DE TOUR VAN…WILFRED ALLOY – wilfred pakt de rustdag twee ook nog even mee – ma 22-7: rustdag


ma 22-7: rustdag
 
… gevechten tegen het zuur …
 
Weer tijd voor wat artistieke voorprogramma’s, vindt Wilfred. Hoe kun je zo’n rustdag beter dan zingend doorbrengen? Ik zie trossen opgestoken vingers in de kajuit-juit-juit, vier om precies te zijn, maar negeer die gewoon. Heb niet voor niets al dit voorwerk voor Wilfred gedaan. O, de vingers zijn voor Nelis bedoeld. Men heeft dorst. Over zingen gezongen (Danke Ranke): zoals wij weten wordt half augustus, rond Maria Hemelvaart – hoe deze ongelovige hier nu plots mee komt? – bekend in welke stad volgend jaar mei het – en nu moet ik even spieken – Eurovisie Songfestival plaatsgrijpt. Het (d.i. de strijd) ‘gaat tussen’ Maastricht en Rotterdam. Ik vermoed Oisterwijk, dat acceptabel ‘tussen’ Genoemde Steden ligt. Het zal daar wel ‘gaan’. ‘Bonsoioioioir Oe-as-ter-wiezjque!’ Hoe zou de Franse jury dat Oisterwijk uitspreken? Sommige laaglandnatievelingen hebben er al moeite mee. Welnu, vandaag op de tweede rustdag het Eurovisie Songfestival in het piepklein en een tikkeltje anders: Des Kantelaars Zure Visie Wrong Festival! DKZVWF! Wie kent het niet?! Ik zie opnieuw minstens vier opgestoken vingers. Er wordt snel gedronken. (Leffe D nummer 2 alweer. Dank je, Nelis. Zeg, wat doet zo’n mooi biertje als jij in een eenvoudige kroeg als deze? Opgedronken worden? [hahahaha] Leuk, Alloy.) Basissmaakversterker voor het Wrong Festival is: zuur. Heel klein dus. Een liedje, een extra versje. De liedtekst is ook van Wilfreds hand trouwens, ik bedoel, nu van zijn hand, niet zijn stem, maar toch helemaal Alloy, herkenbaar aan dezelfde dreun met dat lettergreepje extra halverwege de even regels. Hij gaat maar door, die ‘Bulderdijk’, die ‘onvermoeibare versifex’ van de 21e eeuw. Op zeker moment moeten mensen het toch zat zijn, zou je denken. Parijs is nog ver en de stekker er nog niet uit. N.I.W.… Pannekoek heeft het op muziek gezet. Nelis, die vindt lang genoeg zangdroog te hebben gestaan, vertolkt het lied, getiteld Zuurstok Sjanie. Uit de tijd dat Wilfreds maag door ene Helicobacter gekraakt werd. M.E. erbij, traangas, dat werk. Smaakmaker opnieuw: zuur. Er zal overigens geen applaus, boegeroep of gejuich uit het publiek klinken. Het publiek zijn wij en wij geen publiek. Mooi festival is me dat…
 
Ze was niet meer de jongste. Ze was behoorlijk stok. / Geen nazaat, door een houding waar al menig man van schrok. / Ze noemde dat een keuze, maar doorgaans klonk het zuur. / Nu kon ze enkel wachten op de slag van ‘t laatste uur. / Berucht als ‘Zuurstok Sjanie’, vanaf de kleuterschool. / Ze zeek met valse branie al haar bijtend vitriool. // Zo kwam ze zelfs ter wereld. Zodra het vlieswerk brak, / vervulden moeder golven walging tot haar schedeldak. / Toen Zwaan lag bij te komen – dat ding eruit gestouwd – / werd zij al zonder reden door het mormel toegesnauwd.  / Daar had je Zuurstok Sjanie, ons rinse aureool, / vast werkend aan haar manie tot gesneer en apekool. // Ze trok haar wrange sporen, veel zuurte liet ze na, / ontkalkte elke ‘vriendenkring’ met ongekend pH. / En waar zij ook passeerde, de zakken vol venijn, / hing penetrant huishoudelijk de meur van haar azijn. / ‘Daar zuigt weer Zuurstok Sjanie,’ zo treurde men in koor / en heel die zangcompanie ging er langzaam onderdoor. // Nu giet ze dus haar zuren in zo’n verzorgingshuis. / Ze bijt nog massa’s mensen weg, het personeel incluis. / Maar straks zal het gedaan zijn, ondanks dat aceton, / een stof waar Maag’re Hein, hoe sneu voor haar, wél tegen kon. / Dan gaat daar Zuurstok Sjanie aan ‘t hemelse gewelf / bij strijkwerk Mantovani voor verzuring van God Zelf. // Dan toost je maar op Sjanie met borrel, bier en bowl, / bevrijd van de litanie van die zerpe kutviool.
 
Dank u, u bent een fijn publiek! Altonice doet nu, in modern Nederlands zowaar, een gedicht dat haar uit tijden van weleer ingefluisterd is door – en nu moet ik even spieken – het chanson ‘La maison où j’ai grandi’ van Françoise Hardy, de bekende chanteuse de La Vague Yé-Yé: een stukje geschiedenis, een riviertje, een wonder, een vleugje jeugd, de dingen de baas en alles wat voorbij gaat. Druk ik het zo goed uit, Altoos? Ze schudt schuchter nee. Immer schudt achter haar Pleegzuster Bloedchileen ook het hoofd, van het lachen. Juist. Gezellig, mensen. Ga je gang.
 
om de slochter

de moesboeren boeteprevelend bereid
gereed voor kilometers slopend geslof
naar de heilige stee om – o wonderheid –
de tot zuurtoost geroosterde christusstof

elders te velde huivert een vendelflard
geuzen – verguisd vergeten en bijna heen –
overste helling kwam van zee trof het hart
kil slaat de leden het dooraderde veen

eens zal – de hemelen hun vuurwet gewist
geen woord gesmoezeld in het recht ter vest –
ons het pad vrij zijn tevreden om wat is
zo de slochter om niets meer stromend west

Fijn, Altoos. Over naar Alloy. Momentje. Eerst dit:
 
HvdD: n.v.t.
DK: n.v.t.
 
Dank voor uw bijdrage, heren. Alloy nu. Hij staat, het bergop achter de rug, al klaar op het podium. Ik vraag me de laatste tijd af: is dat trapklimmetje in de tweede helft van de Détour dan geen probleem meer voor ‘m? Vreemd eigenlijk. Hij is toch niet minder gaan zuipen, integendeel. Destijds beklom hij het podium zoals elk jaar op Maria Hemelvaart in de brandende augustuszon godvruchtige pilgrims voorbij de houdbaarheidsdatum de ellen(de)lange trappen van de Panagia Evangelistria op het Griekse heilige eiland Tinos richting de wonderbare icoon van de Verkondiging aan de Moeder Gods. (Alweer dat katholieke gestoemp en geslof door het hete stof. De tour, maar dan anders.) Dat zegt (mij) wel iets. En ik heb het niet eens van Herbert. Die loopt vooral voor ongeïnteresseerde wielertoeristen door Franse kastelen te gidsen. Maar het blootsvoets en dito knies kruipgestrompel staat me nog helder op het netvlies. (Leffe D, hoi. Dank Nelis.) Maar goed, alles went, zullen we maar zeggen. Of steeds minder mensen hangen zijn zatte geklauter aan de grote klok, ook mogelijk. Dat is het. We hebben het er niet meer over. Intussen vraagt men zich hier aan boord van MS De Kantelaar af waarom ik zo eindeloos in mezelf zit door te typen. Hm. Oké dan, Alloy. Laat ze maar roepen. Ik verwacht op deze rustdag een soort pas op de plaats. Zit ik er ver naast?
 
ROEPT U MAAR
 
“Surplace!”
 
Hij wilde wel een wijntje. Zo’n wijntje van de streek.
Hij nipte wat, z’n mond trok scheef. “Mon Dieu, ze gaf me bleek!
Twee flessen Evian nog!” Hij hield het bij dit glas.
“Het zal me niks verbazen, mensen, als ik straks zuur plas!”
Ontkalkt en hevig spoelend verliet hij snel de stad
met in zijn muil de smaak nog van een half sportfondsenbad.
U ziet dat zo’n châteautje soms fout naar binnen glijdt.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!


Etappe 15 zo 21-7: Limoux – Foix (Prat d’ Albi) (185 km, bergen)

… topoverleg …
 
Weer de bergen in. Het kan daar boven koud zijn, dus trek iets extra’s aan, mannen, zegt de gezag pretenderende baas van team Deceuninck–Quick-Step. Och, wie zijn de aangesproken mannen om daartegen in te gaan?  Dat zijn: Kasper Asgreen, Dries Devenyns, Enric Mas en Maximilian Richeze. De volgende renners gaan er wel in mee: Julian Alaphilippe, Yves Lampaert, Michael Mørkøv en Elia Viviani. Dat wordt bergop nog gezellig, denkt de teambaas met bedenkelijk gezicht. Met een gezicht waarvan de bedenkelijkheid, de bezorgdheid valt af te scheppen, bedoel ik. Niets bedenkelijks aan dat gezicht an sich, al nodigt het niet direct uit tot nader contact, maar dat is een ander verhaal. Kasper, Dries, Enric en Max sputteren voor de start dus tamelijk tegen, maar de baas heeft met enige druk, tegen het hem karakteriserende intimiderende aan, toch dingen gedaan gekregen – de dingen de baas als het ware – namelijk dat gans Deceuninck–Quick-steps met iets extra’s over de gebruikelijke wielerkloffie aangetrokken aan de etappe begint. Jasjes dus. Wat vreemd is als je erbij stilstaat. Helemáál als je er aan de start, zeg onder aan de berg, bij stilstaat. Het is daar namelijk behoorlijk heet. Rare jongens, die Deceuninck–Quick-Stepwielrenners. Maar goed, de jasjes zijn dan maar vast aan voor als ze in hogere sferen geraken. Hoeven de mannen er niet voor af te stappen.
 
Klimmenderweg lopen ook de negatieve gemoederen hoger op, nog hoger dan ze al waren. Het botert al langer niet binnen de ploeg, dat is een publiek geheim. Over waar ‘t ‘m precies in zit laat niemand zich voor de camera uit. Botsende karakters, zoiets, in de koers soms letterlijk botsend, dranghekken geïnvolveerd. Tja, dan kan zo’n dwingend opgelegde dresscode net de zweetdruppel zijn die het klam geworden boordje doet overlopen. En natuurlijk de spreekwoordelijke emmerdruppel. Zulks blijkt pijnlijk als ze de top zo ongeveer bereikt hebben. De ploeg zet zichzelf op de kant. Of hoe noem je zoiets, de remkabel wordt gesnokt? De edele delen tot halt houden afgedraaid? Het team stopt in ieder geval, of liever: de twee deelteams stoppen. Ze gooien, de woede reeds voorkokend, hun fietsen áán de kant (dat is zeker goed verwoord), de ene kant vier, de andere kant ook vier, en zijn van zins flink met elkaar op de vuist te gaan. Alles wijst erop. Wat er onderweg aan verbaal grof vuil heen en weer is gesmeten is niet te achterhalen. Je zou het de heren commentatoren kunnen vragen. Die menen continu te weten wat de renners koersend denken en zeggen, zelfs als ze niet op hun zijspanmotor meerijden. Feit is dat Genoemde Viertallen elkaar zat zijn.
 
De gangs staan tegenover elkaar. Worden er spreekwoordelijke troeven op tafel gelegd? Welnee. Het primitieve ‘erop klappen’! Sodemieter op met je kaarten, dit is geen spelletje. Handen en voeten gaan nu duchtig spreken. Vraag is welke groep de quickste step in de benen heeft (als daar boven überhaupt nog benen zijn, misschien die van gisteren). Het antwoord komt ‘rap’, zoals dat zo mooi heet.  
 
Durven jullie wel, vier tegen vier?! bibberroept Yves Lampaert, vooral in hoofdrekenen niet de slimste van het stel. Ja hoor, antwoordt Enric Mas rustig. Lijkt me wel zo eerlijk, voegt hij er vals grijnzend aan toe, vertrouwend op de slagkracht van zijn manschappen. De jasjes gaan uit bij het stel dat het waagde tegen de baas in te gaan inzake – hoe toevallig – het aantrekken van diezelfde jasjes. Kasper Asgreen, paars van woede, werpt als eerste zijn colbertje van overigens sportief prikkelend erodynamische snit van zich af om direct aan te vallen, Dries Devenyns,  redelijk acceptabel gekleed, volgt zonder nadenken zijn voorbeeld en staat op het punt ‘dol-ge-Driest’ op die vier walgelijke wittevoethielenlikkers af te stormen. Enric Mas en Max Richeze echter willen zich in stijl op het handgemeen voorbereiden door na het uitdoen der jasjes – nog tien keer sportiever prikkelend erodynamisch qua snit, hetgeen perfect bij de traagheid in handelen past – tevens onderliggende overhemdsmouwen tot de zwetende oksels op te stropen. Het oogt wel fraai slowmotion-filmisch, stijlvol heldhaftig en tot strijd bereid, het bouwt boven op die berg de spanning prettig en ondraaglijk tegelijk op, en dat zal hun bedoeling misschien ook zijn geweest – zie bovendien hoe de twee hun stropdas nog gentlemanlike subtiel met rechterwijsvinger en dito middelvinger over de linkerschouder tikken (alle bewegingen synchroon en danseuse als in een soort voorstelling van het Frans Nationaal Wielerballet of ‘Tour de France – Le Musical’) – doch tactisch is dit alles ronduit onverstandig. Er is geen intern overleg meer in de gevechtseenheid als geheel, geen samenhang. Voor zolang het filmduo het jasafwerpen, mouwopstropen en stropdas-over-de-schouder-draperen laat duren is het gewoon twee tegen vier.
 
Durven jullie wel, vier tegen twee? roept Devenyns, door de overtalsituatie in zijn nadeel overrompeld een stuk minder Driest. Ja hoor, lacht Julian, en hij zet zelfbewust à la Philippe de Tweede zijn IJzeren Hertog van Alva Elia Viviani strategisch op kop – als speelden zij het duel met thuisvoordeel, het publiek aan hun kant, in het Spaanse deel van de Pyreneeën – om eventuele futloze aanvallen van die twee sukkels alvast doeltreffend te kunnen beantwoorden. Kasper is van angst weer Asgreen as ever, terwijl in het achterland van het opstandige gebied het opstropen der mouwen zijn voltooiing nog moet meemaken. Jaaaa, het loopt weer aardig richting kerst, mensen. De afloop van het treffen zal ik hier derhalve niet uit de bevlekte doeken doen.
 
Of Ranke Nelis ook Pleegzuster Bloedwijn schenkt, wil Immanie weten. 
 
Herbert en Maarten hebben op de zijspanmotor bergop andere strijd geleverd zien worden. Ze hebben dus inderdaad met het pak meegereden, maar niet met ‘het maatpak’. Herstel: Maarten reed grotendeels alleen. Materiaalpech, zo was de officiële lezing, noopte Herbert al voor de beklimming van de eerste col – hoe druk je zoiets uit – te ‘lossen’ en de rest van de etappe in zijn bedompte commentaarkeet te volgen. Het scherm ging opnieuw af en toe op zwart, maar ook dat is het circus dat Tour de France heet. Pech. Herbert weet gaten altijd soepel dicht te praten, en dat zo beeldend dat het zwart van het scherm niet eens opvalt. Dat zegt wel iets. En die paar schrammen, ach, het had slechter kunnen aflopen, breek hem het gips niet open. Dusss…. Onafhankelijk van elkaar, dat scheelt schrijnend gebekvecht,  leverden de heren weer diepe kwoots. Herbert zegt expliciet dat hij iets gaat zeggen – wat zegt dat over Herbert? – en Kroot neandert weer in een knusse aflevering van Oudere Tijden:
 
HvdD: ‘Ik zeg: de verliezers van gisteren zijn de aanvallers van vandaag.’
DK: ‘Hij vrat een stuk berenvlees en legde er gelijk de zweep weer over.’

[Extra verkeersinformatie: in het pittoreske centrum van Foix is een Labetobus vol vale, zombieachtige passagiers gesignaleerd. Haal niet in, blijf rechts rijden en probeer de chauffeur met lichtsignalen en schoten in de lucht te waarschuwen.] Hij kan, Alloy.
 
ROEPT U MAAR

“Een jasje uitdoen!”

