een tussendoortje van DITMAR BAKKER & de Rotary – ‘Ik weet het nog goed—ik werkte temidden de bollenvelden van Lisse & omstreken in een hotel-restaurant genaamd ‘Het Koekoeksjong’ of iets dergelijks, waar mijn bezigheden bestonden uit het scheppen van cannelloni en ravioli in bakjes en—neen, dat heb ik van Tjitske Jansen gejat, die nota bene zelfs in een bakkerij heeft gewerkt wat haar inspireerde tot het schrijven van meerdere gedichten over brood; …’

<
Pom, liefste,

Genoeg tijd en therapie zijn verstreken dat ik u vertellen kan over de Rotary. Ooit van gehoord, de Rotary? Kom, zet u bij het vuur. Ik schenk nog eens bij en zet de stem van Joop Komen op, de HEERE der heerscharen hebbe zijn ziel.

               Ik weet het nog goed—ik werkte temidden de bollenvelden van Lisse & omstreken in een hotel-restaurant genaamd ‘Het Koekoeksjong’ of iets dergelijks, waar mijn bezigheden bestonden uit het scheppen van cannelloni en ravioli in bakjes en—neen, dat heb ik van Tjitske Jansen gejat, die nota bene zelfs in een bakkerij heeft gewerkt wat haar inspireerde tot het schrijven van meerdere gedichten over brood; dit was een etablissement met clientèle als gasten (‘hoeren hebben klanten’), soupe á l’oignon waarin oudbakken pain werd gerevitaliseerd en chic eetgerei (‘een bestek is een raamwerk’) voor het verorberen van levend gekookte kreeften werd gedekt. In die poel van hautain—waar ik in zwemmen kon gelijk een karper in het kanaal, gezien mijn ouders alle Agatha Christie-vijflingen plus het meesterwerk van Amy Groskamp-ten Have in de kast hadden staan en ik die had verslonden, net als de De Dikke Van Dam, zodat ik het verschil wist tussen Russische en Engelse vreetschurerij en vetgangers hun kost kon geven waar het de vork links of rechts vasthouden betrof—kwam maandelijks een clubje haastmensen langs in een apert zaaltje. Tussen het werken door sloeg ik zoveel van de wijnen op tap achterover dat ik regelmatig danig vergat hoe het nou percies hoorde (“Vous pouvez vous asseoir oú vous voulez…”) maar ik kreeg pourboires dat het klonk in mijn zakken dus deren deed het me niet en de souteneurs wien mijn uiterst bescheiden loon gevorderd werd ook niet, zolang ik niet zo dronken werd als de gezeten geiten (die immers ook alles vreten) en de Sèvres juskommen niet uit mijn handen lazeren liet. Gods zegen moet erop gerust hebben, want nooit heb er ik ook maar een vingerkom laten vallen zoals ik voordien eens een hele toren volle koffiekoppen in elkaar liet donderen achter de schermen bij de Amsterdamse Arena, alwaar ik tevens een Hindoestaanse smakelijk van bitterballen zonder rund(!) liet eten tot ze niet meer door de Ceintuurbaan kon, al is het wel éénmaal voorgekomen dat ik een eter zijn fraai opgemaakt dessert in de fik liet steken zodat ik er mijn dienblad na anderhalve seconde op plakte. De blauwe kant was niet blij met mij dien avond. Maar ik dwaal af—er wordt veel geschreeuwd buiten op vrijdagavond.

               Eénmaal per maand, zo ongeveer tegelijk met mijn ongesteldheid, kwamen tandartsen, notarissen, huisjesmelkers en vrouwen die ongeveer twintig jaar jonger waren dan hun veelverdienende gaden bijeen om zich door voetvolk te laten laven aan de op één na goedkoopste wijn die het Van Der Valk-resort voor gevorderden bood en om hun versie van de ‘R’ in een achterafkamertje te laten schallen dat het behang ervan verschoot en de Polen die in het kamp, dat men een hotel noemde, woonden op te laten schrikken in hun benevelde slaap om half zeven in de avond. Omdat ik zo’n gladgestreken tronie had en bovendien soms nasaal sprak (“un bon vin blanc, oewie, oewie!”) werd ik juist geacht om les gros gourmands te amuseren en ervoor te zorgen dat hun trog niet leeg raakte. Dat laatste bleek vooral om ervoor te zorgen dat ze na het achtste glas wijn nog naar hun halfvrijstaande woning in Heemsteden-Aerdenhout of Cruquius konden rijden.
               Maar de bonnen waren het ergst, erg genoeg om een alinea met een voegwoord te doen beginnen. Zet u dichter bij het vuur als de kilte door uw botten trekt of u rilt bij de gedachte aan benzine, suiker of lillende vetranden om soep van te koken in ruil voor gewaarmerkt papier. Afgezien van de benzine en de suiker heb ik de lillende vetranden vaak genoeg gezien bij de Rotaryclub, vooral bij vrouwen die er al een decennium ‘bij’ waren zodat zelfs hun tennisleraar of yogadocent hen niet meer bliefde, terwijl hun eega’s gewoon een tweede gezin zochten. Nu ja, kochten.

