Zoeken
Google
Google
Hoofdmenu
Bekijk alle poëzielinks...
Forum
Laatste reacties op http://www.pomgedichten.nl
Inloggen
Gebruikersnaam:

Wachtwoord:


Wachtwoord vergeten?

Registreer nu!
Online
9 gebruiker(s) zijn online (3 gebruiker(s) zijn op Gedichten, nieuws, rellen)

Leden: 0
Gasten: 9

meer...
Google ads
_NW_RSSFEED

(1) 2 3 4 ... 19 »
Recensies : SANDER MEIJ - NIEUW EILAND - debuut - Alsof alles een kwestie van benoemen is en toch niet te benoemen is, wellicht onbenoembaar moet blijven.
Gepost door Pom Wolff op 2015/10/2 22:30:00 (733 keer gelezen)


• ISBN: 9789046820018 • NUR: 306 • Aantal pagina's: 48
http://www.nieuwamsterdam.nl/boekUitgave.aspx?ID=2721#.Vg9P6_TDFhY



Ik ken Sander Meij nog als de grijnzende presentator van de maandelijkse poëzieslag in eetcafé festina lente – een beminnelijk mens – een vleugje cynisme - een min of meer charmante aankondiging – de poëzie zat hem als gegoten - in de kroeg.
Een jaartje of 10 later - vandaag dan de bundel NIEUW EILAND – het debuut van SANDER MEIJ – Nieuw Amsterdam Uitgevers – 2015 – een foto van de dichter Meij (1980) grijnzend op de achterflap – je zou zeggen: niets verandert – niets veranderd – kies maar.
In juli 2007 schreef ik op mijn site pomgedichten.nl over Sander Meij: publieksprijs Festina Lente ging naar Sander, u weet wel die dichter van het kerststalletje:






en ergens kruipt een baby
in wiens nek ik later
een passer zou steken
dit dan bij wijze van experiment

© Sander Meij




Maar…. alles is anders geworden. had ik het kunnen weten – ja ik had het kunnen weten. Wie in 2006 zo over baby’s schrijft en nog steeds schrijft in 2015 schrijft onvoorspelbaar. En zo is het ook - ik las een onvoorspelbare bundel poëzie maar dan een die van bladzijde tot bladzijde onvoorspelbaar bleef tot de laatste bladzijde aan toe. 40 gedichten. Ik spoelde op een nieuw eiland aan, mijn enige herkenningspunt, mijn reddingsboei het gedicht met de baby met de passer in de nek, het experiment.

Bijna kwam ik tot de conclusie dat ik mij op een eiland bevond waar alleen experimentele poëzie kon groeien. Er knaagde iets aan mij. Ik moest en zou de bundel herlezen. en heel langzaam ontsloot zich de poëzie van Sander voor mij. Ik dacht wel – dat worden niet heel veel recensies jongen – in deze tijd hebben de critici niet zoveel concentratie over voor een debutant. Na een keer lezen word je weggelegd. Het zou zeer ten onrechte zijn, kan ik u melden.

Sander Meij moet je herlezen, het is niet anders. En het is, Sander Meij is, lieve lezer, de moeite van het herlezen meer dan waard. We komen terecht in een associatief opgebouwd verhaal van 40 gedichten met ontregelende regels. Steeds meer raakte ik ervan overtuigd dat de dichter – ik bedoel de ik-persoon in de bundel – opgesloten zit in een kerker met eigen woorden, in een kerker met eigen taal zoekend naar de betekenis van zijn woorden, ge-isoleerd als op een eiland:


woorden lossen woorden af
waar het om gaat ligt ertussen
alles is mogelijk in dit wantij



De laatste strofe uit het gedicht ‘nieuw eiland’. Alsof alles een kwestie van benoemen is en toch niet te benoemen is, wellicht onbenoembaar moet blijven. Zo laat zich deze bundel lezen – zo sleept de tijd zich voort - zo las ik een onvermogen waaraan niet is te ontkomen. De ik-persoon niet aan ontkomt. Waaraan wij lezers niet zullen ontkomen. Waar de dichter de lezer deelgenoot van maakt – ons met de neus op de feiten drukt. Zelfs een zwagermannetje wordt niet geschuwd - in “faalneiging”:


ik voelde me schuldig
vanwege mijn kaalheid
en over hoe zonde alles was
[...]
echt lukken deed het niet