De renner heeft nog over. De groep kan nu gesloopt.
Wat extra kolen op het vuur, het jasje losgeknoopt.
Je ziet zoiets wel vaker. Ook in De Kantelaar
doet menigeen het jasje uit, voor topprestaties klaar.
Dat continue hijswerk… de dorst stijgt met het uur.
Begrijpelijk, dan gaat er soms nog méér uit op den duur.
Het ‘uitgaans’-leven is niet op alles voorbereid.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 


[Top 3 algemeen orangement: 3. Kruijswijk +1.47, 27. Mollema 35.54, 36. Poels +56.22]


Etappe 14 za 20-7: Tarbes – Col du Tourmalet (117,5 km, bergen)
 
… anale talen …
 
“Moet je luisteren zeg. Komt Broer Konijn terug van vakantie, je kent dat wel…” [hahahaha] “Blijken ‘zuh’ alles meegenomen te hebben.” [hahahaha] “Wat denk je? Vergeten z’n hol dicht te doen.” [hahahaha] “Heeft u ‘m, mevrouw?” [hahahaha] “Broer Konijn dus woest keutelkakkend naar de politie gehupt…” [hahahaha] “Vertelt ie op het bureau zwaar gestrest z’n verhaal – je kwam er gewoon niet tussen – afsluitend met een verontwaardigd ‘Wie dóet zoiets, wat ís dat nou voor grap, waar slááát dat op?’ Zegt die politie…” [hahahaha] “Nee moet je luisteren… Zegt die politieagent grijnzend… ‘dat slaat op hol’…” [hahahaha]
 
Toute la folie à vélo de cirque. Wordt weer een hartig woordje met de crew. Niettemin, sommige profwielrenners – Alloys ‘gekkigheid’ verwees er via een driedubbele détour ook naar – wekken de indruk dat ze ergens in hun vroegste ontwikkelingsfase zijn blijven steken. Let eens op de taal van commentatoren en geïnterviewde renners. Ik begrijp het ergens wel. Waar? In de bergen. Bergop zwoegend let je niet op je woorden zoals op je ademhaling. Dan word je, meer bezig met je zittechniek, een grofgebekt monstertje. Dan ben je een volwassen kind, met een degelijke anale basisopleiding op zak, verongelijkt, boos, moe, driftig, met negatieve gevoelens kortom, of juist vrolijk ondeugend, uitdagend confronterend, een groot kind dat de poep- en piesfase dan wel in een andere taal herbeleeft, maar nog altijd in zijn uitlatingen grenzen opzoekt en soms overschrijdt. Nogmaals, het is allemaal wel te verklaren. Stoempend in de Pyreneeën… (Stond het ‘in de papiere? Nee eh…’ Excuus voor dit Tantpissaloopje, het poepte er vanzelf uit.) …word je zelf een fysiek grensgeval. Dan let je niet op je woorden. Wat kan het jou schelen als de mensen erover vallen? Het belangrijkste is ervoor te zorgen dat je er nog bent en ‘met een schuin oog’ – heeft u ‘m, mevrouw? [hahahaha] – al naar de volgende etappe kunt kijken. Momentje… Wil je je niet met mijn verslag bemoeien, Alloy?!! Vieze man! Dit is niet de eerste keer, hè, dat jij er iets bij typt, als ik even weg ben. En ik drink geen kopstootjes! Die kwamen destijds zeker ook van jou. Wat? Over wie we het hier dan hebben, vraag je?
 
Door schimmen van mijzelf omringd …
 
In de MS-zuipschuitkajuit is de crew inmiddels wel toe aan een 18e-eeuws klassiek welklinkend en welproostend, alledrankomvattend holistisch Bach-anaal. Geen C te hoog of te weinig wat ons betreft, je kunt met ons alle kanten op kantelen. Regisseur Ranke Nelis gebaart van zijn kant dat ook mijn woorden kantje boord zijn, maar op ’s Kantelaars boordtoogkant heeft de goede man wel klaargezet waar zo’n behoefte is: voor sneldrinker Wilfred Alloy een met een vaasje tot kopstoot gecompleteerd keteltje 1 (over kantje boord gesproken: nog zo’n nippertje), voor Altonice Rieding en Arent Hendriksz B. ‘Pannekoek’ Lix ieder 0,5 liter RBB (Roetemeijers Beiers Bier (eerst oma’s tourfiets terug)), een wel-te-lusten Chileen voor Immanie Kompaan, en good old Leffe D voor kom hoe heet ik ook weer en waar hebben we het over. Of nee, ik doe ook weer eens zo’n houtenkopstootje. Wilfred!!! Er valt kettingpost uit Tiel op de kajuitmat. Voor de kattenbak.
 
Nog iets noemenswaardigs gebeurd in de Tour? Bergetappe, met 117,5 km vrij kort, maar wel twee Pyreneeënreuzen: de Soulor en de Tourmalet. Niet dat je zegt colletjes. Schiet me opeens dat veelkoppige monster te binnen, waar Ducrot het eens over had. Als de renners dat op grote, frissere hoogte tegenkomen, zal het veelkoppig wel een colletjestrui dragen. [hahahaha]. Heb je weer achter mijn laptop gezeten, Alloy? Maar of er nog iets gebeurd is? Het beeld van Dijk en Du ging regelmatig op zwart. En toch lulden ze door. Ik vind het knap. Misschien zijn het ook die technische mankementen die de twee af en toe doen besluiten op de zijspanmotor mee te rijden. Altijd beeld dan. Ik meen dat ze deze middag ook stukjes hebben gereden. De kwoots nu van Herbert (arm uit het gips, andere arm erin) en Ducrot.
 
HvdD: ‘Het rivierwater stroomt in tegengestelde richting, dat betekent dat ze aan het klimmen zijn.’
DK: ‘Alle renners hebben de neiging om het peloton als de navel van de wereld te zien.’
 
Klaar. Heeft Alloy nog iets aan wielrenherenleed te berde? 
 
ROEPT U MAAR
 
“Met je hol open zitten!”
 
Er wordt wat af gezeten. De tourtaal ervan vol.
Maar moet de renner dat nu ook al met een ‘open hol’?!
Dan zit je in je zetel, het geel zal straks wel staan,
en krijg je zelfs een bruine trui daarover omgedaan…
Het zal zover niet komen. Dat open hol beduidt
een afzien, stoempen, zwoegen. Oftewel: je ligt eruit.
Hoe zit je in het zadel? Veel kan eraan gewijd,
maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[Top 3 algemeen orangement: 3. Kruijswijk +2.14, 15. Mollema +9.03, 50.Kelderman +53.10. Extra verkeersinformatie: de Labetobus met Groenewegen reed niet ver van de meet op 15.27.]
 


Etappe 13 vr 19-7: Pau – Pau (27,2 km, tijdrit)

… jongen, eet je wel genoeg …
 
Dijkstra poneerde laatst vanuit zijn commentaarkeet het/de kreet, het decreet zeg maar, dat je ‘Parijs niet kunt halen op enkel een banaan en een broodje pindakaas’. Je moet er iets bij slikken wat nog niet op ‘de lijst’ staat, suggeslibbereerde hij voort. Mij persoonlijk lijkt dat je op louter bitterballen ook niet soepel over de meet glijdt. Maar waarom zou een renner ook bitterballen gaan eten? Om iemand van MS De Kantelaar een etappe te laten winnen? Dezelfde bijgelovige shit? Andersom werkt het zéker niet. Het is belangrijk dat het garnituur in de juiste monden verdwijnt. Dan nóg: met de ballen voor ons en voor de renner ‘een banaan en een broodje pindakaas’ (fantasieloze jaren-vijftig/zestig-maaltijdcombi) kom je er ook niet. Ik ben die vette frituurzooi eigenlijk ook zat. De wielersport moet bovendien schoon blijven. Afschaffen dat Uur. Rauwkost op het menu! En hoe heet je spul, Herbert?
 
Ex-topcyclist M.D. kijkt met gemengde gevoelens terug op de voedingswaarde van zijn jeugd, tweede helft jaren zestig. Zelden at hij zijn bord leeg (vandaar zijn levenslange obsessie met de inwendig verterende mens). ‘Jongen, eet je wel genoeg?’ vroeg moeder dan bezorgd, en als haar geduld opraakte, dramdreigde ze – gek werd hij van die slogan – ‘Denk aan de kindertjes in Biafra’. Nam hij soms aan de Olympische Obesitasspelen deel? Regelmatig flapte hij in verschillende peergroups, steevast ongepast, die/dat voor hem betekenisloze kreet er zelf ook uit, zo onverwijderbaar zat die tussen zijn oren in de hersenen gebrandmerkt. Als een klasgenootje hem om raad vroeg over de aanpak van een lastig te doorgronden stuk huiswerk, riep hij bijvoorbeeld, met zorgwekkende waanzin in de ogen, alsof hij een dubieus lijntje had gesnoven: ‘Hoe je die staartdelingen moet benaderen, vraag je?! Denk aan de kindertjes in Biafra!’ Op zekere ochtend keek hij in vaders scheerspiegel en, nog steeds geen sjoege van de uitzichtloze politieke en humanitaire hel in dat ver van zijn bed gelegen stuk Afrika, beloofde hij zichzelf: ‘Eens zal ik de koning van Biafra zijn. Ha! Dan zal ik die kindertjes eens leren minder te eten.’ Met het gebruikelijke gevoel van voedselwalging propte de zak botten vervolgens, louter voor de vorm, zijn sneu plakkerige witte boterham met pindakaas en zijn banaan in de schooltas van het destijds lachwekkend brave type en fietste, nu eens ‘en danseuse’, dan weer stoempend, door het toentertijd nog woest geaccidenteerde Vlissingen bergop naar school. Voor de neutrale kijker redelijk kreukloos doorliep hij het laatste basisschooljaar en schakelde hij naar het andere blad, dat van het hier en daar nog bergop voortgezet onderwijs. Hij maalde zijn molen soepel. Tot het een keer goed mis ging, nadat hij iets had geslikt wat niet op moeders boodschappenlijst stond. Swallowin’ blues. Hierover meer in deel 2 van ‘De verzwegen jaren van Maarten D’.
 
Maar we zitten hier gezellig en we zitten hier ook E! Mensen, dit is allemaal maar gekkigheid. Oei, er is aan ‘s Kantelaars tingeltangel plotsklaps een gierende behoefte aan nootjes. Altoos levert ze kroegkrakersvrind Pannekoek zwart op wit. Toonsoort G. Okeee! En lós gaat het. Dat die honger maar gestild is. Immer schakelt aan Nelis’ toog naar een volgend blad voor de zes. Gebeiteld. Geheid.
 
Goed eten is in de tour belangrijk. Dan moet je niet direct denken aan hoeveelheden, maar aan stofjes. Door een tekort aan specifieke stoffen kan de wielrenner – bergop hè – van het ene op het andere moment geparkeerd staan. En wie zit er prompt naast hem aan het stuur? Zul je altijd zien: de spreekwoordelijke Man met de minstens zo spreekwoordelijke Hamer. Die creep geeft er(gens) een klap op en de renner is door de beugel gezien. Misschien weet onze slecht gevoede wielersporter – hij heeft inmiddels een gezicht gekregen en we blijven ‘m volgen – met een laatste krachtsinspanning die gereedschapsman achter het stuur vandaan te meppen. Als dat lukt – het lukt! – heeft ie er wel een spreekwoordelijke fiets bij (voor de duidelijkheid: hij zat met Hamermans niet in een geparkeerde auto). Een luxeprobleem, ook zoiets. Op het beste rijwiel hervat hij de koers – zijn eigen uiteraard, dat scheelt voor het vervolg weer wat jeukend wielerjargon – maar ja, hij moet toch als een gek gaan schakelen. De voedselgerelateerde wielerblokkadekwestie blijft, zeker met hoge stijgingspercentages. Naar welk blad dan? Wat is wijsheid? Om blaadjes gaat het niet zozeer. Het is slechts één stofje dat hij ontbeert. De naam is me ontschoten. Voel me zelf ook niet zo best nu. Er hangt iets in de lucht kennelijk. Heeft er iemand een mueslireep of zo? Vlieg op met die bitterballen, wat had ik nou gezegd?! Koolhydraten, daar gaat het om! Energiedrankje ook goed. Ah, Leffe D, dank, Rank. Nu gaat het wel weer. Je moet weten, ik zag er als een berg tegenop om verder te vertellen. Niettemin laat ik het hierbij. Die wielrenner komt er wel, met hulp van een man zónder hamer, maar mét dat stofje.
 
Beste mensen, dit was een waar verhaal. Ik weet het zeker… want die berg… dat was ik. Giddy up go!
 
Hoe verging het vandaag het pak in de tour? Wel, na een goed ontbijt – een banaan, een slap kadetje pindakaas en een paar tabletjes uit een doosje dat mams niet op haar lijstje had staan – reed iedereen op tijd. De klok de baas. Dat was fijn. Laatkomers hielden de boel maar op. Tijdrit dus. Pau-Pau.
 
Wat vonden de heren commentatoren? Herbert Dijkstra, een arm in het gips (iets met een in een haarspeldbocht boven de boomgrens gelost motoronderdeel (‘Ik Valverde diepte in’ waren zijn voorlopig laatste verstaanbare woorden)), hield geen moment zijn mond. Ducrot daarentegen was tot 15.47u opvallend stil. Hij zat tot dat scharniermoment niet naast Herbert. Kon met die arm van doen hebben. In plaats van Ducrot hield aanvankelijk een andere wielerpipo hem gezelschap. Ook niet te stoppen. Voordat ik het Herbertje van de Dag geef eerst dit lozen:  ik wil nu verdikkeme wel eens van Dijkstra weten WAT precies een en ander dan wel over dit of dat ZEGT. Details! Ken je dat woord nog van school, Zeikstra?! Met enkel dat suffe IETS kom je niet meer weg, jij vuile gore meandertaalruftige van verwaaide bedwantspoep en mestvliegfragmenten verzadigde wielerstrontjargonventilator!! Mijn pilletjes, waar zijn mijn pilletjes?! Doosje bijna leeg. Parijs is nog ver. Je ademhaling, Josse. Pfff. Hier komt ie. (De koning van Biafra laat ik zitten. Ben kapot. Wat dat zegt, vraagt u? Wilt u het echt weten?)
 
Herbertje van de Dag: ‘Dat zegt wel iets over de Deen.’

Op tijd terug van de apotheek. Ah! Een Dubbeltje op m’n kant, drankdankrank. Het laatste woord is aan Alloy, die nu beweert van begin af al aan het woord te zijn geweest. De lolbroek. [hahahaha]

ROEPT U MAAR

“Hongerklop!”
 
Je hebt niet goed gegeten. Verslapt van top tot teen.
Dat kan maar één ding wezen: een tekort aan glycogeen.
Niet meer vooruit te branden. Zulks wordt in wielertaal
als ‘hongerklop’ omschreven. Nou zeg, in ons dranklokaal
heeft Nelis zat te vreten, van vet en klef tot droog.
Voor standaard vazen bier voldoet een dorstklop op de toog.
Er is nog menig land waar men dorst en honger lijdt.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[Top 3 algemeen orangement: 3. Kruijswijk +2.12, 16. Mollema +5.34, 47. Kelderman +32.51]
 


Etappe 12 do 18-7: Toulouse – Bagnères-de-Bigorre (209,5 km, bergen)

… fauteuil-lui, de kunst van het verdwijnen …
 
Alles was aan kant. Alles schoon schip gemaakt zijnde staan de dingen op hun vertrouwde plaats. De dingen de baas (een fraaie verhaaltitel van Belcampo, zonder het werkwoord ‘zijn’ voor tweeërlei lezing vatbaar). Het zestal heeft in de kajuitbuidel getast en voor extra gemak in turbulente tijden een comfy chair aangeschaft. Speciaal voor wie van ons er door omstandigheden niet best aan toe is en de keus tussen staan, zitten en liggen niet van toepassing vindt. Voor wie enige tijd, eenvoudig weg, onzichtbaar wil zijn. Daarvoor is Comfy ideaal. De stoel is zacht en immens. Alleen zijn toegenomen omvang verraadt bij wijze van verspreken zijn bezetenheid, geeft aan dat de zetel niet vrij is. Je wordt er bijna door opgeslokt. Comfortabeler positie is nauwelijks denkbaar.
 
We hangen op houten stoelen waar mogelijk onderuit, aan de tafel die zo veel heeft meegemaakt. Wilfred is er niet. Afgelopen dagen, niet alleen na gedane verszaken, misgreep hij telkens de stoel. Meneer Alloy heeft zijn afdaling in de nieuwe comfy chair wel verdiend. De kroegkraakdames en de tingeltangelist hebben Comfy reeds getest. Je bent heerlijk op weg naar ergens anders, is hun indruk. Niet duidelijk waar dat ergens en wat dat anders precies is. Voor de bodem van de comfortabele zachtheid bereikt was, keerde ieder van hen op haar/zijn stoelzitbeurt terug. Wilfred, bezig met zijn afdaling, laat zich ook nauwelijks meer zien. Deinend in de zachte kussens is hij tamelijk… opgelost. Hij zit en zet nu door! Verkeert denkelijk in ons onbekende sferen. Zal toch wel weer tevoorschijn komen? Aan de andere… (Precies, Nelis. Neem zelf ook wat. Op papier dan.) …kant, die stoelen schijnen niet altijd te vertrouwen.
 
