deze foto van Amália Rodrigues is in fado wijk Mouraria op een muur te zien. Zij zong bijvoorbeeld gedichten van de beroemde Portugese dichter Luis de Camões.
Goedemorgen Pom Ik ben van Lissabon naar Porto gegaan. En ben nu in Porto op het idee gekomen mijn twintig reizen naar Portugal van 1980 tot 2026 samen te vatten in dit gedicht. In 1980 kocht ik de cassette Ai Mouraria van Amália Rodrigues in Lissabon en zondag 16 augustus 2026 leerde ik nieuwe fadista’s Helder Moutinho en Celia Leira kennen. Fado zangeressen en zangers worden fadista’s genoemd in Portugal. Ik schrijf in dit gedicht over andere fadista’s die ik heb leren kennen. Bijvoorbeeld over Christina Branco die in het Portugees vertaalde gedichten van Slauerhoff zingt. Terra is een album van Mariza waarop ze een lied zingt met de Kaapverdische zanger Tito Paris. Fado de sentidos is een fado lied van Cuca Roseta. Schrijf eveneens over Portugese steden die ik heb bezocht. Dit gedicht is bedoeld voor het weekend.
Met dichterlijke groet Rik van Boeckel
DE REISLUST VAN PORTUGAL
De ontdekking van fado in Lissabon onder de hemel van negentientachtig oren luisterend naar Ai Mouraria in Alfama de befaamde cassette van Amália
de reislust van Portugal leidt naar Porto en naar het strand van Lagos twee jaar later zegent na zes jaar in Quinta da Cerca de liefdevolle vrouw genaamd Anita
na tien jaar blijft Portugal een Sunshineland in Lissabon,Santa Cruz en Coimbra na zestien jaar leidt de tijd naar Fernando Pessoa blijft fado het Portugese gevoel en doel
na het jaar tweeduizend de zon in Lissabon de nieuwe ontdekking van Viseu Terra muziek van fadozangeres Mariza de kus van de saudade met Tito Paris
na twaalf jaar de fijne fado reportage met Mariza, Mario Pacheco, Cuca Roseta en de legendarische Carlos do Carmo reizend over de Taag naar Monsaraz
de ontdekking van Maria Severa de eerste fadista bij de Fado Vadio van de brede fado wijk Mouraria van Amália en zuster Celeste Rodrigues
na zestien jaar in Barragem de Santa Clara op het O Sol da Caparica Festival interviews gedaan met de fadista’s Cristina Branco en Ana Moura
reizend met de saudade van Portugal naar Santarém en de fado van Coimbra andere stijl dan de fado van Lisboa wat niemand wellicht horen zal
na zeventien jaar in Sines en Porto Covo leidt de fijne reislust in Portugal voorbij Sintra, Cascais en Foz de Arelho naar Figueira da Foz en Fatima
na negentien jaar via Villa Nova de Milfontes naar Estremoz, Evora en Alter do Chao waar ‘t fado hart van Cuca Roseta in alle opzichten mooi is te horen
Fado de sentidos op het festival dat eveneens naar Sao Pedro do Sul en de fado van Sara Correia leiden zal later te horen aan de Avenida de Liberdade
de reislust leidt weer in Costa da Caparica naar de koloniale Lusofone saudade van Angola, Cabo Verde, Mozambique en Brazilië na vier en twintig muzikale jaren
tenslotte naar Oeiras, Parede, Regua, Pinhão, Pocinho en Monte Estoril de goede fado van Helder Moutinho en guitarrada bij mooie fadista Celia Leira.
Rik van Boeckel 21 augustus 2026 Porto
Op deze foto’s is de cassette Ai Mouraria te zien met cd’s van Amália Rodrigues, een paar boeken en de DVD Fados van Carlos Saura.