Dit houd je geen bundel vol zou je zeggen en dat weet Sander Meij ook en des te harder zet hij met enige regelmaat puntige statements in - die het weelderige lome bad van menselijk onvermogen doen opschuimen:



zelden nog vang je gesprekken op
over mensen zonder trauma’s
[..]
na de operatie wel beter in tennis


of

‘ik zei nog hou het luchtig’

of zoals ook de dichter Eus het ook had kunnen uitroepen:

‘en daar gaat al de eerste luxewagen’



Zo ontdekken we steeds weer iets nieuws op het eiland waar we aanspoelden. En verdekt - bijna achter de gedichten om – maar toch overal aanwezig en tussendoor duikt ZIJ op – van net aan tot nauwelijks en steeds heel even – speelt ZIJ haar onontkoombare rol in deze bundel. Je moet als lezer haar ont-dekken. Zo bevestigt de dichter ‘de resten van’ haar ‘nauwelijks bestaan’. Een ‘glimp’ ving hij op van haar winterjas. “we deden het goed op papier” schrijft de dichter.
Het beschreven onvermogen om door woorden betekenis te geven aan de dingen die tussen de woorden liggen en tussen de woorden van betekenis zijn, krijgt in haar een tastbare vorm. (nouja tastbaar nauwelijks tastbaar). In haar bestaan vorm, in haar ‘nauwelijks bestaan’ een o zo tere vorm. ja dat is zij! Je durft haar nauwelijks aan te raken.

Laat ik eindigen met de laatste twee strofen van het gedicht ‘afstand’ – die over HAAR gaan - over het onvermogen om dichterbij te komen. Dan weet u meteen ook waarom dit debuut van Sander Meij onontkoombaar is. Een onontkoombaar debuut over menselijk (nouja menselijk) onvermogen:


zeker, met wat fantasie
kon ik naakt jouw foto in de krant
zoenen tot mijn lippen zwart
en pijnlijk van de drukinkt zagen

of als je walgde van papier
dan kon ik gorillaglas likken
maar dichter bij jou kwam ik niet










Recensies : 
Gepost door Pom Wolff op 2015/9/18 7:00:00 (629 keer gelezen)



Wethouder van Cultuur Marcelle Hendrickx te TILBURG besluit Martin Beversluis voor de komende twee jaar tot stadsdichter van haar stad - Martin publiceert op de eerste dag van zijn stadsdichterschap zijn nieuwe bundel MEANDERTALER. hieronder MEANDERTALER de recensie.








Eindelijk weer eens een echte BEVERSLUIS maar nu in handen. Gewoon een bundel. Heerlijk. 31 gedichten op papier – drie afdelingen: tijd (11 gedichten) - landschap (13 gedichten) – zee (7 gedichten). Er is strak geredigeerd. En dat is goed. De bundel prachtig uitgegeven in een bijzondere vorm gegoten door Evelien van Breemen en met illustratie van Ivo van leeuwen. Illustraties is het woord niet. Ik heb in handen hier een bundel met poëzie en met drie etsen. Het is nacht het is Amsterdam – de kamer gevuld met Martin Beversluis op zijn mooist. Wat wil een mens nog meer.

Ik ken Martin van dichtbij als performer in de groep HONGERLIEF – dan vliegen de woorden als heldere kanonschoten om je oren versterkt door de klanken van Bjorn van Rozen. Op papier straalt toch een andere Beversluis. Eentje voor het leven, tot aan de onvermijdelijke dood. De bundel ziet vandaag het licht – bij de aanvaarding van het stadsdichterschap TILBURG zal Martin het eerste exemplaar uitreiken aan Marcelle Hendrickx, de wethouder voor Cultuur en Onderwijs in Tilburg. Tilburg de thuishaven van Martin Beversluis. Twee jaar stadsdichterschap – de tijd de vooruitgang – het landschap de veilige haven en een zee aan Beversluis zo zal Tilburg het weten: de zere vinger zal zeker ook op de stad worden gelegd. En dat is goed.

De bundel! Het eerste hoofdstuk TIJD is van uitzonderlijke klasse. Gelukkig laat Martin eindelijk ook witregels toe in zijn poëzie – dat is een verademing en komt de leesbaarheid zeer ten goede. Heel af en toe wint de koppigheid nog van de redactie, maar dat nog maar in een paar gedichten. In TIJD schetst Beversluis in 11 gedichten een reis van jij bent tot wij zijn. En aan het eind van de rit weten we wie we zijn en wat we zijn – van wie we zijn. En hoe verschillend ook: jij bent tien uur en ik vijf voor twaalf – we tongen tot naakte waarheid. U begrijpt ik citeer uit Martin Beversluis regels: onontkoombare rake regels heerlijk badend in lezerswit.