Nog niet voor de dag. De herrijzenis begonnen? De reis neerwaarts voortgezet? Verslonden? De stoel de baas?
 
Alloy of geen Alloy, we drinken wat en hebben de bal. Niet dat het in de tour niet naar wens gaat – kan ons die hele tour schelen – maar de lekkere trek klopte aan de deur. Dan gebeurt er weer van alles in de etappe. Word je toch nieuwsgierig. Snel derhalve overgeschakeld naar Herbert ‘we zijn bijna beneden’ Dijkstra en Maarten ‘zo die is gelost’ Ducroot, die voor de verandering ergens op de route heel spannend op een zijspanmotor aan het meanderen zijn. (Niet moeilijk raden wie van de twee er met willempiehelm in het suffe bakje zit. Ducrot weet overigens hoe dat flankerende commentaarelement al rijdende te demonteren.) Hebben wij ook eens een richt- en lichtpunt in de verwarrende wereld. Ik heb vandaag wat meer kwoots verzameld. Ouderwets genieten.
 
HD: ‘De Fransman hoopt zijn benen nog te vinden, tot nu toe was ie ze kwijt.’ ‘Ze keken naar elkaar, de Fransen, en Cummings was weg.’ ‘Als je de Champs-Élysées hebt gewonnen, dan heb je Parijs gehaald.’ ‘Sommigen rijden al een paar dagen als een mummie in de rondte.’ ‘Het zegt ook iets, met alle respect, (…).’
MD: ‘Je ziet ‘t, hier wordt gelinkebald, de hele groep klontert samen.’ ‘Hier op de afdaling zou je eventueel meer benen kunnen maken.’ ‘Ze hebben gebeld héé het is wel leuk daar maar nu moet je effe hier komen.’ ‘Hij heeft veel tijd verloren maar heeft normaliter wel een klein klassementsambitietje.’ ‘Hij wil die bullebak kwijt voordat ie aan de top is.’
 
HvdD: ‘Laurens de Plus heeft zich ook een paar keer van achteren laten zien.’
DK: ‘Je ziet dat ze zitten af te zien, er rijdt een beul van een Duitser vooraan.’
 
Intussen is Wilfred zowaar, wat gebutst en gerafeld doch zichtbaar voldaan, uit Comfy’s krochten opgeklauterd. De rode koontjes van opwinding staan hem goed. Hij vertelt vol vuur – het lijkt een interne monoloog, alsof wij er even niet zijn – over hoe hij daar in Comfyland, als roverhoofdman, boeienkoning, piratenkapitein en wat al niet, van alles heeft beleefd, aan het slot van de reis de horizon heeft zien zwabberen, zien kantelen, in schitterend rood zien ondergaan (opeens wil iedereen (nog een keer) een achterwaartse duik  in het comfort nemen), om in stijl af te sluiten met…

ROEPT U MAAR

“In een zetel zitten!”
 
Die renner in de kopgroep. Je voelt: hij wint de rit.
Omdat hij door zijn maats gesteund nu ‘in een zetel zit’.
Zo schuift hij naar de meet toe. Ook hier staat zo’n fauteuil.
Met dit verschil: wie daarin zit is ladderzat of lui.
Ach vrienden, laat maar hangen. Het gaat zoals het gaat.
Het maakt geen donder uit of iemand zit of ligt of staat.
Nou goed, er schijnen plekken waar men zo’n club juist mijdt,
maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[Top 3 algemeen orangement: 4. Kruijswijk +1.27, 21. Mollema +4.25, 50. Kelderman +30.06]

Etappe 11 wo 17-7: Albi – Toulouse (167 km, vlak)
 
… door schimmen omringd …
 
‘Don’t look at the carpet, I drew something awful on it.’ (David Bowie 1977)
‘The captain’s in a coma, the lieutenant’s on a drunk, the owner’s in his cabin with his special friend, the monk, the midget’s on the bridge, dispensing platitudes and junk….Those wild and special places, those strange and dangerous places, those sad, sweet faces, it’s a Ship of Fools.’ (Peter Hammill 1977)
‘I have nothing, Toulouse.’ (Tom Dumoulin 2019)

Alles valt overalbehalve op z’n plek in oneindig veel allesasdeeltjes en doet zich niet meer helen. Je kunt niet alles meer hebben. Een tiensterrencryptogram is kinderspel bij de vloerpuzzel. Dit schreeuwt om de kunst van het vegen, van het op de kant zetten, ten slotte die van het verlaten.
 
Er is de setting van een deinende kroeg, een schip waar schimmen ooit samenkwamen om er te blijven. Er zijn de woorden die zich aan hun eigen sprekers vastklemmen om niet meer te lossen. Er is de man van snelle teksten die geboren lijkt om boven zijn theewater op podia te klauteren en er, het water ontnuchter(en)d weer in, van af te donderen, ware dit een verlangde bijna-doodervaring, om daarna als herboren weer op te duiken. Hij laat zich door zijn schimmen en toevallige passanten in continu wisselende volgorde bijstaan, beschimpen, fêteren, bijzitten, opjagen, toejuichen, afkoelen, tot kalmte manen, bijliggen, verwarmen, bedienen, opslokken, afserveren, het is hem potdorie het leven zelf. In het grauw zoekt hij zijn roeping elke dag opnieuw, niets wetend van een gisteren, de uitdaging aangaand vloekende tegenstellingen in het ondermaanse – en vlug een beetje! – met elkaar te doen rijmen. Betwijfeld onwankelbaar. Hij denkt geen keus te hebben. Aan de andere kant…
 
…drinkt hij iets van Ranke Nelis, die Altoos, Immer, Pannekoek en mij ook iets geeft. Voegt een adempauze in, uit, in, uit. Ingewikkelde materie, moeilijk te verwoorden. Het valt… niet mee. Om dorst van te krijgen.
 
Omringd door genoemde schimmen van zichzelf houdt hij zich overeind. De setting schreeuwt zoveel mogelijk spel uit, om te vergeten, schuift zorgen aan de kant. Hij projecteert zich in en spiegelt zich aan wat hij vriendschappen en vage contacten noemt, legt die brutaal woorden in de mond, probeert een boodschap te verwoorden, verzandt in verscherving verflarding verscheuring versnippering. Het kan niet anders dan kantelen. Het gebeurt. Als de langspeelplaat Low van David Bowie, aanvankelijk van Genoemde Draaitafel los gekomen door het intense, gekwelde leven dat de naald in de groef van kant A doet opklinken, aan de andere kant…
 
(hij drinkt nog iets van Nelis en betreedt een onbekende wereld)
 
…zeg kant B, met een heel ander verhaal komt, verstillend, het weten betwijfelend, dolend als een kind. Het is dát kantelen, dat omslagmoment, dat hij bedoelt en nu hier, à ce moment ici, ervaart.
 
Ingewikkelde materie. Zich onderdompelen en vervolgens afdrogen. Dijkstra en Ducrot, tijdens de Kalmejan op het wielerlijf geschreven ‘wandeletappe’, maken het er met de volgende dialoog niet duidelijker op. Ducrot: ‘Hoe is het mogelijk dat vier kopmannen de slag missen met de waaiers?’ Dijkstra: ‘Dan kun je toch naar voren toeteren met je oortjes?’ Begrijpt mevrouw Van Zetten dit? Dan maar van Herbert een fijne tip voor eenieder die er wat aan heeft, en slager Kroot met wat vleeshaken.
 
HvdD: ‘U hebt heel wat dorpjes voorbij zien komen. Die staan ook in gidsen.’
DK: ‘Er zijn nu ook dranghekken met de pootjes omhoog en die hekken zijn zo hoog ik zal je vertellen als je daarop inrijdt dan blijf je erin hangen.’
 
Het zijn stormachtige ontwikkelingen opeens. Je moet ermee zien te dealen. Dingen waterpas houden. We zijn gelukkig nog niet op volle zee.
 
Bovenstaande is opgetekend na een traytje Leffe D en wat los spul door Josse Ketting, afgeleid van Wilfred Alloy, zelf ook afgeleid, die nu vriendelijk het compacte gezelschap uitnodigt:
 
ROEPT U MAAR
 
“Alles op de kant zetten”

Een Belg betreedt de zuipschuit: het tocht wat van opzij.
“Hé, Nelis, alles op de kant! Dat waaierbier voor mij!”
Zes pinten van de toogrand, nog net niet aangepakt,
door plotseling een tweede windstoot op de vloer gekwakt.
Locaal stormachtig touren bij zeker barbezoek.
Je hijst aanzienlijk luwer aan een tafel in de hoek.
Het wil bij Ranke Nelis wel spoken op z’n tijd.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
“Geen applaus, fijn. Elke keer klappen voor iemand die iets moois doet, vermoeiend. Nu even zitten. Weér geen stoel? Nog steeds aan de kant of zelfs de hort op? Zijn de dingen hier de baas of zo?”
 
[Top 3 algemeen orangement: 4. Kruijswijk +1.27, 21. Mollema +4.25, 46. Kelderman +30.06]
 


di 16-7: rustdag

…eerst de kajuit een beetje aanvegen…
 
Dagje rust, heerlijk. MS De Kantelaar heeft tien krankzinnige dagen achter de rug. De jaartjes gaan tellen (fijn, hoef ik het niet te doen). De crew is op. Nelis hangt als een zoutzak over de toog. Al dat gefeest. Laten we het op toeval houden. (De kroeg had het niet eerder meegemaakt. Het hing kennelijk in de lucht. Of komeet Halley in een vervaarlijk lage détour door de kajuit joeg en er voor de gezellie ruim een week over deed via de nooduitgang het schip te verlaten.) Alloy is na zijn zoveelste besnoven val van het podium gisteren niet eens meer overeind gekomen. O wacht, hij krabbelt zowaar op.
 
Bij die Ohne aan tafel misschien nog wel, maar hier is aërodynamica geen issue meer. Senkjoe! De heerlijk helder vleesverwerkende tourbabbelaars worden buiten hun glazen huis ook niet langer carnavalesk geparodieerd. ‘Sound and Vision’ verstomd, verduisterd. Te veel Détourorganisatorisch hooi had de kroegvork geschept die eerste week. Er was te vroeg gepiekt, kun je ook zeggen. De bontegezelschappenavond had al iets eindeschooljaarsfeestelijks. Wat vang je daarna nog aan? Ernstig. We zijn nog maar tegen halver-groenewegen. Ik moet bekennen me flink verkeken te hebben op de verslaglegging van wat er allemaal in de zuipschuitkajuit gezegd en gedaan wordt. Het circus dat Détour de France heet is op deze manier geen drie weken vol te houden. Zo van dit gebeurt nu, dat gebeurt later of juist tegelijkertijd, mensen praten door of langs elkaar, en dan staat er weer een al dan niet gevraagd in de spotlichten of murmelt al dan niet zonder toestemming op podiumhoogte iets onnavolgbaars… Ik kan het tempo niet meer aan. Je moet dat maar allemaal in de kajuit-juit-juit – ik ga er allemachtig van stotteren, is dat trouwens geen liedje, Ranke Nelis? – leesbaar zwart-op-wit-gewassen krijgen. En dan kom je thuis (thuis? wat is dat?) en dan huil je wat, en dan schenk je nog wat in… en dan? Dan ben je (het) opeens zat. Ik heb gefaald. Of Alloy. Wie Ketting zegt zegt Alloy. Nee, het is erg. Waarom de lat zo hoog? Te laat voor de Schotse sprong.
 
Een paar daagjes op onszelf? Wat mij betreft tot op de Sjampselie-zee. Laat ik het zo formuleren: het complexe Letse conceptalbum voor stadionconcerten is geweest, nu willen we in kleine kring op gevoelige chansonsingles deinen. Kom Françoise, ga maar vast bekrast op Reeds Genoemde Draaitafel kromliggen. Zing je rustgevende pareltjes. We gaan in een zetel zitten. Onze eigen koers varen, wat jij, Wilfred? Huh? Ik zei: wat jij, Wilfred? Nelis! Een ketel ijs voor Alloy!
 
Met zijn en/of haar hoevelen zijn we nu? Eens tellen. Of wacht, laat de jaren maar tellen! We zijn met ons zessen, geeft de tijd door. Wist ik allang. De oude kroegkrakers horen erbij. Krakende bonustracks, zoiets. Maar laten we eerst de kajuit een beetje aanvegen. Wat een troep hebben die lui achtergelaten. Alles aan de kant! Die kwoots komen la… O nee. Rustdag.
 
[——] Zo. Zand en rotzooi van de valpartijtjes opgeveegd. En de mensen maar denken: leuk bruincaféïg, dat zand op de vloer. Niks daarvan. Hebben ze zelf naar binnen gelopen. Schoon schip maken, wat jij, Immer? (…) Nelis! Een Chileen!
 
HvdD: n.v.t.
DK: n.v.t.
 
Tijd voor Alloy. Hij zegt al donkerbruin te vermoeden wat er uit de tot de nok toe gevulde kajuit geroepen gaat worden. Zo laadt hij voor de tweede keer de verdenking op zich, dat…
 
“Mond houden, Ketting. Daar wijden we bij een borrel en een lekkere portie lekkere bitterballen nog wel een hartig woordje aan. Fijn, mensen, dat jullie er alle vijf weer zijn. Herinnert me aan de begintijd in de Torpedo. We hebben gisteren heel wat typetjes moeten uitwaaieren en op de kant – dank je, Nelis – en op het treintje moeten zetten. Dondert niet. Hoort erbij. Zo gaan die dingen. ’t Is zoals het is. Schoon schip ook niet verkeerd. Dusss… Ik zou zeggen… niet allemaal tegelijk…”

ROEPT U MAAR

“Opgeveegd worden!”

Parijs is nog flink malen. Toch valt hij dra uiteen.
Liet na de start al sporen na, er schokkend snel doorheen.
“Wat valt er nou te trappen voor wat geen ons meer weegt?”
De bezemwagen nadert. “Joh, je bént al opgeveegd.”
Het heerschap van het tourvuil staat bergop even stil.
Het rookt een peuk, denkt ‘Stof zijt gij’ en reinigt ook zijn bril.
Een droge, harde boodschap. Een tranen trekkend feit.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]

“Het applaus heeft weleens harder geklaterd. Laat dat volgende keer maar achterwege. Zo, en nou even zitten. Waar is m’n stoel gebleven?!”

Etappe 10 ma 15-7: Saint-Flour – Albi (217,5 km, vlak)

Het variété van Wilfred Alloy gisteren viel bij het vaste publiek niet in goede aarde (Alloy zelf na gedane zaken wel goed in het kroegzand – dat vermaledijde trappetje ook). ‘Versmaker, blijf bij wie je leest’, speelde de voorzitter van de fanclub met de spreekwoordelijke schoenmaker. De harde kern van MS De Kantelaar besloot eens een hartig woordje met de raprijmer te spreken. Dat hij als laatste der snelversmohikanen zijn verantwoordelijkheid moest nemen. Hij liet zich direct ontvallen – nog zo’n geval – al tijdens zijn cabareteske uitstapje spijt te voelen, maar de laatste tijd ook onzeker te zijn. Dat ie zich afvroeg of die snelverzen anno 2019 nog wel konden. De crew stelde hem gerust. Je bent nog steeds top of the bill, al sta je onderaan geprogrammeerd, formuleerde Nelis het, waarna hij naar de frituurpan in de kombuis slofte. Erg hartig hoefde het woordje niet te zijn. Ter compensatie namen we bij de dranken – u voelde ze al donkerbruin aankomen – een lekkere portie bitterballen (of: een portie lekkere bitterballen). Buiten het Garni Uur. Prompt gebeurde er op tv iets positiefs in de tour.
 
