Ik zag hem op t.v. hij was een moordenaar de eerste keer zei hij dat viel niet mee meer ’t went toch sneller dan je denkt al bij de derde keer had ik geen last geen zenuwen geen bibberaties niks het was mijn werk geworden routine zou je ‘t kunnen noemen en ook nog goed betaald een flauwe glimlach toonde zich in zijn bleke bajeskleur gezicht een beetje heimwee leek het mij spijt of wroeging geen van bei
Kranten lezen fysiek of digitaal is haast niet meer te doen. Al jaren re(a)geert de angst. De titels alleen al jagen de schrik flink aan. Zorgvuldig zijn ze opgevoerd om de lezer naar zich toe te trekken. Ze schreeuwen om de volle aandacht. Een vrolijke noot scoort amper. Daar zitten lezers niet op te wachten. Gevoerd willen ze, door rampspoed en ellende.
Waarom is dan de vraag? Voelen we ons daar mogelijk beter door? Lijden is toch meer een last? Of zijn we compleet ontspoord en gewend geraakt aan verslaglegging van misstanden in onze wereld? En op de keper beschouwd, is die wereld eigenlijk wel van ons? Hij behoort nog altijd zichzelf toe, toch?
Laat ons wat meer lachen en zorgeloos door het leven gaan. Maak de titels in de kranten wat meer smeuïg. Laat ze smaken naar pindakaas en Klukkluk. Gooi de humor naar boven, laat de ernst ons niet verteren. Wij zijn toch niet van de domme en ook niet van de onzekere. De angst laten re(a)geren, kom op zeg, we zijn geen watjes en ook geen kezen. Sterkte wensen is niet langer nodig. Wat meer humor wel.
dank aan alle dichters die inzonden. het nieuwe dichtseizoen op ‘de pom’ op bijzondere wijze geopend – leeswaardig en indringend – het eremetaal deze week voor 2 vrouwen – karlijn groet en vera van der horst – lees onder de gedichten waarom – vera en karlijn van harte!
Ergens
Een sterrenlicht gleed door mijn kalk, ving daar mijn schim en zo ontstond ik als portret van binnenuit;
een stramme kooi van grijze rib, rondom een bleke veeg. Een kil en feitelijk rapport van hoe het met mij gaat.
Het lijf gehoorzaamt braaf de pomp, de klok tikt stug en plichtsgetrouw, er is geen wolkje aan de lucht.
Maar zie die lichte vlek, mijn lief, temidden van de schaduwmij, ergens in die holte -daar woon jij.
Karlijn Groet
als we hieronder toch over ‘verstilling’ spreken – dan duiken we met Karlijn maar meteen de onvergankelijkheid in
(…) hadden we moeten weten dat als een mens het ooit van stilte wint zij in stilte heeft gewacht heeft gedacht dat in geluid groter gevaar
zoals je in een labyrinth bij kanteling nooit eerder dan het water de uitgang vindt
Karlijn Groet
de dichter die de vergankelijkheid in onvergankelijke regels weet te treffen heeft weer eens in de taal toegeslagen. een subtiel spel van binnen en buitenwereld, van schaduwdonker en licht, wordt de lezer voorgetoverd. een opname in de buitenwereld van de binnenwereld legt de binnenwereld op onnavolgbare eenvoudige wijze bloot – in een bijna klassiek gedicht waarin de opbouw der strofen leidt tot die ene regel – de slotregel – ‘-daar woon jij.’
Matglas
Er is een vreemde, matte stilte in mijn hoofd, een schemergebied waar niets meer hoeft te heten, een dragen van waarheid, die ik niet kan bewijzen.
Er is iets dat wacht, zacht en onvoltooid, geen verdriet, maar overgave, aan het onherstelbare van deze dag, het ik dat loslaat en rust in zijn eigen donker.
Je hoort de uren elders vallen, totdat gisteren niet verschilt van morgen.