En in de tijd is het leven gesitueerd: ‘over al die vierkante meters - die we samen liepen - van daar naar hier - we brandden op - tot het niet verder kon’. Verder tot aan de oude man, de laatste rol, om geparkeerd te staan op de vluchtstrook. Poëzie in optima forma – we lezen van de oude dichter met een buik van dertigduizend liter, van de grensrechter, van de MH 17, van Ruben ook: een vlucht uit de werkelijkheid. Zo komen we tot elkaar in dit tijdsgewricht. Martin vat ons samen:


aan ons is het afscheid nemen
aan ons is het herinneren zodat
de dood wat minder definitief lijkt



En dan hebben we alleen nog maar het eerste gedeelte van de bundel gehad. Het middengedeelte is het LANDSCHAP waarin we ons moeten begeven, de dichter Beversluis zich begeeft. Zijn stad Tilburg, de wetenschap, Hongerlief, Facebook, Schermmensen. Een lesje over hoe je hufterproof kan worden, in het leven wel hufterproof moet zijn, we lezen het tot aan onze lang gewenste dagen van onmacht.
Beversluis zou Beversluis niet zijn als hij toch niet – en dat gebeurt in het laatste hoofdstuk ZEE – ons woorden meegeeft – een opdracht zelfs van liefde en de troost. Het gaat heen en vermenigvuldigt u is bij Martin Beversluis:


kronkel vloeibaar en vermeng
verder tot je de zee zelf bent.



MARTIN BEVERSLUIS schreef een bundel die je iedereen wel zou willen gunnen: MEANDERTALER – tijd – landschap – zee. Het leven een reis van jij bent tot aan wij zijn – een bundel over hoe het is. En hoe onontkoombaar het leven ook.




Meandertaler
ISBN 978-90-823796-1-7
€15,- (excl. €3,95 verzendkosten binnen Nederland)
Paperback, 48 pagina’s
bestellen kunt u hier:
http://www.blikvorm.nl/meandertaler-van-martin-beversluis/










Recensies : DAAN TAKS - VONKEN VAN ZWART EN WIT LICHT. een exploderend dichterschap: hier komen jotie, paul van ostaijen en h.h. ter balkt bij elkaar en groeten zij DAAN TAKS. Een volstrekt eigen geluid.:
Gepost door Pom Wolff op 2015/8/31 14:20:00 (812 keer gelezen)





Eigenlijk wilde ik een item maken over het gedicht OPTELSOM van Karin Beumkes opgenomen in die prachtige bundel DICHT SLAM RAP 2015. www.dichtslamrap.nl – met een keur van nederlandse artiesten zeiden ze vroeger. Nee met alles wat moois is en poëzieland te bieden heeft. van zijen tot kast, van huntjens tot bracke, van sieckman tot de swerts, van hanneke tot arnoud, van peterM tot DAAN TAKS. Allemaal verzorgd door marcel linssen. Ik kom erop terug. Te mooi om te laten. Maar ik zeg het eerlijk ik werd vanochtend omver geblazen door een kleine toevalligheid. Door VONKEN VAN ZWART EN WIT LICHT. de titel met een punt erachter – uitgave BLIKVORM 2015 – grafisch ontwerp Evelien van Breemen, (zou ze familie zijn van de kunstschilder E. van Breemen die in mijn kamer hangt,) illustraties Levi van Huygevoort. een dichtbundel van DAAN TAKS. Alles aan de kant – deze bundel wordt hier besproken. Hier en nu!
BLIKVORM dezelfde uitgever die MEANDERTALER verzorgde van Martin Beversluis. Het zijn pareltjes in je hand beide uitgaven. Een mengeling van poëzie en grafische kunst – als je zo een bundel aanraakt wil je hem hebben.






Maar dan begint het pas bij DAAN TAKS. 26 gedichten, ze lijken het papier op gesmeten, je voelt aan alles dat er sprake is van een heilig moeten. Het trilt, het zindert, het spat en vonkt, het brandt in je vingers – het is woord geworden vuur opgeborgen in een brandvrije schatkamer van de poëzie – in blikvorm de bundel: VONKEN VAN ZWART EN WIT LICHT.

Het is een misvatting – ik heb het altijd al gedacht om zoveel mogelijk gedichten in een bundel te willen proppen om de staat van een dichterschap tot uitdrukking te brengen. Bij BLIKVORM hebben ze dat heel erg goed door. Het moet leesbaar zijn en blijven, er moet wat te beleven zijn, er moet wat te zien zijn – 26 gedichten is genoeg om te laten zien wie je in huis hebt. Ja dan neem je een beversluis, dan neem je een DAAN TAKS. Mijn god hoe mooi gaat dat fonds worden daar onder de rivieren.
De bundel: wie haalden ze in huis eigenlijk. Wie is die TAKS. Zit er vorm aan? Is het méér dan associatieve kreteologie? Stijgen de woorden boven de dichter uit? het zijn de beginvragen na het ZIEN van de pagina’s waarin de titels op papier gesmeten zijn in handschrift. We lezen MEER! VUUR! PROOI! ODE AAN HET ONGEDIERTE! INSTINCT! LEKKER! SLAPELOOS! QUEEN RAT! Mijn god waarom heeft u mij verlaten dacht ik voor het lezen van de woorden – waarom stuurt u weer en nog een derrel N. op mij af.

Maar het is anders lieve lezer, vergeeft u mij mijn woorden. Ik heb moeten huilen zo aangrijpend is deze bundel. Ik heb het nog nooit zo meegemaakt. En ik las heel wat bundels neemt u dat van mij aan. We maken in VONKEN VAN ZWART EN WIT LICHT. kennis met een dichterschap dat onderweg is. Waarin alles al vertegenwoordigd is waar we straks van zullen genieten, versteld van zullen staan. Als het allemaal zijn definitieve vorm zal hebben gekregen. Hier komen jotie, paul van ostaijen en h.h. ter balkt bij elkaar en groeten zij DAAN TAKS. Een volstrekt eigen geluid. Hier lezen we van de krochten onder de bezette stad, hier schrijdt een (harige weliswaar) dandy door de straten en hier reist een vrije stem door dichtersland. Het is basic en het is verheven. En alles spat op en uit elkaar en daalt op de lezer neer. De woorden: ‘dit is achtentachtig kilo liefde voor het leven’ – we reizen mee op een weg met taalkracht geladen en achter elk woord schuilt explosiegevaar. De bundel is één schreeuw de wereld in en tussen vuur en puur zien we een jongen, soms het jongetje waaruit deze TAKS gegroeid is – uit “Soms heb ik heimwee naar…”:


Hé, ik wil niet zeggen dat alles
beter was, maar zo’n gast als ik werd toen
ie op zijn achtste niet ophield met klooien
gewoon onder de kouwe douche gegooid,
hoor, door zijn ouwe.



Zo is ie geworden tot zijn eigen jungle, tot zijn eigen akker: ‘Het is mijn levenslied, dat zichzelf heeft leren zingen,…’ We lezen in 26 gedichten van de liefde, het leven, van de krochten en van het ongedierte, van de nacht en de wanhoop van de nacht. “Wat ik niet opkrop braak ik uit” - Hoe ontkomt de dichter aan wat hij is en aan wat hij denkt – een spannende reis die soms in ware liefde eindigt:


Dus van mij hoeven ze niet te komen van ginder
grootogige wezens met wagens van vuur
en een oeroude naam;
om ons te bevrijden uit ons bestaan
als de slaven die we altijd al waren.

Ik wil gewoon hier zijn,
bij jou.



Daan Taks is onderweg naar een onontkoombaar dichterschap en in de VONKEN VAN ZWART EN WIT LICHT. mogen we als lezer getuige zijn van een exploderend dichterschap. Het is een adembenemende reis – in dit woord geworden vuur spat de taal je om de oren.






Nog meer aanbeveling nodig?

Vonken van zwart, en wit licht
ISBN 978-90-823796-0-0
€15,- (excl. €3,00 verzendkosten)
Paperback, 48 pagina’s
http://www.blikvorm.nl/vonken-van-zwart-en-wit-licht-van-daan-taks/










Recensies :  DITMAR BAKKER - een vrouw schrijft een jongen: een bespreking .... durf ik zeker zeggen dat de inkt uit de kolf van Wolff mooier in uw boekenkast zal staan en in de hand zal liggen dan de laatste Deckwitz....
Gepost door Pom Wolff op 2015/5/5 19:00:00 (865 keer gelezen)


DITMAR BAKKER - een vrouw schrijft een jongen: een bespreking - durf ik zeker zeggen dat de inkt uit de kolf van Wolff mooier in uw boekenkast zal staan en in de hand zal liggen dan de laatste Deckwitz....