Topoverleg van snijbloem, legkip, kweekzalm, honingbij, waakhond, fokschaap, renpaard, melkkoe, bromvlieg en ossenhaas
Een snijbloem sprak vol zelfmeelij “Waarom ik in eigen stengel snij? Alleen met zelf opgewekte pijn Kan ik volop in mijn ego zijn.”
De legkip zei: “Net wat ik zeg Ben ik maar even van de leg Dan hoort mijn naam niet meer bij mij En ben ik, vrees ik, kip noch ei.
De kweekzalm ziet hoe ‘t pijnlijk wordt als hij met wilde zalm wordt vergeleken “Het kost wel drie jaar om mij op te kweken Dan ligt mijn slechte reputatie op jouw bord.”
De honingbij was online via Zoom Zij sprak verbitterd van haar doem “Ik vlieg misschien wel frank en vrij Maar honing die ik maak is nooit voor mij.”
De waakhond lag heel lui te slapen En kneep nog eens een oogje toe “Ik ben vooralsnog ’t geheime wapen Zolang ‘k een middagslaapje doe.”
Het fokschaap blaatte luidkeels voort “Als bok fok ik met veel genoegen Maar als beloning voor mijn zwoegen Wordt heel mijn fokking nageslacht vermoord.”
Het renpaard dacht toen even na “Ik eer mijn motto: ik ren dus ik besta Maar sta ik stil of als ik slaap Sta ‘k elke keer compleet voor aap.”
De melkkoe voegde loeiend toe “Mijn kalfjes zien mij nooit als moe. “Elk drinkt mijn melk, ’t is nooit voor hen voor wie ik zelfs geen melkkoe ben.
De bromvlieg sprak vol zelfinzicht “Dit brommen is mijn dure plicht Want echt, het is wat ik je brom Als ik niet vlieg, dan sla ik stom.”
Als laatste sprak de ossenhaas: “Mijn lot is ’t tragischste van allen misschien is het je al opgevallen mijn existentie is dood vlees, helaas.”
Bart Top —————- Een van mijn lezers begon meteen over Toon Tellegen, of ik daar mijn inspiratie uit haalde? Nee, er waren slechts twee dingen: het plotselinge bewustworden van een fenomeen: dat we sommige dieren(categorieën) een naam geven vanwege hun functie voor ons, en dat ik zin had een light verse te schrijven – e voilà! Ja, en ik wilde natuurlijk ook weer niet te consequent zijn….
Het fietspad is breed en geasfalteerd. Er staat netjes een onderbroken streep op het midden. Zo is duidelijk, op welke weghelft je je zou mogen bevinden. De stoep ernaast is bijna net zo breed als het fietspad zelf. Daarachter aan het Gordelpad liggen woonboten. In de verte zie ik een stilstaand voorwerp op het fietspad. Het is een auto. Als ik deze voorbij ben zie ik honderd meter voor me, een in mijn richting bewegende persoon op het fietspad. Het is waarschijnlijk de bestuurder van de auto. Hij neemt een groot deel van mijn rijbaan in beslag. Terwijl hij toch ook de beschikking heeft over een hele stoep voor zichzelf. Hij kijkt recht voor zich. Het is of hij door me heen kijkt. Ik wijk preventief uit en bestudeer een kort moment zijn gezichtsuitdrukking. Hij heeft me echt niet gezien. Me verbazen over dit soort dingen doe ik me niet meer. Het gebeurt continu. Ik begin het ook steeds beter te begrijpen. Zelf zie ik nog afscheidingen en lijnen. Achter in mijn hoofd zitten nog van op jonge leeftijd ingeprente verkeersregels. Daarnaast ben ik een zekere mate van fatsoen aangeleerd. Maar dat wordt steeds minder echt. Hoe ik wat er in mijn hoofd zit op de wereld projecteer, strookt helemaal niet meer met de moderne tijd. Het feit alleen al, dat ik me een bewustzijn aanmeet van de wereld om me heen en de mensen daarin, is iets van vroeger. En waarschijnlijk breng ik inderdaad nog niet voldoende tijd achter schermpjes door om het al helemaal te begrijpen. Maar het komt.