Vera van der Horst
diepe gedachten verpakt in dichtregels die vera aan de oppervlakte weet te krijgen zodat wij als lezers deze hele zondag nodig hebben om ze van een eigen betekenis te voorzien. “het ik dat loslaat en rust in zijn eigen donker…” – voor zo een regel heb ik wel een leven nodig om deze echt te doorgronden. vera is een dichter met onnavolgbare bijzondere regels. waar vind je schemer waar niets hoeft te heten? waar waarheden die niet te bewijzen zijn, waar vallen uren? ja in de verslavende poëzie van Vera van der Horst!
Jorge Bolle – alles werd zo klein
Karlijn Groet – ergens
Rob Mientjes – totdat het eindigt
Rik van Boeckel – betekenis aan de realiteit
Frans Terken – dat het goed toeven is zo
André Heijnekamp – Het is allemaal materiaal
Bert Dekker – Ik rook al de frisse lucht
Magda Haan – nooit zie je mijn ware ik
Vera van der Horst – Er is iets dat wacht, zacht en onvoltooid,
Anke Labrie – probeer je dromen te bewaren
Peter Smit: “Misschien dacht dat boompje: Er is maar één Pom en dat ga ik niet overtreffen, uit dankbaarheid dat hij mij elke dag water geeft?”
een nogal breed thema biedt de site der sites u lieve dichter om het nieuwe dichtseizoen te openen en te dichten. de binnenwereld of de buitenwereld als u maar van de wereld bent – dan is het goed. ik zelf ging deze week de tuin in – nou ja of dat zo was is de vraag en ging ik niet – u kent de regels: gedichten niet te lang svp tenzij noodzaak – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd.
Peter Smit: “Misschien dacht dat boompje: Er is maar één Pom en dat ga ik niet overtreffen, uit dankbaarheid dat hij mij elke dag water geeft?”
tuin hier zou ik mijn naam kunnen schrijven weglaten kan ook want wat hebben we nou helemaal wel gelezen
pom wolff zit weer eens ergens in een tuin is er eigenlijk wel een tuin of zit meneer de boel toch weer bij elkaar te liegen
was het niet zo dat je ooit aan een tafeltje het licht groen zag in al het groen en was het niet zo dat een hand daar toen een hand zocht
pom wolff
verdwijnen
gezeten in een vliegtuig verdwijnt de wereld en verschijnt achteloos een eindeloos uitzicht bij het kleine raam. ‘alles weg’, riep ik als kind met verwondering over verdwaalde wolken en verdwenen huizen
alles werd zo klein dat zelfs het lawaai van de vliegtuigmotoren werd overstemd door oorverdovende stille verbazing
Jorge, September 2026
hoe een ‘eindeloos uitzicht’ de binnenwereld bereikt van een kind en van de herinnering en van de dichter die de herinnering weer oproept. kortom hoe je in de buitenwereld naar binnen gekeerd kunt raken. jorge weet altijd in de lezer – in ieder geval in deze hier – verstilling – neer te leggen – weet deze functie van poëzie als bijna geen ander te benutten.
Als een vis in het water
Zwemmen is mijn lot van voor naar achter van onder naar boven kris kras op en neer in een doolhof van glas kom mezelf tig keer tegen stoot mijn neus telkens weer maar … mijn keutel trek ik mooi niet in never nooit niet laat hem lekker hangen achter mijn kont zwem consequent en dapper eeuwig rondjes in een territorium niet door mij gekozen zoveel ik wil zoveel ik kan totdat het eindigt op mijn rug naakt de binnenwereld bloot naar buiten
Rob Mientjes
wellicht een metafoor voor elk mensenleven – hoe ver menselijke stappen ook reiken – we leven ieder in onze eigen kom – kom daar maar eens om – zou dichter Mientjes in zijn spitsvondigheid kunnen dichten. elke maandag op de pom – prachtige foto’s en toepasselijke teksten van Robs hand.
Goedemorgen Pom. Hier mijn bijdrage aan Van de binnenwereld of van de wereld buiten. Inmiddels terug in Nederland denk ik terug aan reizen. Mooie reis onlangs in Portugal gehad maar heb vroeger ook in andere landen gereisd zoals het nabije Spanje en vorig jaar in Marokko.