Aan Genoemde Tafel wordt thans erodynamisch afscheid genomen. Sari en Marie keren terug naar het Drentse, Ilse pakt de trein naar Amersfoort en Jan verlaat de Kantelaarstad richting Terborg. Frenk was al vertrokken. Er worden nul zesjes uitgewisseld (wel andere cijfertjes), er gaan onder Nog Niet Genoemd Tafelblad vage dichtbundeltjes van hand tot hand. Knipoogjes, vrije hugs, giechelhardop versregels die van de bonte avond zijn blijven hangen. Dat alles ook in het Drents. Ik hoor het gezelschap onder hilariteit gebukt gaan, tracht het giechelgesprek te volgen. Mollema had zich zaterdagavond na de rit, niet voor het eerst, boos gemaakt over de voor de renners uit rijdende motoren, omdat die volgens hem invloed hadden op het verloop van de tour. Vooral in de afdaling krijgen renners voordeel van een televisiemotor die continu één seconde voor hen zit, vond hij. “En nou komt het!” lacht Jan L.S. Hemdelink (‘Lectori Salutem’ of kortweg ‘Lecto’ voor vrinden vanwege dat interessanterige L.S.), “en ik citeer Bauke, let op: ‘Niet alleen voor de erodynamica, maar ook omdat je dan een richtpunt hebt ‘. Is het niet kostelijk?!” De dichters van Genoemde Tafel tuimelen en masse van hun stoel van het lachen. Voetjes van de vloer, het bekende werk. Ranke Nelis legt gelijk een gezellige oude dansplaat op Nog Niet Genoemde Draaitafel. Ilse, naast haar gekantelde stoel horizontaal in het kroegzand wat nagehinnikt hebbende, vindt dit “best playonastisch of zo” (ik hoop dat ik het goed spel). “Dank, Lecto, dat je dit met ons wilde delen.” Er welt een nieuw gedicht in haar op. Die taalkunstlieden weten de motoren wel draaiende te houden… Dat wordt weer een verzamelbundeltje.
 
Ik vraag me nu af hoeveel voordeel de Détour van de commentaarmotoren Dijkstra en Ducrot hebben. Of je überhaupt van voordeel kunt spreken. Nadeel eerder. Denk dat je, alle voor- en nadelen in het hele circus dat Tour de France heet tegen elkaar weggestreept hebbend, kunt stellen dat je het, alles opgeteld en afgetrokken zijnde, eigenlijk nergens over hebt. Dus waar hebben we het over? Mollema moet niet zeuren. Dit terzijde. Gezellig dus nog aan Genoemde Tafel. Maar wat doet Alloy daar nou weer tussen? Je kunt ‘m geen moment alleen laten. Als hij werk en privé maar weet te scheiden. Zie ik daar verdorie zelfs Willem Kloos?! Die Tachtiger? Het moet niet gekker worden. O, een Kloos-lookalike. Klookalike. Buiten staat een bus van Labeto geparkeerd. Die manier. Uh…. Volg ik mezelf nog? Ik hoop het. Vooral in de afdaling kan ik er voordeel van hebben. Beetje richtpunt is nooit verkeerd. Levert bovendien altijd een paar seconden verslagtijdvoordeel op. Ik laat het groepje maar even. Aan de andere kant (lekker, Nelis, een snelvers getapte Leffe D, dat had je goed gezien) zit een matroos aan de bar. Ik krijg net een mailtje binnen: ‘Ik begrijp er in ieder geval niets van. Hadden we Mart nog maar. Die volgde ik per ongeluk hier en daar nog. Senkjoe!’ Mevrouw Van Zetten uit Tiel, hoe bestaat het. Terwijl ik de mailtekst lees, vangen mijn oren zich langzaam verwijderende geluiden van Drentse rolkoffers op en ziet een afwijkende ooghoek Ilse, Lecto en ook de Klookalike het schip verlaten. De Labetobus wacht op niemand, zeggen ze weleens. Hij is de enige passagier. Op heden het laatste restje van de nazaten Der Beweging? Het moet niet schraler worden. Puffend verlaat Labeto de haven.
 
De verkleedstudenten zijn binnen. ’t Is weer bukken. Nu moeten ze die Kroot hebben. Een van de studenten, tanig typ, heeft zich zelfs als Ducrot uitgedost. Daar kon je op zitten wachten. Krootalike. Dezelfde gele hesjes. Rugtekst: ‘BBQ-tip: alle concurrenners op het Krootrooster.’  Op de T-shirts onder de afbeelding: ‘Krootje lever: daar blijf je voor thuis.’ Ik vrees litterare sponsoring door Gibert Tantpissalopes. Soit. Of ga ik toegeven dat die woordspeelse waaiers en treintjes uit mijn eigen associërende brein… ? Duh manier om dat typetje te deleten. Vooruit. Die pillen werken niet. Maar goed, het is weer een dolle boel in de kajuit. Er wordt ingenomen, de ergste kwoots worden feestelijk doorgenomen en de voetjes gaan weer van de vloer. En dat op maandag. Sommigen lopen als middeleeuwse beulen verkleed rond, anderen als slagers. Gelukkig worden de intimiderende outfits snel afgeworpen. De Ducrotdag overtreft het Herbertevenement. Ik zag de man gisteren bij die Ohne aan tafel. Er bleef weinig van over. Niet alleen fysiek was hij nauwelijks aanwezig. Sneu typ eigenlijk. Oké. Over naar de dagkwoots en het aan- en afsluitende snelvers.
 
HvdD: ‘Daarachter roepen ze om hun moeder.’
DK: ‘Als je net in je neus zit te peuteren, dan lig je.’
 
Wilfred Alloy blijkt ontstemd (minder dan de tingeltangel, maar toch) over de aanloop met betrekking tot, herstel: naar, zijn optreden. Mensen thuis krijgen misschien de indruk dat alles altijd voorgebakken is en zullen twijfelen aan de zuiverheid van de snelverssport. Nou, hij slikt niets en dit ook niet. Hij zal zijn prijzen ook NIET inleveren. Nooit weet hij wat er geroepen gaat worden. Geen afspraken, geen handjeklap, niets. Ook vandaag weet hij absoluut niet dat… absoluut niet wát het publiek aandraagt. Maarten Ducrot? Geruchten! Verdachtmakingen! Hij kent de goede man niet eens. Nou, dat is niet helemaal waar, maar toch… Hij is clean, klip en klaar! Dat wilde Alloy even kwijt. En nu….
 
ROEPT U MAAR

“Maarten Ducrot!”

Hij taalt naar ingewanden, de wielerkannibaal:
cyclisten gaan steeds met elkanders lever aan de haal,
of draaien in hun bloeddorst – met balklem, zweep en staf –
in natte kelders essentieel intieme delen af.
Het pak vreest voor z’n leven? Die spraak valt in het niet,
zodra je maar één foto van het krootscharminkel ziet…
Het zal me vleesworst wezen, wat hij nog stompt en snijdt.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]

[Top 3 algemeen orangement: 4. Kruijswijk +1.27, 22. Mollema +4.25, 47. Kelderman +27.26]


Etappe 9 zo 14-7: Saint Étienne – Brioude (170,5 km, heuvels)

Voordat u sputtert dat dat ‘hoofdprogramma’ van gisteren wel erg in het niet viel bij… – de welbespraakte (sport)verslaggever zou hier misschien de voorzetseluitdrukking ‘met betrekking tot’, ‘ten opzichte van’ of ‘ten aanzien van’ bezigen, maar ik hou het bij ‘bij’ – … bij de bonte verzameling voorprogramma’s: Wilfred Alloy is en blijft de vedette, de hoofdpersoon. Hij had de avond nu eenmaal zo samengesteld. Het woord ‘hoofdprogramma’ was misschien een ongelukkige keus. Aan de andere kant… Klopt, Nelis, daar sta jij. Kun je anders niet even deze kant op komen met een Leffe D? Aan de andere kant, zei ik, de avond was na het applaus nog niet voorbij, dat zult u begrijpen. Het programma liep naadloos over in een gebeuren dat absoluut geen bijprogramma was. MS De Kantelaar op zaterdagavond. Need I say more? (Dank voor drank, Rank.) Dat was op zeker moment weer voetjes van de vloer! En in dezelfde fysieke herpositionering die dat opleverde menig hoofd keihard óp die zanderige vloer. Zo’n hoofdprogramma. De een na de ander donderde van z’n kruk of stoel. Of er ging er een vanuit stand of net nog acceptabel lopend onderuit, alsof het de bedoeling was. Als er meer tegelijk omkukelden, leek er wel een ongecontroleerde, Browns bewogen breekdansdemonstratie te berde gebracht. Dat gaat bijna elke avond zo. Vooral in het weekend. Het gekke is: zelden breekt er iemand iets. Op een of andere manier is de doorgewinterde Kantelaarder erop voorbereid. Die weet altijd zijn val te breken. O, dus toch… ‘Dokter, ik heb mijn val gebroken.’ ‘Hebt u er nog last van?’
 
Je zou bijna denken dat ze het erom doen. Of bijna? Ik heb meegemaakt dat we werden uitgenodigd voor een valpartij in De Kantelaar. ‘Ik geef aanstaande vrijdag na 23.45u een valpartijtje. Ik zou het fijn vinden als jij er ook bij was. We gaan helemaal los! Dresscode: valhelm.’ (Richie Porte is ook een gekend deelnemer aan valpartijen, heb ik me laten vertellen.) Wie in De Kantelaar niet gevallen is, is er niet geweest, vindt de echte stamgast. Feesten is vallen. Tot zoiets is het ‘vervallen’. Beetje Kantelaarder kantelt en gaat au-au schaterend onderuit. Er zijn er altijd een paar die het verpesten voor de rest. Die weigeren pertinent om in de kroeg op hun bek te gaan, die houden hun poot stijf. Gelukkig maken ze het huiswaarts meanderend meestal goed. Wie trouwens starnakel gierend van de lach in de gracht dondert is vijf jaar lang gevrijwaard van Des Kantelaars valplicht (bij een tweede tewaterlating vrijstelling voor het leven). Terecht. Dat is een held. Buiten-categorie. Smeetsgevalletje ‘ik buig mijn hoofd zeer diep’. Zijn er vergelijkbare liefhebberijen? Alloy doet na zijn snelvers soms aan stagediven zonder opvang. Ook een soort pijnfestijn. Al lijkt er van opzet geen sprake, het is wel echt zijn ding.
 
Vallen en het direct eraan verbonden voetjes-van-de-vloer zijn onlosmakelijk aan los gaan verbonden. Een onvast losvastig geheel dus. Beetje pijn hoort er ook bij. Iets soortgelijks, en aan de andere kant (Ja Nelis, kan er nog een Leffe D deze kant op?) toch ook weer niet, zie je soms bergop in de Tour. Je zit vast in het zadel, maar dan vast in de zin van geblokkeerd, van nauwelijks vooruitgang boeken. Dan ga je uit het zadel en op de pedalen stáán. In zekere zin ook hier: voetjes van de vloer. Uit het zadel zijnde, het achterwiel minder belastend, beweeg je anders, het is een soort dansen. (Dank je Rankje.) Ondertussen kom je nog steeds nauwelijks vooruit. Je stopt met dansen, gaat weer even in het zadel, en dan moet je weer omhoog. Je danst op een vulkaan. Die uitdrukking past hier niet helemaal. Zorgeloos is alleen de aanblik, de buitenkant. Van binnen sterven de renners duizend Nureyevven. Aan de andere kant… Ah, dank je Nelis, maar ik had nog. Je hoeft niet bij elk ‘aan de andere kant’ met bier deze kant op te komen. Ik geef het wel extra aan, oké? Aan de andere kant (dus? heel goed, Nelis) zijn die renners ook helemaal geen dansers. Voor gedans zijn ze in ieder geval niet gekomen.
 
De renners weten doorgaans – je moet wel doorgaan, hè – de berg er uiteindelijk wel onder te krijgen. Erboven. Om kort te gaan, ze moeten één ding goed onthouden: zonder pasjes komen ze er niet door.
 
Terwijl ik bovenstaande valdansonzin over het virtuele papier smeerde, stroomde de zuipschuitkajuit weer vol met die lui die laatst Herbert in het zonnetje grapten. Ze zijn weer erg aanwezig nu. Aan de andere k…. Nee, Nelis! Kijk, ze zijn herkenbaar gekleed. Gele hesjes, T-shirts. Wel andere opschriften. Eens zien. Juist… Dat ga ik nu niet verklappen. Geen vrijgezellenavond in ieder geval. ’t Is vast een generale repetitie. We moeten door. Tijd voor het Herbertje van de Dag en de Ducrootkwoot. Herbert glibberrochelt zijn favoriete prepositiehoestbui, Kroot legt een hulpwerkwoord op het BBQ-rooster.
 
HvdD: ‘Mag ik even terugkomen op jouw overtuiging met betrekking tot Niki Terpstra?’
DK: ‘Hij zegt ik kon niet meer de energie vinden om nog iets te kunnen.’
 
Het moment is bijna daar. We geven het woord aan Wilfred Alloy, maar niet voordat…
 
“Wél voordat, Ketting! Hai mensen! Gezellig! Is everybody happy? Heb ie every body?” [hahahaha] “Moet je luisteren zeg. Loop ik laatst door de Kalverstraat je kent dat wel.” [hahahaha] “Kom ik m’n ouwe vriend Philippe tegen Philippe rent weleens wiel in z’n vrije tijd moet je weten dus ik zeg hoi Philippe nog steeds aan het wielrennen in je vrije tijd? Zegt ie…”
 
(Ik geloof dat Wilfred zich de kritiek uit bepaalde hoek heeft aangetrokken en nu probeert een iets lijviger hoofdprogramma te berde te flansen. Dat vind ik niet hoeven. Straks gaat ie nog jongleren. Hij is sneldichter. Beoefent een eerlijke, bijna vergeten kunst. Het woord ambacht ligt zelfs op de loer.)
 
“Dus ik zeg nou ja ‘allaaa Philippe’ dan zoek je maar een andere hobby!” [hahahaha]
 
(Het sneldichten moet hij koesteren. Straks doet niemand ‘t meer. En dan huilen we wat, en dan? Wilfred moet er niet opeens dingen naast doen, alleen maar omdat zuh erom vragen. Wat is dit nou? Een conférence? Getsie. Hij staat volgens mij bovendien grappen van die onvermoeibaar ellebogende Tantpissalopes te vertellen. Alweer jeuk. Lange mouwen helpen niet. Dit is één keer en nooit weer.)
 
“Nou goed hij was dat kauwgom kauwende mokkel zo zat en ja die wagen kon die rijke stinkerd inmiddels ook gestolen worden…”  [hahahaha] “Dus hij zegt…” [hahahaha] “Luister nou… hij zegt geef mijn Porsche maar aan Vicky.” [hahahaha] “Ach mensen, dit is allemaal maar gekkigheid. Ik vroeg me af… Zijn we klaar voor een roeptumaartje? Ja hè? Het is misschien saai dreunerig, met in elke even regel dat lettergreepje extra, en een beetje uit de tijd. Maar toch, ik zou zeggen, en ik zég het ook…”
 
ROEPT U MAAR

“En danseuse!”

Een pittig stukje bergop doet menig renner staand,
waarmee hij zich, in wielertaal gesproken, ‘danser’ waant.
Wij diehard Kantelaarders, besnoven, ladder, straal,
wij hijsen onze gerstenatten zelden verticaal.
Het is een standaard hangen, of heerlijk onderuit.
Die benen doen we later wel, wanneer de zuipschuit sluit.
Dan danst het door de straten, hoe vlak ook geplaveid.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]
 
[Top 3 algemeen orangement: 7. Kruijswijk +1.27, 19. Mollema +2.45, 53. Kelderman +26.40]


Etappe 8 za 13-7: Mâcon – Saint Étienne (200 km, heuvels)

Als aangekondigd: de Bontegezelschappenavond! Wilfred Alloy met een gevarieerd voorprogramma: veel poëzie, onderbroken door vrolijke entr’actes: een meezinglied en filosofische beschouwingen vanuit het circus dat Tour de France heet. Ik zit er in De Kantenaar vanzelfsprekend lijvig bij. Om lijve verslagen gaat het immers op onze Détour. Begrijpelijkerwijs kan ik niet alle teksten hier zwart-op-witwassen. Da’s te veel van het goede. Maar namen, toenamen, titels, eventuele rugnummers moeten te doen zijn. Dus ga ik genieten en af en toe iets noteren over/van de optredende taalkunstlieden.
 
Altonice Rieding opent het bal, licht nerveus, in heur karakteristiek klassieke stijl met een gedicht uit de bundel ‘Verleden vergetelheden’, getiteld ‘Vriendschap nu en dan’, direct een melancholieke toon zettend: Hoe mag onze vriendschap zijn? / Zal die ooit gaan zingen? / Vraag het niet den kastelein. / Hij weet and’re dingen. // Zitten wij dan bij den Waag, / Eindelijk verbonden, / Of bezwachteld als vandaag / Door der minne wonden? // Hoe mag onze vriendschap zijn? / Zal die ooit gaan blinken? / Vraag het niet den kastelein. / Hij geeft slechts te drinken. Ranke Nelis staat achter de tap met ogen vol verbazing te luisteren. Van rond een tafel met o.a. dichters die zich regelmatig in litteraar café Selderij laten zien en horen wordt gelijk gemopperd, iets als dat het niet prettig is de avond zo wereldsmartelijk en zienzuchtig te beginnen. Altoos’ afsluitende kwatrijn maakt gelukkig alles goed: We hesen ongekend. / We bliezen onzen bubbel. / We zagen op het end / Chileen en Leffe dubbel. Ilse knikt goedkeurend, zo van: net het dranklustbruggetje dat we nodig hadden, nu het plastische fysiek nog. Er gaan sidderingen van angst en verwachting door Des Kantelaars zuipkajuit.