Wat ik zag als een verkeerskundige inrichting, bestaat enkel in mijn hoofd. Ikzelf ook trouwens. Voor een ander is het een blank canvas. Een andere dimensie. Dat ik daar toevallig ben, maakt mij bij gebrek aan belang onzichtbaar. Ongewenste content wordt vooraf actief gefilterd. De man, die ik zag, liep inderdaad naar zijn auto, maar de lijn waarop hij liep was een andere dimensie. Eén die ik op dat moment niet begreep en waar ik ook geen deel van uitmaakte. De reden dat we geen botsing hadden, was niet omdat ik uitweek, maar simpelweg omdat ik niet bestond in die wereld. Mijn fout was te denken, dat ik wel deel uitmaakte van hetzelfde plaatje. Maar mijn uitwijken, bevestigt dat ik er niet was, noch deel aan was.
De tragiek is, dat ik denk, dat dingen nog steeds zo zijn als vroeger. Concreet, duidelijk, volgens de kaders die ik opgelegd heb gekregen. Maar dat is al lang niet meer zo. De mens heeft zich daarvan losgemaakt en kan eindelijk vrij bewegen door een ruimte, waar alles is, zoals hij zelf kiest. En ik wil dat maar niet snappen. Maar weet ook, dat je de vooruitgang niet tegenhoudt. Morgen als er weer iemand op het fietspad loopt wijk ik niet meer uit. Dat hoeft niet. Er gebeurt toch niets. Het is een andere wereld. Niet de mijne.
VON SOLO DICHTER, COLUMNIST, PERFORMER EN CINEAST Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl
Kleine vrouwen hebben kleine tranen maar hun tranen zijn diep.
Kleine vrouwen
Ze lijken op kleine appels die hangen aan hun takken. Kleine vrouwen hebben kleine tranen maar hun tranen zijn diep. Kleine vrouwen hebben kleine handen, kleine voeten die alle last moeten verplaatsen. Maar hun benen zijn sterk om hun bezopen mannen naar huis te dragen. Je weet nooit wanneer kleine vrouwen komen, wanneer ze vertrekken uit de schoot van het leven.
Ik geef om kleine vrouwen, omdat ze sneller bang zijn in het donker. Kleine vrouwen zijn als vlinders, hun haren de zeewind, hun stem de waterdruppels op de beek. Kleine vrouwen zijn de paar zinnen van een kort gebed. Dat je uitspreekt op het mooiste moment.
Ik geef om kleine vrouwen, als ik zie hoe ze grote vrouwen troosten, hoe ze kinderen baren die mettertijd als bomen om hen heen staan. Hoe ze van een huis een nest maken. Ik geef om kleine vrouwen als ik zie hoe bedroefd ze kunnen zijn. Hoe verslagen, hoe in elkaar gezakt, hoe vernederd, hoe teleurgesteld ze kunnen worden. Hoe ze elke dag opnieuw opstaan, elke dag sterker, ik hou van ze.
Ik probeer op een bericht van Pom Wolff te reageren ivm zijn kleinkind, ik had een gedicht geschreven:
Lach je nog wel eens lieve meid niets meer van je gehoord? huil je soms nog zachtjes om die kleine dingen kus je nog teder en zacht zoals vroeger toen je dat dacht
of zijn de haaien ook bij jou op visite geweest ik bel je wel, als de katten janken bij rosse maan.
Jan Anton Gillis
Dit in verband met zijn kleinkind, dat hij elk moment zich moet realiseren dat het zo vlug voorbij is die onschuld
we lezen een van de toppers van deze site – het zit niet altijd mee is geloof ik niet de meest correcte samenvatting van de inhoud:
De Herleving
Vivaldi op de speakers–duivels hard heb ik jou daarnaast vroeger vaak genomen op ’t brede bed, in een fraai samenstromen van hoofd, en hiel, en ziel, en ook het hart.