De realiteit van de reis
De reusachtige reistijd leidt naar steden in verschillende landen
het blijft onduidelijk waar je zal stranden tijdens wandelingen langs een rivier
het bezoek aan parken of aan de zee zal wellicht herinnering oproepen
de dagen laten zoveel zien en oplossen in de stad met vele straten en steegjes
zo gaat de buitenwereld naar binnen geeft betekenis aan de realiteit van de reis.
Rik van Boeckel 5 september 2026
in 10 regels een gedicht dat alle reisverslagen overbodig maakt. het proces vastgelegd en beschreven – de buitenwereld opgenomen in de binnenwereld. de binnenwereld van deze dichter altijd gereed om verder te reizen – zijn binnenwereld bestaat uit 1001 megabytes en nog niet de helft daarvan is gebruikt. vermoed ik zo. hij reist zoveel dat ie bijna geen tijd heeft om te dichten.
Goedemorgen Pom, Van binnen- en buitenwereld, terug uit de cocon van de hittegolven, ( wel nog even nazomeren); daar een plekje voor gezocht. Warme groet weer, Frans
Zomerhuisje
Tussen de boerderijen en akkers een zomerhuisje – droom van elke dichter om bij tijden in een eigen wereld te zijn –
daar woorden vinden die verscholen liggen in het lange wuivende gras nat van dauw om vers geplukt te worden
een oog gericht op wat lichtjes beweegt een kopje dat voorzichtig opsteekt en niet onder een voet wil verdwijnen
de tere oogst in een net bijeen scheppen en uitstallen op een houten tafel met timmermansoog op maat gemaakt
binnen de ruimte vullen met koffie en klare taal die weerkaatst tegen de wanden zo beeld en geluid van de zomer optekent
en zien dat het goed toeven is zo met glanzende vruchten binnen handbereik
de frans terken zo eigen taalwereld hier geétaleerd – hoe waarnemingen van kleine zaken in de buitenwereld voor de dichter beduidende regels in de taal opleveren. regels die van binnen uit de buitenwereld weer bereiken. wie het kleine niet eert is dichter frans terken niet weerd.
Museum
Het is allemaal materiaal in een bepaalde houding zonder enige functie dat hier binnen ligt.
Ik wil niet begrijpen of een uitleg geven aan het waarom men dit achterliet de wereld spiegelen op jezelf is vragen om onbegrip.
Ik geloof dat het er is en strijk mijzelf neer over de dingen die beginnen te leven en ik word.
André Heijnekamp
volgens mij heeft André al een heel leven van ‘worden’ achter de rug – en gelukkig hij ‘wordt’ nog steeds. nooit is een/het dichterschap directer beschreven als/dan hier – ‘ik word’ –
niets meer aan toe te voegen! – (behalve dan dat ik zelf ook graag zou willen ‘worden’)
Veilig
Het lawaai bonkte in mijn Buik als een dolgedraaide Amateurbokser Die de laatste Tien seconden Alles uit de kast trekt Om te overwinnen Langzaam achteruit schuifelend Tussen bezwete hossende lichamen Probeerde ik de uitgang Te bereiken Ik rook al de frisse lucht Toen een vuist Mij uitschakelde En ik dromerig Mijn ogen opendeed In de stevige armen Van de portier
Bert Dekker
Bertje toch -in welke kringen begeef je je? niet doen. dichters moeten schrijven – alleen zijn – niet tussen de mensen – desnoods elke dichtregel met een hoofdletter beginnen.
homohaat
anders
jij hebt de kleuren van de regenboog een bijzonder kleurenpalet anders dan de gewenste in de burgermaatschappij
kleuren net zo lief de smaak is niet anders nooit zie je mijn ware ik want mijn as zal dan worden uitgestrooid zodat mijn kleuren verdwijnen in de wind
Magda Haan
wat magda precies wil zeggen is niet helemaal duidelijk hier – van het leven en de dood het gedicht – de regels – een geliefde wellicht en een ik persoon – en niet alles wordt geweten. een gedicht waar de regels de uitgesproken inhoud niet geheel mogen dragen.
mits een geschikte bodem kun je met geluk wat oogsten je kunt tijdig dijken bouwen voordat het water komt sterke legers samenstellen voordat de vijand komt je hebt de wereld in bedwang denk je in je overmoed
mits je een kind kon zijn probeer je dromen te bewaren diep van binnen in je oude hart dromen die je ziet in kinderogen voordat hun buitenwereld brak
anke labrie 2026
dat dromen van de binnen wereld is en dat alle dromen helaas na verloop van tijd verloren gaan in wat de buitenwereld de mensheid biedt. een buitenwereld beheerst door mensen wel te verstaan.
