DITMAR BAKKER mengt zich in de zwartepiet discussie – een afrekening met de ‘tot stadsmens verworden heerenboeren die zich in Nederland vermenigvuldigden als kinkhoest op de Veluwe, …’



Gewoon negeren!!1

Maatschappelijke discussie—je krijgt er het zuur van en als ze jarenlang achtereen doorgaat wellicht nog klaren op je lever ook. Doorgaans vind ik er niets aan, of van—je kunt ook ergens géén mening over hebben, leerde een wijze vrouw mij eens—en volg ik het advies van dat gebberige cabaretliedje maar: gewoon op het CDA stemmen en verder géén gezeur. Niet klagen, maar dragen (en God vragen om geloof).

              Nee, ik stem niet op het CDA—u  moet niet alles geloven wat dichter opdist—en in discussie heb ik doorgaans weinig zin zo die niet gevoerd wordt over zaken die mij, al is het zijdelings, aangaan.
              Inmiddels wordt november door het jaar gedragen als het kreng[1][1] naar de gierput door een struise boerin in 1851—blijft u er nog even bij, het komt heus weer tesamen, alles komt tesamen en de afgelopen dagen gebeurde dit voor mij deels in maatschappelijke discussie.
 
Een discussie, waar ik mij als volwassen, kinderloze man, tot nog toe secuur buiten heb weten te houden. Ik heb niets van doen met St. Erklaas buiten mij ergeren aan Dieuwertje Bloks journaille, dus wat men met Zijn parafernalia doet—het interesseert mij niet. Dacht ik toch… here I stand, corrected.
              Toen ik een jaar of vijf was en wellicht niet ècht in het concept van de goedheiligman geloofde, maar in pepernoten & cadeautjes des te meer, werd door de werkgever van mijn vader een sinterklaasviering voor de kinderen van werknemers georganiseerd. De kinderen werden één voor één bij name opgeroepen om hun presentje in ontvangst te nemen. Dat mijn voornaam voor sommige mensen vrouwelijke connotaties (of gewoon denotatie van een vrouw) draagt zou mij door haast talloze aanschrijvingen met “geachte mevrouw Bakker”  later wel bewezen worden, destijds werd mij dat voor het eerst duidelijk: door het gescheurde pakpapier staarde mij een pop die bellen kon blazen vanuit een roze doos aan.

              Hoewel sint Nicolaas noch de werkgever van mijn vader zich ooit gepreoccupeerd heeft getoond met mijn edele delen, werd mijn seksuele identiteit door vreemden gekoppeld aan en geïnterpreteerd met behulp van één van de meest indicatief behulpzame factoren daarvoor: de voornaam. Een korte en vermakelijke zoektocht op de voornamenbank laat zien dat er wel degelijk als man gedefinieerde Ellens en Maria’s in Nederland rondlopen (en vrouwen die zich Jan of Pieter mogen laten noemen[2][2]), maar zij zijn in de minderheid bij hun dichotomische antagonist. Blijkbaar heeft een naam—niet meer dan een aantal tekens bij elkaar die over het algemeen een niet direct herkenbare betekenis verbergen (soms weten mensen zelf niet eens het fijne van hun naam qua betekenis dan wel oorsprong)—losgekoppeld van het individu met herkenbare uiterlijke kenmerken die geassocieerd worden met sekse, al de potentie om het geslacht van de drager te veranderen voor andere lieden in dezelfde maatschappij. De maatschappij, passief als deze heet te zijn, vult zaken die arbitrair zijn voor ons in, dankzij of ondanks geschiedenis en menselijke overdracht daarin.

              Nu ben ik geen vrouw, maar een blanke witte man. Eén die van racisme walgt, en paradoxaal genoeg inherent racistisch is—zoals, durf ik te zeggen, haast elk mens in de moderne maatschappij heeft geleerd dat het oppassen geblazen is met het Vreemde. Baby’s discrimineren niet, maar leren dit vaardig van ouders, omgeving en de van racisme doorwasemde maatschappij waarin zij opgroeien, waar dan ook ter wereld. Er is een Wij, en er is een Zij—en voor de Anderen dient altijd opgepast.
             
De mensheid raakt godlof steeds bewuster van dit fenomeen en probeert het—of althans dat deel van de mensheid dat nog niet alle geloof in zichzelf verloren heeft zoals zij wel zou mogen—langzaam uit te bannen middels correctieve maatregelen—zoals bijvoorbeeld ‘blind solliciteren’, wat, als echt consequent gedaan (nee, u mag hen(!) óók niet bekijken en die handdruk neemt u maar voor lief), ervoor zorgen kan dat de meest geschikte kandidaat wordt geselecteerd. Een ander voorbeeld: het steeds overtuigender gebruik van ‘wit’ in plaats van ‘blank’ in de media, waarmee witkoppen als ikzelf hoe dan ook de eeuwenlang opgespaarde talige positieve connotaties die bij ‘blank’ horen moeten inleveren, want ze zijn irreëel(!) en bovendien onverdiend: integendeel.

              Enfin; farce majeure, zullen we maar zeggen; we nemen er een borrel op—haha! Maak er maar twee van, het zal onze tijd wel duren, Nederland is maar klein.
              Een klein land kan groot zijn in hypocrisie of domheid—ik bid dagelijks om domheid, want daar heb je slechtbetaalde leraren tegen met Loco®-materialen om haar uit te bannen, maar ik begin te twijfelen. Niet over God, zulks staat vast—maar over het al-of-niet kwaadaardig zijn van de intenties van de *zeloten* die zich in dit kleine kikkerlandje bevinden.

              Je moet immers in een voor 4G afgeschermde mergelgrot gewoond hebben de afgelopen jaren, als je niets over de manier van viering van Het Grote Kinderfeest hebt opgevangen. Neen, niet St. Maarten[3][3]. Lampions zijn over het algemeen vrij onschuldig—ik heb er nog geen met hakenkruisen gezien—maar de reuring rondom Sinterklaas absoluut niet meer, getuige de *laatste* maniakale bewegingen van de pro-Zwarte Pietclique. Asteriskjes daar, omdat het gegeven al jaren doorettert, wat niet vreemd is gezien de manier waarop de kat in de kelder gemetseld is: een eeuwenlang doorheien van racistische gewoonten en denkwijzen, waarvan de knechten op de stoomboot uit Spanje een aanwijsbaar fenomeen zijn.

              Ik dacht ècht dat het de goede kant op ging. Mensen houden nu eenmaal niet van verandering, maar onze geïnstitutionaliseerde blackface ging dan toch meer en meer in de ban. Inmiddels zijn we bij roetveegpieten aangekomen—wat mij betreft prima, hoewel ik mij als witte kinderloze man, mea culpa, weinig aangesproken voel door de beate discussie rondom dit Kinderfeest, maar nu komt het: er worden acties opgezet om een protectionistische koers voor onze blackface—ja, zo heet het echt als je je zo schminkt—te voeren.

