – de razende. Hij heeft haast. En overal ligt de woede op de loer. En waar hij kan raapt de dichter woede. Maar het is wel een bijzonder soort woede. Niet die woede die we kennen, dat we geraakt zijn, dat een dichter geraakt is en wil getuigen. Die woede is het niet. Het is een in een beversluis-taal gegoten woede, een getransformeerde woede, een stilistische verantwoorde woede. De woede beschreven in kolkende taal tot een einde gebracht om uiteen te vallen in de elementen waarmee de dichter de woede heeft opgebouwd in het gedicht. Zo lost alles op, zo lost Martin Beversluis alles op. De woede in dienst van de poezie. En bij elkaar in 40 gedichten een wereld die Beversluis voor ons componeerde.
Het schuurt wel en de dichter tuigt wat af, maar blijft in de twee eerste afdelingen 'Demon' en 'Karma' nog buiten het adembenemende Jan Arends zwart, de dunne bomen van poezie dwingen bijna tot een vergelijking, in afdeling drie is het raak. Het meest vreselijke gedicht dat ik de laatste jaren las staat op bladzijde 43 afdeling 'Talisman' in de bundel 'Talisman'.
In de opdracht een citaat van lucebert lezen we 'graag verga ik..' – de bundel is nog niet begonnen of we weten waar we aan toe zijn. Maar niet voordat de dichter Beversluis nog eens even stevig door de wereld gaat en deze vastlegt en uiteen laat vallen. ik kan er niet omheen deze bundel is om het gedicht VADER heen geschreven.
De demonen in de eerste afdeling ze vallen mee, ze vallen bij 'Vader' in het niet. We lezen over nachtmensen, ''t zit 'm waarschijnlijk ergens in de genen..' , helden die door het 'slijk' gaan, over iemand die altijd 'niemand' wil zijn, over 'een leven dat niet', over comazuipen natuurlijk, cold turkey en de politiek 'Zeg me vriend...”, over teleurstellingen en deftige dichters. uit nonfictie maakt Martin Beversluis fictie. Anders valt er niet in te leven. En het leven hoefde toch al niet. Martin Beversluis is een dichter die zijn poezie bloed-serieus neemt - een antistof om af te tuigen.
Zo we hebben 14 gedichten gehad, gaat u mee met mij naar de afdeling 'Karma''? Alles wat we zeggen en doen komt uiteindelijk bij ons zelf terug. De dood en bijna dood nemen een centrale plaats in de tweede afdeling. Een paar gedichten zijn nu al klassiekers. Bij de dood van Simon Vinkenoog schreef Martin 'Ome Simons bril' inmiddels al een bekroond gedicht. Het vertederende 'Ruben' - ik neem dit gedicht hier op – zodat u ook weet dat het niet alleen maar aftuigen is in deze bundel in de zin van aftuigen van het tuig om de dichter heen.
De dood en het weerom staat ook een teder soort aftuigen toe. Er is plaats gemaakt voor tederheid ook en ook voor humor. De grondtoon blijft natuurlijk wel die ik hiervoor beschreef. Er wordt nogal wat in elkaar geslagen in de wereld, laten we dat dan maar 'beschaving' noemen schrijft martin beversluis in 'Zilverliefde'. Maar dat de Bauertjes zijn begonnen met elkaar uit te moorden is niet heel erg erg: “hoeven wij het niet meer te doen.'”
komen we bij de laatste 12 gedichten in de afdeling 'Talisman' – een pleidooi om positieve krachten aan te wenden met behulp van voorwerpen. ''wees als een magneet voor het goede” schrijft de dichter in het titelgedicht. Het volgende gedicht is 'vader': 'als ik ga ga jij ook' het is adembenemend de reis door deze bundel. Ik heb er geen woorden voor. Het is goed dat Martin Beversluis ze wel heeft gevonden in een dichterschap waar vorm en inhoud genadeloos door hem tot een eenheid zijn gebracht – als antistof om af te tuigen. Nog een aanbeveling nodig?
De dichtbundel 'Talisman' bevat 40 gedichten en verschijnt bij Uitgeverij TeleXpress in Tilburg. De bundel kost 15,- euro, exclusief 2,50 verzendkosten. 'Talisman' is te bestellen op http://www.beversluis.com/info/bestel_talisman.htm ook verkrijgbaar via de betere boekhandel
en ja daar is hij. Dat we het weten. Dit wordt niet de recensie waar de dichter op gewacht heeft. Ooit schreef ik een vernietigende recensie op een werk van anne borsboom. Nu zijn we dikste vrienden. Zij bracht na een aantal jaren de grootheid op om mij te zeggen dat ik wel gelijk had toen ooit met m'n woorden. Wordt dit dan een vernietigende recensie? NEEN! lieve lezer ik moet u teleurstellen. U kunt niet met schadenfreuden achterover hangen in uw stoeltje. Ik kan alleen na het lezen van een veertigtal gedichten niet alleen maar hiep hoi en halleluja roepen.