Dat is niet meer nu–en de tijd gaat hard; violen snellen en de tranen komen om alle onvervulde toekomstdromen: waar bleven ze? Je denkt…je hart verhardt.
Niets troost je, ’s nachts, al woedend in het bed. Je vreet haast niets dan bier & broodjes shoarma.
Een zielloos scrollen op het internet, een overgave aan de psychofarma.
Een einde als altijd is, strijk & zet: je wijt het aan zijn diepverkankerd karma.
***[D.B.]
Goedemorgen Pom Ik heb veel gewandeld in Lissabon. En heb dit boek van Dirk Lambrechts bij me: Fado.De tranen van de Taag. Heb in Lissabon het Fado Museum bezocht
en daar filmpjes gezien van fado artiesten zoals Mariza en Carlos do Carmo. Ben ook in de Clube de Fado geweest. Hier mijn gedicht over de muzikale fado werkelijkheid.
Met dichterlijke groet Rik van Boeckel
De muzikale fado werkelijkheid
Portugal weerspiegelt het fado land in liederen vol weemoedig gevoel fado kan verdrietig of vrolijk zijn de uitdrukking en uitdaging van saudade
weemoed, verlangen en heimwee zijn niet gênant dat is het door fadista’s bereikte doel de zinnen door hen gezongen zijn fijn de vertelde verhalen zijn moeilijk te raden
de tranen van de Taag stromen langs Lissabon wandelen langs de rivier met de mooie kade geeft luisterende bezoekers deze gelegenheid
als zij zijn verwarmd door de stralen van de zon gaan zij via Mouraria naar Alfama op zoek naar saudade in café’s en het museum van de muzikale fado werkelijkheid.
De grijze geleerde feilloos citeerde Achter heggen echter treiterend kussen en hijgen.
Dit epigram van Lucebert uit 1959 was in mijn jeugd een van mijn favoriete gedichten. Ik, die voor ‘verstrooide professor’ uitgescholden werd, wilde het liefst ook achter die heg, vermoed ik.
Een meer omstreden gedicht van de inmiddels ook omstreden dichter waar ik fan van was en ben, kan nu niet meer – vanwege het N-woord. Maar het is juist cruciaal in wat ik wil zeggen. Dit gedicht dus:
Er is een grote norse neger
Er is een grote norse neger in mij neergedaald die van binnen dingen doet die niemand ziet ook ik niet want donker is het daar en zwart
maar ik weet zeker hij bestudeert er aard en structuur van heel mijn blanke almacht
hij morrelt wat aan halfvermolmde kasten dat voel ik – splinters schieten door mijn schouder nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst teveel slaven trok ik af van de belasting.
Lucebert stond te boek als antikoloniaal en steunde de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika. Pas na zijn dood, in 1999, kwam uit dat hij zijn leven lang één ding verzweeg: zijn tijdelijke enthousiasme voor de nazi’s, als jongvolwassene aan het begin van de oorlog.
Waar Leo Vroman een oneindige bron van poëzie ontleende aan zijn gruwelijke oorlogservaringen als slachtoffer, was bij Lucebert het verzwijgen van een zwarte bladzijde een mogelijke verklaring van zijn schrijfdrift. ‘Spijt’ is in beide gedichten een thema. Daarnaast duiken overal in zijn gedichten geheimen op, verzwegen kwesties, zonder openlijke verwijzing – want GEHEIM! – naar zijn eigen geschiedenis.
Een heel leven lang wist Lucebert dat niet alleen hijzelf, maar ook sommige vrienden, zijn omgeving, betrokken waren bij dit zwijgcomplot. Dat de bom pas na zijn dood barstte, is verbazingwekkend. Nu de bom gebarsten is, is veel van zijn poëzie wel leesbaarder geworden, omdat we vermoeden waar hij voortdurend omheen draaide en van weg wilde blijven – denk ik.