Ik probeer op een bericht van Pom Wolff te reageren ivm zijn kleinkind, ik had een gedicht geschreven:
Lach je nog wel eens lieve meid niets meer van je gehoord? huil je soms nog zachtjes om die kleine dingen kus je nog teder en zacht zoals vroeger toen je dat dacht
of zijn de haaien ook bij jou op visite geweest ik bel je wel, als de katten janken bij rosse maan.
Jan Anton Gillis
Dit in verband met zijn kleinkind, dat hij elk moment zich moet realiseren dat het zo vlug voorbij is die onschuld
we lezen een van de toppers van deze site – het zit niet altijd mee is geloof ik niet de meest correcte samenvatting van de inhoud:
De Herleving
Vivaldi op de speakers–duivels hard heb ik jou daarnaast vroeger vaak genomen op ’t brede bed, in een fraai samenstromen van hoofd, en hiel, en ziel, en ook het hart.
Dat is niet meer nu–en de tijd gaat hard; violen snellen en de tranen komen om alle onvervulde toekomstdromen: waar bleven ze? Je denkt…je hart verhardt.
Niets troost je, ’s nachts, al woedend in het bed. Je vreet haast niets dan bier & broodjes shoarma.
Een zielloos scrollen op het internet, een overgave aan de psychofarma.
Een einde als altijd is, strijk & zet: je wijt het aan zijn diepverkankerd karma.
***[D.B.]
Goedemorgen Pom Ik heb veel gewandeld in Lissabon. En heb dit boek van Dirk Lambrechts bij me: Fado.De tranen van de Taag. Heb in Lissabon het Fado Museum bezocht
en daar filmpjes gezien van fado artiesten zoals Mariza en Carlos do Carmo. Ben ook in de Clube de Fado geweest. Hier mijn gedicht over de muzikale fado werkelijkheid.
Met dichterlijke groet Rik van Boeckel
De muzikale fado werkelijkheid
Portugal weerspiegelt het fado land in liederen vol weemoedig gevoel fado kan verdrietig of vrolijk zijn de uitdrukking en uitdaging van saudade
weemoed, verlangen en heimwee zijn niet gênant dat is het door fadista’s bereikte doel de zinnen door hen gezongen zijn fijn de vertelde verhalen zijn moeilijk te raden
de tranen van de Taag stromen langs Lissabon wandelen langs de rivier met de mooie kade geeft luisterende bezoekers deze gelegenheid
als zij zijn verwarmd door de stralen van de zon gaan zij via Mouraria naar Alfama op zoek naar saudade in café’s en het museum van de muzikale fado werkelijkheid.
De grijze geleerde feilloos citeerde Achter heggen echter treiterend kussen en hijgen.
Dit epigram van Lucebert uit 1959 was in mijn jeugd een van mijn favoriete gedichten. Ik, die voor ‘verstrooide professor’ uitgescholden werd, wilde het liefst ook achter die heg, vermoed ik.
Een meer omstreden gedicht van de inmiddels ook omstreden dichter waar ik fan van was en ben, kan nu niet meer – vanwege het N-woord. Maar het is juist cruciaal in wat ik wil zeggen. Dit gedicht dus:
Er is een grote norse neger
Er is een grote norse neger in mij neergedaald die van binnen dingen doet die niemand ziet ook ik niet want donker is het daar en zwart
maar ik weet zeker hij bestudeert er aard en structuur van heel mijn blanke almacht
hij morrelt wat aan halfvermolmde kasten dat voel ik – splinters schieten door mijn schouder nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst teveel slaven trok ik af van de belasting.
Lucebert stond te boek als antikoloniaal en steunde de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika. Pas na zijn dood, in 1999, kwam uit dat hij zijn leven lang één ding verzweeg: zijn tijdelijke enthousiasme voor de nazi’s, als jongvolwassene aan het begin van de oorlog.
Waar Leo Vroman een oneindige bron van poëzie ontleende aan zijn gruwelijke oorlogservaringen als slachtoffer, was bij Lucebert het verzwijgen van een zwarte bladzijde een mogelijke verklaring van zijn schrijfdrift. ‘Spijt’ is in beide gedichten een thema. Daarnaast duiken overal in zijn gedichten geheimen op, verzwegen kwesties, zonder openlijke verwijzing – want GEHEIM! – naar zijn eigen geschiedenis.
Een heel leven lang wist Lucebert dat niet alleen hijzelf, maar ook sommige vrienden, zijn omgeving, betrokken waren bij dit zwijgcomplot. Dat de bom pas na zijn dood barstte, is verbazingwekkend. Nu de bom gebarsten is, is veel van zijn poëzie wel leesbaarder geworden, omdat we vermoeden waar hij voortdurend omheen draaide en van weg wilde blijven – denk ik.
Ik kon het niet laten. Het is een drang die in mij woont. Moonen naar de eclipse. In de akker hiernaast. Zo van: Nananaaaah. Billen bloot. Jeweetwel in welke richting. Wat jij kan, kan ik ook. Wel verdiend wat mij betreft. Want ik heb mijn portie wel weer gehad. Vandaag.
Er moest een extra houthok komen. Per se. De kubieke meters van het voorjaar kan ik niet meer kwijt. Naast het bestaande roestige met brandhout volgepropte bouwwerkje is nog wel plek. Op rechts. Onder de eikenboom. Stalen bielzen. Houten liggers. Golfplaat. Ik heb het allemaal liggen. In de schuur in de achtertuin. Ooit kippenhok. Of behuizing voor ganzen. Zoiets. Geitenstal misschien? Kortom, een lekker klusje voor onder de zon.
Het was vooral een kwestie van zweten en graven. De gortdroge klei hier is doorspekt met brokken vuursteen uit een era die bij niemand meer op het netvlies brandt. Sterfelijkheid is een onding. Graven een mantra. Er was toch een kleine onachtzaamheid. Zoals altijd. Een valkuil. Waar ik altijd feilloos intrap. Feier das leben. Eikenboom. Laaghangende takken. Eikenprocessierups.
De eclipse doet de tijdschaal wankelen. Net zoals die stenen. En de eindeloze jeuk. Ik zeg: broek op de knieën. Biljoen bultjes? Boeien.
aan de overkant van de straat zag ik het al gebeuren handje dat het vasthouden vergat zilverkleurige ballon naar boven gezogen vader die net misgreep samen verloren kijken
en weer die tranen van vroeger
2
jezelf loslaten geen verleden meer nodig
weet je nog waar je woont vroeg een politieauto aan mij alleen maar omdat ik atypisch ’s nachts op een brug het regende zachtjes zichtbaar gelukkig was
3
nu we altijd van alles moeten levend in een haastige wereld prestatie cijfers en steeds meer dingen tegelijk
is loslaten een daad van verzet
4
eind goed al goed een regenboog aan geluk
nu heb je jezelf losgelaten swingend op aantrekkingskracht stijg je op naar grotere hoogten
Hallo Pom Ik vertrek weer naar Lissabon. Ik ben al vaak in Portugal geweest en luister vaak naar fado muziek. De teksten zijn door Portugese dichters geschreven. Heb vandaag dit gedicht over fado geschreven. Heb de poëziebundel Lisbon Poets ooit in Lissabon gekocht. Met dichterlijke groet Rik van Boeckel
De poëtische sleutel van fado
De saudade van Lisboa wacht op voorbijgangers in de Alfama en Mouraria wijken
zij wandelen door de Augusta straat naar de Praça do Comercio en de Taag aan de wijk Santa Maria Maior
en naar het zittend beeld van de beroemde dichter Fernando Pessoa in de Baixa Chiado wijk
wie zijn pseudoniemen kent is poëtisch goed verwend lezend in de Lisbon Poets bundel
Luís de Camões laat zijn sonnetten lezen als de nationale held van Portugal Amália Rodrigues zong zijn poëzie
zij is de fadista van traditionele saudade poëzie is een van de sleutels van fado de herinnering aan Camões,Pessoa en Amália.
ik zag het water zachtjes leek het mij iets te willen zeggen ik keek nog eens goed om te kunnen horen wat het zou kunnen zijn er kwam niet één gedachte bij me op misschien had ik de stem van het water eindelijk begrepen
zoals bekend ken ik vier favo dichters van vrouwelijke kunne die elke keer als ik die lees mij met hun woorden tot grote euforische hoogten brengen – het is de schoonheid van de taal – de natuurlijkheid van een Karin Beumkes, de ver waaiende woorden van de dichteres van de wind Margo van Gelder, de oneindige taalkrachtige poëzie van Vera van der Horst en de zacht romantische wezenlijke indringendheid van de zinnen van Karlijn Groet – die gelukkig de site aandoet dit weekend:
ergens
zouden musea moeten zijn voor alles wat het museum niet haalde alles wat vergeten mocht met een zaal waar hen een opgewarmde dood wacht
waar alle nutteloze ingewanden van de aarde alle blinde armen alle eenzaten, alle halve vollemanen, alles wat het net niet haalde in verhalen
ik zou er alle uren dwalen, tussen ongeschreven boeken, met hun nooit gekozen zinnen maar de nooit vergeten woorden jij en ik
Karlijn Groet
zoals bekend is Ditmar Bakker mijn poëtische vormheld – elke keer als ik hem lees verlies ik mij in zijn woorden en is elke vormelijkheid in mij zoekgeraakt – zo ook vandaag:
Het Vergane
Na twintig jaren zag ik je weer hier. Je keek nog net zo vals en ook zo schrander als toen we samen waren: gemeander steeds tussen boete, schuld, venijn en zwier.
Gesprekken liepen óók als de rivier die ’t leven lijkt en onderwijl verander je van diep geraakt tot buitenstander van oude trauma’s of beleefd plezier.
We hebben, vreemd genoeg, heel leuk gekletst: het scheelt een hoop, als men niet langer strijdt. Wat waren we toen kwetsbaar en gekwetst.
De stroom verdiept, zij het ditmaal van spijt om liefde die verleden breuklijn etst en in het heden weer twee levens scheidt.
Als de zielen van vermiste zeelieden krijsen ze. Ze schijten, ze roven, ze moorden. Hun kil-brutale gele ogen missen geen moment van onoplettendheid. Dan slaan ze toe. En weer hoor je ze hatelijk lachen. Elkaar gunnen ze nog niet het kleinste stukje brood. Ze hakken in lijken, ze rukken, ze trekken tot…
het eerste avondrood. Dan vangen ze het laatste licht, zweven in en dan uit zicht. Laten zich liefelijk vereeuwigen In een perfecte positie tot die rode bol boven de horizon.
In een perfecte connectie met ons, die ook weten: romantiek is een zaak van het juiste moment een tel van geluk. En dan weer krijsen, schijten, roven, moorden.
——–Bart Top————–
Wat vinden jullie? Eerst is er de observatie, het beeld. Dan komt er een associatie, een gedachte, een oordeel zelfs. Wat vinden jullie, had ik het bij de observatie, het beeld moeten laten? Met andere woorden: wat voor poëzie sta jij voor?