              Waarom klim ik nu in de pen? Omdat er iets op Facebook voorbij kwam—er is altijd gif op Facebook te vinden en het staat gewoon op je tijdlijn, doet u dat antidepressivum toch maar dokter—van iemand (nee, iemanden) die zich saillant en quasi-onschuldig “Fan van Sinterklaas” noemen. Alsof de hele discussie iets met Sinterklaas van doen heeft—of de kinderen op het feest, die ook zo graag als argument worden gebruikt door de rabiate meute die zichzelf wijsmaakt dat een verandering van naast de sint lopende levende piñata’s dermate traumatiserende uitwerkingen heeft, dat het grut alle geloof, hoop & liefde zou verliezen tot gespleten persoonlijkheden en snijden in de onderarmen aan toe.

              Laat me ze even aanhalen, de kinderen—nee, dat bedoel ik niet, ik ben geen kindervriend—uit voorgaande alinea’s. Kinderen leren discrimineren van inherent racistische ouders (die, als zij zich hiervan bewust zijn, veranderen zoveel zij kunnen en trachten hun kroost te behoeden voor de huidige Erfzonde), of, uitgaande van een utopisch WOKE!-gezin, leren zij het door een van racisme omvademde cultuur, die, nu dit besef meer en meer doordringt, met microstapjes kan worden ontmanteld en heropgebouwd. Hoe jonger het kind, hoe geloofwaardiger sinterklaas met zijn knechten. Waarom zou je dan kiezen voor een uiterlijk, een symbool, een archetype, dat volgens mensen die hun hele leven al gediscrimineerd worden en er dus waarschijnlijk wel iets over af zullen weten, niet méér is dan een racistisch uiterlijk, een discriminerend symbool, een verwaten archetype?

               Omdat het traditie is—zo heeft bovengenoemde ‘Fan van Sinterklaas een op huidskleur gebaseerd kastesysteem’ zelfs bronnenonderzoek gedaan en er een kek infotainmentfilmpje bij gemaakt waar Goebbels[4][4] van had gesmuld. Pardon, brononderzoek, want ik geloof niet dat er gewag wordt gemaakt van anders dan één boekje van J. Schenkman uit 1851—dat waarin de zwarte dienaar geïntroduceerd wordt en dat tevens de tekst van “Daar ginds vaart de stoomboot etc.” overlevert.

              Luister nu goed: natuurlijk heeft de hardleerse blackfacer ongelijk als deze poneert dat ‘Zwarte Piet’ integendeel met égards werd bezien, want: zit in het prentenboek op een paard (status), krijgt volgens de tekst een hand en een zoen van de kids nèt als Sinterklaas (gelijkheid) en bovendien zat de auteur van het werk bij een Vereeniging voor Algemeen Nut die zich abolitionistisch opstelde (ergo het kan nooit van doen hebben met instandhouding van slavernij of een daaraan verwant principe). Mis, driewerf.

              Nog afgezien van het feit dat dergelijke clubjes voor tot stadsmens verworden heerenboeren zich in Nederland vermenigvuldigden als kinkhoest op de Veluwe, en dat zij zich óók verenigden om, bijvoorbeeld, vrouwen van het lezen te houden (geen grapje) en te zorgen dat het Herrenvolk kon lezen zonder het hygiënisch aspect hiervan uit het oog te verliezen[5][5]. In een land waar riolering nota bene nog niet bestond.

              Maar…maar…het was goedbedoeld! Wordt meteen geschreeuwd op internet. Fijn—laten we “Hij was maar een neger” vertolkt door Mary Servaes meteen óók maar toevoegen aan de decemberbende; die songtekst was immers (ook) emanciperend bedoeld!
              Zo’n analogie waar, als het Goed is, uw tuiten van tranen, geeft aan wat een non-valeur gedeeld wordt door de ‘Fan van Sinterklaas instandhouding van rotte zienswijzen’. Sowieso is de weg naar de hel geplaveid met goede bedoelingen, maar voor goede bedoelingen m.b.t. discriminatoir beleid hoeven we echt niet te kijken naar een periode waarin 31% van het BNP uit De Oost werd gehaald gejat door witte mannen op grote boten.

              Vooruit, wees maar woedend—die witte homo verpest ons Kinderfeest!—want u bent het gewoon woedend te zijn. Er wordt u al zoveel afgepakt: de hypotheekrenteaftrek, 130 rijden op de snelweg en nu ook al die roetmoppen die het paard van Sinterklaas borstelen, kruidnoten bakken en het Boek van Sinterklaas niet mogen openen maar wel bewaken, want ze luisteren goed.
              Wel, u moet zich schamen en niet anders. Zoals u niet met 130 zou kúnnen rijden zonder de prehistorische uitvinding van het wiel, zou u zich niet kunnen beklagen over Zwarte Piet zonder de veile uitvinding van de mensenhandel en verdere stigmatisering op basis van uiterlijke kenmerken. En u zegt het nochtans goed: het is een kinderfeest. Kinderen kijken naar u op en steken veel van u op. Is één van de dingen, die u uw kind meegeven wil, dat uiterlijke kenmerken bepalend zijn voor de beoordeling van andere mensen? Waarschijnlijk niet, of u klinkt net als in dat mopje van Karin Bloemen: “Ik heb op zich niets tegen een teint, hoor, ’t is zelfs wel handig als je werkster bent, of, weet je?”
              In het laatste geval bent u behoorlijk dom en kortzichtig, net als de pleitbezorgers van Zwarte Piet, die -hopelijk- niet doorhebben een bij voorbaat verloren strijd vóór een exponent van een verouderde rassenleer te voeren. In dat laatste geval bent u gewoon kwaadaardig en dient u wat mij en een gezonde samenleving betreft in een heropvoedingsgesticht.      
             
             
             
 

[6][1] Een ‘kreng’ is oorspronkelijk een stuk dood vee. Leuk zeg! Nooit geweten! Nou, wat gaan we eten, kreng?
[7][2] En tenminste één ‘Poepela’. Ik kon het niet laten.
[8][3] Eigenlijk bijzonder verwarrend. Je kreeg al-tijd van je ouders te horen “geen snoep van vreemden aannemen” dan op de elfde november plots een lampion en de opdracht erom te gaan bedelen. They fuck you up, your mom and dad…
[9][4] Die ging over propaganda. Pardon: ‘volksvoorlichting’.
[10][5] in dergelijke verenigingen gingen exemplaren van boeken van hand tot hand onder de leden, dan hoefde men niet zelf zo’n duur boek aan te schaffen en hoefde men geen gebruik te maken van de schaarse bibliotheken die er waren, want je wist niet wat je van zo’n bibliotheekboek dat door wie weet wel plebs is aangeraakt kunt krijgen. Nogmaals, géén grapje. Later kreeg het plebs een eigen bieb die openbaar heette, en veel lorgnetten vielen te barste(!)

 

Ditmar Bakker
  http://www.ditmarbakt.nl/

 
 
 
 
 
 
 
 
 

Share This:

VON SOLO OVER ZWIJGEN, HANDEN EN HATEN



Deel 357. Hand
 
Hij kijkt door me heen vanachter zijn designer bril. Vanuit de mouw van zijn maatpak raakt zijn hand de mijne. Ze omklemmen elkaar niet in warme verbondenheid. Deze man haat mij intens. En dat snap ik. Ik draag niet zijn pakken, spreek niet zijn taal. ‘Wat doet een jochie in een zwart t shirt met een verwassen spijkerbroek aan tafel hier?’, zie ik hem denken.
 
Hij gebruikt in stilte het wapen dat het meest pijn doet. ‘Jij hoort er niet bij.’ Je mag er bij de gratie van de grote mannen zijn, kleine man. Maar let op, dit is een voorrecht, waar je niet de verwachting van moet hebben dat het duurt. Ik ken het spel mijn hele leven al. Vanaf de lagere school, tot nu aan directietafels. Het zijn de ongeschreven regels.
 
En misschien zie ik het allemaal wel verkeerd. Is die handdruk niet zo belangrijk. Dat is toevallig de manier waarop hij altijd handen geeft. Dat is zijn karakter en zijn manier van met mensen omgaan in het algemeen. In zijn hoofd speelden heel andere dingen dan mij als persoon. Hij is natuurlijk met belangrijke dingen bezig. En moet door.
 
Of is het gewoon paranoia. Ben ik degene die hem immens haat. In onze handdruk de bevestiging zoek, dat mijn haat terecht is. Dat hij als directeur van een groot bedrijf als vanzelfsprekend een rotzak moet zijn, die het slechtste met mij voorheeft. Omdat dat soort mensen zo zijn. De waarheid ligt in de ongeschreven regels. Waar ik mij onbewust mijn hele leven al aan weiger te houden.
 
En dat weet hij ook. We schudden handen en zwijgen.



 

VON SOLO
DICHTER, PERFORMER, COLUMNIST EN CINEAST
www.vonsolo.nl
 
Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl 
En volg VON SOLO ook op Facebook, Twitter en LinkedIn!!!

Share This:

Merik van der Torren bij de expositie van Astrid Faber – hondje Betty keek weer eens te diep in het glaasje

elke week zorgt hondje Betty voor oproer, onrust en tumult in dichterskringen, bij de opening van exposities en ander kunstzinnig handwerk. hoe de dichter van der torren ook zijn best doet het beest BETTY laat zich niet leiden, niet opvoeden, niet richten. dichter van der torren hier doodsbleek vastgelegd op de gevoelige plaat. het hondje betty, een onstuitbare stuiterbal werpt zich met al zijn voorpoten op het glas van de dichter. en nog voordat dichter van der torren ook maar één slokje heeft kunnen drinken is het glas al weer half leeg. wij van hier hebben te doen met dichter van der torren – betty bezorgt de dichter geen welverdiende oude dag. dichter komt niet aan bijkomen toe. het zijn hondse taferelen aan welke de kunstenaars in 020 zijn onderworpen. in welk land moeten we leven? wat is dit voor een wereld?

Op de opening van de expositie van Astrid Faber in buurthuis Welkom


Haar schilderijen stralen lente en zonlicht uit
op deze grauwe dinsdagmiddag in november.
Daar zit ik, Betty op schoot om mij heen
rustig keuvelen van buren.
Betty kijkt misschien te diep in het glaasje,
spring bijna op tafel waar de hapjes geuren.
 
Kan mij niet lang genoeg duren, op dit kussen,
in deze warmte en dat zonnige werk.
 
Jammer alleen dat mijn wijn op is.
 
 
7 november 2019

Share This:

JOLIES HEIJ vandaag “modern Dutch”

Over Joegostalgie & stoeipoezen

Columniste was dit weekend nu eens niet voor de poëzie op pad, maar bij het Eastern Neighbours Filmfestival. Daar zag ik Kuduz, een joegoslavische film uit 1989, die groots werd aangekondigd als het mooiste (joegoslavische) liefdesverhaal aller tijden. Nou, dan verwacht je toch een joegolsavische Una giornata particolare. Het script was geschreven door Abdullah Sidran, de grootste nog levende bosnische dichter en het was nog waar gebeurd ook. Het gaat over een man die net uit de gevangenis is ontslagen (“Bosnia’s last outlaw” in de aankondiging, alsof het een geuzentitel betreft), in zijn geboortedorp een nieuw leven begint met een stoeipoes van een vrouw, die, als een kruising tussen Brigitte Bardot en Nina Hagen, onophoudelijk broeierig in de camera kijkt, en haar dochtertje, maar natuurlijk voelt zij er niets voor om voor huissloof te spelen, dus neemt ze een baantje in het plaatselijke café én een minnaar.

Man komt er natuurlijk achter, zij wil scheiden, maar voordat het ervan komt haalt hij het kind bij haar weg, mept haar dood en knalt de lover overhoop waarop hij door de bosnische bergen vlucht om uit handen van politie en justitie te blijven. Hier is geen spoiler alert aan vooraf gegaan, lieve lezer, want ik acht de kans klein dat u een 30 jaar oude, joegoslavische film gaat zien. Hier wordt drama op drama gestapeld, zoals ze dat op de Balkan gewoon zijn en weinig gevoel voor het subtiele hebben. Hier in den lande zou de scriptieschrijver in opleiding stante pede terug naar zijn schrijftafel gestuurd worden. Waar gebeurd is immers geen excuus, zoals we sinds Reve weten. Tel daarbij op de seventiesachtige manier van filmen in alle tinten van oranje tot bruin en de schetterende muziek, het seksisme (stoeipoes Badema wordt als serveerster geacht haar BH uit te laten en een minirokje aan) en de verplichte James-Bond-achtervolging op het einde (niet met auto’s of speedboten, maar met de benenwagen) en het is mij een raadsel waarom dit broddelwerk tot het grootste van de joegoslavische cinema behoort.

De zaal was goed gevuld met (nederlandse) Joegoslaven die even konden wegzwijmelen in een latente vlaag van Joegostalgie. Want alles van “voor de oorlog” heeft daar welhaast mythische proporties aangenomen. En iemand die uit handen van het gezag weet te blijven, dat daar van oudsher is getekend door machtsmisbruik en corruptie, oogst natuurlijk sowieso bewondering. Vandaar waarschijnlijk de geuzenaanduiding van “outlaw”. Manlief noemde de film “gedateerd”. Goed, het moet gezegd, de hoofdpersoon zorgde heel geëmancipeerd voor het dochtertje terwijl vrouwlief de bloemetjes buiten zette en en er waren veel sfeervolle shots van met sneeuw bedekte en in regen gedrenkte bosnische landschappen die geheel van zichzelf al mooi zijn. Er schijnt zelfs een bosnisch gezegde te zijn dat als volgt luidt: het weer is zo slecht als toen Badema werd vermoord. Na afloop was er een gesprek met de hoofdrolspeelster. Ik vroeg haar recht op de vrouw af hoe zij het seksisme in de film had ervaren.

Tot mijn verbazing antwoordde ze dat het personage Badema juist aan de vrouwenemancipatie had bijgedragen. En nog steeds worden vrouwen over de hele wereld mishandeld en vermoord om hun vrijgevochtenheid, ook in uw land, voegde ze eraan toe. Duh? Ik dacht het toch niet, misschien is dat onder islamieten het geval, maar hier wordt een vrouw toch niet doodgemept omdat ze uit werken gaat of er een minnaar op nahoudt. Ik ben wel zo arrogant westers en “modern Dutch” dat ik dit met droge ogen durf te beweren. Maar misschien ligt dit anders in een land waar huiselijk geweld nog altijd de voornaamste reden voor echtscheiding is. De afloop van het verhaal intrigeerde me dan wel weer. Junuz Keco, de man naar wie het personage Becir Kuduz is gemodelleerd, werd in 1988 veroordeeld en zou tot 2001 vastzitten, maar werd in 1992 vervroegd vrijgelaten om aan het front te vechten en sneuvelde. Hij werd dood aangetroffen naast het lijk van een 14-jarig meisje. Daar zou ik nu wel eens een boek aan willen wijden.


ben ik werkelijk zo slecht?

helend ontdelend smeer ik je in
met het bijtende vliegzalf
roerend ontroerend beroerend, wipgalg en halsband

bevrucht ik je met mijn misogyne luststengel
tussen het essen- en wilgenhout
rijd ik over heggen en hagen

naar wijnkelders in een vloek en een zucht
door schoorstenen vol roet en pek
terwijl ze zeiden dat vertellingen en ongelukken

altijd hand in hand in ons verweesde land
als dwazen en wijzen zich te goed doen
mocht je de weg niet meer terugvinden

naar het lichaam, blijf de eeuwig roepende
muze en beleef de ultieme eenwording
als die de brandstapel waard is

we dragen de wilsbeschikking van de liefde
we drijven in gondola’s over hortende rivieren
het maakt niet uit hoe ziek ik ben

Jolies Heij

Share This:

KARIN BEUMKES…vanaf een guur eiland… naar eigen zeggen

Vanaf een guur eiland mijn gedicht.


Niemandsland


De nacht is de moeder van de dromer
hier lig ik met de ogen bijna dicht
te wachten hoe de wolken breken
hoe de onweersbui zich van haar
nerveuze ballast ontdoet.

Het is het weerlicht dat mij de stad laat zien
langs alle hoeken van deze straat heb ik gelopen
na jaren ontwrichting die ik heb opgelopen
hunker ik naar een eigen plaats misschien.

Voorts- met toortsen door de stad gebracht
sprokkel ik houtjes en verhalen voor mijn vuren
en wanneer de lauwe wind over mijn vleugeltjes zal schuren
voel ik onherroepelijk de schaduw van de dag.



Muziek: Princess Chelsea – Its all OK https://youtu.be/v4LOTTRoNNc


Keep the faith!


Karin

Share This:

Anke Labrie wint de enige echte virtuele HEKSENKETEL trofee op pomgedichten – Petra Maria zilver.

jeanine hoedemakers – de enige echte stadsdichteres van den Bosch – hier lopend over het (bevroren) water op weg met het jurygoud naar het dichtershuisje. we wachten in spanning af.
–>
Van mij krijgt Anke goud, vanwege de helderheid. Petra Maria zilver. Van Harte.

(de felicitaties gaan naar Anke Labrie​ – goud – en naar Petra Van Den Eerenbeemt​ – zilver in de poëtische heksenketelwedstrijd – webmaster legde de gesel der receptie esthetica over de ingezonden werken. juryvoorzitster Jeanine Hoedemakers​ hanteerde een meer menselijke maatstaf. Anke beschreef in haar gedicht het boerenleven in een boerendorp waar de mensen zich bovenmatig met elkaar bemoeien. in 020 hebben we daar geen last van – gelukkig maar. alle dichters bedankt voor de inzendingen. )


rustig straatje
 
daar zweeft de buurman van tweehoog
op een brancard voorbij mijn raam
de ambulance blokkeert de hele straat
waar een idioot gaat staan te toeteren
 
op de stoep raakt nu een scooter
het jongetje dat ook is komen kijken
zijn moeder stormt gillend naar buiten
‘t geschrokken kind stopt niet met krijsen
 
een andere buurman geeft nu de berijder
die geen helm op heeft, een harde dreun
waarop zijn scooter omvalt bovenop een kat
die hem ook nog krabt en hij begint te vloeken
 
maar daar komt de politie aangereden
de sirene overstemt de hele boel
de hele straat komt nu naar buiten
en iedereen tegelijk doet z’n verhaal
 
anke labrie


pom–>
een fijne en rustige afsluiting van de zondagochtend – daar hoop je op – een rustig straatje, optrekkende ochtendmist en een langzaam ontwaken – dat de herfst zich langzaam en lieflijk zal vestigen in mensenland in een mensenstad – een geleidelijk wennen aan wat ons aan koude te wachten staat.
maar niet in het straatje van anke: een gegil, gekrijs, gegil, ambulances, boze buurmannen, politie. het is duidelijk dat Anke hier amsterdam niet centraal heeft gesteld. nee dit is meer het leven in een dorp waar iedereen zich met iedereen denkt te moeten bemoeien. in 020 hebben we daar geen last van. 020 is een oase van rust en welstand in de ons omringende wereld van maffia en criminaliteit en stikstof.

jeanine: –>
anke labrie
 
Een keur aan gebeurtenissen, heel herkenbaar en beeldend geschreven.  Bittere aanvang en dan de laatste regel, iets wat vrijwel iedereen zal herkennen.  Na al de andere inzendingen ervaar ik dit gedicht als een heerlijke rustplek, ook al is de inhoud enigszins dramatisch. Mijn twee hersenhelften liggen weer allebei keurig op hun eigen plek.
  • Aratrios – en het licht in haar prachtige ogen –
  • Frans Terken – op dit terrein verzet ik bergen
  • Petra Maria – in een onbedwingbaar verlangen
  • Rik van Boeckel – wieven gestommel drukt zich uit in listig fluisteren
  • Jolies Heij – altijd hand in hand in ons voorberade land
  • Anke Labrie – en iedereen tegelijk doet z’n verhaal

wie wint de enige echte virtuele HEKSENKETEL trofee op pomgedichten?

een vrij thema om de bloemetjes buiten te zetten, om de chaos in huis te halen, of de bloemetjes. het is aan dichter om de trom te roeren, de trom te slaan, om er een heksenketel van te maken – met of zonder heksen – met of zonder ketel. misschien wel met een ketelheks – we gaan genieten! u kent de regels: de gedichten niet te lang svp tenzij noodzaak  – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd. juryvoorzitter deze week de door velen geliefde jeanine hoedemakers. 
 


een vreemd huis, vreemde geluiden ook. een vreemde trap. alles kraakt. waarom heet de plek hier waar ik alleen zit gemeenschapsruimte?
 
de nacht hangt nog buiten
en dweilt de laatste resten op
vreemde trekken
waar nog geen vijf uur geleden
de lieftalligheid vanaf droop
 
pw

city lights
 
  james – de rolls royce
we gaan de stad platbranden
 
die vers opgeworpen zien – de roes
de torens kredieten ontwaren dan laten
ontwaarden – elk begin en eind vergeten zijn
poorten als onnut gepasseerd
 
ik – oudgrijsgelder –
slechts mezelf meeslepend groots
terug naar dit onzinnig laag ondermaanse
van verlangend vuur de gevaren toe
dubbeltjes dood op hun kant
je neemt ze toch niet mee
 
en jij – rafelrander – het hart
aan een blinde schat verpand – de handen
om haar bloem en palm met een trosje
van mijn vermogen voor achterstallige huur
en het licht in haar prachtige ogen
 
geen status in zaken geen weten in de nacht
geen beeld bij ontwaken schoon
 
james – de rolls royce
 
 
pom–>
 
je moet het maar weten: de film ‘City Lights’ van Charlie Chaplin, met het blinde bloemen verkopende meisje en de bij avond dronken rijkaard. een gedicht geschreven in het licht van haar prachtige ogen. bij de dichter aratrios heb je altijd een bijsluiter nodig. om je door de tekst te worstelen en om dan uiteindelijk bij die prachtige ogen uit te komen. het lijkt erop alsof de dichter de dingen niet rechtstreeks durft te verwoorden. we moeten eerst duizend bochten nemen voor we haar kunnen ontmoeten. in termen van de receptie esthetica lijkt de volgende analyse  te rechtvaardigen: dichter/zender verpakt in de boodschap veel teveel tekens die door een doorsnee lezer/ontvanger niet ontcijferd kunnen worden.

jeanine: –>
Aratrios
 
Eerst dacht ik aan James Bond bij het lezen van dit gedicht maar ik vond die Bond er niet in terug. Ik zou niet aan Charlie Chaplin gedacht hebben als ik de woorden van Pom niet even gelezen had. Dit is ook voor het eerst dat ik dit deed. Omdat ik me soms een soort proefkonijn voel op ‘de pom’,  als ik een gedicht krijg voorgeschoteld waarin ik de verwijzingen wel zie maar ze toch niet precies kan duiden.  Als lezer vind ik het plezierig dat een gedicht binnenkomt, soepel liefst maar dat is geen noodzaak. Wel vind ik het fijn dat het erbij staat, als een gedicht vrij naar het werk van een andere dichter is, of, zoals hier, naar een film. Dan weet je als lezer tenminste waar je aan toe bent. Ik wil graag blij worden van een gedicht, niet nerveus omdat ik er geen touw aan vast kan knopen en natuurlijk niet af wil gaan als men me naar mijn mening vraagt. Voor mij is schrijven communiceren, de boodschapper, schrijver dus, speelt hier zelf een belangrijke rol in, de belangrijkste in feite.
 
Op de vlakte

Hier houd ik mij staande
op dit terrein verzet ik bergen
met de vinger van één hand

niet dat de diepe dalen gemist
ik neem de valkuilen voor elke ik
in een gedicht voor lief

lees me te pletter bij vakbroeders
en podiumbeesten ook zij gaan los
op zelfs een lichte verhoging

terwijl ik me op de vlakte houd
en loslopende woorden bijeen raap
voor ze wegrollen in een kuil

maak er in een handomdraai ketel-
muziek van – de ziel uit het lijf geklopt
om kwaadwillende heksen te verjagen


FT 08.11.2019

pom –>
laat ik nu ik deze week de receptie esthetica omarm ook dit gedicht – als boodschap tussen zender en ontvanger – eens  op genoemde wijze interpreteren. wat stopt de dichter in de boodschap is de eerste vraag en op welke wijze – welke tekens?  mij vallen als ontvanger van de boodschap de ietwat statige en zeker niet moderne woorden op: bergen verzetten, dalen, valkuilen, voor lief nemen, vakbroeders, podiumbeesten, losgaan, bijeenrapen, handomdraai, ziel en kloppen – veel wat oudere gezegdes ook, ik tel er zomaar 9!!!. de conclusie lijkt gerechtvaardigd dat jonge mensen met een ander moderner taalgebruik weinig op zullen hebben met deze tekst. laat ik eens wat noemen ter verduidelijking:
 
Awkward
Term uit het Amerikaans om aan te geven dat iets ongemakkelijk is.
Bae
Het woord Bae word vaak door jongeren en tieners gebruikt voor: schatje, vriend/vriendin of babe maar ook betekent het woord Bae before anyone else.
Eèèècht zo
Uitspraak om aan te duiden dat iets op de onbetwiste waarheid berust. Het gaat meestal om zulke universele dingen dat het eigenlijk niet eens nodig is om ze nogmaals kracht bij te staan door te roepen ‘èèèècht zo!’ – met nadruk op de ‘echt’ -, maar puur uit theatraliteit doen ze dit toch.
Skeer
Betekent blut of platzak, maar wordt ook gebruikt om iets te omschrijven dat armoedig wordt gevonden: ‘Wat een skere gast is dat. Hij geeft nooit een rondje.’

jeanine: –>
FT 08.11.2019
 
Het bijeen rapen van loslopende woorden vind ik mooi gezegd en het ziet er naar uit dat de dichter dat in dit gedicht gedaan heeft.
De vinger van Hansje, nou ja dat was een duim dacht ik, woorden die als knikkers in een kuil zouden kunnen rollen, vakbroeders? Andere dichters of is er meer?  Op zelfs een lichte verhoging,  hier denk ik even dat ‘op’ ‘met’ zou kunnen zijn. Al die opwinding over een hoopje woorden waarin altijd weer de kleine valkuil schuilt. Kwaadwillende heksen verjagen. Yep, daarin heb je een medestander gevonden.
 
als rivieren

lang niet meer
het landschap
spiegelen

alles
in stilte
donker is
en lelijk

dansen wij
als heksen
rond de ketel

in een
onbedwingbaar
verlangen

iets van houvast
terug te nemen

van waarheid
in de wanorde

wat ooit
zonneklaar
en liefde was
terug te winnen

petra maria


pom–>
een meer of minder wanhopige poging nog om de oppervlakte te bereiken. zo valt de inhoud van dit gedicht te lezen. je zou zeggen dat de titel opgedroogde rivieren had kunnen zijn hier. één persoon is in dit gedicht niet te lokaliseren. WIJ zijn aan de orde – wie wij ook mogen zijn. wij allemaal dus.  in termen van receptie esthetica worden op de lezer/ontvanger schijnbaar algemene waarheden losgelaten van een generatie, een tijdsgewricht, een populatie,  laten we zeggen van alle Nederlanders van nu bij elkaar. en wat laat deze groep ONS lezers weten: dat het maar een droeve toestand is de heksenketel van 10 november 2019 in Nederland, een groep mensen vol van verlangen wanhopig op zoek naar de liefde.
 
jeanine: –>
petra maria
 
Dat verlangen iets aan houvast terug te nemen, dat vind ik mooi gezegd. Wie de heksen zijn die om de ketel dansen is me niet helemaal duidelijk. Hoor ik als lezer bij die ‘wij’, of gaat het over ‘ik’ en een ‘je’?  Dat terugnemen van waarheid in de wanorde, is er wel waarheid in de orde, denk je?  Ik vraag me dat als lezer af.
Strijd van het leven

Tijd streelt alle zonden met speels gemak
de strijd van het leven een oerkreet

de snaren van ‘t hart getekend door liefde
dader en slachtoffer bespelen de harp

achter de deur luisteren witte wieven
gestommel drukt zich uit in listig fluisteren

zonder mededogen slaan pauken het zingen stil
trillen vingers langs romantische melodieën

smart uit zich in ruisend gemompel
de strijd woedt ritmisch en genadig voort.


Rik van Boeckel
9 november 2019

pom –>
Ook bij rik van boeckel levert een benadering vanuit de receptie esthetica (lees de recensies hierboven) niet echt een fris en positief beeld op: veel teveel oude woorden zijn verwerkt in de tekst om nieuwe generaties lezers aan te spreken: smart, genadig, harp, wieven, snaren van het hart, oerkreet. en het verbasterde gezegde uit de eerste regel helpt ook al niet mee om het gedicht deze tijd in te tillen.

jeanine: –>
Rik van Boeckel
9 november 2019
 
Tijd streelt alle wonden. Streelt i.p.v. heelt, lekker makkelijk en tegelijkertijd wel leuk gevonden. Verder een muzikale heksenketel aan ‘gedoe’
 

ben ik werkelijk zo slecht?
 
helend ontdelend smeer ik je in
met het bijtende vliegzalf
verroerend ontroerend
 
bevrucht ik je met mijn luststengel
tussen het essen- en wilgenhout
rijd ik over heggen en hagen
 
naar wijnkelders in een vloek en een zucht
door schoorstenen vol roet en pek
terwijl ze zeiden dat vertellingen en ongelukken
 
altijd hand in hand in ons voorberade land
terwijl de dwazen en wijzen zich te goed doen
mocht je de weg niet meer terugvinden
 
naar het lichaam, blijf de eeuwig roepende
muze en beleef de ultieme eenwording
als die de brandstapel waard is
 
we dragen de wilsbeschikking van de liefde
we drijven in gondola’s over hortende rivieren
het maakt niet uit hoe ziek ik ben 
 
 
Jolies Heij  
pom–>
ook bij dit gedicht brengt de receptie esthetica deze week uitkomst. onze jolies heij voelt hem wel al aankomen natuurlijk. wat stopt dichter allemaal in dit gedicht (welke tekens) dat de lezer zou kunnen gaan genieten. het is van een krankzinnigheid zonder weerga. laten we even als lezer stilstaan bij de eerste strofe:

helend ontdelend smeer ik je in – wat is helend ontdelend?
met het bijtende vliegzalf – wat voor zalf mevrouw?
verroerend ontroerend – hoe?

je bent als lezer de deur uit voordat het gedicht is begonnen – zoveel onzin gepropt in zo weinig regels en dan nog denken dat de lezer je verder zou willen lezen? neen!
nouja het is onze jolies heij – laten we nog één strofe trachten.

bevrucht ik je met mijn luststengel – pardon? met wie of met watte?
tussen het essen- en wilgenhout – waar dan?
rijd ik over heggen en hagen – zo zo mevrouw ken er wat van op der bezempje.
en weg is de lezer.

jeanine: –>
Jolies Heij  
 
bevrucht ik je met mijn luststengel, laat ik hier nou het beeld van een ongewenste zwangerschap bij krijgen.
Ik vind die laatste regel heel bijzonder, het liefst lees ik daar een hele hoop andere regels voor. Het gedicht wat ik nu lees komt op me over als een grote jammerklacht, terwijl de schrijver ervan het moeten jammeren zelf over zich afroept. Wat moet ik als lezer in hemelsnaam met bijv. voorberade land.  Oké, je voldeed aan het thema, je schreef een ketel bomvol heksentaal, mag ik het zo omschrijven?


    
 

Share This:

VON SOLO op donderdag – bloed afnemen



Deel 357. Prik

 
Een gure middag in de herfst. De wind waait onstuimig tussendoor de flatgebouwen aan de Blaak. Onder in één van deze flatgebouwen zit het Star Diagnostisch Centrum. Dat is een andere naam voor een bloedafnamecentrum. Daar worden mensen met naalden geprikt en op deze wijze buisjes bloed afgenomen. Aan de lopende band. In de sfeerloze wachtkamer zit een mix van bejaarden, onverzorgde, arme mensen en lieden met meer of minder terminale aandoeningen. Soms moet er ook een kind door die molen.
 
Plekken als het Star Diagnostisch Centrum zijn uit efficiencyoverwegingen tot stand gekomen. De redenering was als volgt: ‘Als je de hele dag mensen laat prikken, dan worden ze daar vanzelf goed in en kan steeds meer mensen per uur bloed afgenomen worden. Zo kost dit steeds minder, gezien er per uur steeds meer succesvolle bloedafnames gerealiseerd kunnen worden. Als we de bloedafnamelocatie dan ook nog onderbrengen in een goedkope huurkazerne, dan kost het afnemen van bloed bijna niets meer’. Nog meer voordelen zijn, dat de contacten anoniem zijn, dus zonder sentiment kunnen worden ‘afgehandeld’. Lastenverlichting voor de huisartsenpraktijken en meetbare resultaten aan de andere kant voor de zorgverzekeraars. Die huisartsen nemen ze hun bloed de volgende bezuinigingsronde wel weer af.
 