De eerste poëzie van genoemde tafel. De sidderingen houden aan. Een blok erotische, ‘erodynamische’ (die houe we d’r in, Herb) wielerpoëzie om u tegen te zeggen. Of ú? Niks u! Je klapt gewoon dicht van ontzetting of prompte uitputting. Je kunt ook geen boe of ba meer zeggen. Uit Drenthe zijn voor een klein weekje de drijvende schrijfkrachten Sari Uwehitser en Marie Relbed de kroeg in gerold, landelijk beroemrucht geworden om hun erodynamische wielerbundel ‘Winnesinne’. (O, zij scholen natuurlijk laatst achter die kreet ‘En nu in het Drents’!) Sari draagt in algemeen beschoft Nederlands ‘Winnen is binnen’ voor. Ongeveer de titeltrack. De wijze waarop daarin heuvelop en heuvelaf wordt gegleden is niet geschikt voor verslaglegging in de Détour. Marie doet even verstaanbaar ‘Met  waaierlust op de kant gelegd’. Niks mis met de titel. Die durf ik te noemen. Maar het gedicht zelf, oi-oi-oi. Van hetzelfde laken… Gezamenlijk brengen ze ‘Van kop af’ en ‘Stevens Kruijswerk’. De kajuit piept en kreunt. Bij de kreet ‘Nu alles in het Drents!’ vallen de eerste cafégasten flauw. De dames zien er wijselijk van af.
 
Wilfred moet hebben geweten wat ons te wachten stond. Voorprogrammatisch doordacht getimed is het zangintermezzo van Immanie Kompaan in chique masculiene outfit (Pannekoek op wulps gestemde tingeltangel). Om even bij te doen komen. Maar we komen niet meer bij. Toch goed bedoeld. Immanie doet de meezinger ‘Janus heb jij je hoedje op’, bekend van optredens van het 7e Regiment Infanterie o.l.v. Joh. Zaagmans in de Tolhuistuin boven het IJ: Ik ging laatst op visite / Bij kennis en patroon / ‘k Dronk hier en daar een borrel, / En was niet meer brandschoon. / De kou had mij bevangen, / Voor ‘t eerst zoolang ik leef / Viel bijna van ’t stoepje / Mijn hooge hoed stond scheef. / Toen riepen me weldra, de jongens achterna: // [Refrein:] Janus heb jij je hoedje op, / Janus wat doe jij met zoo’n dop, / Janus heeft op z’n kanus, / Zijn hooge zij, nou is ie blij / Janus wat heb je op je kop. / Janus is nou de zuurkool op, / Janus heeft op zijn kanus, / Zijn hooge hoed, ‘t staat hem goed, / Die apen snoet.
 
Na de meezinger – het zong niet massaal mee, menig Kantelaarder zocht verhit geraakt verkoeling in extra bierconsumptie – draagt de Amersfoortse Ilse Hoejij uit de bundel ‘Voorbij de meet gekomen’ het vers ‘Eén been van gisteren, één van vandaag en alles ertussen’ voor en het werkelijk niets verbloemende ‘Met twee vingers in een gat naar keus’. Nelis kan de bestellingen nauwelijks aan. Immer, de hoed nog op, komt ‘m een handje helpen achter de bar, als Ilse na de tweede voordracht heesfluistert: ‘En nu in het Vies’. Wat?!! De vaste parlevinker van De Kantelaar levert extra vaten bier.
 
Frenk Snater uit Schin op Geul. Een poëet die wat lucht geeft. Zuidzuivere lucht. Wel over de tour, maar gewoon beschaafd beschouwend: Hoe het bergop gaat / dat het malen je in staalvrije roes brengt, / alsof de Franse aarde naar je framestaven / de maat van het verzet bepaalt, / op een zachter blad, / zoals jij zelf het bewegen wordt / en de stilte, de voldane stilte erna. De laatste regels kunnen erodynamica verraden, maar dat is niet des Frenks. Schitterend. Raak. Nee, die komt wel even binnen.
 
Een aantal voordragers van Genoemde Tafel is ook te bewonderen in het reeds aangestipte litterare café Selderij, gesitueerd nabij de Grote Markt, die beruchte poel des verderf. (Herstel: verderfs. Maar laat ik geen ronkende honden wakker maken.) De Selderijdichters gaan er prat op, misschien iets té prat, dat zij – het zijn hún woorden, hè – De Beweging van Labeto-Tachtigers voortzetten. De huidige Beweging heeft inmiddels, toegegeven, een enorm bereik. Meestal per bus. Dat wel. Want ja: zij, De Beweging, wordt stilaan toch minder. Ze brengt tegenwoordig ‘slowezie’ als het ware. Hoe het ook zij, goed verzorgd vervoerd reikt De Beweging inmiddels tot in België. En wat het café zelf betreft: schrijvers die hem wel lusten aldaar gelaten is Selderij an sich gewoon een fijn innemend drinkablissement en qua uitstraling om door een ringetje te halen. Je waant je in zwierig artistieke sferen van weleer. Mensen tutten zich ‘s weekends thuis urenlang op voor een bezoek. Dat doen ze niet zomaar. Je wilt er goed voor de dag of de avond komen. Zelfs een hond gaat er pico Bello gekleed. Qua bediening staat het in een bijna vergeten horecatraditie: ze komen naar je toe, ze weten je te vinden, kortom: je wordt er aan je tafel hoogstpersoonlijk afgeserveerd. Waar maak je dat nog mee?
 
Dit terzijde geschoven zijnde is het tijd voor de volgende (dubbele) entr’act. Wielerbespiegelingen van Herbert Dijkstra en Maarten Ducrot. Commentatoren bij de Tour de France, moet u weten. De heren berichtten wegens contractueel vastgelegde journalistieke werkzaamheden ter Fransen plekke helaas niet lijvig/scharminkelig op de bonte avond aanwezig te kunnen zijn. ‘Een volgende keer misschien,’ mailde de heer Dijkstra. ‘Dat zegt wel iets.’ Nee, dat zegt niets. Gelukkig hebben we de woorden nog:
 
HvdD: ‘De moulin staat er wel, maar Tom is er niet.’
DK: ‘En nu gaan de beulen het rad ronddraaien.’

(Ik krijg net een diepe overdenking op mijn mail van de Belgische ex-wielrenner en oneline-snuiver Gilbert Tantpissalopes, naar aanleiding van het gebeuren in de etappe van vandaag: ‘Als je à la Philippe koerst, doe je het goed’. Kennelijk solliciteert die Vandejammerwijven ook naar een fulltime kwootfunctie in de Détour. Ik overweeg een ander mailadres.)
 
Tot slot de Terborgse dichter Jan L.S. Hemdelink. Hij brengt uit zijn rakelings door wielererodynamica geprikkelde uitgave ‘Stijgingspercentage’ het (schaam)streekvervoerende poëem ’Code rood’, dat  ook de toehoorders locaal fysiek blozen doet, maar hun tevens een jeugdig groene glimlach ontlokt.
 
De zaal schudt lijf en leden uit voor de afsluiting (lees: hoofdprogramma), naar gewoonlijk gebruikelijke usance verzorgd door de man om wie uiteindelijk alles draait. Alstublieft, publiek, hou het beschaafd…

ROEPT U MAAR

“Een kwak geven!”

Het peloton maalt soepel. Het koerst behoorlijk strak.
Maar zoekend naar posities geeft men and’ren soms een kwak.
Een duwtje of een beukje. Ook dat hoort bij de tour.
Wie zoiets niet vindt kunnen fietst maar huilend naar z’n moer.
Hier kwam onlangs een Vlaming, die om zo’n kwak zelfs vróeg.
Wat douwen later wist men dat dat op iets anders ‘sloeg’.
U ziet maar in welk bierschuim u masochistisch bijt.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]
 
[Top 3 algemeen orangement: 7. Kruijswijk +1.27, 19. Mollema +2.45, 49. Kelderman +26.40]

Etappe 7 vr 12-7: Belfort – Chalon-sur-Saône (230 km, vlak)

Ranke Nelis geeft met een wijsvingertikje op zijn licht ongepast patserige horloge aan: het Bittergarni Uur is aangebroken. Eindelijk! Iemand gaf ‘m ooit z’n vet en sindsdien is dat Uur een begrip.
 
Hebben wij eigenlijk een favoriet in de tour? Er zit nu bijna een week op en ik vroeg het me opeens af. Is er iets gaan leven in het land? Is er zo’n sfeer ontstaan die Smeets, als ie nog steeds onontkoombaar het beeldscherm vulde, de favoriet zou doen vragen: ‘Besef je (je) wel wat je momenteel losmaakt in Nederland?’? Vroeg of laat wil je zien – stiekem natuurlijk, want voor de gereserveerde Kantelaarders is de tour, met al z’n gekte, al z’n ins en outs, als het er werkelijk op aankomt… not done – hoe de mannen het doen. Of ze een versnellinkje in de benen hebben. Of ze überhaupt benen hebben, desnoods die van gisteren. Je denkt gelijk weer aan Tom Dumoulin. Nee, dat was een ander benenverhaal. Hij had wel de benen maar zat na een val met een niet functionerende wielerknie vol grind dat ook omliggende pezen… Pijnlijk. Die doet dus niet mee. Zou een favoriet zijn geweest. Kruijswijk – hing die niet een keer langs de weg aan een tros schrikkelprikkeldraad te drogen of ben ik in de war met iemand anders? – staat nu derdst, meen ik. Dat moet ‘m worden. Wat? Geen derdst meer? Achtst inmiddels? O die had ook iets met grind. ‘Kruijswijk kraakte op het grind, maar doet niet dramatisch’, lees ik. Ik heb het gemist. Een minuutje en vier seconden? Sniks. Daar kun je net zo makkelijk derdst mee staan. Het gaat om het tijdsverschil dat je hebt. Waar hebben we het over? Over het tijdsverschil. Ik voel het: hij gaat nog vlammen. Hup Steven! Eerst naar zeven, en dan verder zien. Vandaag wordt de langste etappe van de tour gereden. Een vlakke. Een etappe voor sprinters, begrijp ik. O wacht, dan moet Groenewegen vandaag onze favoriet zijn.
 
Ik weet een foefje voor de kijkers, voor als het met de favoriet niet goed gaat. Schiet me opeens te binnen. Werkt bijna altijd. Je moet er wel voor in de kroeg zitten. Bij voorkeur. Ik kijk even naar de Ranke. Hé Nelis, waar zitten we eigenlijk? Kijk even op je tom. Tom! Je navi-dinges! Hoe heet het hier? De Kantelaar, zeg je? Waar is dat? Of interessanter: wát is dat? Een kroeg? Juist, dat wilde ik horen. We zitten in de kroeg. Nee, dat we dat even geverifieerd hebben. En dan zie je Groenewegen op de linkerflank zwoegen, ergerlijk in het wiel gezeten door de spreekwoordelijke man met de hamer. Hij heeft er een klap op gegeven. Met die hamer. Ergens op. En Dylan heeft ‘m gekregen. Waar precies op, die klap? Op z’n lever, denk ik. Gebeurt hier ook weleens. Maar goed, dan moet je als toeschouwer gewoon wat doen. En nou komt het, let op. Wat bijna altijd werkt is een portie bitterballen. Dan bestel je, in de kroeg dus, een portie bitterballen. En op zeker moment komen die ballen uit de frituur, zul je altijd zien. Let op: een goed deelbaar aantal ballen. Geen priemgebal. Dat je geen gezeik hebt over de verdeling. Want je eet die ballen niet alleen hè, Nee, die eet je sámen. Ja toch, Wilfred? Daar moet je geen ruzie bij krijgen. Het gaat om het sámen verorberen van bitterballen IN een kroeg. Samen sterk aan de bal ‘met betrekking tot’ duh tegenstander. Het klinkt weird en abstract maar dit is de gedachte: als die ander geen bal heeft kan die niet scoren. Simpel es det. En het werkt heus. Dus je bent in de kroeg samen aan de bal en hop! dan krijgt ook Groenewegen meteen die bal zeg maar en dan schiet ie de gelijkmaker in de winkelhaak. En vlak voor het eindsignaal de winnende. Kat in het bakkie. De bitterballentruc werkte vaak goed als ik met mijn zoon in de kroeg een voetbalwedstrijd met Ajax bekeek, vandaar deze beeldspraak. Hopelijk gaat het ook op bij het wielrennen.  
 
Goed. Bittergarni Uur. Kijk, daar zijn de dampende bitterballen. Heel goed, Nelis. Jij voelt het perfect aan. De meet is niet ver meer. Doe er gelijk wat bier bij. Voor iedereen hetzelfde, toch? Wel, het is nu vooral zaak de boel bij elkaar te houden. Dat niemand zich aan het gemeenschappelijke sportieve belang onttrekt door een bal achterover te drukken, er stiekem  vandoor te gaan en buiten zicht aan de bal met de eer strijkt die ons en onze favoriet toekomt. De langste etappe van de tour. Vlak. Een etappe voor sprinters. Wat ik al zei. Dus de ballen vandaag voor Groenewegen… Nog een paar honderd meter… Is het bier nu al op? O, het was er nog niet. Niet opgelet. Wat een spanning… 50 meter… En het wordt…. Groenewegen! Zie je wel? Oké Nelis, Leffe D voor mij en voor de rest van de ploeg wat ze al dronken. Dit gaan we vieren.
 
Ducrot kwam pas na half vier aankakken. Het was me ontgaan waarom. Tot die tijd had Herbert wielrenner Theo Bos in zijn hok voor een vraaggesprek. De onzekere man stelt toch al veel vragen, nu was het nog erger. Eenmaal geïnstalleerd was Ducrot nauwelijks bij te houden. Met grote moeite heb ik onderstaand stuk gewauwel kunnen vangen. Maar hij zei veel ergere dingen. Herbert zeverde over een geleerde gast die vanavond bij die Ohne de Graaf komt aanschuiven. En dat we vooral moesten kijken. Een wetenschapper in de aërodynamica. Hij sprak het steevast uit als ‘erodynamica’. Erodynamica in de wielersport? Meer iets voor een bonte zaterdagavond, om maar even iets te verklappen.
 
HvdD: ‘Wat kun je nog sleutelen aan zo’n man, dat ie op het eind helemaal komt bovendrijven?’
DK: ‘Dan is ’t wel even binnenvetten, dan is ’t wel je haren uit je hoofd trekken.’
 
Ook weer gehad. We zijn bij het slot, het hoogtepunt, beland. Ik hoop dat het Kantelaarpubliek na dit betoog zijn verantwoordelijkheid neemt. Ook richting onze sneldichter Wilfred Alloy. Dat ze, wuh, de ballen in de ploeg houden. Daar zullen we hem hebben. Stap-struikel-strompel-stommel. En hij staat!
 
ROEPT U MAAR

‘Linkeballen!”

De tour kent van die renners, die voor dezelfde poen
heel sneaky in de kopgroep soms aan linkeballen doen.
Ze rijden achter ruggen, ze stoempen nooit vooraan,
om op een onverwacht moment er vies vandoor te gaan.
De groep slaakt zure vloeken, maar houdt zich meestal flink.
Van Nelis trouwens zijn die hete ballen net zo link.
Nou goed, er zijn zat zaken waar men geen blusbier slijt,
maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]
 
[Top 3 algemeen orangement: 8. Kruijswijk +1.04, 22. Mollema +2.22, 61. Kelderman +20.58]
Etappe 6 do 11-7: Mulhouse – La Planche des Belles Filles (160,5 km, aankomst bergop)

Die verbroken verbinding gisteren was niks. Er waren bij één Herbertist, die het voor de rest dreigde te verpesten, een paar draadjes los. Kap Nelis heeft de stoorzender vakkundig overboord gegooid, uh… gerepareerd. Contacten gelegd. Verder aardige lui, die gisteren zeg maar op de koffie kwamen. Dat hele idiote geherbert was inderdaad een studentikoos geintje. Prima. We hebben erom gelachen. Laat ze maar aanmonsteren. Beetje verjonging kan de schuit wel gebruiken.
De tour. Het ging vandaag volle bak, vanuit een vol huis, full house, van Mulhouse naar (La) Planche des Belles Filles. Dat Plateau van de Mooie Meisjes. Ach, ik weet het nog van 2017. Zelfde valpartij. (Zou valcrack Richie Porte er nu ook bij zijn geweest? Hihi.) Het Plateau van de legendarische alsmede betreurenswaardige Meisjes die tijdens de Dertigjarige Oorlog rond 1635 op de vlucht voor Zweedse huurlingen liever vanaf dat Plateau 1148 meter naar (L’) Étang des Belles Filles vielen (de Vijver van diezelfde Mooie Meisjes, thans meervoudig Étangs) dan in vijandige Zweedhanden. (Aankomst bergop, gaf de reisleiding nog optimistisch aan. Dat was dus niet altijd zo.) Waarschijnlijk heeft de heer Dijkstra u iets soortgelijks willen vertellen, ongetwijfeld steeds irritant onderbroken door albetweter Ducrot, in zijn eigen woorden (d.w.z. die van de folder die hij in het locale toeristeninformatiecentrum ongezien uit een of andere molen had gesjord), met zijn slimy voice-over, het stemgeluid dat u onpasselijk geworden als het ware zelf aan de rand van dat Plateau over een schuin stuk rots zou doen uitglijden en in hierboven geschetste diepte deed storten. Ik hoop derhalve dat u hem er niet over hebt hoeven aanhoren. Aan de andere kant: na een kwartiertje Herbert op Plateauhoogte krijgt een enkeltje Étang des Belles Filles bijna iets aanlokkelijks. Alle verdwazing in het fietsframe verstopt: voor de zekerheid herhaalde ik de letterlijke hoogte- en dieptepunten van de legende, uiteraard vanuit mijn veilige commentaarpositie op onze zuipschuit MS De Kantelaar. Leffe blond ernaast, net zo makkelijk.
 