Maar was het lezen dan de moeite waard? Hoor ik u krijsen. En anders krijst Bettie hier in de VU wel voor u. Het antwoord is JA! Heb ik de bundel herlezen? Wilde ik dat? En het antwoord is wederom JA! Ik ben maar een lezer en en het is ook een beetje zo hoe de dichter zelf met een recensie om wil gaan. Ik leg de bundel op mijn leeservaring en denk aan een beginnend dichterschap. Maar ik spreek wel over een dichterschap. Onevenwichtig de kwaliteit van de gepresenteerde afzonderlijke gedichten. Drie keer dacht ik Jan van Veen, twee keer dacht ik Jan Arends
soms tegen beter weten in keer je je om
sluit je ogen
doet of er niets aan de hand is (...)
en zeker dertig keer dacht ik Mark Boninsegna. Zonder meer een groeiend EIGEN geluid zingend rond een eigen thematiek. Nou en dat is niet verkeerd. En ook niet zo heel eenvoudig met een titel als deze: hier ben ik. Je vreest het ergste met zoveel ikkerigheid maar er is genoeg distantie door de gedichten heen. Luchtig en heel fraai gepresenteerd en vormgegeven. Niet overmatig maar functioneel zie ik wat paul van ostaijen vormen aangebracht zo her en der. Ik kan begrijpen dat een uitgever zou zeggen – nog even wachten jongen – ze zijn niet alle veertig goed. Soms aangenaam luchtig, soms ranzig, een keer gewoon onzin ( het gedicht 'verwacht'), een aantal filosofietjes,
het leven eindigt niet waar je wilt dat het ophoudt
dan weer een beschrijving bij welke je denkt ja wat moeten we er mee, soms te grote woorden (ontboezeming, waarheid, geneugten des levens, passie, tranen en angsten) ik noem er maar een paar, soms geestig:
Zomerhitte
Een druppeltje gevormd door een zinderende hitte glijdt tergend langzaam over haar rug naar beneden met ieder centimetertje dat het aflegt over haar huid slinkt de omtrek Totdat je alleen nog maar gesis hoort wannneer het in haar broekje verdwijnt
Nou meneer wolluf nou weten we het wel. Heb ie een eigen geluid of heb ie geen eigen geluid. EEN EIGEN GELUID BETTIE! Mark – hier ben ik – wil weg! Dat wordt wel duidelijk in de bundel. Op veel plaatsen duikt iets uit het verleden op. Doemt verleden op. Dringt het verleden zich op aan de dichter. Maar de doden, de oude geliefden zij manifesteren zich NU. En de dichter kent maar een weg – één uitweg – vooruit naar morgen. Het vreselijke verleden voorbij en voorbij aan het denken daarover. Naar morgen, naar anders, naar het onbekende. De bundel als vluchtpoging in het onvermijdelijke en onontkoombaar besef dat ook morgen weer verleden zal geven dat zich net zo hard aan de dichter opdringt.
Littekenweefsel
(…)
Weg van hier (…) als geen ander weet je dat het altijd wederkeert Dat er niks is veranderd
en dan worden de gedichten toch ineens wel mooi. De weg uit – de uitweg genomen – vooruit en op weg naar het vreselijke besef dat het verleden toch ook weer in morgen huist. En daar staat hij. Mark Boninsegna. Zo staat deze bundel overeind en is zijn dichterschap op weg naar beter nog. Een onmiskenbaar eigen geluid om naar uit te zien. Morgen.
Pom Wolff
mark boninsegna de hand geschud. Ook gemist. Kan ie schrijven vroeg ik op zijn poms heimelijk aan heij. Ik heb hem nooit zien optreden. Geen slammer vermoed ik. Heij nam de tijd en zei ja dat kan ie wel ja. Ok! Zei ik.
Beste Pom, Allereerst vond ik het een waar genoegen om je eindelijk eens de hand te schudden. Al lange tijd vroeg ik mij af wie die duivelse Pom nou was, waar zulke verschillende soorten verhalen de ronde doen. Je vroeg me om mijn beste gedicht naar je te mailen. Ik moet je zeggen dat ik het een flinke teringstreek van je vind. Deze opdracht is niet mogelijk. Niet omdat ik alleen maar beste gedichten schrijf, maar omdat op ieder moment van de dag, iedere minuut, dat waar ik tevreden over ben verandert.