Bij mijn dochtertje moest laatst bloed afgenomen worden. Ze was bij de huisarts geweest en doorverwezen naar de ‘Prikprinses’. Dat klonk mij uitermate sympathiek en antroposofisch toe. Uiteraard was ze heel bang voor de naalden, maar het idee van ‘Prikprinses’, maakte het vooruitzicht draaglijk. Zelf had ik een aantal maal in een prikfabriek bloed laten afnemen, maar mijn dochtertje zou het beter af gaan.
 
In de avond vroeg ik hoe het prikken was gegaan. De blik die ik van mevrouw Solo terugkreeg, schonk weinig vreugde. Ze vertelde me dat de ‘Prikprinses’ niet veel meer was dan een vergeelde poster aan de muur in een stoffige ruimte onderin een grijs kantoorpand aan de Blaak. Ik zag de viezige tegelvloer voor me. De stofnesten in de hoeken. De uitgerangeerde verpleegkundigen, met hun onverstaanbare, onvriendelijke gemompel. Het ongemakkelijke gevoel als je de hand van je dochtertje vasthoudt terwijl je naast de rochelende, ongeschoren klaploper in de koude wachtkamer zonder daglicht zit. En ik begreep het.
 
Je kan boven de poort nog zulke mooie woorden schrijven.
 
Je gunt een kind zo jong die desillusies niet, die je, eenmaal als volwassene, in al hun onbeschaamde bedrieglijkheid veel pijn doen. Je wenst ze nog dat sprookjes bestaan en beloftes meer zijn dan loze woorden.

Met hartelijke groet,  http://www.vonsolo.nl
Von Solo – www.vonsolo.nl

Share This:

Abraham Von Solo over de liefde – “Ze had graag gewild dat ik de eerste was geweest voor haar. Ze had dat alleen nooit duidelijk durven maken. Ze had zoveel spijt…”

POMgedichten presenteert de donderdag column:
VON SOLO, FEAR AND LOATHING IN POWEZIE LAND!!!
Openhartige openbaringen van de Jeff Koons van de vaderlandse powezie.



Nooit dacht ik meer aan haar. Echt nooit. Hoogstens als ik nog eens in Goes langs een bepaalde straat reed. Ze was werkelijk weg. In de tussentijd waren social media in opkomst. Daar opereerde ik met een dagboek onder een oude schuilnaam. Ik zocht toen nog geen ex-geliefden op. Anderen deden dat uiteraard al wel. En zo kreeg ik op een dag een berichtje. Van haar…Candy…


Werther deel 2

Dat gevoel dat je hart sneller gaat kloppen. Dat je zintuigen scherper waar gaan nemen. Een toestand van verhoogde alertheid. En dat zonder stimulerende middelen. Dat was het gevoel dat me trof toen ik haar mailtje opende. Wat er exact in stond zou ik niet meer kunnen reproduceren. Wel was het de aanzet dat we weer contact met elkaar begonnen te zoeken. Onschuldig en voorzichtig. Ik nam me in acht afwachtend te zijn. Er was dan ook geen enkel aangrijpingspunt als tot wie ik aan de andere kant van de digitale lijn had. Hoe ze er uit zag wist ik niet. We waren meer dan vijftien jaar verder in het leven.

Die jaren overbrugden we al snel met lange chatsessies. Zij was intussen getrouwd. Twee kinderen. Woonde in Drunen en zou later weer naar Goes verhuizen. Het geluk droop er niet vanaf. Waar dingen bij mij simpel leken, waren ze bij haar voorzien van lading. Wij hadden op onze beurt intussen ook al een paar kleine kinderen en een koophuis. Kortom beiden waren we wel gesetteld. Candy had haar man vanaf het begin ook ingelaten met haar contact dat ze met me had. Graag zou ze zien dat ik mijn vriendin hier ook in mee nam. Bij het eerste contact had ik mijn vriendin erover verteld. Daarna niet meer. Het had niet haar interesse gewekt en zij had er verder ook geen zaken in. Dat nut ontging me. Daar gaf ik dus verder geen gehoor aan. Langzamerhand werden de gesprekken diepgaander. We wisten nu waar we allebei stonden en hadden tot dusver gevoelens met rust gelaten.

Op een avond dat ik alleen thuis was en rustig een glas wijn dronk, werden we steeds openhartiger. Daarnaast werd ik langzamerhand ook wel nieuwsgierig naar degene aan de andere kant van de lijn. Digitale communicatie kan een tijdje boeien, maar een gesprek met een echt persoon prevaleert. We belden een keer met elkaar. Haar stem klonk net als toen. We mogen nu gerust rekenen dat we intussen anderhalf jaar verder waren. We praatten over toen. Over alles dat was geweest. Hoe het mis was gegaan. Hoe we veranderd waren. Hoe alles veranderd was. Hoe anders alles nu was. We begonnen een gezamenlijke virtuele reis langs de paden die we in ons hoofd samen bewandeld hadden. Over en weer analyseerden we elkanders gevoelens. En kwamen elke keer een beetje nader tot elkaar. We gingen terug in de tijd met de wetenschap van nu. En wat wisten we het allemaal goed. Ruim een half jaar lang hadden we af en aan contact en telkens vielen puzzelstukjes op hun plek. En wat waren we dom geweest. Als we alles nou maar begrepen hadden. De kous begon voor mij af te raken. We waren verwarde tieners geweest met pure gevoelens. En hadden wat ongelukkige keuzes gemaakt. Niet alleen ik, maar ook zij had zich na de breuk overgegeven aan een fatalistische levensstijl. En dat was geëindigd in de oase van rust die huwelijk en gezin vormde. Toch proefde ik iets onderhuids bij haar. Wat me gaandeweg duidelijker werd, was dat ik toen we jong waren niet de enige verwarde was geweest. Zij had ook bepaalde signalen niet afgegeven die mij misschien de weg hadden kunnen wijzen. En toen kwam de openbaring.