Nog voor de zomer kwam begon de strijd. Het perk, eerst kaal, raakte nu vol rumoer. Grensoverschrijdend al gevlekte scheerling en kruipend zenengroen. Adderwortel gaf hen van katoen beet van zich af. “Geen rankje meer.” Blaassilene viel hem bij net als mierikswortel, ruige leeuwentand.
Maar toen stinkende ballote keihard gilde: “‘k Vind het klote gewoeker naar mijn plek.” riposteerde afgemeten brave Hendrik “Hou je bek! Ik groei volgens het boekje niet groter dan mijn plaats.” Há lachte wilde Marjolein. “Jij? Jij hebt geen weet van mijn en dijn.” Bosaardbei en mierikswortel, nu kakelde het hele perk: wolfspoot grote pimpernel, nog feller hartgespan en heksenmelk. Geschreeuw.
Het strijdperk beefde, loeiend gebloei tot, heel zacht, heelblaadjes zuchtten “Niet vechten, helen!” En ja hoor daar hoorde je vrouwenmantel “mantel der liefde, mantra der madelieven” kwelen. “Stop met strijden, anders komt Grote Tuinman ons klieven of scheuren.” Het perk viel stil, opeens geen borderliners meer. Ja, zelfs blaassilene zweeg.
BART TOP ———————- Dit gedicht schreef ik speciaal voor Thijsse’s Hof in Bloemendaal, waar ik gedichtenwandelingen verzorg. Alle genoemde planten staan inderdaad in hetzelfde perk. In het weekend van 12 en 13 september zijn er maar liefst vier gedichtenwandelingen met mij. Dan staan de monumentale dennen centraal – maar ook dit gedicht zal weer klinken. Opgave via: gedichtbijzee.nl
In het zitje schuin tegenover me in de trein zit een man. Hij ziet er op het oog heel normaal uit. Standaard New Balance schoenen. Spijkerbroek. Katoenen overhemd. Verzorgd kapsel. Rond de één meter tachtig. Slank postuur. Bruine leren schoudertas. Wat me opvalt is zijn bril. Hij draagt een META-bril. Dat is bril waarin op de hoeken twee camera’s zitten, die het mogelijk maken te filmen wat je ziet.
Langzaam haal ik mijn iPhone uit mijn zak. Ik richt mijn camera op de man. Het duurt even voor hij ziet, dat ik mijn telefoon op hem gericht heb. Dan kijkt hij me aan. Ik zie hem door zijn smartglasses heen twijfelen. Hij besluit wat te zeggen. ‘Waarom zit je me te filmen?’ Ik zeg dat ik hem niet zit te filmen. Hij zegt, dat hij me niet gelooft en dat ik moet ophouden. Daarop vraag ik of hij me nu zit te filmen. Daarop geeft hij geen antwoord. Hij staat op en loopt de coupé uit. Mijn camera hoef ik niet uit te zetten. Die stond niet aan.
Het is soms opvallend hoe laks en lankmoedig de Overheid reageert op zogenaamde noviteiten in de samenleving. De introductie van de Fatbike bijvoorbeeld. Vanaf moment één een bedreiging voor verkeersveiligheid en openbare orde. Sommige politici koeren wel dat er wat aan gedaan moet worden. Maar acteren ho maar.
De META-bril vormt echter een veel grotere bedreiging. Het tegenstrijdige is, dat we zoiets als een privacy wet hebben in Nederland. Tot nu toe leidt die wet er vooral toe, dat daders van fraude tot verkrachting niet meer met naam en toenaam in beeld komen. En dat het in diverse takken van werk totaal onmogelijk geworden is nog fatsoenlijk te communiceren, omdat alle persoonsgegevens afgeschermd zijn voor de lagere goden, zodat niemand meer te vinden is. Maar als de Overheid en dan vooral de medewerkers gelieerd aan het Ministerie van Veiligheid iets zoeken, dan blijkt alles voorhanden.