               De bonnen dus—Rotaryleden houden niet van geld. Dat moet even over: Rotaryleden zwemmen in het geld, ze hebben voldoende geld om het tezamen in een pakhuis te stoppen waar malafide Disney®-figuren op af zouden komen, maar ze houden er niet van met geld bezig te zijn. Dat bleek uit de manier waarop hen wijn werd geschonken—het voedsel (neem van mij aan dat het personeel zo het wil beter eet dan de gasten, maar meestal heeft dat liever coke zodat men niet in slaap valt, de scherpe tongen & messen en hete doktersvrouwen & ijzers hanterend) vooraf besproken (over dat karig driegangenmenu en de meesmuilerij die het behoefde spreek ik een andere keer) maar de wijn!

               Als ik mij niet vergis, en dat doe ik regelmatig, werd de wijn aan dat volk geschonken á de royale somma van 4,75EUR per glas. Aangezien mensen Van Stand zich niet graag bezighouden met het slijk der aarde en ze smelten als ze de koperkleurige variant moeten aanraken, was door de echelons van de club afgesproken dat één en ander achter schermen en achteraf geregeld zou worden—spoel het beetje braaksel dat bij u opkomt gerust weg met de wijn die ik u nu schenk, het is een soepele Rhônewijn, die de (ik krijg het haast niet uit mijn bek) muh muh mènsen van destijds nauwelijks onderscheiden zouden hebben van afwaswater—hadden deze verstandige mmmènsen allen bonnen bij zich, die zij inruilen konden voor een glas Bacchuspis. Dit leidde keer op keer tot de volgende scène, waarbij de eerste regel optioneel is, maar ik zweer bij de grootste God die er is en de nagedachtenis van mijn tante Bertha bovendien dat ik alle benamingen tenminste éénmaal de stinkende revue heb horen passeren:

(optioneel) ROTARYKLANT: Ober / Diender / Wijnschenker / Hulpje / Jongen!
PERSONEEL: Is alles naar wens?
ROTARYKLANT:Kijk eens naar mijn glas!
PERSONEEL kijkt naar het glas, waar nog tenminste twee slokken wijn in zitten: Zal ik u bijschenken?
ROTARYKLANT: Dat lijkt me gewenst!
PERSONEEL: Excuseer. Is vèrder alles zoals het hoort?
ROTARYKLANT: Als je nog even dóórschenkt wel…dat glas was ook niet helemaal leeg, hè?
PERSONEEL schenkt het glas onbetamelijk vol—denk bierglas met twee vingers schuim versus wijnglas met één vinger ruimte voor die die die dikke sponzige lippen
ROTARYKLANT vervolgt gesprek over Vietnamese au pair en of een doggy bag hier ook wordt aangeboden zodat de rest van het gezelschap daar ook om vragen zal en het dus geen faux pas meer is
PERSONEEL wacht terzijde
ROTARYKLANT gaat door met oreren over doggy bag en dat het eigenlijk niet te pas geeft een au pair hetzelfde te laten eten als de meester en meesteres des huizes
PERSONEEL: *kuch*
ROTARYKLANT praat voort over doggy bag, ziekelijk loenzend naar tafelgenoten in de hoop dat iemand dit oppikt en doorgeeft aan het management zodat de restjes niet de spoelkeuken ingaan
PERSONEEL: *KUCH!*
ROTARYKLANT verzucht zich over de kostelijke spijzen waar in de spoelkeuken straks ongetwijfeld luie Slowaken zich tegoed aan zullen doen en dat het eigenlijk een schande is in deze tijden van spilzucht
PERSONEEL immer bereidwillig, maar nu zichtbaar ouder geworden en met een lichte stoflaag op de schuingehouden fles: Mag ik een bon van u?
ROTARYKLANT: Eur? (dit is een approximatie van het geluid dat ze maken. Er is nog geen symbool voor in ons alfabet)
PERSONEEL: Een bon. Als het goed is, heeft u een bon voor de wijn die ik u zojuist inschonk en die u nu aan het nuttigen bent.
ROTARYKLANT verward kijkend: Een bón? Een bón? Oh ja! Een bón! Ach, dat vergeet je in de gezelligheid natuurlijk! Har har har hár! Eur?
PERSONEEL: Toch wil ik graag een bon van u.
ROTARYKLANT: Natuurlijk krijg jij een bon. Kijk eens, hier is je mooie bon. Maar dan mag je die glazen niet meer zo karig inschenken, hoor! Har har har!
PERSONEEL: Dankuwel, mijnheer.

Deze fijne conversatie herhaalde zich tenminste zesmaal per avond en tweemaal per ronde achtleeghoofdige tafel. Als ik een minder fijn persoon was had ik mijn héle blaas in hun blanc de blancs of rouge des putes geleegd, maar ik blijf nu eenmaal een fijnzinnig en voorzichtig mens.
               De Rotary is nepotisme voor gevorderden, voor mensen die zó inslecht zijn dat hun familie ze niet meer kennen wil. De Rotary is wat schuimt van de kan en door de kokkin aan de hond gegeven wordt. De Rotary is waardoor de hond van de graaf moest inslapen. Ik ben misselijk, een volgende keer voort—freule Van der Horst, herneemt u deze decamerone? Ik schenk nog eens bij en stook het vuur weer op.

D.

Share This:

Gepubliceerd door Pom Wolff

Hoi, welkom op mijn site pomgedichten. De site is in langzame opbouw net als de dichter. Ik ben geboren in Amsterdam, ik leef daar en wil daar ook wel doodgaan. Ik studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam, Rechten aan de Vrije Universiteit en werk als juridisch adviseur in de hoofdstad. Jan Arends is mijn favoriete dichter dan Kopland dan Menno Wigman. Paul van Ostaijen mijn dandyman. In slammersland geniet ik van Roop, Karlijn Groet, Peter M van der Linden - ACG natuurlijk, Ditmar Bakker, Jürgen Smit en Daan Doesborgh. En wat moet ik zeggen nog van Robin Block ( “hee ouwe wolf”) de wildemannen, lucky fonz III - Sander Koolwijk of Tom Zinger: "er is hier zeker 80 centimeter plant waar jij geen weet van hebt...." - mijn windroosmaatjes. Mijn optredens bezorgden mij eretitels: landelijk slamfinalist 2003, 2004, 2005 en brons in Tivoli in 2006, 2007 en 2010, 2011, 2012 en ook weer in 2013. - Dichter van het jaar in Delft 2005, voorts slamjaarwinnaar 2005 van de poëzieslag in Festina Len-te te Amsterdam, winnaar van Slamersfoort 2006. Jaarfinale Zeist 2007 en de BRUNA poézieprijs 2007 in mijn zak. Ik ben de hoogste nieuwe binnenkomer op de jaar-lijkse top-200 lijst van bekendste dichters Rottend Staal – Epibreren 2005. In 2008 kreeg Pom Wolff De Gouden Slamburger uitgereikt vanuit de Universiteit Utrecht – afdeling letteren en won hij het 2e Drentse open dichtfestival. op 19 april 2009 verscheen de bundel 'die ziekte van guigelton' - winnaar jaarfinale slamersfoort 2009. in 2010 won hij de dicht-slam-rap van boxtel en de dobbelslam van entiteit blauw te utrecht. in 2012 de grote prijs van Grimbergen én DE REBELPRIJS voor de poëzie van de REBELLENKLUP. Tot zover enig geronk. In 2014 presenteerde uitgeverij Douane op 22/11 in Café Eijlders de pracht bundel: 'een vrouw schrijft een jongen'. Sven Ariaans schreef in zijn juryjrapport Festina Lente Amsterdam: “Het is iemand die je zenuwen blootlegt om vervolgens op vaderlijke toon te zeggen dat die pijn jouw pijn moet zijn en dat er geen zalf bestaat. Elke cognitieve dissonantie die je voor jezelf op prettig hypocriete wijze had opgeheven, wordt je ingewreven, of zoals medejurylid Simon Vinkenoog het kernachtig zei: "hij verschaft illusieloos inzicht in de werkelijkheid". Ik voel me in deze omschrijving wel thuis.) 'je bent erg mens' van pom wolff verscheen in de befaamde Windroosserie in september 2005 en was in een mum van tijd uitverkocht. Nieuw werk - 'toen je stilte stuurde' verscheen op 18 november 2006 wederom bij Uitgeverij Holland te Haarlem. ook deze bundel was meteen uitverkocht. erik jan Harmens interviewde pom wolff over deze bundel in de avonden van villa VPRO.

Laat een reactie achter