Ze was erg verliefd op mij geweest toen. Ze had graag gewild dat ik de eerste was geweest voor haar. Ze had dat alleen nooit duidelijk durven maken. Ze had zoveel spijt. Ze voelde nog steeds die liefde. Toen ik dat hoorde sloeg mijn hart over. Het gevoel dat je op het belangrijkste moment van je leven de doortastendheid had gemist om te doen wat moest gebeuren. Even twijfelde ik aan mezelf. Het gaf me stof tot nadenken. Wetend echter dat gedane, of in dit geval, niet gedane zaken, geen keer nemen. Openhartig ploegden we elkanders recentere verledens nogmaals om. Vaak neigden de gesprekken naar het ‘wat-als’. Voor mij waren we echter de cirkel wel rond. Langzaam verloor ik wat interesse in de gesprekken. Dat nam ze me zeer kwalijk. Ik nam dat mezelf minder kwalijk. We waren elkaar niets meer verschuldigd. Op een gegeven moment ontvriendde ze me zonder aanwijsbare reden dan maar op (intussen) Facebook. Even ging er een steekje door me heen. Net als toen. Maar ik liet het lopen. En nam me voor ze wel weer een keertje terug te vrienden. Toen ik dat een aantal maanden later deed duurde het geen dag voor het eerste berichtje binnen was. Verontschuldigingen voor het ontvrienden en of we de draad weer op konden pikken waar we globaal gebleven waren. Ze begreep dat ik het druk had en wilde me de ruimte wel gunnen. We pikten de draad gewoon weer op. Daarbij gaf ik wel aan dat als we de communicatie naar een ander level wilde tillen we toch echt een keer moesten afspreken. Zo vaak had ze geopperd wat er zou kunnen gebeuren als we elkaar weer zouden zien. Daarop had ik dan telkens aangegeven dat we dat wel zouden zien. Afspreken in een publieke gelegenheid van haar keuze was mijn voorstel. Veel veiliger dan bij een bak koffie kan een mens zich niet voelen, was mijn redenering. Zij stelde zich allerlei scenario’s voor. Van afschuw die ik zou hebben voor haar uitgedijde lichaam tot vreemdgaan aan toe. Ik stelde me daarentegen geen scenario’s voor. Ik kende haar niet meer in het echt. Ze was digitaal en van vroeger. En we leefden geen vijfentwintig jaar eerder meer. Daarenbij, als alles kan, hebben scenario’s ook weinig zin. Dan moet je kunnen dealen met wat op je pad komt. Ik had aangegeven dat zij het maar moest zeggen. Alles leek op een ontmoeting af te stevenen. Niet de minste zorgen van mijn kant. En toen gebeurde het weer. De ‘buitenwereld’. Net als vroeger. Ze had alles met haar vriend besproken. En vond dat ik dat ook met mijn vriendin moest doen. Daarop gaf ik duidelijk te kennen dat ik daar niets voor voelde. Dit was iets tussen haar en mij, Hoe zij daar privé mee om ging was haar zaak. Dat leverde weer een aantal fraaie gesprekken op. Verder niets. Alle onzekerheid had ik door de jaren heen los kunnen laten. Geen enkele twijfel aan mijn oordelend vermogen. Daarbij de kracht om vergissingen toe te geven. Geen overleg nodig om beslissingen te kunnen nemen. Zo niet aan haar kant.

Uiteindelijk is er niets gebeurd. Die afspraak is er nooit gekomen. Op een goed moment was ik het dralen zat. Iemand moest het heft in handen nemen en ik gaf aan dat ik af zou komen. Dat kwam waarschijnlijk te dichtbij. Een realiteit die verder niets meer was dan een bak koffie en een gesprek. Iemand in de ogen kijken om te zien dat alles wel goed is zo. Toen bleef het stil. Kort daarop moet ze me weer stiekem ontvriend hebben en geblokkeerd. Dat viel me later ineens op. Waarschijnlijk om ‘zichzelf te beschermen’. Het was klaar voor mij. Ronder zou de cirkel niet meer worden. En dat was in orde zo. Ik had haar definitief in haar verleden achter gelaten. Ze weet zich perfect op haar plek daar. Bij stilstand houdt alles op. Mijn heden en toekomst hebben daar liever niets meer mee te maken. Het leven vereist vliegwielen en een zekere onbalans.

En de les uit dit alles? Je weet nooit waarom de loutering plaatsvindt. Maar plaatsvinden doet ze altijd. Ik heb me in deze historie vast vergist in veel dingen. Ook in mezelf. Maar nooit zoveel als ik al die jaren had gedacht.

NB: Elkste overheenkomst met bovennatuurlijke persoonlijkheden wordt gesust door klautertoeval



Out on the wiley, windy moors
We’d roll and fall in green.
You had a temper like my jealousy:
Too hot, too greedy.
How could you leave me,
When I needed to possess you?
I hated you. I loved you, too.

Bad dreams in the night.
They told me I was going to lose the fight,
Leave behind my wuthering, wuthering
Wuthering Heights.

Ooh, it gets dark! It gets lonely,
On the other side from you.
I pine a lot. I find the lot
Falls through without you.
I’m coming back, love.
Cruel Heathcliff, my one dream,
My only master.

Too long I roam in the night.
I’m coming back to his side, to put it right.
I’m coming home to wuthering, wuthering,
Wuthering Heights,

Ooh! Let me have it.
Let me grab your soul away.
Ooh! Let me have it.
Let me grab your soul away.
You know it’s me Cathy!

Heathcliff, it’s me Cathyy.
Come home. I’m so cold!

(‘Wuthering Heights’, Kate Bush, 1978)

Share This:

remedie van Merik van der Torren tegen het maandelijks geloei in de lanen, straten en op de pleinen



Eerste maandag van de maand, 12.00 uur

1.
 
En daar klinken ze weer,
de sirenes van de luchtafweer,
Nederland als altijd waakzaam
bij binnenkomend tuig
dat het geloei buitenland
in zijn hol laat kruipen van schrik.
 
 
2.
 
En als het toch even uit de hand loopt,
er toch wat geharrewar is,
gedoe met Polen en Marokkanen,
diffuse grenzen, drugs en alcohol,
God niet meer gehuurd wordt,
klinkt gelukkig die sirene op tijd;
Nederland waakt.
 
Kom, lieve hond Betty,
hou me vast,
je warme lijf.
 
 
 
4 november 2019
Merik van der Torren

Share This:

BETTY – het hondje van merik van der torren – is het zat!


BETTY is het zat

morgen zal merik van der torren berichten over het ongevraagde maandelijkse geloei dat  ons burgers wordt geserveerd door de lokale overheden waar we ons ook bevinden. Betty nauwelijks bekomen van het snoeitrauma vorige week vreest met grote vrezen aan de vooravond te zitten van een loeidrama. ze is het zat – de mensen om haar heen loeien en snoeien links en rechts en van alles en nog wat aan elkaar en uit elkaar – de kwaliteit van leven, van het huidige hondenleven is ver onder de normale acceptatiegraad gedaald.

ook de veel te lage dekkingsgraad bevalt Betty van geen kant – van de voorkant niet en zeker ook  van de achterkant niet. zo informeert zij de redactie  van pomgedichten. wij van de site roepen dan ook merik van der torren op om het morgen woensdag niet te bont te maken om 1200 uur. en mocht het loeien niet voorkomen kunnen worden – gun Betty in ieder geval een fijne dekkingsgraad. zodat haar staartje niet gekort hoeft te worden.

Share This: