De nacht is niet sympatiek de nacht is wreed zonder kaarsen is de nacht een schaduw die niet wil wijken.
Ik blijf maar naar je kijken, ik heb spoken in de kast verjaagd wanneer ontdek ik ons geheim…
Laten we dit spel niet imiteren het is bijna genant hoe wij elkander steeds bezeren.
Liefste leg je beide armen opzij en kleed me uit, de nacht is warm en zwoel woel niet verder onder de dunne deken.
Hier in deze lichamen zullen wij het spokenspel verbazen want wij liggen niet meer in de herinnering en voel het lief op de schaal van Richter de aardbeving van onze gevoelens is nabij.
onze juryvoorzitter Jeanine Hoedemakers heeft gesproken – ik wil haar even in het zonnetje – dank voor je invoelende commentaar. dank ook aan de dichters voor de gloedvolle woorden. het was mooi deze week. Jeanine meldt:
Goud Frans Terken Zilver Cartouche Brons Anke en Petra
Iedereen bedankt voor de inzendingen. Het is elke keer weer een spannend en verrassend leesfeest.
Fijne zondag!
Uw aller Jeanine
Petra Maria – alsof gelukkig zijn er niet toe doet
Marc Tiefenthal – je glimlacht warm tot afgunst van de zon
Frans Terken – dat wie zij is mij vleugels geeft
Cartouche – zeg me
Anke Labrie – zo nabij kon ik nog nooit
Erika De Stercke – in de nachten waar jij ontbreekt
Rik van Boeckel – zij slaan kraters zij slaan kraters
Lisan Lauvenberg – dat je op een dag zo zult verdwijnen
wedstrijd echt gesloten!
naar de regels die peter posthumus ons aandroeg in het vorige item – de zondagochtendwedstrijd op pomgedichten – nou ja wedstrijd – wie wint de enige echte virtuele ‘zeg het zoals het nooit meer klinken zal – zeg het dan met die paar woordendie er over zijn..’ op pomgedichten? zeg het – zeg het hier asjeblieft. – een heerlijk dramatisch thema deze week. alle vrijheid voor de dichters – onze inmiddels beroemde jeanine hoedemakers voor de broodnodige correcties als juryvoorzitter – uw webmaster voor de vrolijke noot én pomgedichten voor uw noodzakelijke zuurstof met vleugjes CO2 uitstoot. hoe dan ook – u kent de regels – zeg het… zeg het hier… asjeblieft!
de gedichten niet te lang svp – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd.
is er nog iemand die van mij houden wil
iemand die zegt: je was lief voor me, die avond je hielp me in het weten hoe het was om naast je te zijn in zo heel veel
in hoe je deed en altijd doet, die kleine gebaren waarin je me voor laat gaan bij een deur in hoe je naast me zat en keek zo mooi, meer dan mooi meer dan zeldzaam, onbenoembaar
iemand die zegt: dat er een liefde in mijn leven was en is die bijzonderder is dan alle liefdes die ik kende bijzonderder dan liefdes die ik in boeken lees of die ik me ooit voor had kunnen stellen
steeds dieper voel ik dat door alles wat we mee maakten door alles heen om bij elkaar uit te kunnen komen om elke keer weer te kunnen kijken zoals die eerste keer
iemand die zegt: dat de stilte in mij waarop ik altijd terug kan vallen daar waar verder niemand is waar ik ooit alleen met me zelf sprak
iemand die dan zegt: dáár ben jij en ga je niet én dieper kan niet dieper bestaat niet, lief
pw
ZEG HET ME
zijn wij te ver te laat en puur alleen omdat ik zweeg
jij iets achterliet van verwachting
wat ons verscheurt in eenzaamheid terwijl we doen
alsof gelukkig zijn er niet toe doet
tenzij ik jou terugvind jij mij kust
omdat het nooit iets anders is geweest
Petra Maria
pom: prachtige regels van peter posthumus – de emotie mag vandaag de vrije hand hebben. over de top ik zal er niet bij klagen. heerlijk. gooi het eruit maar dam het tegelijk wel in – en de dichters van pomgedichten slagen daar elke week weer in – dank jullie wel voor de inzendingen. nou dan hebben we aan petra een goeie – terug uit het land löss – thuis is de zoektocht opnieuw begonnen – de geliefde op afstand en zo dichtbij. omdat het altijd al zo was lezen we in de laatste regels. de afstand in de eerste strofe de omarming in de laatste – feitelijk heeft ze niet iets tastbaars gevonden maar hebben we wel – en petra voorop – de poëzie.
jeanine: Petra Maria
terwijl we doen alsof gelukkig zijn er niet toe doet
Deze regels til ik uit het gedicht, voor mij is dit de essentie. De regels dragen de rest, ze vertellen me hoe belangrijk praten is. Zwijgen mag dan goud zijn, liefde is onbetaalbaar. Zeg het haar! Zie je Petra, ik neem het op voor de dichter, die hier in alle eenvoud nog een ‘tenzij’ biedt. Een onmiskenbare opening naar een herstart van iets wat wegglipt. Het gaat voorbij, tenzij…
Een in de hand lopende reggae
Mijn welbevinden in je tepelhof, op weg naar die van Eden, is het punt.
Mijn punt jouw punt. Uitgepunt en hoe langer hoe meer wezig, aan en af, komen wij er. Woorden vallen gaande weg, nog even mompel ik rozentuin zonder doornen, je glimlacht warm tot afgunst van de zon.
Er ligt een hoerastemming op elk van ons te wachten tot ver na het ontwaken.
— marc tiefenthal dichter essayist / poète essayiste Sint-Niklaas
pom: zelfs tiefenthal gaat uit zijn dak – zo erg dat ie de woorden door elkaar husselt. het ontbijtje staat klaar begrijp ik. een poëtisch ontbijtje – dat moet gezegd.
jeanine: marc tiefenthal dichter essayist / poète essayiste Sint-Niklaas
Laat zo die zon maar afgunstig zijn, is wat ik denk. Er gaat niet veel boven een warme glimlach. En dan die hoerastemming. Hoe meer wezig, aan en af, is weer zo’n heuse Tiefenthal constructie. Het is goed dat ik doorlas, bij tepelhof zat ik even verward om me heen te koekeloeren, waar is dan dat Eden, ik vroeg het me af want tja, ook hier dat spel met ‘bestaande begrippen’ . Ik zet er even van die haakjes omheen, om discussie te vermijden. Tot ver na het ontwaken zal ik je woorden dragen.
