
Gedicht op shortlist heeft *
Een god voor jou – Ditmar Bakker *
Het is altijd gewaagd om van ‘het’ maar meteen een god te maken, en dan doel ik niet op de vrees voor blasfemie. Het gedicht kan al snel wel heel erg abstract worden, maar Bakker houdt alles en de rest van het heelal gelukkig een beetje klein. Twijfel over de richting, verhalen, prachtige woorden, geborgenheid, er worden genoeg concrete voorbeelden gegeven. Onontkoombaar is echter dat-ie een beetje groot is. “God is al wat je maar laat / ongedaan en nog doen gaat”
Opdracht – Karin Beumkes *
Het gedicht heeft wat weg van een kinderversje dat uitstekend de sfeer weergeeft. Je ziet het elfje inderdaad in de mist lopen, terwijl roedels ganzen naar regenbogen vliegen. Als uitsmijter is de laatste strofe met de eerste twee regels zeer sterk met de beelden van eb, zee en water, maar dan de laatste raadselachtige verzen: ‘gewoon omdat je iets te voelen hebt / en je hartje, ach, dat voelt wel mee’ Er moest worden nagedacht, maar inderdaad: Beumkes onttrekt zich hier aan de tirannie van de metafoor: het is inderdaad niet alleen het hart dat voelt, maar bijvoorbeeld ook de huid die het zout voelt prikken.
Je van het – Rob Mientjes
De uitdrukking je van het is een interessant uitgangspunt, maar helaas ontaardt het vooral in een traktatie van woordspelingen. Iets waar ik bij het gedicht van Bakker juist voor vreesde. Toch werken de laatste drie strofes naar een interessante apotheose toe, met respectievelijk fraaie tegenstellingen zoals tussen ‘sky the limit’ en ‘diepst moeras’, een aanloop in de enalaatste strofe met een stevige uitsmijter ‘je van het / eigen schuld dikke bult’
Moeders – Magda Haan
Het juryvoorzitterschap ben ik niet waardig als ik niet minstens een keer het woord eenhapscracker noem, en dat is dit gedicht, maar het gaat wel om een heel smakelijke en pittige cracker. De boodschap is meedogenloos in zijn sombere eenduidigheid: alles is gedoofd.
Het is toch voor iedereen – Vera van der Horst *
Vera van der Horst weet trefzeker de vinger op de wonde te leggen waar het gaat om dat wat beter niet uitgesproken kan worden. Met de regel: ‘als ik zwijg, blijft het misschien’ hoopt de personage dat wat zij liefheeft nog te redden valt, maar dat is haar niet gegeven. Zouden daarom sommige religies de naam van een god niet durven uit te spreken? Het gedicht gaat niet zo ver: nuchter sluit het af met een bedding.
Zonder titel: Hier ben ik niemand – André Heijnekamp
Een fraaie twist: heel concreet wordt de natuur benoemd, de namen in het Latijn ontbreken nog, en dan is alles opgelost in het groen. Die kleur die hoopvol strekt naar het licht. De kleur van ‘het’ is in ieder geval nu bekend.
Cirkel – Erika De Stercke*
Interessant is de titel: cirkel, wat de uitkomst van een ‘afgerond traject’ toch mismoedig maakt. Het gedicht constateert het aflopend bestaan, maar in de eerste strofe is humor te vinden: de vader gaat naar de hemel, maar kent meer mensen beneden. De kracht van het gedicht is in het direct aanspreken van haar vader. En van ‘het’ is duidelijk weinig meer over. Dit is een andere kleur: grijs, met afgebroken en onzichtbare twijndraden.
Wat wij aan de borst drukken – FT*
‘Het’ is hier een liefdevolle ontboezeming. De sfeer is triomfantelijk, ook al zijn het bloedklonters die als pasklare woorden met kracht de wereld ingespuugd worden. De levenskracht spat er vanaf. En de taal van de liefde zegeviert.