Het blijft een akelig verhaal. Je zou er nogmaals van naar de fles grijpen. Om te vergeten. Kamagurka graptekende eens: ik drink om te vergeten dat ik drink. Ook een goeie reden. Hoe dan ook: de Mooie Meisjes maken dorstig. Maar hoe ben je er de volgende ochtend aan toe? Denk je liever niet aan. Het lijkt me goed op zo’n droevige avond ergens een koffiemomentje te plannen. Hoe doe je zoiets? Waar haal je de kracht vandaan? Die arme Mooie Plateaumeisjes. Die lelijke vol-huishoudende Zweden. Daar zit je dan, Ketting, met je leuk bedoelde praatjes. En of het niet genoeg is, op Canvas nogmaals naar Lost in Translation met Bill Murray en Scarlett Johansson kijken! Je zoekt het ook wel op hè. En dan weet je dat het pak, dat enkel wil malen en malen, van Mulhouse richting La Planche vertrekt, nietsvermoedend, zich van geen drama bewust, en dan weet je dat jij er wel alles van weet, en dan herlees je tóch het verhaal van de fatale val van de Mooie Plateauzolen-Meisjes, en dan huil je wat… En dan? Onbegrijpelijk. Huilen. Weet je wat nou zo gek is, Ketting? Mevrouw van Zetten uit Tiel begrijpt dit dan weer wél. Maar ja, die bestaat dus niet. Wat een wereld. Ik… Vrienden, ik verbreek nu écht de verbinding. Laat mij maar even. Zo terug. (Leffe D, Nelis! En extra tissues!) [Verbinding verbroken]
 
Ranke Nelis zingt, zoals De Kantelaar weet, graag liederen uit het Nederlandstalige repertoire. Het bijeen gefabuleerde ‘geval’ van de Belles Filles was hem gisteren al ter oge gekomen en had hem zo aangegrepen dat hij er een liedtekst op moest maken. Niet direct op die Belles Filles, zei hij, maar op het gevoel dat je zo ’s ochtends kunt hebben. Nelis wil dat lied graag ten gehore brengen. Ik vermoedde dat ie het reeds gemaakt had. Hij bleek het zelfs van die Pannekoek te hebben, die het bovendien al had gespeeld op het Bergense ‘Literariteitencabaret’ van Ana Paljas – ook aan boord, zie ik – maar wat dondert het? Goed gejat en op het juiste moment. De Kantelaars hebben besloten hem het groene licht te geven. Wat kun je nu immers beter doen dan de loden downte wegzingen? O, het is geen meezinger, hoor ik. Dan maar gewoon luisteren. Nelis heeft ons verzekerd dat het goed afloopt, al moet er eerst fors tegen het zuur gevochten. Opnieuw begeleid dus door Pannekoek op de piano die ook niet in een beste stemming is. Die tingeltangel dus. Maar dat is ie standaard. Een blues? Woke up this morning… Yeah. Ik zou zeggen: gooi het eruit. Maar het is dit geworden: ga je gang!
 
Drinkin’ Shrinkin’ Blues
 
Ik werd die ochtend wakker met me lijf in gore lompen.            / Me hart deed grote moeite iets aan bloed nog rond te pompen. / Ik fikste teilen koffiedrab en brood in droge hompen. / Die zeikstraal van een kat wist ik de keuken uit te stompen. / En na een kouwe does / zocht ik een schone bloes. / Die bleek te heet gewassen, dus gekrompen.
 
Ik trachtte me verschijning met iets anders op te pimpen / (want met zo’n shrunken outfit zou de wereld me beschimpen) / en vond een combinatie, afgewerkt met grauwe gimpen, / een soort van circustarzan, half verstoten door de chimpen. / Al oogde het wat raar, / dit moest het wezen maar. / Het leven kon nog moeilijk verder krimpen.
 
Het daglicht werd verdragen, ja ik wist zelfs aan te klampen, / en ’s avonds in De Kantelaar, weer hijsend in me dampen, / bepeinsde ik diverse existentiële rampen / en hoe men elk ontkiemsel soms de zomp in weet te stampen. / Ik nam de blues voor lief: / het was toch relatief, / ik had maar met een kleine krimp te kampen.
 
Nou word ik gierend wakker in dezelfde klamme lompen / al buffelt weer me hart om al die vochten rond te pompen. / Ik slobber van die teilen troost en beitel door me hompen / en geef dat klauwgevaarte nog wat feestelijke stompen. / Dus blijf maar lullen, Truus. / Nou heb ik een excuus. / De bloes is lang niet ver genoeg gekrompen.
 
This barmaster’s voice… Wow! Weet niet hoe het met jullie is, maar veel beter voel ik me er toch niet door. Je krimpt ineen. En nu… O ja. Denk je alles gehad te hebben… Ik hou het kort. Herbert voorziet bij al dat geklim een Labeto-vervolgtraject en Kroot klinkt als een locale Zweedse huurling rond 1635.
 
HvdD: ‘Dus zo vormt zich de bus.’
DK: ‘Je kunt je vandaag niet verstoppen. Echt niet. De billetjes gaan bloot.’
 
Snel door, de tijd drinkt. Dringt. Het Détour afsluitende Alloymoment pakt niemand ons af. Die billen blijven bedekt. Ik zou zeggen, Wil, en zeg het daadwerkelijk: etappe 6 kan afgepilst, voor we naadloos overgaan op iets sterkers. Of is het – slik – nog ‘Tijd voor Moccona’? Help ons uit de bonenbrand!
 
ROEPT U MAAR

“Koffiemolen!”

De renner maalt zijn koffie, geswitcht naar ‘minder zwaar’:
Maar zulk soort maling krijg je moeilijk in De Kantelaar.
Alleen al de gedachte leidt vaak tot klein verzet.
Het hijst hier alcoholisch, van ‘we gaan nog niet naar bed’.
En dat is dan toevallig: zo vind je toch je ‘troost’.
Ze staan weer vers getapt, hoor. Op de Mooie Meisjes, proost!
Niet dat het iets verbetert aan de realiteit,
maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]

[Top 3 algemeen orangement: 8. Kruijswijk +1.04, 22. Mollema +2.22, 53. Kelderman +17.45]


Etappe 5 wo 10-7: Saint-Dié-des-Vosges – Colmar (175,5 km, heuvels)
 
‘Er staat in m’n script dat ik nu dit kasteel moet bekijken.’ (Preherbertje)
 
Toute la folie à vélo de cirque: toch missen we Mart Smeets een beetje. Voor hem bleef je thuis. We speelden ooit ‘Mart Smeets Tourbingo’. Kruisten op speciale formulieren zijn gevleugelde uitspraken aan, als hij ze in de uitzending bezigde: ‘Ook dat is wielrennen’, ‘Ik ga nu iets heel geks zeggen’, ‘Met twee vingers in de neus’, ‘Ik buig mijn hoofd zeer diep’, ‘Senk joe!’, ‘Rechtdoor naar school en kantoor’, ‘De huiskamervraag’, ‘Hij rijdt zich het snot voor de ogen’ etc.  Net kwam een zekere mevrouw Van Zetten uit Tiel aan mijn tafeltje zitten. Mag ik dat zeggen? Regisseur Ranke Nelis verderop gebaart: ja, dat mag ik zeggen. Och, ik had het al gezegd, waar hebben we het over. Om de haverklap barstte die Tielse dame in snikken uit. Het wielercommentaar is niet meer wat het geweest is, huilde ze. Ik besta niet meer zonder Mart Smeets! (Ik vroeg me meteen af wat ze in deze non-hoedanigheid dan van me verwachtte.) Tegenwoordig worden er edele boekdelen gesproken, waaiers afgedraaid, treintjes op de zij gelegd, klappen op kokoskoeken gegeven, tonnen viskuit aangeboord en ijzers onder het koudvuur gebonden. Ik kan er geen chocola van maken. Smeets vatte ik al nauwelijks – hoewel hij bij zijn typerende uitleg van ingewikkelde tourzaken vaak zei: ‘Mevrouw Van Zetten uit Tiel moet het ook begrijpen’, nou, nee dus – maar Dijkman en Van de Croo volg ik helemáál niet. Het ergst van het hele verhaal is echter, zoals ik al zei, dat ik het gevoel heb niet meer te bestaan! Ik tel niet meer mee!
Het snikken werd een hartverscheurend krijsen. ‘Ik heb vanavond een buitengewone tafel’, zo zou Smeets dit gebeuren hebben aangekondigd. Ik keek aangedaan om me heen – niemand van de andere gasten leek iets van het verdriet aan mijn zij te merken – en trachtte haar gerust te stellen: Mevrouw Van Zetten uit Tiel, dat bestáát niet! En weg was ze.
 
Mensen, ik slik nog wat van die dingen. Wat meldt eigenlijk het stickertje dat op het doosje is geplakt? Priegellettertjes. Even de bril erbij: ‘Kan de schrijfvaardigheid beïnvloeden’. Ooooh… Als dat alles is? Nelis! Leffe dubbel! Maar iets meer dan de vorige keer graag!
 
En nu in het Nederlands. Er wordt aan dat dichterstafeltje verderop naar me gewenkt. Kroegkraaksters Altoos en Immer en nog wat mensen. Of ik er niet gezellig bij wil komen zitten. Zaterdag misschien. Er komen dan weer voorprogramma’s. Wilfred had het over een ‘bontegezelschappenavond’. Dat belooft wat. O, nu herken ik er twee. Ilse Hoejij en Frenk Snater. Natuurlijk. Van dat  litterare café  bij de Grote Markt. Ik denk dat die de komende bontedingenzaterdag hier wel een nummertje te berde brengen. Mijn uitgever Lupulus is trouwens ook aan boord. Als gebruikelijk deels beschut in een hoekje. Maakt me wel een beetje nerveus. Alsof hij me al op de werkplek tekstinhoudelijk en in mijn verdere doen en laten aan het controleren is. Streep dat ‘alsof’ maar door: hij gebaart me goedkeurend ‘alles op z’n tijd’. (Danke Ranke.) Nou goed, ik kan er voorlopig dus mee door. Nee: het was voor Nelis bedoeld. Lupulus had voorlopig genoeg witte wijn, was de boodschap. Phew.
 
De eerste groep Kantelaargasten, zo na theetijd, bestaat voornamelijk uit artistiek(elijk)e types. Ze doen van alles of beweren dat te doen, van alles een bescheiden beetje, ze schrijven, zingen, maken muziek, lezen elkaar en de krant, spelen (ook zonder podium) toneel… Of ze doen vol overtuiging niets, hooguit interessant (gelukkig een minderheid). Maar genieten vooral van de betrekkelijke rust, de stilte voor de storm die ik maar even het aprèstouretappecircus noem. Jemig: ik heb de bezoekersinformatie in grove lijnen nog niet afgerond of daar spoelt reeds genoemd circus, de onvoorwaardelijk tourminnende meute, niet OSM, onstuitbaar onze zuipschuitkajuit in. Dan zal het hele pak wel over de meet zijn, daar in kom waar was het ook weer. Het joelt en yellt dat het een lieve lust is. Elke avond lijkt het erger te worden. Ik heb het over… Herbertfans. U kunt nog weg. Nu vraag ik me ernstig af of de jongelui in dit belegen, maar vooral als vanouds tourcommentaarkritische drinkablissement wel aan het juiste adres zijn, maar ja, je kunt ze niet zomaar de toegang weigeren. De supporters – ‘Herberthooligans’ dekt de explosieve lading van hun aanwezigheid misschien beter – hebben zich nu ook visueel georganiseerd door het dragen van ‘gele herberthesjes’ – op de rug staat te lezen: ‘De tour wacht op niemand, Herbert ook niet’ – en T-shirts met een afbeelding van die onnozele kop erop en opschriften als ‘Heerlijk Helder Herbert’ en ‘Herbert Dijkstra: die zegt wel iets’. Sommige meisjes zwiepen vervaarlijk met waaiers, sommige puistige tienerjongens met lange Märklin-‘treintjes’ alsof het fietskettingen zijn. Alles wijst erop dat wie de moed heeft iets over hun verstoring van de rust op MS De Kantelaar aan te merken ter correctie resoluut en niet zachtzinnig  ‘op de kant zal worden gezet’. Nu ja, ze zijn wat luidruchtig, maar vooralsnog goedgemutst, die Herbertisten. Ik overdrijf ook met die waaiers en treintjes. Anders gezegd: dat is niet waar. Als ze maar wat te zuipen krijgen, is het oké. Het kan ook één grote grap zijn, bedenk ik opeens. Dat die lui net als wij Herbert gewoon een wolk snot vinden. Dat hun outfits louter een feestje aankleden. (Herbert Dijkstra? Wie is dat dan?) Je weet het niet. Hoe dan ook: niet op reageren, Lena. 
 
En nu in het Frans. De tour. Het ging van – niet te lezen dit – van Sans Idée der Vogels… naar… die Col maar. Met deskundig commentaar, dalingspercentage 95%. Wat had Herbert te berde? Luchtverplaatsing opnieuw. ‘De koplopers kunnen elk gewenst moment ingerekend worden, maar het moment is nog niet gewenst, dus rijden ze voorlopig aan kop.’ Gebruikelijk gezever over kastelen, kerken, kloosters, dat is dan iets, maar ook vandaag nergens een Labetobus te zien. Ducroot bleek zijn bloeddorst te kunnen dempen: ‘175 km voor de finish wegrijden, dan hypothekeer je je krachten, laat ik het maar eens netjes zeggen.’ Deze was diep: ‘Het winnen, het met je handjes omhoog over de streep komen, ja, dat is een ander vak.’ Het diepst was dit hoogtepunt over de schandalen rond oud-tourwinnaar Jan Ullrich: ‘Op z’n allerhoogste dieptepunt kwam het breed uitgemeten in de pers.’
 
HvdD: ‘Hij zit heel stil op z’n fiets, de benen doen het werk.’
DK: ‘Richie Porte is een gekend deelnemer aan valpartijen.’
 
Tijd voor Alloy. Het podiumtrappetje met wankele voeten betreden na een traytje Straffe Hendrik. Hij ligt, hij zit… en hij staat! Ik weet al wat er geroepen gaat worden. Vrees de gevolgen…

ROEPT U MAAR

“Herbert Dijkstra!”