Muze
Ik schijf mijn muze op een voetstuk bewierook haar met een overvloed aan woorden van verwondering
schrijf mij meer zegt ze wat ik vanbinnen overhoud is een bede om jou alles te geven
wil haar toefluisteren dat wie zij is mij vleugels geeft m’n hand trilt boven het blad
het blijft onzegbaar dat ze meer nog alles is in haar aanwezigheid
haar om me heen voelen op welke afstand ook elke groet ademt een zoen
FT 15.06.2019
pom: een op en neer aan emoties – de beweging in de eerste drie strofen van dit gedicht en de adembenemende conclusies in de laatste twee strofen. hoe de dichter naar een voetstuk kan opvliegen. het is allemaal mogelijk in de poëzie.
Jeanine: FT 15.06.2019
Wat een ontzettend mooi begin, die eerste twee strofes. Bij de derde strofe lees je natuurlijk wel dat de dichter weer zelf aan het woord is maar toch mis ik hier het simpele ‘ik’. Dan de strofe in haikustijl/vorm gegoten. Waarna de slotstrofe, met als laatste regel, onder het motto, ik til dit gedicht nog eens even flink op ; elke groet ademt een zoen. De dichter die zelf in vervoering raakte tijdens het schrijven van een vers, dit dacht ik al lezend te proeven. Wat wil je als lezer nog meer?
Zeg me
Zeg me, noem me noem me maar gestoord zo als het nooit klinken zal nachtschade, fluitenkruid, dovenetel al wat ik wil is woord – loos contact dat kan niet verbeterd worden
laat me alsjeblieft mij in jou verzwijgen zo alleen, met blote hand valt een tuin te begieten maken, bekennen wij elkaar
wijsheid is inzicht, kennis van al wat zicht- en voelbaar in woord-delen bij elkaar komt gaf jij me te verstaan. Nee, veel meer weet ik mij, dichter – bij een prinsentuin het enige, dat bij uitstek telt als jij mijn schat, me zeggen kunt :
hoe om te gaan met gebrek
15-06-2019 / Cartouche
pom: o dit is liefdesgedicht van cartouche voor bregje zonderland – jeanine zal vreemd opkijken deze morgen. de vrede lijkt getekend – cartouche aanvaardt. én hij noemt haar ‘schat’- dat hadden we niet durven dromen. eindelijk heeft de liefde toegeslagen bij cartouche – blijkt zij toch bregje te heten. ook hier net als bij tiefenthal springen de woorden en woorddelen uit emotie soms alle kanten op.
jeanine: 15-06-2019 / Cartouche
Even dacht ik aan Maria Neeltje Min maar dat verwierp ik al snel. Hoe om te gaan met gebrek, ach toch…..met toegeven dat het er één is ben je al een heel eind. Ik vind dat je een mooi gedicht schreef en voel me een beetje aangesproken, al kan ik niet precies zeggen waarom. Misschien was Bregje/ik te streng? Te wijsneuzerig wellicht.
laat me alsjeblieft mij in jou verzwijgen zo alleen, met blote hand valt een tuin te begieten maken, bekennen wij elkaar
Van de eerste strofe zou je de eerste regel kunnen schrappen, dan komt het gedicht sterker binnen maar noodzakelijk is het niet. Ik denk dat je gedicht mij wel duidelijk is. Je moppert, bent te nadrukkelijk onder een loep gelegd waartegen je jezelf verzet. Heerlijk hè, als je dat om kunt zetten in poëzie. Bijna net zo fijn als het hebben van een tante die de dingen bij naam durft te noemen omdat ze vindt dat ze oud is en veel inzichten verwierf. Brekje, zei ze net, nou ja, ze siste het meer, Brekje, die Cartouche is bang. Voor mij tante? Nee Brekje, natuurlijk niet, voor mij! Oh, eh, ja tante, dat zal het zijn
de maskers zijn aan het verdwijnen zo nabij kon ik nog nooit ik houd haar hand nog even vast die nu pas mijn warmte kan ontvangen
deze blijkt mijn leven lang ondanks alle barre winters toch ergens te zijn opgeslagen
voor het eerst geen u ook moeder past hier niet hier ligt een doodmoe kind dat altijd groot moest zijn
zacht fluister ik haar meisjesnaam
anke labrie
pom: een scene uit een leven – beter gezegd uit twee levens – uiteindelijk mocht het toch nog gebeuren – lezen we – de bijna stilte in dit gedicht schreeuwt in stilte – de woorden en de dichter fluisteren mee.
jeanine: anke labrie
Ach, wat vreselijk mooi en gevoelig neergezet. Een moeder op haar kwetsbaarst. En de dochter voelt en vindt best wel het een en ander maar ze ziet die kwetsbaarheid en voelt het oergevoel naar boven komen. Warmte, genegenheid. De dochter neemt de rol over en noemt de moeder bij haar meisjesnaam. Je zou kunnen zeggen, hier vloeit iets in elkaar over waar we als dichter nog veel over kunnen schrijven, uitpluizen en nadenken, terwijl we diep vanbinnen haarfijn weten wat er zich voltrekt. Eigen wensen, grieven, onvermogen, het doet er even allemaal niet meer toe. Enkel de warmte telt. Een warmte die opgeroepen werd door breekbaarheid. Heel puur.
de spam-spom-groeten
Afspraak We omarmen elkaar, al is er de afstand, ik hou je onder mijn vleugels om te verwarmen in de nachten waar jij ontbreekt.
Lieve woorden, ze vliegen met de wind mee, vinden het open raam waar jij wordt verwacht op een bed van overtreffingen.
In brieven prikken de agenda’s een datum, je kleurt hem zoet aan de randen en ik kus hem dagelijks met mijn muskusgeur.
Vensters sluiten, deuren zitten klem en wij, bij dit treffen rollebollen door de uren alsof het is de eerste keer.
Erika De Stercke
pom: hoe ik het gedicht ook lees steeds lees ik en val ik stil bij ‘een bed van overtreffingen’- ik tracht het mij voor te stellen. het is in ieder geval belgisch taalgebruik – in amsterdam kennen we dat type bedden niet. goede morgen meneer – goede morgen meneer wolluf. wat mag ik voor u betekenen. ik ben toe aan een bed van overtreffingen – o loopt u maar even mee. we hebben ze in alle soorten en maten – kijk dat is DE ERIKA – ons paradepaardje overtreft alles. daar kan DE BARNAS niet tegenop, DE DECKWITZ met al die aanstellerige details al helemaal niet en zelfs DE HAGAR valt hierbij in het niet.
jeanine; Erika De Stercke
Fijn taalspel zie ik hier, bijvoorbeeld de agenda’s die een datum prikken in brieven. Dan die tweede strofe met de regel, een bed van overtreffingen. Ja, denk ik dan, daar wacht ze, de geliefde, hoopvol en in de wetenschap dat haar geliefde verrast zal zijn door hetgeen zij te geven heeft. Alles gaat ze overtreffen. Haar bed. De overtreffende trap aller bedden. Dan de laatste strofe, daar denk ik meteen, zie je wel, ik heb gelijk. Lekker rollebollen door de uren, alsof het de eerste keer is… waarom alsof het is de eerste keer? Wat maakt poëzie tot poëzie, een regel die de lezer even ophoudt, of de totaliteit? Soms weten we het niet zeker. Zelf zou ik kiezen voor een gewone vloeiende overgang, immers dat wenst de dichter ook waar het de liefde betreft.