In 2014 verschijnt met “een vrouw schrijft een jongen” een gestileerd pakketje poëzie van de handen van Pom Wolff. Een typografisch kek verzorgd boekje(kleurtjes!) door uitgeverij Douane, dat bestaat uit vier lezingen van tien gedichten. Wolff laat een hardnekkige allergie voor hoofdletters en interpunctie door zijn werk heen resoneren—enkele gedachtestrepen vinden we, voorts één enkele komma en een klein aantal vraagtekens, waarmee Wolff een trend doorzet die wij sedert eind 20e eeuw in het geschreven vers aantreffen. Rijm? Ach, het rijm.

Wolff begint niet met zijn sterkste vers. [ik ben best wel bedreven / in het schrijven van mooie eerste regels] en gut, mooi staan ze, maar zeggen ze ons meer dan de fragmentarische mooischrijverij die sinds Rodenko niet meer uit te roeien valt uit het Nederlands letterkundig gebied en zelfs Kopland en derzulken besmet heeft?

Interessanter wordt het verderop, in ‘zo waren er soms dagen’ waarin het spel met de typografie ons een nachtvlinder op het blad presenteert: [ze gingen met de wind / en het weten dat niet wilde] waarin de tijd met dromen voorbijfladdert. Het met de vorm gespeeld spel, waar de auteur zich meest afkerig van wil weten, is hier zo pregnant aanwezig als in het fijne ‘dochter’, waar men zelfs de laatste stuiptrekking van het sonnet terug kan vinden in het verarmde rijmschema van het tweede en derde stanza, waar Wolff de octetten heeft geplaatst. Wolff memoreert het ouderschap—dochter Zinzi blijft overigens naamloos, net als buurvrouw, oma en zusje (de vele vrouwen die figureren in de bundel) waardoor de auteur ze ons als kleine archetypische raadseltjes voorzet die wellicht door schrijvers denkraam kunnen schijnen om ons méér zicht te bieden op de oorlog daarbinnen. Zie ook ‘dansen’: [de dood hakt hard / maakt stil // als vrede van de oorlog wint / wie wil er dan nog dansen]. Dat er het één en ander gebeurt bij de protagonist moge duidelijk zijn, maar wat nu precies en willen wij blijven zoeken? Zullen er geen mensen meer zijn óm te dansen, zodra de vrede van de oorlog gewonnen heeft—heeft de dood zó hard gehakt? Het moge duidelijk zijn dat ‘dansen’ uit het deel ‘schrijft een vrouw’ komt. Een man als Wolff zou zich er niet zo makkelijk van af maken.

Nee, zo’n man verstopt zijn eigen indrukken, en laat dit klinken in eigen producten —wie zou verwachten dat Hughes’ ‘Remember how we picked the daffodils’ zou weerklinken in een tocht door het vinkelse (zonder hoofdletter, voorwaar!); de narcissen en het schaartje als vuur in de tuin in de regen zich opdringend, om een bladzijde verder met Annie M.G. de lezer weg te waarschuwen voor dichters ([kind / haal toch geen dochters in huis / het is raar volk]) zoals dochter op grootmoederlijke toon al eens was gezegd “Neem toch geen dichter, dochter /zo één met een dichterskop // Zo één wordt er met de jaren / ook niet monogamer op. “. We moeten echter verder, dochter groeit op en zelfs de hondjes zijn dood—te drogen gehangen, lezen wij verderop, als de wilde honden gestorven in Kristin van den Eedes enige bijdrage aan Komrij’s bloemlezing. Ook Wolff heeft dagen gekookt en nachten gedestilleerd.

En waar humor zwelt, wordt de bundel sterker. Hilarisch zijn de gesprekken met buurvrouw in ‘genade’, het laatste bundeltje, waar dochters, oma’s en overig vrouwelijk familiegrut zijn uitgespeeld en de schaamlippen van voisine hoogtij vieren in haar slip en in de ogen van geilneef buurman, die—een Jan Arends gelijk—het beklaagdenbankje tussen gedachte en spraak opheffen doet…eenmaal binnen, na een lange week menopauzebinnenpretjes met buurvrouw gedeeld te hebben, realiseert dichter zich pas dat, gelijk reve, [alles is genade], een prachtige afsluiting van deze bundel, dat echter aangevuld wordt met, ja, opnieuw een herinnering, van Warren ditmaal (ik citeer de laatste): “En dit is de liefste herinnering: / Hoe, op het plein, een zomerlied van linden / Jij aan kwam lopen. Speelse zomerwinden / Sloegen de rijke zijde van je kleed.”