Hij blijft van alles dazen, zo tijdens dat gefiets.
Maar opgeteld is ’t lucht. Ik zeg maar zo: ‘dat zegt wel NIETS’.
Kastanjes, kolen, ijzers. Zijn stem een glibberspons.
Met tig onwetenswaardigheden overstelpt hij ons.
Gevangen in gewauwel, zijn nonsenskretendrang.
Hij haat gevallen stiltes, door hun zuinig zijn op stang.
Straks vindt ie nog zijn einde, verstrikt in woordenstrijd.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]
– verbinding verbroken –

[Top 3 algemeen orangement: 3. Kruijswijk +0.25, 12. Kelderman +0.51, 45. Mollema +1.43]



Etappe 4 di 9-7: Reims – Nancy (213,5 km, vlak)

‘Als je wilt meedoen voor de overwinning, dan moet je niet achterin zitten.’ (Krootprokwoot)
 
Die tourcircustent, ik weet het niet hoor, maar het blijft een soort fort. Echt doordringen in die wereld is een onmogelijke opgave. Niet dat ik de behoefte daartoe voel, ik bedoel, het wielergebeuren is in de kroeg toch verworden tot een kapstok waaraan wij Kantelaars via vreemde détours en associaties het echte leven ophangen – oké, we hebben er vooraf na goed overleg ook bewust voor gekozen – maar het moet natuurlijk niet te gek worden. Je moet nog wel een béétje de etappes volgen, vind ik. Dus ik probeerde via mijn contactpersoon aldaar antwoord te krijgen, inzicht te krijgen in het soort etappe dat er vandaag op het programma stond. Van Reims naar Nancy. Zou er bijvoorbeeld weer geklommen worden? Zoals gisteren? Zo ja: meer of minder? Hoeveel colletjes? En waar? En welke categorieën, stijgingspercentages? Hoeveel kilometer? En hoe ligt de verhouding asfalt-kasseien? Lastig. Ten eerste bleek ik helemaal geen contactpersoon in Frankrijk te hebben zitten. Moment… (Wat vroeg je, Nelis? Een houtenkopstootje. Gewoon een vaasje. Nee, doe maar een fluitje. Rustig beginnen. Wat? Fluitketel ja. Aaargh!) Die contactpersoon had ik mezelf wel toegezegd. Nee, zo eenvoudig gaat dat niet, ik geef het toe. Daar moet je wat voor doen. Anyway, het schoot niet op. Via via, vraag niet hoe, kreeg ik toch een hoge pipo van de organisatie aan de lijn. (Lekker, Nelis, dank je.) Herstel, het was Kruijswijk, de wielrenner. Die 3e stond, ook zoiets. Slechts 25 zielige secondjes. Waarom hebben we het daar niet over? Nou goed, het was een kwartier voor de start dat ie opnam. Dus ik stelde hem bovenstaande vragen. Wel, om kort te gaan: datzelfde kwartier lang gaf ie geen gehoor. Toen verbrak ik maar de verbinding. Kruijswijk hield zich op de vlakte. En dat 213,5 kilometer lang. Het hele pak, begreep ik later.
 
Ik heb vanochtend pillen voorgeschreven gekregen en gehaald om zoiets grondig tegen te gaan – flinke joekels – en neem ze al braaf in, maar ze slaan nog niet 100 % aan.
 
Het is best relaxed in De Kantelaar, ik bedoel, minder bezoekers, zeker als je denkt aan al die optredens gisteren. Wat een drukte. Wat een inname ook. (Dank voor de drank Rank.) Wilfred heeft het nog wel zwaar. Hij had van alles door elkaar gedronken, ook na het optreden. Moet je natuurlijk niet doen, zeker niet op die leeftijd. Stropdas op half zeven, jasje in de kreukels, en z’n overhemd… gewoon verloren, ergens van ‘m af gevallen. Over vallen gesproken: het podiumtrapje omlaag ging een stuk sneller. Terugreis ook horizontaal afgesloten. Zou ie überhaupt zijn thuisgekomen? Hij ziet er nog steeds niet uit. Gebutst, gekrenkt, gekreukt. Vooral dat colbertje. Ik zeg net nog tegen ‘m: hé joh, breng toch die jas naar de stomerij, want dat vod, dat begint al knapjes te verminderen. Begreep niet waarom Nelis daarop plots moest gaan zingen. Was maar een stukje refrein, viel mee. Mot… mot moge, zoiets.
 
Gelukkig, de kroeg begint weer ouderwets te wiebelen. Te deinen, lijkt het wel. Zo voelen meer gasten het: dat De Kantelaar een soort schip is. Zeker als ze flink kantelen – trossen los! – en kant noch wal meer raken. Hoe dan ook: het stroomt goed vol. (Dat is ergens toch minder prettig. En dat stomme strijkorkest blijft maar spelen. Nelis, zet eens iets vrolijkers op! Iets van Céline Dion of zo! En heb je een whisky ijs voor me? Graag iets minder ijs dan de vorige keer!) Begint alleen wat later vandaag. Kun je zo hebben. Verderop aan hetzelfde tafeltje opnieuw die kroegkraaksters, en nog wat bekende gezichten waar ik even geen namen bij heb. Ben ook niet op m’n best nu. Komt wel weer. Dichters, geloof ik. Ze lezen elkaar voor. Moet geen gewoonte worden, zeg. Ik heb niets gehoord over een voorprogramma vandaag. En nu in het D-Drents! hoor ik er een aan die tafel met dubbele tong roepen. Er wordt inmiddels in heel Nederland aangemonsterd voor MS De Kantelaar.
 
Herbertje van de Dag en Ducrootkwoot. Dijkstra babbelde opnieuw onderdanig naast allesbeterweter Ducrot. Onzeker van zijn zaak stelde hij weer regelmatig vragen. ‘Kun je me uitleggen, Maarten, waar deze mannen vandaag in geloven?’ Kroot bracht tussen zijn kruitdampen, middeleeuwse martelingen en hakactiviteiten in het tourabattoir wijsgerige uiteenzettingen over des renners gevoel/verstand-houding tussen verstand en gevoel en de strijd tussen lichaam en geest. ‘Je hebt altijd hogere aspiraties dan het lichaam waar kan maken.’ ‘Alaphilippe koerst op emotie. Dat maakt ‘m zo onvoorspelbaar. Die emotie die onder de prestatie zit. Dat maakt dat ie meer kan dan ie kan.’ Te veel overdrijfzand. Vandaag twee opendeur-tochtige uitlatingen, niveau basisschool groep 6. (Bij de omweg: Viviani wint de sprint, Alaphilippe krijgt voor de tweede keer geel en mag gaan douchen.)
 
HvdD: ‘De situatie verandert altijd in een bocht qua windrichting. Jij hebt toch ook gezeild, Maarten?’
DK: ‘Martin kijkt niet eens op als hij water aangeboden krijgt. Dat betekent dat hij aan het rijden is.’
 
Op het podium staat Alloy in zichzelf wat te murmeloefenen. Zichtbaar gespannen. En dat terwijl de snelverzen er altijd vlekkeloos uitkomen. Waarom toch? Ik zeg ‘m net, je weet tóch niet wat ze roepen, dus wat zou je gaan lopen oefenen? Bovendien houd je tot nog toe perfect koers. Je bent sneldichter, okeee sjampseeliseee, maar het blijft me verbazen hoe snel je je dingen… ververst, zeg maar. Nee, het zit ‘m nu opeens in de rijmwoorden, verduidelijkt hij. Ik ben gaan twijfelen. Er liggen specifieke probleempjes. Wat rijmt er op Reims? En wat op Nancy? Ik begin Alloy te begrijpen. Je kunt je wél voorbereiden op meer waarschijnlijke dan mogelijke kreten uit de meute. Ze hebben steevast met het wielercircus van doen. Je kunt al een paar regelwegen voorplaveien. Mijn ‘dansie’ op Nancy lacht hij weg. Is niks. Past als rijmwoord bovendien niet in het metrum dat ik heb aangeleerd, zegt ie. Stom dat ik dat zelf niet doorhad, voegt hij er beschaamd aan toe. Geeft al aan dat ik vandaag niet scherp ben. Nancy schaffen we af. Alloy zucht even. Een pak van zijn hart. Zitten we alleen nog met Reims, voel ik met hem mee. Tja. Het heeft iets geheims. Geheims! roept hij enthousiast. Yesss. Op naar het podium. Het trappetje in twee kwieke hupjes eronder gekregen. En hij staat! Er klinkt gejuich uit het publiek op.
 
ROEPT U MAAR
 
“Nancy!”

De eerste karakteristiek jachtige klanken van Supersisters ‘Present from Nancy’ ellebogen zich onrustbarend tussen Wilfreds rood aangelopen oren. Valse start, mensen, even opnieuw! (Geschater en gejoel uit eerder genoemd publiek.)
 
ROEPT U MAAR

“Het pak!”
 
Gebeurde hem wel vaker, dat men hem iets verzweeg,
en dat hij essentiële info van de tour niet kreeg.
Zo was hem thans niet helder, waarheen ‘het pak’ zou gaan.
Hij vroeg het dan zijn vrouw maar. Die bescheid wist, kijk es aan.
Nu zou hij verder koersen, vooruit en hupsakee,
al kon geen hond hem zeggen waar het lag, dat Teinturier.
Best pijnlijk hoe zo’n ‘pak’ soms tot misverstanden leidt.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]

[Top 3 algemeen orangement: 3. Kruijswijk +0.25, 10. Kelderman +0.51, 46. Mollema +1.43]


Etappe 3 ma 8-7: Binche – Épernay (215 km, heuvels)

Ik kijk even naar de regisseur. Ranke Nelis. Hij gebaart dat m’n Leffe dubbel eraan komt en dat ik mijn verslag op de laptop kan uitwerken. Oneline-snuiver Gilbert Tantpissalopes heeft iets voorgedragen uit zijn debuutbundel ‘Luik-Bastia-Aken-Luik’ en de tranen staan me nog in de ogen. Ja, De Kantelaar ervaart een iets breder artistiek evenement vandaag. U moet weten, Wilfred heeft graag af en toe een voorprogramma voor zijn optreden. Dit groeit nog eens uit z’n voegen. De Ranke kijkt rond. Iedereen is voorzien. Aan een tafeltje iets verderop heft Altonice het glas, in gezelschap van kom hoe heet ze… Immanie Kompaan. Ook van de krakende kroegen. Het wordt almaar gezelliger. Iemand neemt plots plaats achter de ontstemde honkytonkpiano, terwijl Nelis zich achter de bar ongezien tot kroegcrooner ombouwt. Dit houdt eenvoudig in dat hij een iets andere houding aanneemt. Het hoofd schuin naar achteren, de ogen nu eens gesloten als een diepe dingen fluisterzingende Borsato, dan weer zwoel blikkend als Julio in z’n Regenjas. Zwoelio Iglesias. En dan moet ie nog beginnen… Hij heeft wel gelijk de aandacht. Iets van Jan  Boezeroen zegt hij te gaan zingen. Was dat een crooner dan? Het is dat hij ervoor gevraagd is, anders… Goh, hij laat zelfs teksten uitdelen. Deze moet er maar bij in het verslag:
 
Ik ben aan de drank verslaafd / De drank die een graf voor me graaft / Je zei me: ‘van jou heb ik genoeg’ / Nu vind ik m’n troost in de kroeg / Wat heb ik jou aangedaan / Dat jij van me weg bent gegaan / Ik weet niet wat of ik misdeed / Dus drink ik, zodat ik vergeet.
 

Jaja. Heftig. Ook een effectieve détour om het krankzinnige wielercircus te weren. Tijdens het zangoptreden van Ranke Nelis zie ik het overigens heel druk worden bij de toiletten. Hij vraagt na afloop nog om een applausje voor zijn ‘honkietonkiepianissie’, die Pannekoek blijkt te heten. O, die. Nou, hopelijk hebben we hiermee de voorprogramma’s gehad. De woordspelingen jeuken als eikenprocessierupshaartjes rond.
 
Nog iets noemenswaardigs in de tour gebeurd vandaag? Och, ze zaten eindelijk in Frankrijk. Eddy Merckx, de ‘koning-keizer-kannibaal’ – ja kostelijk, Dijkstra, je had groot gelijk om dat een paar keer te herhalen – mocht nu eindelijk naar huis. Van Binche naar Épernay ging het, uiteraard na enig toeristisch ‘Binche watchen’. (Sorry. Ook deze komt vast door het optreden van Tantpissalopes.) Het was gelijk heuvelachtig. Er moest in ieder geval een weinig geklommen worden. Uh… Wat zit je nou op mijn loptap… laptop mee te lezen, Alloy? De sneldichter is aan mijn tafeltje erbij komen zitten, dames en heren. Verveelt zich. Wat zeg je? O, hij wil inspiratie opdoen voor zijn voordracht. Maar daar kun je je toch niet op voorbereiden, Wilfred? Je weet nooit wat de mensen roepen. Momentje… Nelis! Heb je nog een Kleffe… shit… LEFFE voor me?! Nee, geen Westmalle. Ik woon zelf in West, malle. (Aaargh!) Ga jij nou maar vast naar je podium, Alloy, zo kan ik me niet concentreren. En weg is hij. Mooi zo. O, hij gaat bij Rieding en Kompaan zitten. Dat wordt innemen. Hé, daar zit al een heerschap. In matrozenoutfit, toe maar. Je vraagt je direct af: waar is dan het water, waar is de haven, waar je altijd horen kon ‘we gaan aan boord’? Ah, m’n Leffe! Danke, Ranke. Wat zeg je? Ja, ‘matrozenoutfit’. Lees jij nu ook al mee? Kan ik niet even lekker op mezelf dit verslag uittypen? Geintje, Nelis. Ik zit niet voor niks gezellig tussen de dronkaards. Het echte leven dient geregistreerd. En door jou geregisseerd, akkoord. Hier in De Kantelaar nemen we er allemaal aan deel. Maar pas op hè, je hebt al gezongen. De Ranke sloft terug naar de tap. Jawel: ‘Het kleine café aan de haven’ galmend. Ik smacht al naar het geluid van de scheepstoeter die eventueel nog ergere zaken het zeegat uit blaast. Gelukkig, het blijft bij een stukje refrein. Geen langs ramen knipogende neonreclame, geen hardgekookt ei, geen glazen die in het helderste wc-water zijn gespoeld. Ach, niemand zingt ook mee. Nelis voorkomt zelf een afgang. Je hebt van die barlieden, die maar doorgaan. Of die terugkeren als je denkt dat je van ze af bent, nog erger. Nee, over Ranke Nelis geen kwaad woord. Het zijn goedbedoelde plaagstootjes die de Kantelaars uitdelen. Wij zijn heel hecht. Kom niet aan Nelis, ja!  Die opdringerige matroos  trouwens, kennelijk door kroegkraaksters Altoos en Immer nadrukkelijk genoeg aan hun tafelkade uitgezwaaid – of op een kansloos zijspoor geraakt door de komst van Alloy, ook mogelijk – hangt nu hoog gekrukt aan de bar voor zich uit te staren, heeft een jonge jenever besteld. “Hier is je Ketel, binkie!” Nelis ook door Gilbert besmet. Intussen heeft Alloy het prima naar zijn zin met de dames, zie ik. Als ie maar helder blijft. Ik vrees het ergste.
 
Waar was ik? O ja, de Tour de France. De etappe. En of er nog iets noemenswaardigs was gebeurd. Vast. U kunt het allemaal nalezen op tig mediasites, terugzien in herhalingen van sportprogramma’s , en ’s avonds worden de belangrijke renners van de dag ook nog eens aan de nababbeltafel van die Ohne de Graaf (aaargh!) doorgezaagd. (Danke Ranke). Wel dit even gemeld: geletruidrager ‘Teun-is-een’ beetje gelost. Aaargh! Nu ben ik het zat! Die Tantpissalope komt er niet meer in! Alaphilippe geel. Het Herbertje van de Dag en de Krootkwoot nu. Ook dat nog. Dijkstra werd weer continu door Ducrot overvleugeld en gecorrigeerd. Zelfs over de champagne van Épernay botsten ze. Herbert kwam met veilig nietszeggende dingen. ‘Wat een sprookje, Teunissen. Wel een man die weet wat ie wil.’ ‘Kijk eens, de snelheid is alleen maar omhoog gegaan.’ Suf Labetobejaardenbusreisgeklep over kerken en bouwstijlen, als uit een folder opgelezen. Met onderstaande uitspraak trachtte hij, op onzeker vragende toon nog, in het juiste wielerjargon te komen. Kroot daarentegen was als vanouds niets ontziend in de vleesverwerkende industrie bezig. ‘Gaat het grootste deel van het peloton zich naar de slachtbank laten voeren of proberen ze nog iets te forceren?’ ‘Dit is gewoon een krijger, die slaat een willekeurige tegenstander zo voor z’n kokosnoot.’ De eerste edele delen had ie al afgedraaid. Was moeilijk kiezen. Ik vrees trouwens dat hij ook Herbert ooit op het rooster zal leggen. Dat zegt wel iets.
 
HvdD: ‘Dat laatste colletje met bonificatiepunten, denk je dat de kussens daar opgeschud worden?’
DK: ‘Het gaat niet alleen in je benen zitten, ook je longen spatten uit elkaar.’
 
Dan het grote moment, waar De Kantelaar elke dag weer op wacht. Het optreden van onze sneldichter. Hij begeeft zich naar… Dat wil zeggen… Tjonge, die moet ook aardig wat op hebben. Nog een ge-VAL-letje podium of jodium… Eerste traptree. Andere been erbij… pfff… Die heeft ie binnen. Tweede tree. Kijk uit!! Ai… Corrigerend handje erbij. Waar is dat rechterbeen gebleven? O, daar! Gezellig. Okeeee. De kindertjes in Biafra hebben diarreeee, okeeee.  Of neeee… gebei… ei… Wat is ook weer die laatste regel? zie je hem krabbelklimmend denken. Het publiek zal ‘m wel bijstaan. Nog één tree en… Nee, twee… shit…. Dan maar achterwaarts op de billen. O ja, eerst omdraaien, hihi. Voorzichtig. Smal, zo’n tree. Hai, publiek! Momentje… Nu zitten… umpf… Handen zijwaarts… plaatsen. Zich opduwen… Podiumhoogte, yesss! Vraag niet hoe. Het heeft iets horizontaals. Stukje schuiven nog. Effe legge, mensen… Omhoog nu via de microfoonstandaard, een armleuning van een stoel… EN HIJ STAAT!
 
ROEPT U MAAR
 
“Geregisseerd klimmen!”
 
De kop van slopisch hardhout, de tong nadorstig droog,
de benen nog van gisteren…  Ik krijg geen zier omhoog.
Toch moet die kruk beklommen, een volgend glas gekeerd.
Het klimwerk tegen ’t vallen liefst ook strak geregisseerd.
En haal ik dan die toogrand: de Ranke tapt terstond.
Je raakt het best onthageld door opnieuw zo’n Leffe Blond.
Kan wezen dat dit alles me morgen alweer spijt….
……….
 
“Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!”
 
[klapklapklapklapklap]
 
[Top 3 algemeen orangement: 3. Kruijswijk +0.25, 10. Kelderman +0.51, 50. Mollema +1.43]


Etappe 2 zo 7-7: Brussel (Bel) – Brussel (Bel) (27,6 km, ploegentijdrit)
 
Hoi. Josse hier. Dank, Alloy, voor het waarnemen der honneurs gisteren. Er kwam wat tussen: een opspringend takje en hop, ketting eraf. Toch heb ik nog wat Herbertjes en Ducrootjes kunnen noteren. Het viel me op dat de twee gelijk aan het bakkeleien waren. Vooral Ducrot ging tekeer. Arme Herbert. Met die versleten vintage wielertaal redt hij anno 2019 echt niet meer. ‘De tour is begonnen en het gaat meteen volle bak.’ Volle bak. Geeuw. Hij was van begin af de mindere van Ducrot. Als je tenminste diens wijsneuzige taaldiarree weet te waarderen. Op Herberts slaapverwekkend lange uiteenzetting over de winstkansen van Dylan Groenewegen sneerde Ducrot kortweg: ‘Dat is allemaal op papier hoor. Straks is ’t gewoon een stuk asfalt.’ Ook over de schaatssport, in zijn achterhoofd natuurlijk het sneue schaatsverleden van Dijkstra zelf, denigreerde hij er (niet voor het eerst) op los: ‘Een maand na de dooi, in maart al, gaat het wéér, nee, nog steeds over schaatsen. Dan verplaatst het schaatsen zich naar de bestuurskamers. Eigenlijk rijden jullie het hele jaar door die suffe rondjes om miezerige hondersten van seconden verschil.’ De koning van Biafra was sowieso in een arrogant luie pestbui: ‘De krantenartikelen heb ik naast me liggen, ik ga me niet vermoeien deze eerste paar etappes.’ En dat terwijl ik als luisteraar allang in de hoek naar adem lag te happen. Zichzelf niet vermoeien en de ander wél: het is slecht verdeeld in de wereld. Op andere momenten was hij weer de ouderwets explosieve, middeleeuws moordlustige Ducrot, alsof je verdikkeme die ene aflevering van Paul Verhoevens Floris herbeleeft (in de middeleeuwen werd er nog niet gefietst, tussen haakjes): ‘Juist als je het niet verwacht, weten ze een extra vaatje buskruit aan te boren.’ Nog niet eens in Frankrijk en nu al dekking zoeken. Maar goed, hier alsnog het Herbertje en de Ducrootkwoot van gisteren:
 
HvdD: ‘Het is vooral een hardrenner, die Deen, niet een veelwinnaar.’
DK: ‘Het is wel zo dat iedere renner met een soort takenpakket om z’n nek rond rijdt.’
 
Veelwinnaar. Dat woord accepteert Wordfeud straks ook. Ik las tussen hossende bruilofsgasten dat niet favoriet Dylan Groenewegen (onder het motto ‘podium of jodium’ gevallen op een stuk asfalt dat Ducrot er en parlant had gelegd) maar ploeggenoot Mike Teunissen de etappe had gewonnen en dus ‘in het geel werd gehesen’. (Gehesen? Een soort harnas? Weer die middeleeuwen. Mensen, dit is maar maliën-kolder.)  De eerste Nederlander in 30 jaar? Was Breukink de laatste? Boeiend! Nee, knap hoor. Nu de leeuwinnen nog. Zeg Nelis, nog maar een biertje. Jonkie ernaast? Welja, joh. Kan mij het schelen. Geef die gespannen Alloy daar verderop ook wat. Maar niet zingend schenken, hè?
 
De etappe van vandaag. (‘Danke Ranke!’) Daar ga ik dus ook niets noemenswaardigs over zeggen. Ik begrijp dat het dit hele weekeinde in/rond de hoofdstad van België een auto-reverse komen en gaan is. Dat schiet lekker op, mag ik dat zeggen? Weekendje Brussel. Zo zie je nog eens wat van Frankrijk. O, dit moet u even weten: ik zit, anders dan twee jaar geleden, toen ik thuis zat, mijn verslagen in het café uit te werken, op de laptop. Wel zo gezellig. Nu kan ik tussen de drankgelagen mijn notities uitwerken en tegelijk het gebeuren hier erin verwerken. De Tour is dus niet live, de Détour wél. Zo zie ik nu net die ene Belgische ex-wielrenner en oneline-snuiver onze Kantelaar binnen schuiven. Hij komt hier wel vaker. Gilbert Huppelepup. Ik kom er nog wel op. Ja die oneliners op de racefiets werden in de nadagen van zijn sportcarrière wel een verslaving. En al grapfietsend ook nog eens om de haverklap de weg kwijtraken. Hij reed tig kilometers te veel. Kluns. Je kunt gewoon niet tegelijk wielrennen én woordgrappen maken, klaar. O, ik weet de achternaam weer: Gilbert Tantpissalopes. Definitief uitgefietst heeft Tantpissalopes zijn fratsen, meent hij, ‘een literair plekje gegeven’. Verdomd, ik zie dat de vroegere omwegrenner zijn debuutbundel ‘Luik-Bastia-Aken-Luik’ weer bij zich heeft. Die titel alleen al. Ik ben er niet, mensen. Bukken! Dat zijn geen gedichten, dat zijn nog steeds gewoon woordgrappen! Breng die zooi dan ook niet als gedichten! Alsof je een moppenboekje van Max Tailleur aanschaft. Maar goed, dat dus: ik maak live in De Kantelaar mijn verslag. Daaraan later nog toegevoegd de zwart-op-witgewassen voordracht van onze Wilfred. Het uitpluizen van de geluidsopnamen is wel een gedoe, moet ik zeggen. Zal Alloy eens vragen om mij het gedicht gelijk op papier te geven. Scheelt werk. O nee! Hij verzint het ter plekke. Ja duhhh! De rode recordknop indrukken dus.
 
De etappe van vandaag. Niets noemenswaardigs. Dat zei ik. Alleen dit: Groenewegen kwam al ter sprake, welnu, de etappe van vandaag had ook genoeg groens. Opvallend veel land- en tuinbouw. Ploegen-tijdrit, daar begon het al mee. Ploegen en nog eens ploegen deden ze rond Brussel. En of dat nog niet genoeg was: commentaarharkers Herbert en Croot bleven maar bomen. Een zware dag, met name voor renners uit de stad. Wie er won? Zoek dat even lekker zelf op, zeg. Hoe oud ben je nou?  Ik heb de uitslagen hier liggen, maar ga me er ook deze tweede etappe niet mee vermoeien. Dat zegt wel iets. Hallo, zijn jullie er nog? Snel nog voor vandaag het Herbertje (een soort ‘Wat is het verschil tussen een dood vogeltje?’) en de Ducrootkwoot (vol ruimtelijk inzicht).
 
HvdD: ‘Geen parcours is met elkaar te vergelijken.’
DK: ‘Een intergalactisch gat, zou je bijna zeggen.’
 
Nog maar zo’n kopstoot, Ranke! Nee Gilbert, niet geïnteresseerd in je literaire Luik-Bastenaken. Ik heb vandaag al gelachen. Tijd voor iets diepers. Wilfred Alloy bijvoorbeeld. Zie hem daar toch stevig kommaaroppig op de benen. Het kan steviger, toegegeven. Hij neemt nog een slok. De basisverspatronen malen als automatisch tussen des snelverzers oren en het kroegpubliek staat in kennelijke zit… zit in kennelijke staat al klaar om maar iets te roepen. Vast iets groens.

ROEPT U MAAR

“Aan de boom schudden!”

De massa koerst eendrachtig. Maar dan inenen – kut! –
wordt voorin door een fronttuinier wat aan de boom geschud.
Het pak valt grof in duigen, de kopgroep gaat plankgas,
en jij, als slooprijp fruit, valt met je kersepit in ‘t gras.
Een schip met zure appels… Dat op de oogst nog toe.
Tot moes gelost, geheel doorweekt, terneer gehusseld, moe.
Eruit getuind, verlaten… Onthecht en alles kwijt…
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]
 
[Top 3 van het algemeen orangement: 1. Teunissen , 3. Kruijswijk +0.10, 9. Van  Baarle +0.30]


[DÉTOUR DE FRANCE – mettant en vedette: Wilfred Alloy – 6 t/m 28 juli 2019]
 
 
Etappe 1 za 6-7: Brussel (Bel) – Brussel (Bel) (194,5 km, vlak)
 
De (Duh) Tour de France is weer begonnen. Zonder Dumoulin (Du), Froome, Cavendish, Meintjes, Slagter, Breukink, Rooks, Zoetemelk, Kuiper, Smeets, Janssen. Slechts elf orange mannen dit jaar. Het laagste aantal sinds 2011. Soit. Circus Wielerknie gaat sowieso door. En zal die hele tour u verder worst en klein bier wezen, dan heeft – tromgeroffel graag – café De Kantelaar ook nog wel een hapje en drankje klaar staan (oh, op díe fiets), al is via Google Maps de toegang tot het café versleuteld (dat zeg ik, buuf: wij zijn van het échte leven).
 
Hier alles onder controle, zou je dus denken. Toch schieten we niet soepel uit de startslokken – mag ik dat zo zeggen, terwijl u reeds met de eerste kantelcontouren wordt geconfronteerd? – qua verslaglegging van zaken die voor je geestelijke balans soms beter verzwegen kunnen worden. We moeten het vandaag even met niemand meer dan Wilfred Alloy doen. Met mij dus, de snelverzer. Boodschapper en presentator Josse Ketting namelijk, zelf een verwoed roestrosrenner, tot op zeker nog veilig niveau dan (tijdens het biken niet op je mobiel klooien of eikenprocessierupsenjeuk in al dan niet verafgelegen lijfstreken averechts trachten weg te krabben, wel stoppen voor rood en mensen aan een zebrapad, hand uitsteken voor het afslaan, ook overdag lampjes, dat brave werk), heeft vanmiddag tijdens zijn eigen ‘Tour de Beauleau’ (Bos & Lommer) na een iets te krachtig accelereren zijn toch al sinds enige tijd zorgwekkend slap om het rad hangende ketting onherstelbaar moeten zien lossen (what’s nearly in a name?) en heeft, plots dramatisch immobiel en van alle hete lijnen verstoken, niets van de etappe van vandaag en haar verbale omwegen kunnen volgen. Hij reed zijn persoonsgebonden rit vanaf Beauleau helemaal tot in het net nog Nederlandse Aalten, moet u weten, vraag me niet waarom. O, u vraagt het wél? Een zilveren bruiloft was het. Omweg uitgesloten. Hij moest er zijn. Ja, Aalten. Op doping uiteraard (van ene Maarten D. gekregen), anders red je zoiets niet.
 
Alle gekheid op een circusfiets, toute la folie à vélo de cirque: Ketting was er gewoon niet. Vandaag geen Herbertje van de Dag derhalve, geen Ducrootkwoot, zelfs geen top drie van het algemeen orangement. Overigens, omwegen zullen in verschillende vormen de rode draad blijven. Details van het feitelijke parcours en de avonturen der rapwielers worden u immers van alle kanten reeds toegeschreeuwd. Wat valt eraan toe te voegen? P’cies, buuf. Dat zeg ik, ik bedoel, dat bedoel ik. Vandaar de naam van deze serie: Détour de France.
 
‘t Is de poëzie… De noëzie…
 
Wie zullen er nog meer passeren? Good old barman Nelis natuurlijk, door vrinden in een vrolijke bui Ranke Nelis geheten. Of passeren? Hij staat. En hij is heus een gratenpakhuis. Nu ja, gewoon gezond slank. Geen Ducrot. Drinkt ook geen druppel alcohol. Op papier. In functie. Dus: geen gezellige dikkerd en drinkerd. Niks eufemistisch aan dat ranke. Maar ja, net zoals de Manke en tante Leen in haar Nieuwendijktent destijds deden, heft Nelis soms een lied aan. Een enkele keer wordt hij kort gehouden, zoals de bard Assurancetourix in de stripreeks Asterix. Hoe dan ook, gezellig is het wel met Nelis. Verder kunnen er dranklocaal Bekende Nederlanders langskomen. Daarover is nog niets bekend.
 
Iets over de te hanteren spelling in de snelversomwegen. Mijn eerlijk vals platte Amsterdams in de voordrachten zal niet meer in de stukken terug te vinden zijn (zuiver plat ging trouwens ook de etappe van vandaag, begreep ik, van en naar Brussel vanwege de 50e verjaardag van Eddy Merckx` eerste tourzege). Geen ‘toer de frans’ en ‘sjas petat’. Men dwingt me voor vrijwel niets, zeg twee niet-geregistreerde dus waardeloze consumptiebonnen, een bundel uit te brengen – nou, zelfs de straatstenen weigeren mijn producten, en wat ze gelijk hebben, die straatstenen! – dus de dikke vandalen kijken intimiderend mee bij het dagelijks zwart-op-witwassen van causerie en voordracht. Wilde bijdragen van het publiek die de geluidsopnamen vertaalbaar hebben gehaald zullen ook direct worden gedeletet. Saai hoor. Maar goed, dan staan de dingen wel gelijk bebundelbaar op papier, er zit wat in. Dat gelal tussendoor leidt ook alleen maar af van de poëzie. Dichteres en krakende-kroegloopster Altonice Rieding (kantelkoningin Altoos) heeft me dit alles tijdens een knus nat gehouden samenzijn – volle glasbak – imperatief ingefluisterd en de gek heeft ja gezegd. Zij heeft ook deze inleiding geredigeerd (misschien wel geheel zelf geschreven, de houten katerknar weet het niet meer terug te halen). Vreemd lang-en-breedtalig is ’t wel. Ach, ik kan eigenlijk enkel sneldichten. By the way, bij de omweg, er was in de aanloop naar de Détour al enige spellingsdiscussie over ‘Ducrootkwoot’. Die journalistieke levensvorm heet namelijk Maarten Ducrot. ‘Ducrotquote’ zou op z’n françoos correct zijn, maar het ingebakken rijm is heilig: de tandklank T dient doorgetrokken. ‘Ducrotquo’ (spreek uit: duh crookwoo) is helemaal niks. We houden het bij het oude, met ‘Krootkwoot’ als vrolijk alternatieve crootnoot. Oké. Morgen onze bondige Josse weer.
 
Afronden nu. Om het gemis van HvdD en DK draaglijk te maken herhaal ik het eerste Herbertje van de Dag dat Josse twee jaar terug als zodanig noteerde en de ergste Ducrotwoorden diezelfde dag (Andere Tijden Sportverslag, 07.07.17):
 
HvdD: ‘De wind is grotendeels in de rug, dat betekent doorgaans makkelijk fietsen.’
DK: ‘Dat is óók wielrennen: dat je die afstand moet overbruggen.’

Het blijven doordenkertjes, mensen. Tot slot, waar het uit-eigenlijk om gaat… Maar niet voordat… Nu ja… bedankt, Altoos. Zijn we d’r klaar voor, Kantelaars?
 
ROEPT U MAAR

“Aan het elastiek hangen!”

Maar net op de pedalen, pas wakker het publiek,
een arme ziel hangt nu al eenzaam aan het elastiek.
Hij voelt dat als de fietsclub een ietsje harder trapt
het elastiek waaraan ie hangt bij ’t minste zuchtje knapt.
Dan zakt ‘m in de schoenen veel meer nog dan de moed.
Daar staat ie uitgeteld, als ’t ware in zijn ondergoed.
Van alles neergevallen en om hem heen verspreid.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[klapklapklapklapklap]
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Alloy-1-e1560311981196-768x1024.jpg

Tis alweer twee jaar geleden. De Ducrootkwoot, het Herbertje van de dag, en natuurlijk de snelverzen eindigend op ‘maar we zitten hier gezellig en we zitten hier okee’. Is Wilfred Alloy echt dood?

NEEN!

‘Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid’. …. De tour start zaterdag 6 juli. En Wilfred Alloy is er elke dag voor ons bij!

Share This: