ja hoelang weet ik ook niet precies meer. maakt ook niet uit. Anne Hardeman bezocht jaren geleden vrij regelmatig poëziecafé Eijlders in Amsterdam. altijd vergezeld door Lammie, haar echtgenoot. contact met Anne is altijd wel gebleven – gaf ze me wijze raad in het leven, vond ik haar altijd een sterke persoonlijkheid – groet aan Lammie was een vaste afscheidsgroet. vandaag dus voor de laatste keer – groet aan Lammie – morgen dinsdag zal het definitieve afscheid plaatsvinden. ik weet Anne en naar ik vermoed ook Lammie als vaste bezoekers van deze site – vol van poëzie – vol van mooie mensen – maar vanaf morgen met een mooi mens minder. sterkte voor Anne en de familie.
laten we het de wind maar laten
het is de droeve plicht van een dichter om met een enkel woord als het moment daar is ik noem het woord maar niet het is te groot
aan huilen is niets verkeerds ook niet als je sterk wil zijn het is toch de wind die beslist over licht en donker laten we het de wind maar laten
de wind die over de graven waakt – zal waken het is die wind die vandaag waait
ik ben beslist geen open oase vader dat weet je zelf ook.
Dear Pom
Voor deze lenteochtend een klassieker. Iets dat zo met je verweven is dat je het wel op moet schrijven. Iets dat misschien een klotegedicht is, maar al die tranen zijn dan toch nog ergens goed voor geweest. Voor dit dus.
Groeten van Teksel. Liefs! Karin
Oase
Stofplaats op schaapscheerdersgrond waar een keutel makkelijk maansteen wordt ik ons voor de grap uit de linkerdroomduim zuig lam ben van klappen in mijn handen nu de kudde stuift een losse steen doet taal verzinnen.
Ik kan je wegkrabben uit alfabedden hier ook blijven tot wind is aangewakkerd iets van a naar b verzetten en als ik regen vang een waterplaats openen.
Vergelijk me daar hoe de dijk mij nietiger en kleiner maakt het maakt in leegte niet langer uit ik ben beslist geen open oase vader dat weet je zelf ook.
Over Subtekst, of: Wat Leerde de Franse Les op de Middelbare School Nou Echt?
HOOFDSTUK 1 Introductie
Je suis Monsieur Tazoulin. Je suis le père de la famille. Ik ben meneer Tazoulin. Ik ben de vader. Ik ben erg mannelijk.
Je suis Jean-Paul. Je suis le fils de la famille. Ik ben Jean-Paul. Ik ben ook een man, dus kom ik vóór mijn zus.
Je suis Marie. Je suis la soeur de Jean-Paul. Ik ben de zus van Jean-Paul: Marie. Mijn opvoeding dient mijn latere huwelijk.
Je suis Madame Tazoulin. Je suis la mère de Jean-Paul. Ik ben de echtgenote. Ik heb geen voornaam. Ik ben teleurgesteld dat ik een dochter heb en niet twee zoons.
HOOFDSTUK 2 Waar Woon Jij?
M. Tazoulin: Nous habitons à la capitale. Zoals alle Fransen wonen wij in Parijs.
Mme. Tazoulin: Je l’aime Paris! La ville d’amour! Waar het hart van middelbare leeftijd van vol is, loopt de in een iets te jeugdige tint gestifte mond overduidelijk van over.
Marie: Le ville de la culture et les chefs de cuisine! Mam, doet pappa je pijn? Glimlach maar als het antwoord ‘ja’ is.
Jean-Paul: Je l’aime le Tour Eiffel! C’est magnifique! Waarom is de Eiffeltoren uit letterlijk elk raam zichtbaar?
HOOFDSTUK 3 Naar de Supermarkt
M. Tazoulin: Je vais faire des courses maintenant. Ik alleen doe de boodschappen. Blijf hier in de kleine auto met de raampjes omhoog.
Marie: J’espère qu’il achète des chocolates. Hij is weg. We kunnen vluchten.
Mme. Tazoulin: Je voudrais des fleurs pour le jardin. Dan vindt hij ons, Marie. Dat doet hij altijd.
Jean-Paul: J’espère qu’il machète un nouveau ballon de football! Er zitten godverdomme alleen maar wijn en stokbrood in die tas. Ik heb honger!
HOOFDSTUK 4 Een Avondje Uit
M. Tazoulin: Ce restaurant, c’est tres couteux! Geld uitgeven vind ik niet prettig. Is het nog steeds legaal om je te slaan?
Mme. Tazoulin: Oui, c’est tres couteux! Ik ben het zo volledig met je eens, dat ik het niet eens anders hoef te verwoorden. Ook vraag ik me af hoe een orgasme voelt.
Jean-Paul: Marie, voulez-vous du brioche et fromage? Mam en pap zijn stom. Wil je blowen in de badkamer?
Marie: Mais oui! Fuck, JA!
HOOFDSTUK 5 Wat Doen We Morgen?
M. Tazoulin: Je pense faire laver ma voiture demain. Mogen ga ik de auto wassen, maar blijkbaar heb ik daar drie werkwoorden voor nodig.
Jean-Paul: Je vais aux grands magasins avec mon ami François. Frank en ik gaan namaakvuittons verkopen achter de supermarkt zodat we drugs kunnen kopen. Als we stoned genoeg zijn, houden we elkaar vast en huilen, wat ongetwijfeld leidt tot ongemakkelijk en levensveranderend seksueel experimenteren.
Marie: Je prépare une tarte des pommes. Mamma, ik ben zwanger. Heb ik nou eindelijk je aandacht?! Mamma?
Mme. Tazoulin: Je vais au cinéma. Moet ik je brengen, Jean-Paul?
Het was een van die dagen dat het middelgrote stadje in rep en roer probeerde te zijn omdat het Dichtersdag was. En met zoveel dichters op de been, in toenemende mate van euforie, warm weerzien en drankzucht, is een middelgroot stadje al snel in rep en roer. Al is het winkelende publiek, een straat verderop, zich nergens van bewust. Her en der waren kleine podia opgetrokken en microfoons opgesteld. Reikhalzend keken de organisatoren uit naar publiek. Er was nogal wat concurrentie. Overal reden poëziebussen rond en had men in bezinningscentra de dichtkunst ontdekt als middel om nader tot jezelf te komen. Geheel in de geest van de tijd vond er bijna geen festival meer plaats waar niet werd voorgedragen. Ook muzikanten pikten een graantje mee. Het voordragen begeleid door pianist, saxofonist of cellist gaf zoveel meer waar voor hetzelfde geld. We leefden in de Gouden Eeuw der poëzie!
In een smalle zijstraat zat een oude dichter op een ooit populair terras. Eens per jaar, op Dichtersdag, was het terras opnieuw populair, net als de oude dichter en alle andere dichters die zich in de loop der dag bij hem voegden. De oude dichter was stevig ingedronken. Het gaf hem weer dat vleugje glans dat hij recentelijk zo ontbeerde. Met zwier droeg hij zijn hoed op zijn grijze lokken die van een dichterwaardige lengte waren. Zijn lichtgrijze kostuum bleek bij nadere beschouwing wat aan de krappe kant, het colbert spande rond de taille. Zijn lichtblauwe ogen werden almaar lichtblauwer. De dichter zat er als een vorst. Hij combineerde een alerte aandacht voor zijn omgeving met een nonchalante, wat uitgezakte houding. In zijn mondhoek bungelde een sigaartje. Quasi afwezig zwaaide hij naar passanten en nam telkens een slok. Om hem heen bewogen zich uitbundige vrouwen met hese stem en korte, strakke rokjes. Hij inspecteerde hun kuiten, glimlachte maar keek ze nooit aan. Vlijtig en met overgave presenteerden de dichters hun werk. Onwillekeurig richtten zij zich vooral op de oude dichter, die zijn nagels bestudeerde. Na afloop sprong hij op, schoof zijn sigaar naar de andere mondhoek en applaudisseerde. Gevleid bestelden de dichters een rondje. Een toost van de oude dichter was hun beloning. Tevreden onderhielden de voordragers zich met elkaar over vrouwen, cafe’s en de dichtkunst, schaterlach na schaterlach schalde door de smalle straat. De oude dichter zat er wat verloren bij en volgde met lege blik de verrichtingen van zijn collega’s. Ooit was hij ook jong. Gedreven, geliefd, bewonderd. En doorgebroken. Drie bundels waren er verschenen van zijn werk. Een uitgever had brood in hem gezien. Weliswaar droog brood, maar toch. Literaire critici loofden hem, tv-presentatoren nodigden hem uit om in twee minuten zijn thema’s en doel uiteen te zetten. Met wel vier, vijf tegelijk hingen de vrouwen aan zijn lijf. Hij kon het zich permitteren ze als lastige vliegen weg te wuiven. Toen.
