Ditmar Bakker – update: God is…waar je heen zou gaan als je,
Karin Beumkes – je liep het liefste in de mist,
Rob Mientjes – je van het
Magda Haan – moeders
Vera van der Horst – door de dag ontsloten
André Heijnekamp – Hoe het strekt naar het licht
Erika de Stercke – Papa, in jouw ogen heb ik gekeken.
Frans Terken – als taal van de liefde schittert
Rik van Boeckel – Een vrouw knielt met bewondering
Peter Posthumus – zoals gewoonlijk waren het de anderen
pom wolff – weet je
Ien Verrips – als je niet weet waarop je wacht
Cartouche – update: dit verduiveld dubbele
MartinB – er zijn dagen dat ik
Kees van de Brink = Martin M Aart de Jong – update: inclusief de varkens
Luk Paard – proef me laatste druppel liefde
Elbert Gonggrijp – in het brutale van het goddeloze –
inzending gesloten
en zie hier de pomgedichtendag 4 juli trofee in brons
wie wint de enige echte pomgedichtendagtrofee – de nu eens niet virtuele – ‘het is toch voor iedereen’ -trofee op pomgedichten.nl? – denk bij ‘het’ bijvoorbeeld aan de onvoorwaardelijke liefde voor vriend, vriendin, moeder en kind, denk desnoods aan heftig verlangen of aan de alle dichters bekende feesten van angst en pijn. (je kent de regels: hooguit 20 regels tenzij noodzaak). eloquente juryvoorzitter peter le nobel moet wel even de tijd hebben – insturen voor 1 juli – stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ gedichten worden in dit item geplaatst. u mag tot 1 juli gedicht of regels of woorden nog wijzigen – een gedicht per deelnemer – disclaimer: u mag over de uitslag zoveel corresponderen als u maar wilt, het zal u geen milimeter verder brengen – de juryvoorzitter bepaalt op 4 juli wie wint punt uit – uitzonderingen op de gestelde regels zijn toegestaan volkomen naar willekeurig inzicht van de juryvoorzitter.
EEN GOD VOOR JOU
God is…waar je heen zou gaan als je, aanbeland bij zee ziet: er komt al onweer aan— naar huis terug. Blijven? Nee…
God is al wat je maar laat ongedaan en nog doen gaat.
God is—luister—al verhalen die je mij onthouden doet en vertellen, honderd malen, ’s avonds, als je slapen moet.
God is ieder prachtig woord je horen wilt, nog ongehoord.
God bevat geborgenheid, die niet overal in zit, raak dus zo je zorgen kwijt; geheimpjes, schaamte: bid.
God is veilig, groots, en licht: verschuilt geheimnis—en gezicht.
Ditmar Bakker
Opdracht
Je was niet braaf, dat was je niet je was het kind dat uit de ramen sprong dat een pop neerlegde in het bed perfect als alibi om in de nachten te verpozen.
Je had een ziel en grijze ogen en je liep het liefste in de mist, daar was het stil en licht en goed daar vlogen roedels ganzen naar regenbogen.
Je was niet gek dat was je niet, je had een wens om elf te worden die met twee puntoortjes van alles hoorde, en vliegen redde uit een spinnenweb.
Nu sta je op de grond van eb en haalt wat water uit de zee gewoon omdat je iets te voelen hebt en je hartje, ach, dat voelt wel mee.
tegen wil of dank de wereld opgeschopt zonder genade
aan jou de taak van zingeving aan een hunkerend bestaan
je van het zal je ze geven onbestemd en ongevraagd
jouw sky the limit dieper het diepst moeras pieken vol met dalen
ze zullen je bevragen van moet dat nou en jij zult geven
je van het eigen schuld dikke bult
Rob Mientjes
moeders
Je was al oud in de wieg
je deed wat moeders deden ik telde niet mee het waren maar elf treden
je was altijd de mist en ik de zon nu is alles gedoofd
Magda Haan
Het is toch voor iedereen
Ik wilde het bewaren, ik dacht: als ik zwijg, blijft het misschien.
Maar de wind ging van mond tot mond, zonder te vragen wie hem verdiende.
Ook jouw gezicht, dat zolang ik het zag voor mij een geheim bevatte.
Ik dacht iets te bezitten omdat ik het liefheb, terwijl alles wat me raakt altijd weer verder reist,
door de dag ontsloten. Ik was de bedding waar je even door stroomde.
Vera van der Horst
Hier ben ik niemand geworden op deze plek en het woord plek vervaagt.
Zag ik net nog de weide gestreepte witbol, krulzuring en dallisgras zoals anderen mij benoemen in taal ik zie zo anders nu.
De woorden zijn opgelost in het groen en ik herken de kleur in alles dat leeft en ademt om te overleven.
Hoe het strekt naar het licht hoopvol zo enorm hoopvol.
André Heijnekamp
Cirkel
Je zwijgt, knikt neen bij de vraag of je last hebt. Bij die leeftijd zijn de jaren niet meer van tel. Of je naar de hemel gaat, een zekerheid al ken je meer mensen daar beneden.
Wanneer ze komen, niemand die het weet. Binnen vijf jaar, morgen. Hopelijk in jouw slaap. Zoniet draai je je om, zweef zonder tegenwerking mee. Zo zeggen de lippen toch, traject afgerond.
Papa, in jouw ogen heb ik gekeken. Botste tegen een dofheid van grijs. Het leven bengelde aan twijndraden. Een paar waren afgebroken Anderen zelfs niet meer zichtbaar.
Erika De Stercke
Wat wij aan de borst drukken
Het hart maalt er zeer om dat wij het met alle liefde koesteren hoe het klopt om ons samen te brengen
niet alsof de rikketik pijn verzacht en ook niet alles wegneemt soms blijft er iets haken achter de kleppen
zij stuwen de kleine ongemakken vullen ze met het bloed van de dichter leggen ze als pasklare woorden
voor op de tong in de mond dichters maken er geen geheim van spuwen ze met kracht de wereld in
tekenen karakters in leesbare volgorde plakken ze voor iedereen op glanzend papier waar het als taal van de liefde schittert
zo aan elkaar voorgelezen en gedeeld vanuit de kamers van het hart geschreven spreekt het liefdevolle ontboezeming
Een vrouw knielt met bewondering voor de wereld om haar heen zij verlangt naar liefde als geruststelling tijdens haar leven op de been
zij beweert tegen iedereen een mooi ding en dat is beslist niet zo gemeen want zij weet te voorspellen als zonderling dat een man haar zal omhelzen en wel meteen
met haar armen zwaait zij graag haar ogen kijken vol verlangen mee ze ziet de man komen vanuit zijn huis
hij wandelt even rustig en traag nodigt haar uit voor een kopje thee en omhelst haar bij hem thuis.
Rik van Boeckel 21 juni 2026
Het waren niet de woorden want die zijn allang vergeten en Eva was het evenmin die had het van de slang of Adam die arme jongen wist hij veel appels zijn toch om te eten terwijl God zelf, ach, die kan je ondertussen wel vergeten
zoals gewoonlijk waren het de anderen altijd weer die anderen die paradijs vretende perversie die galgestuurde geestvernauwers die doorgehachelde gruwelijkheid
hier met dat paradijs, kom op en snel een beetje want de anderen in het paradijs dat is geen probleem de anderen daar, dat is iedereen
Peter Posthumus
weet je
ik moet een gedicht schrijven voor een wedstrijd over verlangen en zo
maar ik kan het niet wil alleen enorm met je dansen maar dan zonder kleren aan
een bloemetje plukken uit je watergolvend haar
gratie schoonheid zien en jouw bewegen pw
als je kunt sterven van ouderdom dan moet het wel een ziekte zijn
als de liefde je hart kan breken de kou je eenzaam maakt als je niet weet waarop je wacht niemand hebt om aan de denken als de ruimte leegte is geworden de dingen om je heen zonder betekenis als zelfs je eten niet meer smaakt dan zijn er -voor zover ik kan bedenken- twee mogelijkheden namelijk
iets doen dan heb je keus te over al ben je dan misschien wat sneller dood of niets doen ook dan ga je heus een keertje dood al kan dat best lang duren
Ien Verrips
Snijpunt
doodgaan is ons gegeven net als liefde je kunt het niet laten – ze spreken voor zich als eenmalige gift om uit jezelf te weten treden zoeken, zwoegen een vloek en een zegen
haar zodanig zien is een ander verhaal, een nobel streven, je kunt er een leven mee vullen met verlangen, met angst en beven om haar te ontleden, tot het bot uit te kleden
alles te geven wat je in je hebt de mooiste woorden, meest sprekende zin en het stille zwijgen, het wit tussen de regels van bestaan
eraan sterven toch zal ook ik zoals jij, jíj en iedereen niet één, niet twee, misschien wel 1000 keer zelfs als we het voor gezien houden blijft het een punt waar je niet aan voorbij kunt – een
snijpunt ons op het lijf geschreven zo ingeslepen sinds het prille begin en verweven met het al of niets – dat blozende en dat blind en bleek makende
dit verduiveld dubbele van de driften die ons drijven
~~~~~~ 4 juli 2026 / Cartouche
klein oponthoud
er zijn dagen dat ik mijn dochter zoek
in meisjes die voorbij fietsen
ik kijk tot ze de hoek om zijn
het stoplicht springt op groen
iedereen steekt over
ik wacht nog één licht
aan de overkant
raapt een meisje een veer van de stoep
MartinB
kees: ‘Een slager was een vakman die het vlees zorgvuldig behandelde en in de juiste porties trancheerde. Ik stuurde een karkas in, nog maar net geslacht. Onbehandeld als het ware, zij het dat het vel verwijderd was. Hoewel opeen gepakt een andere duiding mogelijk maakt dan het correcte opeengepakt, kies ik toch voor het laatste. Ik las op de website dat er verbeteringen mogelijk waren, een optie waar ik graag gebruik van maak, zo is het proces in de literaire praktijk ook. Het was overigens het thema dat mij over de streep trok. Een goede schrijfoefening is nooit weg.‘
Zonder zwoerd
Je zou de wereld in je hart moeten sluiten ínclusief de varkens die ze zwijnen noemen en de zwijnen die ze varkens noemen varkens die ze zijn of zwijnen:
het is een zwijnerij maar om daarom een gedicht met “ik” te beginnen.. Het is smeerlapperij. Het gaat om iedereen als een opgaande zon
als een vlieger aan een touwtje dat wordt doorgeknipt waarmee de Hemel voor geopend verklaard wordt voor iedereen
die is als wij. We knorren. Rollen door de modder van de dagen. Staan opeengepakt in kooien.
Al onze organen zijn bruikbaar. Al ons vlees is vlees voor iedereen verkrijgbaar in lappen en stukken.
Wij zijn wij voor iedereen.
Kees van de Brink – Martin M Aart de Jong
(de rockdichter): wat nu….watskebeurt….de wedstrijd op’n zondag die geen….geen zondag geen wedstrijd of…ik dwaal’n beetje want’et is meer echt nu….of nie….ah laat me maar en ik schrijf toch zo en weet je…ik buig’n hoofd…zover nodig en verder…tot voorbij zelfs alle pijn….tja leve’et ons…we bestaan we vergaan…soms is er iets dat rest en verder is er niks meer….of zo….u doet maar en ik:
“ik buig’n hoofd”
terwijl’n woord wordt uitgebraakt me vingers vange wat ze kunne vange en late drome gaan doordrenkt met wie ik ben
straks vlek ik weg en kleur de grond zie me
kijk dan hoe ik geleefd heb voel de pijn proef me laatste druppel liefde
Daar gaat het, daar verheft zij zich om en om – in het reusachtige – ben ik mijzelf zoveel minder van getijde, ben jij mij meer dan de zon en maan alleen, bewandel ik sporadisch jouw zilte zand. Zij heeft geen enkele moeite met zichzelf,
zij hoeft van zichzelf niets, zij is haar eenvoud zelve – maar in het schuimbekken, een grote razernij – een nalatenschap van wolken en wind – het spugend bellenblazen.
Op goed geluk – spiegel ik mij aan jou – dankzij het blijven, dankzij jouw dralen – aan de kantlijn van jouw grillen – heb ik geen haast, kan mijn wereld zonder averij – achterover te vallen, in het brutale van het goddeloze –
soms geeft een dag zich op dingen kunnen loom en ongelezen blijven ongedaan/onaangeraakt wachten op andere momenten een koel glas wijn dient zich voor de boterhammen aan condens kringt donker op tuintafelhout misschien kan ik opnieuw beginnen is vandaag de dag om te besluiten waar ik zonder kan wat is werkelijk relevant wat blijft aan de hand een gedicht beginnen kan altijd zelfs op zulke dagen afronden is problematisch [je steekt iets in de brand en kijkt vanachter rood-wit lint wat er gebeurt] dit soort dagen dit soort van dagen niets valt af te sluiten Lieke zei dat het er niet om gaat de dagen door te komen de dagen gaan vanzelf voorbij het gedicht niet het gedicht [zeg ik] zet zich vast op het kastje waar mijn wekker waakt en grijnzend naar me kijkt
pomgedichten.nl heeft het exclusieve recht gekregen om 65 teksten van Miriam Al tweewekelijks op de woensdag te publiceren – dat gaan we doen! de teksten zijn door haar helaas overleden vriend Merik van der Torren nog net voor zijn dood uitgetypt en van een nummer voorzien én in een blauw mapje gedaan. vandaag tekst nummer 64– dank je wel Merik – dank je wel Mirjam Al.
Dit zijn woorden die zich alleen nog maar voltrekken woorden die niets meer doen lege hulzen tussen de kogelgaten die ze achterlieten
slijtvaste woorden maar afgepast en uitgeteld bedoeld als middel tegen de vertekening bedoeld om beelden te bedwingen, beweging te bevatten gaan zij nu als knikkers over ijs helder hard en waar maar te los om te beduiden te rond om te betekenen te glad om te vatten
dit waren woorden die zich alleen nog maar voltrokken
Ik heb ze niet gezien. Heidi noch Peter. Voor de hand liggend wellicht in zo’n prachtige omgeving. Noch een Milka-koe. U weet wel zo’n paarse. Het verschijnt allemaal via de hersenen op mijn netvlies. Surrogaat. In grote verwondering wandel ik verder en ga volledig op in de natuur.
In mijn achterhoofd een neuriënde Julie Andrews in een Schotse ruit. Werkelijk waar. Sound of music meets Sound of Silence. Het is nu slechts wachten op een boxer … eh … Sint Bernhard. Zo eentje met een tonnetje om zijn nek, luisterend naar de naam Simon. Ach. Wellicht is het tijd om een dokter te raadplegen. Wat denkt u? Niet?
Ja, ook in de bergen kan het 34 graden worden, kunnen gedachten gaan dwalen. Al vijf uur loop ik oververhit door dit prachtig berglandschap. Het maakt me gek en ietwat melancholisch. Een droomscenario. En zie ik het nu goed? Bouwt Casper D. Friedrich nu ineens een vlot van hout voor mij? Of ben ik in de war met Géricault?
Nee, het is een imitatieberg. Zorgvuldig en precies geschilderd door … nee … nee … Bob … Bob Ross. Maar die schildert toch naar de waarheid? Precies. Ik besluit contact op te nemen met H. Rousseau. Telepatisch uiteraard. Dat hij het lekker oplost. Tot slot besluit ik nog even een foto te maken van de situatie. Je weet maar nooit waar dat goed voor is.