Of het de liefste herinnering was, laat Wolff—hoogachtend—in het midden. Er zijn er echter vele, en hoewel zo nu en dan—durf ik zeggen—schijnbaar lukraak in het werk gepositioneerd, durf ik zeker zeggen dat de inkt uit de kolf van Wolff mooier in uw boekenkast zal staan en in de hand zal liggen dan de laatste Deckwitz—die heeft nog niet zoveel tijd voor herinneringen gehad. En ach, Pom. Waar blijft ons rijm.





Op 22 november werd het geboren en ze noemen het 'een pareltje' -
Uitgeverij Douane presenteerde pareltje in Cafe Eijlders op heilige grond.
EEN VROUW SCHRIJFT EEN JONGEN ook op BOL.COM
Uitgeverij Douane

de eerste recensie van Vera vd Horst las u hier
die van Karel Wasch hier!
en Joop Leibbrand in Meandermagazine sprak over "Campertachtige kwaliteit"







Recensies : 
Gepost door Pom Wolff op 2015/4/30 2:20:00 (776 keer gelezen)


de column van von solo vandaag om 11.00 uur


Erotiek in Eijlders: Erotica! (de bundelpresentatie)

Maar liefst 54 dichters bundelde Kees Godefrooij in de nieuwste bloemlezing van Uitgeverij Spleen. In 'Erotica!' komt de erotiek in al haar facetten aan bod. In de bundel staan bijdrages van dichters uit het hele land en zelfs van over de grens.
De presentatie vond plaats in Café Eijlders te Amsterdam, op een zonnige zondagmiddag in april. Stad en land was uitgelopen om het evenement bij te wonen en natuurlijk de bundels op te halen. Het was een drukte van belang en Kees overzag het geheel vanaf een verhoging rechts achterin het café. Op het trappetje stond de presentator met microfoon en onvervalst Amsterdams accent.





Nadat Kees een kort praatje gehouden had, kregen de aanwezige dichters één voor één de gelegenheid om een gebundeld gedicht voor te dragen. Het waren er veertig stuks, dus daar waren we wel even zoet mee.

Het begon allemaal vrij rustig. Een hoop – al dan niet brandend – verlangen, aangemeerde schepen-in-jouw-havens en hier en daar een verwijzing naar het hooglied.

Mooie poëzie, dat wel, onder andere van Hein van den Assem, bij wie de luxaflex 'zachte streepjes ochtendlicht' laat zien.

Wanneer Ria Westerhuis het podium betreedt met haar gitarist komt er wat leven in de brouwerij. Ria is Rock en Roll en dat mogen we weten.

De teksten worden ondeugender, Conrad van de Weetering beschrijft niet zonder plezier 'de meisjes uit mijn wijk' met hun te kleine behaatjes en ritmisch draaiende konten. Een mooie uitsmijter maakt het gedicht af.

Marcel Kick gaat nog even door op het onderwerp 'billen', waarvoor je volgens hem in Amsterdam Zuid-Oost moet zijn. Wat volgt is een bijzonder ingeleefde performance van zijn gelijknamige gedicht.



noot redactie: leuk om stanislaus weer eens te zien in 020

Muriël Kasmin bezorgt het publiek pas écht rode oortjes met een gedicht waarin onder andere een 'vulkanisch gewelf' figureert. We zien het helemaal voor ons.

Ook het gedicht 'Ondergoed' van Tonny Hollanders blijft hangen. Misschien omdat het zo herkenbaar is, 'zacht veelgewassen stretchkatoen', wie heeft het niet in de la liggen...

Ook dat ondergoed is een thema dat veel terugkomt gedurende de middag. Helaas ook in de minder gewassen variant. Opvallend is overigens dat de schrijvers (en schrijfsters) van de meer scabreuze gedichten uit de bundel schitteren door afwezigheid.

Verder vallen Wen van der Schaaf en Miguel Santos op. Niet alleen omdat ze de gemiddelde leeftijd in Eijlders flink naar beneden halen, maar ook door hun sterke performances.






De middag wordt afgesloten door barman Ronald M. Offerman, die Delia Bremer en passant op een welverdiende poëtische ode trakteert. De dichters bestellen tot slot nog een welverdiend drankje en eenieder kan tevreden huiswaarts keren.
Dit met veel dank aan Kees Godefrooij, de presentator - van wie ik helaas de naam niet weet - (red: Paul Lokkerbol) en de vriendelijke mensen van Café Eijlders. Op naar het tweede deel van het Erotica!-drieluik.













(1) 2 3 4 ... 19 »