Na de periode in de kliniek werd het minder. Opgebrand was hij. Teveel gezopen, teveel geneukt, teveel geschreven. Kun je daar gek van worden? Hij wel. Hij had een missie. Verstrikt in de taal moest hij in de kliniek vaststellen dat missies levensgevaarlijk zijn. Nooit aan beginnen. Zijn missie was te triomferen over de taal. Hoe hovaardig. De taal is weerbarstig, neemt het altijd over, elke keer als je denkt alles onder controle te hebben. Het was een machtsstrijd die hij verloor. Hij ging een beetje dood en werd maar deels weer tot leven gewekt. Zijn borrel, zijn sigaar, zijn hoed en grijze lokken en vergane glorie, hij deed het er zo’n beetje mee. Eens per jaar, op Dichtersdag, vroeg hij zich af wat hij anders had moeten doen. Met wie. En waar. Maar vooral hoe. Dan haalde hij zijn beduimeld debuutbundeltje uit zijn zak en las weer eens. En wist dat het niet anders had kunnen gaan. Dit was wat er inzat en wat er, godlof toch, uitkwam. Meer niet. En hij mengde zich tussen de veelbelovende jonge dichters, nam een zoveelste borrel aan en liet zijn lach bulderen over het terras, de dichters, het middelgrote stadje, de Dichtersdag.
mijn woorden klonken zacht aarzelend mijn ja mijn nee nog niet kordaat al geven mijn gedachten de volle klanken van een helder ja een nee met kracht mijn stem zoekt de juiste intonatie
Ien Verrips
Hoe woorden aan het verdwijnen zijn hele zinnen op gaan in het hemelrijk je kan een vliegtuig laten landen op de keukentafel met een joystick op en neer naar Mars en interactief gezien de paus nu laten zeggen waarin je altijd hebt geloofd
conclusie met opgeheven vinger uitroepteken dubbele punt in het hemels beeldenrijk heeft iedereen het ogenschijnlijke gelijk
jij doet de doden om vandaag een dodendas een dodenjas klaar voor buiten – wat ze willen krijgen ze ze willen uit aardedonker licht arie waar is pappa
de dodendans een signaal daar komen zij – uit holen en paleizen die dans de twee minutenmars een lange hogehakkenmars de dam en zij ruikt olie
zwijgt als een woestijn als olie op het vuur van olie is altijd olie is altijd vuur is altijd olie op het vuur is altijd commercieel als klompen
is altijd dam is altijd orde altijd krans en nog een krans een kringetje van jongetjes en meisjes een dodendans – is altijd groeten knikken groeten altijd groeten altijd dans – is altijd uniform
ze spreken uit één mond – een dodenmond de echte doden leven nog zij trekt haar spijkerjasje uit arie waar is pappa zij is bij pappa – hij slaapt met haar