Liefde als geruststelling – Rik van Boeckel
Rik van Boeckel kiest, het moest even worden gecheckt, voor een klassiek sonnet: twee strofen van vier, twee strofen van drie regels, met een vaststaand rijmschema. Een sonnet is eigenlijk helemaal geslaagd als aan alle uitdagingen is voldaan, en je achteraf pas door hebt dat het gedicht in een ijzeren vorm is gegoten. Alleen al de uitdaging die Van Boeckel zich heeft gesteld, mag als bewonderenswaardig worden gesteld. Een tournure is er eigenlijk niet: de vrouw zwaait naar de man en hij nodigt haar uit. Die non-tournure is juist de crux van het gedicht, als je kijkt naar de titel, want liefde als geruststelling is toch zoveel aangenamer dan allerlei onverwachte fratsen?
De woorden ‘Been’ en ‘meteen’ in de eerste twee strofen verraden te veel de vorm van het sonnet. Van Boeckel nam een risico.
Zonder titel: het waren niet de woorden – Peter Posthumus *
In den beginne krijgt de vorm de aandacht: hier en daar is een rijm verborgen en een metrum doet zich gevoelen. Een vaste vorm wordt niet herkend, maar het gedicht heeft wel een aangename structuur. Hier is het ideaal van de vaste, maar de onopgemerkte vorm. En dan de alliteratie die hier een glimlach opwekt, zoals ‘galgestuurde geestvernauwers’ en ‘doorgehachelde gruwelijkheid’. Deze stijlfiguren zijn gedoseerd, op de juiste plaats. En dan de inhoud. Het doet me denken aan de uitspraak van de oude filosoof Sartre: ‘De hel, dat zijn de anderen! / L’enfer, c’est les autres!’.
Weet je – pw
Pom Wolff doet niet mee, maar als organisator van Pomgedichten en lid van de Vier van Vrijdag van de Nationale Boekenblog krijgt hij wel een bespreking. De stijl haal je er zo uit. We beginnen weer met de vorm: geen hoofdletters, komma’s, punten en andere fratsen. Hij houdt alles zo eenvoudig mogelijk. Vaak kiest hij voor centreren. De kracht van zijn gedichten, en ook van deze, is dat hij met eenvoudige woorden grootse zaken weet te beschrijven. De laatste twee regels zijn daarvan een voorbeeld. ‘gratie schoonheid zien’ doet mij bijna denken aan ‘schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’, van de inmiddels omstreden Lucebert. De laatste zin: ‘en jouw bewegen’ in plaats van ‘en jouw beweging’ laat dankzij het gebruik van het infinitief en de tegenwoordige tijd het moment in het nu zien.
Ach ja dat ideaalbeeld – Vera Jongejan
Een goed gedicht is belangrijker dan een te snel gedicht, dus moest zij er eerst een nacht over slapen, zo liet zij de juryvoorzitter weten. De inzending was te laat, maar bespreken kan altijd. Net als Wolff bedient Jongejan zich van een eenvoudige woordkeuze, die toch een wereld kan oproepen. Zo roept een foto met karteltjes meteen de herinnering van een generatie op. Hetzelfde geldt voor de zinnen ‘koorts en wat niet gezegd wordt’ en ’je past je aan / en je vergeet’ en ‘zij overleeft nog tbc / en liefde is een eis’. Anders dan Pom Wolff houdt zij ook van de meer surrealistische metaforen. In en ander gedicht, tijdens de voordracht op de Pomgedichtendag, heeft zij het over het kopen van een kartonnen neus voor een volgend hoofdstuk.
Als je kunt sterven van ouderdom dan moet het wel een ziekte zijn – Ien Verrips
Verrips heeft als gedicht een heuse beslisboom gemaakt. De ‘als… dan’- constructies zijn dan ook onontkoombaar en tussen deze ijzeren woorden doet zich het stil terreur van de ouderdom zich gevoelen. Er is duidelijk maar één leefbare uitkomst mogelijk. De titel op zich is al een versregel en is prima gekozen boven deze poëtische gebruiksaanwijzing.