Onze stem
De dagen zullen vertellen hoe de jaren voorbij hebben geklonken
de sterren zullen aanschouwen hoe het universum leeft in ons
de woorden zijn als supernova’s exploderend in de poëzie van ons lichaam
zij slaan kraters zij slaan kraters symbolen van ons leven op aarde
zij verzinnen zij bezinnen zij verdienen onze stem onschuldige tedere ademhaling
zij zingen het owidowido patararama van ons hartelijk gedachtenstelsel.
Rik van Boeckel 16 juni 2019
jeanine: Rik van Boeckel 16 juni 2019
Bij de laatste drie strofes begin ik zowaar te neuriën. Wat leuk en wat een gezellige regels zijn het. Bij die ontploffende supernova’s hou ik mijn adem even in. Dat is echt andere koek dan die regels die me doen neuriën. Lekker vlot geschreven gedicht. Dankjewel Rik, vooral voor het feit dat je me muziek bracht.
Jij werd zo hard bij mij weggerukt in de nacht, vlak nadat je kwam dat ik jaren later nog, als je hand me loslaat in een diep verdriet schiet omdat ik niet op een weerzien durf te hopen.
Jij groeide groter met de jaren en verliet me nooit, al woonde je in barakken overleefde op bier, wijn en heel veel chips, ons blije weerzien is gebleven maar de angst verkleint maar niet.
Dat je op een dag zo zult verdwijnen als je in mijn leven kwam, in het donker met geweld en al op de wereld gezet.
Hoe gekoesterd je ook en hoe geliefd je al die jaren bent geweest en gebleven in je mooie gezicht weerspiegelt mijn verdriet.
Maar de liefde, de liefde is gebleven. Die verdwijnt gelukkig niet.
Helemaal vatten doe ik het gedicht niet. Gaat het over een kind of een geliefde? Ik denk als eerste aan een kind maar het kind werd bij de moeder weggehaald? Het groeide ergens anders op en dat ging niet goed, terwijl het tegelijkertijd ook in het gemis van de moeder verder groeide? Ook bij de weggerukte geliefde is gemis zichtbaar maar anders, iets wat de achtergebleven moeder/geliefde verdriet doet. Ik begrijp uit de woorden dat de moeder het kind terugzag maar bedenk me dat ik er volledig naast kan zitten. ‘In je mooie gezicht weerspiegelt mijn verdriet ‘ Het komt door die regel in combinatie met de eerste strofe dat ik wat op drift raak. Vergeef het me maar als ik er naast zit.
Zeg het met zoveel woorden als dat er nodig zijn bevrijd van iedere bedoeling en bedoeld om te ontkennen
zeg het zo dat nooit iets schaamtelozer heeft geklonken zeg het zoals het nooit meer klinken zal zeg het dan met die paar woorden die er over zijn dan zul je zien dan raast de aarde de sterren tegemoet
Het regende, zoals het dat in
Nederland wel vaker doet. Op mijn ov-fiets peddelde ik over een de nagenoeg verlaten
Vleutenseweg in Utrecht, onderweg naar een afspraak. Op een afstand van vijftig
meter zag ik een jongen oversteken. Snel gerekend kon ik inschatten dat onze
paden exact zouden kruisen. Verkeerstechnisch zou ik op het moment van kruisen
voorrang hebben. Het moment kwam steeds dichterbij. Twee deeltjes in de ruimte.
Een paar seconden later
kruisten onze paden. Ik reed vlak voor hem langs. De afstand kan niet meer dan
een meter zijn geweest. In die korte tijd bekeek ik zijn gezicht. De jongen had
een andere etniciteit dan ik. Hij droeg een capuchon over zijn hoofd, hetgeen
bij dit weer niet vreemd hoeft te zijn. Ik droeg zelf ook een capuchon. De blik
die ik ontmoette was een boze. We hadden een echte ‘gangster’ aan de hand.
Terwijl ik doorfietste stelde
ik me voor dat ik doorlaadde en hem een paar kogels door zijn knieën zou jagen
alvorens hem na wat monumentale laatste woorden een voet op de nek te zetten en
zijn gezicht aan flarden zou schieten. Want zo eindigen gangsters doorgaans. Dit
gebeurde niet, want ik had geen pistool bij me. Ik heb namelijk helemaal geen
pistool en schiet ook geen mensen neer. Wat ik intussen wel geleerd heb, is dat
ik zo niet in elkaar steek. Er is wel een groot gevoel van bereidheid, maar
mijn praktische verstand houdt me van dat soort daden af. Nog even afgezien van
het feit dat ik gewoon een heel zacht karakter heb.
Wat ik wel in zijn blik
herkende en ook waarom de gedachte in me opkwam, was een spiegel. Zijn boze
gezicht herinnerde me vooral aan de zinloze boosheid die in mensen heerst. Een
boosheid die vaak niet nodig is en niet ondersteund wordt met het nodige
vermogen om er echt daden mee te stellen die iets goeds vertegenwoordigen. Het
is een boosheid die vaak alleen leidt tot zielige toestanden. Het met een grote
groep een zwakkere enkeling in elkaar slaan, een oud vrouwtje beroven, een weerloos
meisje aanranden, de wereld uitschelden, omdat alles zo onterecht is. Het is
een boosheid die gelijkstaat met machteloosheid en zwakheid, zich enkel uitend
in verderfelijke boosaardigheid en latere spijt.
Dat zie je helder als je
veertig bent geweest en zonder bezwaar door de regen kan fietsen. Als je
twintig bent, denk je waarschijnlijk nog dat het zin heeft. En toch heb ik
gisteren mijn fiets omgedraaid en ben teruggefietst en heb de jongen
teruggeroepen. ‘Vuile tyfusleier!!! Kom ’s effe terug jij!!!’ Hij draaide zich
om en liep mijn kant uit. Daar stonden we tegenover elkaar in de regen. Ik gaf
hem een duw tegen zijn borst. Hij gaf mij een duw. We weken niet. En toen
lachte hij ineens. Ik volgde zijn voorbeeld. Daar stonden we dan, nergens, in
de regen. Stoer te doen. Half half verwachtte ik nog wel een rechtste hoek,
maar die kwam niet. De jongen draaide zich om en liep weg.
Hoi Pom, de recente storm in de nacht van woensdag op donderdag en de bouwwoede van Amsterdam, brachten me tot deze tekst, in de bijlage,
Groet, Merik
Storm
Straks klussen de smeerlappen weer; dakpannen vallen tot gruis, bomen ontworteld, hagelstenen als eieren zo groot verwonden mens en dier.
Voor gloednieuwe winkels verrijzen en woningen spik-en-span klussen de smeerlappen weer; nog wat groenige rotzooi opgeruimd, nog wat scharrelen bij de plinten weggejaagd,
Ditmar Bakker legt collega Sander Meij eens even haarfijn uit hoe het zit met dat vertalen: een college van brontaal naar doeltaal!
Sander Meij ooit over de informatiedichtheid van Ditmar Bakker: “De wederom in badjas gehulde Ditmar Bakker, die de eerste ronde afsloot, is op z’n minst een dichter die altijd vragen oproept. En daarom wordt hij zowel geprezen als verguisd. Hoe het ook zij, ook op deze avond overstelpte hij zijn publiek op verontrustend olijke wijze met ollekebollekeachtige gedichten waarin vaak een zwartromantische fascinatie voor viezigheid doorklinkt. Althans, als ik een en ander goed verstaan heb (neem bijvoorbeeld ‘de aars bewrat’). Dat goed verstaan ligt trouwens niet alleen aan mijn gebrekkige gehoor, maar ook aan de informatiedichtheid die Ditmars werk kenmerkt. “.
Ditmar Bakker legt collega Sander Meij eens even haarfijn uit hoe het zit met dat vertalen: een college van brontaal naar doeltaal!
I.
Met Meij in het haar met Meij De
onvolprezen S.M. vond eerder bericht geraaskal—handschoen genoeg om één en ander
euhm, ah, *doorzichtiger* te formuleren voor de beste man.
Centraal staat de strategie van het vertalen, waarin ik mij discipel
(hihihihihi—zoek maar op) van Nida waan. Grond genoeg om één en ander te
verduidelijken en middels een voorbeeld te expliciteren.
Wanneer over ‘vertaalstrategie’ wordt gesproken raak ik altijd een beetje
driftig: er ligt immers een tekst in een brontaal die er moet komen te liggen in
een doeltaal. Vormaspecten dienen daarbij waar mogelijk behouden te worden
zonder geweld aan de inhoud te doen. Een werk dat op rijm is geschreven
reproducere (want modulaties ten spijt is het resultaat toch een soort
reproductie—één die hopelijk gelijk Pygmalions beeld leven in te blazen valt)
men dus men gebruikmakend van een vorm van rijm in de doeltaal, of haar
literair-cultureel (want door taal) bepaald equivalent in
vertaling. In Filter wordt dergelijks door vertalers
wel omschreven als maximaal vertalen. Nu, daar ben ik helemaal vóór—de
huidige trend van rijmende verzen hertalen tot proza[1] begrijp ik niet. Het aan Frost toegeschreven
adagium volgend gaat er opeens wel véél verloren, immers. Of ging het soms
gewoon om rijmend proza?! Een onoplosbare kwestie… Er moet
nu echter gesproken worden over een strategie; hierbij vermeld ik dan maar dat
ik het concept van Eugene Nida’s ‘dynamische’ versus ‘formele’ equivalentie
aanhang, hier toegelicht middels een (volgens Filter apocrief[2], maar dermate beeldend dat het op de Pom niet
misstond, zo dacht ik) verhaal over de Inuit, een zeeleeuw en het lam Gods.
Waarmee ik eigenlijk de clou al weggeef—god, ik kan mijn tong wel
afbijten. Het verhaal volgend, zou Nida hebben verteld over
het probleem van vertaling van bepaalde begrippen rondom de Abrahamitische God
naar (literaire) culturen die het concept van enkele van die te vertalen
begrippen of ‘woorden’, in het geheel niet kenden. Het genomen voorbeeld is nu
dat van het Lam Gods. In het Engels simpelweg te vertalen als het lammetje van
god: The Lamb of God. Europese doeltalen, onder anderen door schaapshoeders
gesproken, ondervinden weinig problemen wanneer zij het Lam Gods in
hun formeel equivalent voorgeschoteld krijgen. Wat, echter, te doen
wanneer het volk dat de doeltaal spreekt (in dit geval een vorm van Inuit) in
het geheel geen schapen kent—en een lief lam dus evenmin? Een neologisme vormen
dat het dier in al zijn eigenschappen omschrijft? Nee, zei Nida: in dat geval
zoeke men een dynamisch equivalent, dat de gevoelswaarde van het
originele concept zoveel mogelijk overbrengt in de cultuur van de doeltaal. In
het geval van de Inuit werd het lammetje een jonge
zeeleeuw. Immers is een zeeleeuw net zo onschuldig, net zo
blank, waarschijnlijk—een optelsom van de verschillende connotaties die het
woord voor het concept bij zijn lezers moet oproepen. Zo er
zich problemen voordoen bij het omzetten van een begrip—hierbij wil ik opmerken
dat het woord ‘begrip’ voor mij als vertaler zowel woord als concept behelst,
als het ware als hors-texte (want die is er natuurlijk wèl, en zij zweeft
tussen dichter en vertaler)—naar een woord of woordgroep in het Nederlands,
tracht ik te zoeken naar een dynamisch equivalent waar het formele niet voldoet,
ofwel door semantische (het begrip bestaat niet, zoals bij het lam en de
zeeleeuw) of nuanceringsproblemen (de connotationele waarde van het woord in de
doeltaal wijkt dermate af van die in de brontaal dat overzetten problematisch
is), ofwel door problematiek in het behouden van vormaspecten, doordat het voor
de hand liggend formeel equivalent—bijvoorbeeld—in eindrijmpositie staat en een
uitgang vraagt die in het Nederlands volstrekt niet gangbaar is. In dergelijke
gevallen kan een dynamisch equivalent uitkomst bieden—en dit is nog in lijn met
het ‘maximaal’ vertalen zoals hierboven genoemd ook. Laat ons een bekend sonnet
ter hand nemen—één van de koningin van het 20e-eeuwse light
verse: Dorothy Parker.
ON AN ALPINE NIGHT My
hand, a little raised, might press a star— Where I may look, the frosted
peaks are spun, So shaped before Olympus was begun, Spanned each to each,
now, by a silver bar. Thus to face Beauty have I traveled far, But now, as
if around my heart were run Hard, lacing fingers, so I stand undone. Of
all my tears, the bitterest these are.
Who humbly followed Beauty all her
ways, Begging the brambles that her robe had passed, Crying her name in
corridors of stone, That day shall know his weariedest of days— When
Beauty, still and suppliant at last, Does not suffice him, once they are
alone. [D.P.]
II. Naar een maximale vertaling Men mag
van een vormvast dichteres die een klassieke vorm ter hand neemt verwachten dat
de uitwerking hiervan dan ook op de klassieke manier vergaat, en in zekere zin
is dat ook zo bij dit sonnet. Vóór vertaling een lezing en
voorzichtige analyse—men kan geen begin vertalen als men niet weet hoe het
sluit. De titel geeft al aan de lezer aan dat er sprake is van een vertelsel,
een inhoudelijk gebeuren, rondom een Alpennacht, of een ‘Alpse nacht’ dan wel
‘nacht der Alpen’, letterlijker. De eerste regel zet onmiddellijk het décor: de
protagonist, uitgaande van anekdotiek, of het lyrisch ik, uitgaande van lyriek,
bevindt zich op een plaats die zó dicht op het uitspansel zit, dat het eenvoudig
oprichten van een hand haast tot de sterren reiken doet. Dit uitkijkje wordt
gedurende het eerste kwatrijn verder uitgesponnen, zoals het uitgespannen was in
ijzige toppen sedert de Olympus zelve stond. Hier dien ik
iets op te biechten—alleen in gevallen waar de vorm dit absoluut noodzakelijk
maakt, maak ik na lezing een structurele analyse van het werk. Vaker is het zo
dat tijdens lezing al wat schichtjes door het hoofd schieten, aanzetjes tot
verdere vertaling. Die vangen meest aan met de eerste regel, zodat dát de plaats
is waar ik liefst begin, en waarbij ik dáármee toch ook uitga van de meest aan
de wortel, de oorsprong, liggende plaats waar de oorspronkelijke auteur zelf
tevens begonnen moet zijn geweest vóór afwerking van het geheel—hoeveel revisies
het werk dan ook mag hebben gekregen. Dat—in het kader van een ‘tactiek in
vertaling’, wellicht—toegevoegd, op naar het tweede
kwatrijn. Waar met “Thus to face beauty” het thema van het
geheel nader tot uitdrukking komt: het lyrisch ik is, parafraserend, naar verre,
mooie oorden gereisd zoals nu de alpen, maar weent toch bittere (de bitterste!)
tranen ooit, vanwege de harde, wringende vingers die nu wel om het hart lijken
te liggen. De chute in het geheel maakt de weg vrij voor een
moraliserend sestet, waarin aangegeven wordt (onder andere middels een
enigmatisch beeld; “begging the brambles”, met bijbelse connotaties) dat de
allegorische Schoonheid, steeds met hoofdletter geschreven en daardoor zowel
mogelijk refererend aan een concept als aan een concrete invulling van die
schoonheid, niet voldoet, “once they are alone”. Dit beeld wordt
verder verbeeld door het eerder genoemde “begging the brambles” en
“corridors of stone”—die zoveel kunnen beduiden en niet automatisch
gelijkgesteld mogen worden met de muren van Manhattan. Het grossiert in
superlatieven: “bitterest tears”, “all her ways”, “weariedest of days”, “at
last” en emotioneel geladen werkwoorden als “begging”, “crying”. Het effect is
bepaald te zeggen dramatisch, met een hoofdrol voor de geschaakte
schoonheid—geschaakt!—en ‘the days of man’ in het sestet, waar het
lyrisch ik door het gebruik van mannelijk gekleurde pronomina in r. 12 en 14
vrijwel ontkoppeld raakt met datgeen uit het kwatrijn (specifiek het “I” in r.
7). Tot dusver een aanzet tot analyse die enkele
zwaartepunten voor het eindresultaat aangeven: we zetten in op een sonnet dat
het oorspronkelijke rijmschema in volgorde en aantal rijmen volgt. Twee
kwatrijnen die plaats, handeling en persoon weergeven en een sestet-vol-moraal.
Zijn er pijnpunten te vinden vóór vertaling? De derde regel lijkt in het
Nederlands wat wollig en lang te worden als we die helemaal willen vertalen. Wat
is voorts een ‘silver bar’ precies in het Nederlands? En worden toppen bij ons
wel gesponnen? Er valt ook niet veel garen te spinnen bij de uitgang – onnen:
ge/ver/wonnen, be/verzonnen, geronnen…weinig
bruikbaars. Zoals ik bekende begint een vertaling meest het
‘fijnst’ aan het begin van het gedicht, en dat laat zich nu vrij probleemloos in
een jambische pentameter vertalen: ‘Mijn hand’, want dáár begint het nu eenmaal
mee, die hand die opgericht wordt, raakt haast een ster. Bam, dat staat. Om het
naadloos te laten passen maken we er “Mijn hand, wat opgericht, raakt haast een
ster” van. We hebben ons dan voorlopig gecondamneerd tot een op het eerste
gezicht wat schaarse rijmuitgang -er (ster, ver, er, …) als we ons realiseren
dat ook Jupiter op die Olympus woonde, en die toch ook behoorlijk oud was of is
naar hedendaagse maatstaven. Dat biedt een uitgangspunt—hoewel er van een mythe
waarin Jupiter bergen maakt geen sprake is, zal de metonymische verschuiving de
meeste lezers niet hinderen. Tijd om een tweede uitgang te
kiezen dus. Hier merke men op dat het origineel uitgaat van enkel mannelijke
rijmuitgangen. Van een codespraak in uitgangen lijkt geen sprake te zijn, noch
worden er vreemde streken met het rijm uitgehaald. Het lijkt dus een vormaspect
dat dermate weinig definiërend is voor de volledigheid van het werk, dat we er
ons enige speling in kunnen veroorloven, zodat een mannelijk rijm niet per sé
noodzakelijk is. Wel moet er gekort worden. “Where I may
look”—Ik zie. We hebben de persoon al in de bergen geplaatst—of dat doen we nu
door als werktitel ‘Op een nacht in de Alpen’ te nemen samen met die eerste
regel en ik zie slechts…ijzige? Nee, wítte bergtoppen, waarmee we dat ‘spun’
toch nog een beetje in de witte wol(ken) op de toppen laten rusten. En dan is
het even puzzelen…we kunnen Jupiter nu wel mee laten doen, maar we hebben nog
een extra rijmwoord nodig. Eerst opschrijven maar, waarmee een aanzet wordt
gezet tot het eerste kwatrijn. Als we nog losser werken en proberen dat later op
te lossen, proberen we die ‘siver bar’—een zilveren streep? Is dat mooi
Nederlands?—te laten rijmen met een eerder gebruikt element in rijmpositie en
hechten het aan elkaar. Zo komen we aan het eerste kwatrijn, maar we zien dat we
het omarmende rijm nu al losgelaten hebben en een (toch mannelijk!) kruisend
rijm hebben geconstrueerd. Nu is het zo dat Parker een
Petrarcaans schema gebruikt, waar wij nu een aanzet toe hebben is een Siciliaans
schema (ABAB). Besloten wordt, het kwatrijn te laten staan, eenzelfde kruisende
variant te nemen voor het tweede kwatrijn van het octaaf en te zien of het ons
iets evenwichtigs oplevert. Waarschijnlijk heeft de cadans van twee terugkerende
rijmklanken in het hele octaaf méér van doen met het totale effect van het rijm,
dan de precieze manier waarop dit geschikt is. Met andere woorden: het is
waardevoller twee rijmklanken te gebruiken in iets andere schikking dan het
origineel, dan het aantal rijmklanken te vermeerderen. Er wordt dus een knieval
gemaakt waarbij zoveel mogelijk van het originele effect wordt getracht te
behouden. Om dit toch in elk geval te doen slagen moet nu
verder gewerkt worden met de uitgangen -ier en -er. Far/ver ligt voor de
hand en resoneerde wellicht al in het hoofd bij het neerschrijven van ‘ster’,
naargelang er vingers gebruikt worden ligt ‘manier’ in zekere zin ook al op de
loer (oorspronkelijk Lat. manus, hand). Verder lijken de ‘wrangste
tranen’ in zekere zin equivalent met ‘bitterest tears’. We willen in elk geval
het ‘er’ en ‘ver’ erin fietsen als er een rijm door het hoofd flitst voor de
laatste regels: van ‘of all’ maken we ‘tot zover’ en om Schoonheid in regel 5
daadwerkelijk met het gezicht toe te treden reizen we wel ‘ver’, maar met haar
‘in het vizier’ rijmend! Waarmee we ‘ver’ letterlijk kunnen gebruiken in de
vijfde regel maar het rijke rijm ermee in de laatste regel van het octaaf
kwijtraken. Het verplaatsen van ‘lacing’ naar de zesde regel in vertaling,
waarbij we er steeds voor opletten jambisch te werken en daarbij haast de
vingers van onze linkerhand verrekken, als ‘verstrikkend’, en de opvolging door
het typisch Nederlandse woordje ‘er’, dat immers zo vaak ingevoegd kan worden en
ruimte biedt tot explicitering of duiding van het voorgaande; die twee zaken
bieden de ruimte om het octaaf goed af te kunnen hechten. Om
er vervolgens achter te komen dat het schema inderdaad weinig meer weg heeft van
het oorspronkelijk Petrarcaanse. Voor nu laten we het als het is en begraven ons
in het argument dat het behouden van de twee rijmklanken in het octaaf het
voornaamste is, ongeacht hun volgorde—grof gezegd. We willen voort met het
sextet, en de klanken van het nieuwe schema zijn niet
onsierlijk. Het sextet wordt makkelijk begonnen met het
bezwerende ‘wie’, waarna we vrij letterlijk kunnen vertalen, een elisie lezend
om het jambische metrum vol te houden, waarbij we plaats van lijdend voorwerp
(Schoonheid) en vervoegd werkwoord (volgde) omdraaien om de Nederlandse
vervoegde bijzin te maken die de langere zin, waar het sextet immers idealiter
in zijn geheel uit zal moeten bestaan, moet ondersteunen. Het ‘schaken’ zit nog
steeds in ons hoofd en we maken de mentale notite ‘schaken/raken/maken’ om te
zien of het passen zal. Wat vorsen is nodig voor het
mysterieuze ‘begging the brambles’: welk beeld tracht dichteres hier op te
roepen? Dan doemt de arenlezende Ruth op voor het geestesoog der lezer: te zien
valt hoe schoonheid in zijn of haar jak achtervolgd wordt door een ik, zij het
niet direct het lyrisch ik uit het eerste octaaf, maar één dat eerder De Mens
omvat. De mens jaagt Schoonheid na en leest daarbij ‘the brambles’, de prikkende
struiken, die, om de alliteratie met ‘begging’ niet helemaal te verliezen,
vertaald worden als ‘steekstruiken’; gelijk Ruth aren las, op zoek naar stofjes,
plukjes van die mantel, restjes van een Schoonheid. Het
probleem dat zich hier als vanzelf opwerpt wordt opgelost met een interjectie,
een vraag als in het luchtledige: “door haar kleed geraakte?”, gescheiden door
een gedachtestreep. Daarmee wordt ook de bijbelse connotatie (“in het
boek Genesis spreekt men van kleed”) niet geheel losgelaten, daarnaast biedt
zulks ruimte om de verleden vorm van dat schaken in te voegen in het geheel:
“die uiteindelijk geschaakte / hem niet voldoet, getweeën dan alleen” dat als
vanzelf ook lijkt te rijmen met de steen die nog nodig is in de derde regel van
het sestet—het Engels rijmpaar alone/stone is vriendjes met het
Nederlandse! Daarmee lossen meer zaken op: het enjambement
in het Nederlands (“overal / steekstruiken lezend”) wordt opgevangen met zijn
-al klank door de toekomende tijd in de derde persoon van het werkwoord ‘zijn’
in het Nederlands: ‘weariedest’ laat zich voorts vertalen met ‘triestste’ in
gelijkend mondgevoel en -geluid, en schakeert zich naast de vertaling voor ‘will
know’. Verkregen wordt “De triestste van zijn dagen kennen zal / als Schoonheid,
die uiteindelijk geschaakte / hem niet voldoet, getweeën dan alleen.” De hier
toegepaste inversie laten we de lezer dan, als om eraan te herinneren dat het
niet alles in steen gebeiteld blijft. Noem het liever een dichterlijke vrijage
met het Engels, waar de reproductie immers vanaf stamt, dan een dichterlijke
vrijheid—die zijn er immers voldoende tegenwoordig, zo u mij een persoonlijke
noot toestaat: neem een zaadgrage edoch manloze teef als hanna pest, waar ik,
tussen haken, mijn hond nog vanaf zou schoppen, die de vrijheid nam mijn
geestelijke vermogens te betwijfelen—waarschijnlijk in razernij over haar met de
dag onvruchtbaarder gerakend baarmoederwand. Kon je die maar opnieuw behangen,
meid—dan kwam er tenminste eens wat plaksel op.
EEN
NACHT IN DE ALPEN Mijn
hand, wat opgericht, raakt haast een ster— Ik zie slechts witte bergtoppen,
die hier Het landschap vormen sinds ooit Jupiter Hen bond met ijs—een
zilveren rivier. Ik reisde ver, met Schoonheid in ’t vizier, Maar nu is ’t
als lag hard, verstrikkend, er Een koude hand om ’t hart, op die
manier Mijn wrangste tranen trekkend, tot zover.
Wie need’rig
Schoonheid volgde, overal Steekstruiken lezend—door haar kleed
geraakte? En om haar schreeuwend, steeds omhuld door steen, De triestste
van zijn dagen kennen zal Als Schoonheid, die uiteindelijk geschaakte, Hem
niet voldoet, getweeën dan alleen. [D.B.]
[1] De
voorbeelden zijn te talrijk om te noemen, maar een tendens is het waaraan steeds
meer dode dichters ten prooi vallen. Wat, u wilt wèl voorbeelden? Goed:
Biesheuvels vertalingen van het Middelnederlands. Een onrijmende Divina
Commedia. Een hertaling van de exquise vertalingen-in-verzen van Marie de
France door Kisling & Verhuyck in proza! Zelfs Apollinaire verging het niet
beter sinds Kiki Coumans verdronk in zijn alcoholisch rijm en het dus losliet.
Wee ons!
[2] Zo
werd op de digitale rubriek ‘Vrijdag Vertaaldag’ uit de doeken
gedaan.
ik zocht je onder kiezels en korrels en onder het bladgoud het stof op de staande klok
ik zocht je in glazen bollen pandora’s doos pijpenlades en piratenkisten
ik zocht je op affiches op sneeuwende schermen in schreeuwerige koppen
ik zocht je in verhalen verzinsels, leugens, illusies de lege zalen na het applaus
ik zocht je met een lantaarntje met een wichelroede in een hooiberg ik zocht de jij in jou
je wilde niet gevonden worden kwijt is liever dan rijk het omhulsel werkelijker dan het lijf
Jolies Heij
jolies is vandaag lekker drieregelig bezig. bijna tegen beter weten in – lezen we in de titel van het gedicht – ze is koppig – en zie daar een heerlijk leesbaar gedicht – vol in de juiste vorm gezette emotie – een heel ander mens deze jolies heij en deze week is dichteres zoekende – ze heeft niet gevonden – een heerlijk drama. liever zoekende dan de allesweter die het zo goed weet voor zichzelf en voor ons allemaal. toch nog net in de laatste strofe het moralisme dat we liever niet tegenkomen in een gedicht. ‘ik zocht de jij in jou’ de laatste regel in de voorlaatste strofe is een prachtige afsluiter.
moralisme liever niet is natuurlijk geen algemeen geldende regel – van henriette roland holst tot aan vinkenoogtijden vierde moralisme hoogtij in de poëzie. op de pom hier niet. niet dat we de lárt pour lárt aanhangen – nee dat asjeblieft ook niet – wij van hier propageren de kracht van de taal – dat die de harten zal raken – dat de lezers diep geraakt zullen omvallen en niet meer gereanimeerd kunnen worden. dat is waar we het allemaal voor doen.
Stofplaats op schaapsscheerdersgrond waar een keutel makkelijk maansteen wordt ik ons voor de grap uit de linkerdroomduim zuig lam ben van klappen in mijn handen nu de kudde stuift een losse steen doet taal verzinnen.
Ik kan je wegkrabben uit alfabedden hier ook blijven tot wind is aangewakkerd iets van a naar b verzetten en als ik regen vang een waterplaats openen.
Vergelijk me daar hoe de dijk mij nietiger en kleiner maakt het maakt in leegte niet langer uit ik ben beslist geen open oase dat weet je zelf ook.
dichters dank jullie wel! de wedstrijd gesloten lieve lezers – we ontvingen prachtwerken over onbereikbare liefdes van voorbij om welke reden dan ook. er werd gehuild. en ach ja waarom ook niet. er werd geschreven passievol dat de stukken er van afvlogen. lees de commentaren onder de gedichten dan begrijpt u waarom ik deze week goud aan petra maria geef en cartouche het zilver. wensen we jako nog de mooiste dingen die we hem kunnen wensen. danken we jolies voor haar drieregeligheid. en herhalen we een keer iets van de poetica van deze site:
moralisme liever niet is natuurlijk geen algemeen geldende regel – van henriette roland holst tot aan vinkenoogtijden vierde moralisme hoogtij in de poëzie. op de pom hier niet. niet dat we de lárt pour lárt aanhangen – nee dat asjeblieft ook niet – wij van hier propageren de kracht van de taal – dat die de harten zal raken – dat de lezers diep geraakt zullen omvallen en niet meer gereanimeerd kunnen worden. dat is waar we het allemaal voor doen.
HET VERSTE WEG
er zijn soms dagen dat het lijkt alsof we weer samen zijn zomaar
de hemel zo blauw het kan niet anders dan bedoeld
dan fiets ik langs het huis een hand schuift het gordijn alsof ik word verwacht
bij de voordeur sijpelt het besef van alles wat ik ooit verloor ben jij het verste weg
Petra Maria 8 juni te Mechelen, Limburg no less
onze petra maria struint wat af in de vakanties en op pinksteren. om geheel verlicht weerom te keren. maar het verste weg blijft toch die ene geliefde. mooi beeld. die drie laatste regels die dodelijk aankomen:
van alles wat ik ooit verloor ben jij het verste weg
ja zo doe je dat – zo weten dichters onmogelijke thema’s in een paar woorden weer te geven. vanaf vandaag mag petra maria zich dichter noemen. deze regels neemt niemand haar ooit nog af.
Petra Maria: van alles wat ik ooit verloor ben jij het verste weg
Frans Terken: en nergens een echo om je dichterbij te halen
Jolies Heij: ik zocht de jij in jou
Rik van Boeckel: van eenheid naar verdeeldheid
Marc Tiefenthal in de dapperstraat
Anke Labrie: je kent mijn naam
Cartouche: zo onbegrijpelijk grijpbaar jou nabij
Hoi Pom, Wilde graag meedoen, maar redde het niet. Teveel vervelende dingen aan mijn hoofd. Volgende keer weer. Fijne Pinksterdagen nog. Heb het goed. Groet van Jako. ai jako ik hoop niet TE vervelend ziekte stress ellende familie jijzelf? ik wens je liefs toe en dat dat mag helpen – pomgedichten kan eigenlijk niet zonder jako xxx
wie wint de enige echte virtuele – hoe onbereikbaar zij/hij ook was (of geworden is) – in poëzie kunnen we tenminste liefdevol terug kijken – trofee op pomgedichten? kortom wie wint de onbereikbaarheidstrofee op pomgedichten?
ja dichters het thema onbereikbaarheid is aan de orde – een voor veel onrust in een leven zorgend themaatje. zeker in het leven van dichters. de tot mythische proporties uitgegroeide onbereikbare liefste – hoe het in hoofden spoken kan – totdat het over is en voorbij. totdat je niet meer kunt begrijpen dat zo een personage iets in je leven betekende. een fenomeen om voor altijd op terug te kijken maar dan wel liefdevol. U kent de regels – Uw webmaster is juryvoorzitter deze week met menselijk commentaar.
de gedichten niet te lang svp – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd.
zand
om het zo te schrijven dat het niet opgaat in de tijd
soms nog bang om door te ademen het weg te blazen
zoals alles wat in zand geschreven is weer zand wordt
zoals het was los en in alles machteloos
pom wolff
HET VERSTE WEG
er zijn soms dagen dat het lijkt alsof we weer samen zijn zomaar
de hemel zo blauw het kan niet anders dan bedoeld
dan fiets ik langs het huis een hand schuift het gordijn alsof ik word verwacht
bij de voordeur sijpelt het besef van alles wat ik ooit verloor ben jij het verste weg
Petra Maria 8 juni te Mechelen, Limburg no less
onze petra maria struint wat af in de vakanties en op pinksteren. om geheel verlicht weerom te keren. maar het verste weg blijft toch die ene geliefde. mooi beeld. die drie laatste regels die dodelijk aankomen:
van alles wat ik ooit verloor ben jij het verste weg
ja zo doe je dat – zo weten dichters onmogelijke thema’s in een paar woorden weer te geven. vanaf vandaag mag petra maria zich dichter noemen. deze regels neemt niemand haar ooit nog af.
Echo
Dat ik hier vastgeklonken aan wortels en huis terwijl jij een pelgrimstocht op weg naar een vermeende god
een geest die je met vurige tong inpalmt en zo over je beschikt het snoert mij de mond nu hij het voor het zeggen heeft
ik hoor het gras groeien hoe het je voetafdrukken vult het spoor overwoekerd onder al het onkruid amper te zien
zoals jij er al niet meer was toen je naast me op de bank je stem stiller dan eerder nog op afstand zuiver te horen
en nergens een echo om je dichterbij te halen
FT 08.06.2019
frans heeft vandaag de pech na petra maria gelezen te zijn. en natuurlijk wordt hier ook een menselijk drama weergegeven op een uitzonderlijke manier – maar net tussen een teveel aan woorden – als het ware in een verklarend verhaal daar waar poëzie op zich al indringend genoeg en compact genoeg is – bijna geen verhaal om zich heen verdraagt:
zoals jij er al niet meer was toen je naast me op de bank
de laatste 6 regels verdragen de eerste drie strofen niet:
zoals jij er al niet meer was toen je naast me op de bank je stem stiller dan eerder nog op afstand zuiver te horen en nergens een echo om je dichterbij te halen
tegen beter weten in
ik zocht je onder kiezels en korrels en onder het bladgoud het stof op de staande klok
ik zocht je in glazen bollen pandora’s doos pijpenlades en piratenkisten
ik zocht je op affiches op sneeuwende schermen in schreeuwerige koppen
ik zocht je in verhalen verzinsels, leugens, illusies de lege zalen na het applaus
ik zocht je met een lantaarntje met een wichelroede in een hooiberg ik zocht de jij in jou
je wilde niet gevonden worden kwijt is liever dan rijk het omhulsel werkelijker dan het lijf
Jolies Heij
jolies is vandaag lekker drieregelig bezig. bijna tegen beter weten in – lezen we in de titel van het gedicht – ze is koppig – en zie daar een heerlijk leesbaar gedicht – vol in de juiste vorm gezette emotie – een heel ander mens deze jolies heij en deze week is dichteres zoekende – ze heeft niet gevonden – een heerlijk drama. liever zoekende dan de allesweter die het zo goed weet voor zichzelf en voor ons allemaal. toch nog net in de laatste strofe het moralisme dat we liever niet tegenkomen in een gedicht. ‘ik zocht de jij in jou’ de laatste regel in de voorlaatste strofe is een prachtige afsluiter.
moralisme liever niet is natuurlijk geen algemeen geldende regel – van henriette roland holst tot aan vinkenoogtijden vierde moralisme hoogtij in de poëzie. op de pom hier niet. niet dat we de lárt pour lárt aanhangen – nee dat asjeblieft ook niet – wij van hier propageren de kracht van de taal – dat die de harten zal raken – dat de lezers diep geraakt zullen omvallen en niet meer gereanimeerd kunnen worden. dat is waar we het allemaal voor doen.
Dansend geheugen
Zoals ik met jou danste in de bossen voorbij het geluk
het ritme dreunde na in ons vertrokken van eenheid naar verdeeldheid
aan het strand huilen schelpen als elke streling herinnering wordt
de dagen schuldbewust verder trekken naar een wachtende oneindigheid
het geheugen danst met jou nu de foto troebel tranen steelt.
Rik van Boeckel 9 juni 2019
‘voorbij het geluk dansen’ dat is mooi gezegd rik. en dan de beschreven teloorgang van een zeldzame liefde. niet meer uit een hout gesneden deze liefde is voorbij – we zijn weer twee. en het wordt steeds erger – de schelpen huilen – de foto steelt de tranen. net over de top de woorden. tussen die regels wel weer een hele mooie waarneming: ‘als elke streling herinnering wordt …’
Ongewoon gelukkig
Ik reik je mijn hand, krijg hooguit een tand.
Nooit reik jij je voet. Laat staan aan mij.
Droog kraakt de tak. Een enkele traan volgt
— marc tiefenthal
nog meer tranen. en de tandarts kan ook uitrukken. de orthopeed erbij, de boswachter voor de afgewaaide takken en zie daar we wandelen domweg ongelukkig in de dapperstraat.
het zoeken moe heb ik besloten voor jou blijf ik altijd bereikbaar
waar ik ook naartoe zal gaan of nog even blijf
je kent mijn naam en meer nog je kent mij
anke labrie
anke schrijft in een soort van overgave de woorden op. de machteloosheid vorm gegeven in een paar machteloze woorden. de vermoeidheid spreekt als de krachten het begeven.
Hoe mijn mond het schot en de keel het mes niet vreest
hoe ik het niet uit mijn hoofd krijg die hele hoogzomer lang door leefde dat dag nacht werd en nacht hemel deken die al mijn smachten dekte
het woordenloos verpozen waarin we ons goudvis wisten – bewogen naar zuurstofschuld en ademnood tot de bodem gingen en beschonken
van het hoog gehalte liefdesvocht ons opstuwden en -joegen in de roes van roodborst en nachtegaal, de vogel die zich niet kooien noch roven laat
hoe we ons met huid en haar, nauw nader nog dan spiegelbeeld en water kwamen – niet uit te vlakken vlekken in het lijf brandden – het gat in de tijd
dat ik alleen uitwonen en – zingen mag blijven zal als dichter zo onbegrijpelijk grijpbaar jou nabij in handgesneden vel
09-06-2019 Cartouche
de passie – modern woord – iedereen gebruikt ineens het woord passie – de passie spat er van af. wordt het niet eens tijd dat we CARTOUCHE in een bundel kunnen lezen. strak geredigeerd dat wel – uitzonderlijke talenten laten zich niet in de regie stoppen – weten we ook – maar anders krijgen we nog een micha wertheimpje – 2 en een half uur briljante comedie zag ik gisteren in de meervaart – doodvermoeiend – anderhalf uur is echt veel sterker – en doet niets af aan de briljantheid. zo is het ook met Cartouche en eigenlijk ook met dit gedicht.
hoe ik het niet uit mijn hoofd krijg die hele hoogzomer lang door leefde dat dag nacht werd en nacht hemel hoe we ons met huid en haar, nauw nader nog dan spiegelbeeld en water kwamen – niet uit te vlakken vlekken in het lijf brandden – het gat in de tijd