En dan hebben we het nog niet eens over alle datacenters van de Overheid, die draaien op Microsoft. Zelfs Trump kan met zijn glazen bol op alles meekijken. Om van de Chinezen maar te zwijgen. En dan wordt er vervolgens een bril verzonnen, waarmee, naast de Ring- deurbel ook nog eens de wandelende camera’s worden geïntroduceerd. Als ik op een congres ben moet ik een A-4tje invullen dat ‘borgt’ dat ik niet gefotografeerd wordt als ik dat niet wil en ik moet schriftelijke toestemming geven dat mijn kind op de schoolfoto mag, maar op straat ben ik ineens vogelvrij.
De Overheid begint in die zin steeds meer op een idiocratie te lijken, die vooral achter de feiten aan loopt. Wat ik al van mijlen ver zie aankomen, daar worden gewoon geen maatregelen meer op genomen, omdat alle regels en besluitvormingsprocedures dat onmogelijk maken. Je had fatbikes kunnen verbieden, je had de META-bril kunnen verbieden. Je had je data centers onder eigen beheer kunnen houden. Je had smartphones op scholen in de ban kunnen doen. Je had Chemours kunnen sluiten wegens het nog steeds lozen van PFAS. Je had zoveel. Zoveel meer. Als er lef en doorzettingsvermogen was geweest. Maar wat je deed, was zo weinig mogelijk, door te doen of ingrijpen niet mogelijk was. Je had je ziel ook NIET kunnen verkopen.
VON SOLO DICHTER, COLUMNIST, PERFORMER EN CINEAST Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl
foto: Fred Hopman Beste Pom, Het was voor mij een groot genoegen om als gastdichter op je website te mogen staan. Hartelijk dank voor de waardering voor mijn gedichten.
Ik wil Ali van harte bedanken voor het zomer gastdichterschap dat hij de afgelopen weken op ‘de pom’ vervulde – de mooie gedichten die hij de lezers van deze site heeft aangeboden – bijzondere poëzie, raak en met taalkracht de woorden – vandaag de laatste – dank je wel!
Boekhouders
Er is geen jaargetijde voor het instorten van huizen. Je hebt altijd wel vrouwen met grote handen, die tegen een muur van andermans huis geleund zitten, hun vijand vervloeken, met al hun pijn.
Mannen die maar blijven lopen, als dolle dieren rond hun neergekletterde dromen. Niet weten wat ze moeten doen om hun wanhoop te dragen, alleen dat ze het puin moeten ruimen.
Gelukkig heb je overal kinderen, ze vergeten het ene en onthouden het andere. Ze bouwen hutten met afval, voor hun speelgoed dat ze terugvinden, ontsnapt uit de verwoesting.
Dan heb je nog katten en honden, ze begrijpen niets van bankbiljetten en vergroeide belangen. Kijken net als alle anderen naar de hemel, maar blijven zoeken naar hun voerbak.
Als laatste heb je de plunderaars, in wezen zijn ze ons geweten, aanbidden dezelfde god, kijken graag weg als anderen lijden. Ze zijn de boekhouders van de mensheid.
Ali Şerik
Hoi Pom,Morgen is het alweer september, ik zou wel weer twee wekelijks willen bijdragen, vandaar deze korte meditatie bij de hier zowat voorbije zomer:
welkom terug Peter – jouw tweewekelijkse bijdrage heel graag aanvaard – de dinsdagen afwisselend met de poëzie van Ien Verrips –
Wat een zomer, zo veel zon en nauwelijks een druppel wat prachtig weer
naar buiten, de snelweg op naar het platteland genieten van het geronk der machines, het fijnstof en het gif zelf de laatste vogels zien op zoek naar de restanten aan oorspronkelijk leven want: ” wat is natuur nog in dit land een stukje bos ter grootte van een krant ” *)
de snelweg op, naar de steden een zomer vol tractorende boeren heel deftig onder politie begeleiding en er vielen doden onder het al oude ( fascistische ) adagium: waar gehakt wordt vallen spaanders
wat een zomer, dat medeleven die warmte, wie wil dat niet