Snijpunt – Cartouche
Het thema ‘Snijpunt’ is een interessante keuze. ‘Het’ als punt waar je niet aan voorbij komt en duizenden keren voorbij komt. Dit is een originele gedachte, en het direct aanspreken van de lezer houdt daarbij de aandacht vast. Clichés zoals ‘een vloek en een zegen’ en ‘nobel streven’ hebben helaas een ondermijnende functie in het gedicht. Een doel van ironie kon ik er niet uit opmaken. De uitsmijter is een lastige: de alliteratie zit op een bepaalde manier in de weg, maar mooi is wel dat het gedicht in woede lijkt te eindigen: de rationele waarneming van het snijpunt laat de gemoederen toch hoog oplopen.
Klein oponthoud – MartinB
MartinB begint de eerste regels met een heftige binnenkomer: ‘er zijn dagen / dat ik mijn dochter zoek’. En hierdoor kunnen de onschuldige taferelen niet meer met open blik gelezen worden. Er is iets aan de hand. Zo laat hij ons ook achter. Met ‘het’, maar wat?
Zonder zwoerd – Kees van de Brink – Martin M. Aart de Jong
Het woordspel en de alliteraties staan in de eerste strofe aangenaam op hun plaats. In de tweede strofe ontaardt het dan ook openlijk in ‘smeerlapperij’. Hier komt de ironie door het gebruik van stijlmiddelen tot zijn recht. De inhoud laat niets verhuld: alles hangt open en bloot aan de haken.
Zonder titel: het vlees weggekrabt – Peter Berger
Tsja, het is niet voor niets dat ik deze bespreking direct achter het gedicht van Martin M. Aart de Jong plaats: je kunt je schatje ook meteen opeten. Ik herinner mij een anekdote. Mijn toenmalige lief roerde in de pot. Ik zei: “Ik wil je opeten.” Zij antwoordde, vrolijk en treurig tegelijkertijd: “Ja, maar dan besta ik niet meer.” Weet goed wat je doet, voor je je tanden in je lief zet.
“ik buig’n hoofd” – luk paard
Luk Paard maakt zich geen illusies: alles verdwijnt in nergens van nooit meer, uitgedrukt in zijn eigen karakteristieke dialect, waardoor alles een rauw en rafelig randje krijgt en dat is dan ook zijn krachtig statement: ‘kijk dan hoe ik geleefd heb’. ‘Het’ is hier het hele leven en een enkele rochel tegelijkertijd.
Onder invloed – Elbert Gonggrijp*
Voor Gonggrijp is ‘het’ jij, zo lijkt het in eerste instantie. Rust geeft dat niet, met zijn ‘grillen’ en ‘dralen’. Toch heeft de personage geen haast en laat ze zich achterover vallen, zonder averij, in het brutale van het goddeloze. Het lijkt bijna alsof zij net zo ongrijpbaar is als de jij. Kijken wij naar de titel, dan lijkt het alsof hier het oog van een orkaan wordt beschreven: er is invloed om en om. ‘Het’ krijgt zo na tweede lezing een andere invulling. Het gedicht is zonder meer intrigerend.
Peter le Nobel


Het waren niet de woorden
want die zijn allang vergeten
en Eva was het evenmin
die had het van de slang
of Adam die arme jongen wist hij veel
appels zijn toch om te eten
terwijl God zelf, ach, die kan je ondertussen wel vergeten
zoals gewoonlijk waren het de anderen
altijd weer die anderen
die paradijs vretende perversie
die galgestuurde geestvernauwers
die doorgehachelde gruwelijkheid
hier met dat paradijs, kom op
en snel een beetje
want de anderen in het paradijs
dat is geen probleem
de anderen daar, dat is iedereen
Peter Posthumus
