wie wint de enige echte virtuele – naar BaasB – de hele wereld draait in theorie om poëzie – poëzie trofee op pomgedichten punt nl?

wie wint de enige echte virtuele – naar BaasB – de hele wereld draait in theorie om poëzie – poëzie trofee op pomgedichten punt nl?

BaasB weer op het podium, de dichters weer op het podium bijna – nou dan zullen we het weten de hele wereld draait in theorie om poëzie zingt BaasB en voegt er nog een mooie regel aan toe: ‘je bent de eeuwigheid in een ogenblik…’ –

deze week de zondagochtendwedstrijd op pomgedichten punt nl met een wel heel eigen thema: ‘de hele wereld draait in theorie om poëzie – poëzie!’ – dichters u kent de regels:

Share This:

Yvonne Koenderman over hoe het begon, over het kunstenaarskind en meer. ‘Hij gedroeg zich altijd netjes…te netjes naar mijn maagdelijke dromen, tot die ene keer,…’

Het kunstenaarskind.

Hoe oud zou ze zijn?
24 Schat ik zo in.
Dochter van eerste liefde
en geweldig mooi lief mens.
Vaderlief ken ik vanaf mijn 15e en was op slag verliefd,
We dronken iedere zaterdag koffie, bij hem thuis of in de koffiepot op de hoogstraat. We schilderden samen en ik ging met hem mee naar zijn zanglessen. Hij gedroeg  zich altijd netjes…te netjes naar mijn maagdelijke dromen, tot die ene keer, waar hij liefdevol en hoffelijk als hij was stopte toen hij besefte dat dit meisje onervaren was en haar braaf achter op de fiets naar huis bracht.

Moeder ontmoette ik later nadat mijn oudste  een jaar of twee was en ik weer eens tegen het kunstenaarskind haar vader aangelopen was. Ik had een schilderij van hem gezien waar manlief helemaal weg van was. Eigenlijk wilde hij er niet vanaf, maar omdat ik het was mocht ik het bij hem thuis komen halen. Thuis bleek drie straten achter onze woning te zijn. Ik weet nog goed dat ik de woonkamer binnen stapte en de mams van dit mooie kind poedelnaakt in een bad op leeuwenpootjes zag zitten. Zacht haar lichaam inzepend en me vrolijk begroetend “oh dus jij bent de Yvonne waar ik al zoveel over gehoord heb”. Schuim spatten in het rond terwijl ze opstond uit haar bad om zich af te drogen.

Trudy en Albert…Ze leken voor elkaar gemaakt. Sindsdien  zat ik vaak aan hun tafel, het bad met leeuwenpootjes waar als het water via een slang door de woonkamer vloer weggelopen was een grote ronde glasplaat over lag. Ik verwonderde me over de vooruitgang die Albert met schilderen maakte en het beeldhouw werk van Trudy en genoot van de vrijheid waar deze twee in leefden. Toen kwam Camille een leuke goedlachse baby die al gauw op doek vastgelegd werd. Na een tijdje verwaterde het contact wat. Wij verhuisden en de twee die zo goed bij elkaar pasten smoorden in hun kunstzinnigheid en verworven vrijheden.

Albert zag ik zo nu en dan, hij opende zelfs de galerie Kust Kunst waar werk van mij en een vriendin stond en hing. Trudy en Camille zag ik steeds minder. Vandaag liep ik ineens tegen dit mooie kunstenaarskind aan. Op de vraag;” hoe is het met je ouders” kwam als antwoord; ” Het gaat goed, Just living there lifes to the fullest” ik verwacht ook niets anders van ze, net als van dit mooie kunstenaarskind, die duidelijk haar genen van geen vreemde heeft en eigenlijk zouden we dit allemaal op ons eigen manier moeten doen.

Yvonne Koenderman

Share This:

laten we het de wind maar laten…


laten we het de wind maar laten
 
het is de droeve plicht van een dichter
om met een enkel woord als het moment daar is
ik noem het woord maar niet
het is te groot
 
aan huilen is niets verkeerds
ook niet als je sterk wil zijn
 het is toch de wind die beslist over licht en donker
laten we het de wind maar laten
 
de wind die over de graven waakt – zal waken
het is die wind die vandaag waait

pom wolff

Share This:

uw DINLIN memoreert dichtersdagen én die oude dichter: ‘Ooit was hij ook jong. Gedreven, geliefd, bewonderd. En doorgebroken. Een uitgever had brood in hem gezien. Weliswaar droog brood, maar toch….’


Goedendag poëten en anderen,

Het was een van die dagen dat het middelgrote stadje in rep en roer probeerde te zijn omdat het Dichtersdag was. En met zoveel dichters op de been, in toenemende mate van euforie, warm weerzien en drankzucht, is een middelgroot stadje al snel in rep en roer. Al is het winkelende publiek, een straat verderop, zich nergens van bewust.
Her en der waren kleine podia opgetrokken en microfoons opgesteld. Reikhalzend keken de organisatoren uit naar publiek. Er was nogal wat concurrentie. Overal reden poëziebussen rond en had men in bezinningscentra de dichtkunst ontdekt als middel om nader tot jezelf te komen. Geheel in de geest van de tijd vond er bijna geen festival meer plaats waar niet werd voorgedragen. Ook muzikanten pikten een graantje mee. Het voordragen begeleid door pianist, saxofonist of cellist gaf zoveel meer waar voor hetzelfde geld. We leefden in de Gouden Eeuw der poëzie!

In een smalle zijstraat zat een oude dichter op een ooit populair terras. Eens per jaar, op Dichtersdag, was het terras opnieuw populair, net als de oude dichter en alle andere dichters die zich in de loop der dag bij hem voegden.
De oude dichter was stevig ingedronken. Het gaf hem weer dat vleugje glans dat hij recentelijk zo ontbeerde. Met zwier droeg hij zijn hoed op zijn grijze lokken die van een dichterwaardige lengte waren. Zijn lichtgrijze kostuum bleek bij nadere beschouwing wat aan de krappe kant, het colbert spande rond de taille. Zijn lichtblauwe ogen werden almaar lichtblauwer.
De dichter zat er als een vorst. Hij combineerde een alerte aandacht voor zijn omgeving met een nonchalante, wat uitgezakte houding. In zijn mondhoek bungelde een sigaartje. Quasi afwezig zwaaide hij naar passanten en nam telkens een slok. Om hem heen bewogen zich uitbundige vrouwen met hese stem en korte, strakke rokjes. Hij inspecteerde hun kuiten, glimlachte maar keek ze nooit aan.
Vlijtig en met overgave presenteerden de dichters hun werk. Onwillekeurig richtten zij zich vooral op de oude dichter, die zijn nagels bestudeerde. Na afloop sprong hij op, schoof zijn sigaar naar de andere mondhoek en applaudisseerde. Gevleid bestelden de dichters een rondje. Een toost van de oude dichter was hun beloning. Tevreden onderhielden de voordragers zich met elkaar over vrouwen, cafe’s en de dichtkunst, schaterlach na schaterlach schalde door de smalle straat. De oude dichter zat er wat verloren bij en volgde met lege blik de verrichtingen van zijn collega’s.
Ooit was hij ook jong. Gedreven, geliefd, bewonderd. En doorgebroken. Drie bundels waren er verschenen van zijn werk. Een uitgever had brood in hem gezien. Weliswaar droog brood, maar toch. Literaire critici loofden hem, tv-presentatoren nodigden hem uit om in twee minuten zijn thema’s en doel uiteen te zetten. Met wel vier, vijf tegelijk hingen de vrouwen aan zijn lijf. Hij kon het zich permitteren ze als lastige vliegen weg te wuiven. Toen.

Na de periode in de kliniek werd het minder. Opgebrand was hij. Teveel gezopen, teveel geneukt, teveel geschreven. Kun je daar gek van worden? Hij wel. Hij had een missie. Verstrikt in de taal moest hij in de kliniek vaststellen dat missies levensgevaarlijk zijn. Nooit aan beginnen. Zijn missie was te triomferen over de taal. Hoe hovaardig. De taal is weerbarstig, neemt het altijd over, elke keer als je denkt alles onder controle te hebben. Het was een machtsstrijd die hij verloor. Hij ging een beetje dood en werd maar deels weer tot leven gewekt.
Zijn borrel, zijn sigaar, zijn hoed en grijze lokken en vergane glorie, hij deed het er zo’n beetje mee. Eens per jaar, op Dichtersdag, vroeg hij zich af wat hij anders had moeten doen. Met wie. En waar. Maar vooral hoe. Dan haalde hij zijn beduimeld debuutbundeltje uit zijn zak en las weer eens. En wist dat het niet anders had kunnen gaan. Dit was wat er inzat en wat er, godlof toch, uitkwam. Meer niet.
En hij mengde zich tussen de veelbelovende jonge dichters, nam een zoveelste borrel aan en liet zijn lach bulderen over het terras, de dichters, het middelgrote stadje, de Dichtersdag.

Met hartelijke groet,
Uw DinLin.

Share This:

Merik van der Torren en de complotdenkers op 5 mei


Dom gedicht
( voor Wim)

Die complotdenkers,
die mensen zijn dom, zei je.
 
Ze zijn bang, zei ik.
 
Omdat ze bang zijn, zijn ze dom, zei je;
 
een domme opmerking, die me bang maakte.
 
En het werd, met de gevulde koeken bij de thee
toch nog gezellig.

Merik van der Torren

Share This:

4 mei met Ton Huizer – een overdenking – Rotterdam





We mogen weer niet
 
Naar de graven
anderhalve meter te weinig
een enkel bloemetje teveel
 
het is al zo lang
er is nog maar een enkeling
 
en wat je verder nog kunt
bedenken
om het ondenkbare vooral
maar niet weer
 
welterusten
rust in vrede
 
Ton Huizer
 

Share This:

Ien Verrips en Peter Posthumus maken deze dinsdag compleet – zij schrijven over woorden



mijn woorden klonken zacht
aarzelend mijn ja
mijn nee nog niet kordaat
al geven mijn gedachten
de volle klanken
van een helder ja
een nee met kracht
mijn stem zoekt
de juiste intonatie

Ien Verrips


Hoe woorden aan het verdwijnen zijn
hele zinnen op gaan
in het hemelrijk
je kan een vliegtuig laten landen
op de keukentafel
met een joystick 
op en neer naar Mars
en interactief gezien
de paus nu laten zeggen
waarin je altijd hebt geloofd


conclusie met opgeheven vinger
uitroepteken dubbele punt
in het hemels beeldenrijk
heeft iedereen
het ogenschijnlijke gelijk

peter Posthumus

Share This:

de doden zelfs de doden…


de doden zelfs de doden

jij doet de doden om vandaag
een dodendas een dodenjas
klaar voor buiten – wat ze willen krijgen ze
ze willen uit aardedonker licht
arie waar is pappa

de dodendans een signaal
daar komen zij – uit holen en paleizen
die dans de twee minutenmars
een lange hogehakkenmars
de dam en zij ruikt olie

zwijgt als een woestijn
als olie op het vuur van olie
is altijd olie is altijd vuur
is altijd olie op het vuur is altijd
commercieel als klompen

is altijd dam is altijd orde altijd krans
en nog een krans
een kringetje van jongetjes en meisjes
een dodendans – is altijd groeten knikken groeten
altijd groeten altijd dans – is altijd uniform

ze spreken uit één mond – een dodenmond
de echte doden leven nog
zij trekt haar spijkerjasje uit
arie waar is pappa
zij is bij pappa – hij slaapt met haar



pomwolff

Share This:

pom wolff – ik weet nu wie ik ben…

foto: Ben Kleyn

ik weet nu wie ik ben
was het geen dichter die
een liefdesgedicht ooit zo begon
om in zichzelf te verdwalen
het begin van het liedje
was meteen einde liedje

dichters zijn geen zangers
die weten dat er geen woorden zijn
voor verlangen naar die
onherhaalbare eenmaligheid
voor de onbestaanbaarheid
van het steeds weer innemende

pom wolff

Share This:

Karin Beumkes: ‘Ik mis het wandelende fruit van rode en witte wijn niet meer.’

Dear Pom


Nu negen jaar gestopt. Ik mis het wandelende fruit van rode en witte wijn niet meer. In mijn eigen nuchtere zelf doemde dit gedicht opeens op. Ik  heb geen last meer van walgelijke katers, een geel koppie, daverende hoofdpijn van 9,2 op de schaal van richter.. Het is voorbij. Geef mij maar een lekker jointje op zijn tijd. Hier heb je mijn gedicht Lor.

Liefs
Karin



Lor


Eén pilsje kan je nog hebben,
Twee ook nog wel.
Daarna begint het geroezemoes
hinderlijk te worden.
Na vier pilsjes wordt je regelrecht vals.


Jij zingt, maar ik voel me een spijker,
een kaarsrechte ijzeren spijker
die jouw dronken gedaante doorboort.


Na zeven pilsjes besta je enkel uit een woord
en ik ga verder
elders kijken.


Karin Beumkes



Ramses Shaffy – Sammy https://youtu.be/17kkL6JTdxw

Share This: