Pom ik weet begot niet of zij het gelijk aan haar zijde had of ik. Maar in elk geval heeft Leonard Cohen altijd grandioze songs aan zijn zijde. En als je dan niet het gelijk aan je zijde hebt vind je altijd nog steun bij zijn lyrics.
Ik zwierf maar miste ieder doel. Het leven was voor mij een doos vol avonturen. Tot jij koos te leiden, onbarmhartig koel.
Ik weet het wel, ik trouwde jou in tijden, onbezorgd en vrij. Wij zweefden, maar ik voelde mij langzaam verankerd aan een vrouw.
Jouw brieven vormen nu de draad naar een verleden zonder haat. Soms zachte pleisters, soms een kerf.
In mijn hoofd gonst Leonard Cohen, als ik weer eenzaam, doelloos zwerf, klinkt snijdend: “So long, Marianne.”
Ik schreef: Ien Verrips focust in alle gewoonheid op een ongewoon moment van stilte – bijzonder mooi en harmonieus passend – bij het stilleven schilderij van kunstenares Ginie Ruitenbeek. bijna een leeswijzer bij de afbeelding, bijna proza maar toch poëzie, bijna beeldende kunst maar toch in letters van taal, bijna gewoon maar ongewoon sterk. deze Ien.
zo onbetekenend de alledaagsheid dat wij het liefst er aan voorbijgaan gericht op het bijzondere uit angst voor het banale
het is de schilder van gewone dingen die door kleur en compositie van zomaar wat fruit naast een eenvoudig kannetje ons op ’t verkeerde been zet hoe de stilte in je leeft als je kunt beschouwen wat je ziet
Ien Verrips
–> het zijn de gewone dingen die het hem doen. was het geen liedje ooit met deze tekst. hoe dan ook Ien focust in alle gewoonheid op een ongewoon moment van stilte bijzonder mooi en harmonieus passend bij het stilleven schilderij van kunstenares Ginie Ruitenbeek. bijna een leeswijzer bij de afbeelding, bijna proza maar toch poëzie, bijna beeldende kunst maar toch in letters van taal, bijna gewoon maar ongewoon sterk. deze Ien. https://www.ginieruitenbeek.nl/
Dear Pom In de dagelijkse dagen zitten rituelen, die je door de dag heen helpen. Denk aan een kind en wat het nodig heeft in het leven: rust, reinheid en regelmaat. Bij deze lees ik je een gedicht voor, het is mijn wekelijkse bijdrage aan deze plaats vol poëzie, Het zindert in de dag, het zindert van de poëzie. Liefs Karin
Afscheidsritueel Twee tandenborstels één twee messen, ook voor twee twee abrikozen, drie twee kussen, nu zo koud.
Drie geheimen, vier vier boeken, vijf gedeeld vijftien tranen, honderd gedachten.
Negen bijbels, tien kaarsen twintig lessen, dertig gebaren wij hebben tweeduizend jaar geleefd.
Twee tandenborstels, één tweehonderd excuses door een telefoon God in de Hemel laat ons slapen.
en zoals het de liefde in een liefdesgedicht betaamt – onvoorwaardelijk, geheel ontwapenend en met volle overgave geschreven: een kan er maar de winnaar zijn deze week – nu we max lerou en de lieve ingeborg buiten mededinging hebben geplaatst – dan komt het goud zonder meer PAUL BEZEMBINDER toe. van harte. alle dichters een lief dank je wel voor het ingezonden werk. ze waren mooi – de liefde waardig. mooi weekend zo.
Jij bent, mijn lief
Jij bent, m’n lief, mijn tong, mijn taal, jij bent mijn proza, mijn lyriek, jij bent mijn praatjes, mijn muziek, bent mijn gedicht, bent mijn verhaal,
Jij bent, mijn lief, waar ik naar taal, bent mijn mentaal, bent mijn fysiek, bent mijn privé, bent mijn publiek, bent mijn verbaal, mijn performaal,
Voor wie ik ook mijn liedjes speel, met wie ik ook mijn teksten deel, naar wie of wat ik ook verwijs,
Alleen om jou ben ik minstreel, alleen om jou stem ik mijn keel en raak ik steeds weer van de wijs.
Paul Bezembinder
–> ja Paul komt in zijn opsomming – strak gehouden zoals het een vormdichter betaamt – toch bij dat gevoel van onvoorwaardelijkheid, ontwapening en overgave – en dat is wel bijzonder en knap om met dit type taalbeheersing een complete liefdeschaos te creëren. Paul gaat volkomen uit zijn dak – lijkt het – een gedicht waarin de dichter vorm en inhoud in harmonie aan de lezer presenteert. uitkomst: als lezer geloof je wat je leest. een minstreel die van de wijs raakt. mooi beeld!
Petra Maria: alsof Sinatra zingt met orkest
Frans Terken: alsof we dat al niet op de lippen lazen
Anke Labrie: die ene speciale die tot aan het einde toe
Magda Haan: soms was de stilte al genoeg
Paul Bezembinder: Jij bent, m’n lief, mijn tong, mijn taal
Cartouche: zoals wij
Max Lerou: ‘niet eerder kreeg het gedicht een naam…dan deze, de onvermijdelijke’: Ingeborg
Rik van Boeckel: dit is een lied voor jou
Vera van der Horst: dat ik van je hou
Als kado mocht ik gisteren ontvangen – de bundel ALLERLIEFSTE van Breyten Breytenbach – uitgeverij Podium – 25 liefdesgedichten die iedereen gelezen moet hebben – als ondertitel – dank je wel Peter. die ondertitel is deze week de bron voor de zondagochtendwedstrijd op pomgedichten punt nl – en zoals het de liefde in een liefdesgedicht betaamt – onvoorwaardelijk, geheel ontwapenend en met volle overgave geschreven: wie wint de enig echte virtuele welk liefdesgedicht mag nooit maar dan ook nooit meer ongelezen blijven? – die trofee dus op pomgedichten punt nl. we gaan het lezen, we zullen het lezen, we zullen het wel moeten lezen. u kent de regels: gedichten niet te lang svp tenzij noodzaak – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd.
is er nog iemand die van mij houden wil
iemand die zegt: je was lief voor me, die avond je hielp me in het weten hoe het was om naast je te zijn in zo heel veel
in hoe je deed en altijd doet, die kleine gebaren waarin je me voor laat gaan bij een deur in hoe je naast me zat en keek zo mooi, meer dan mooi
iemand die zegt: dat er een liefde in mijn leven was en is die bijzonderder is dan alle liefdes die ik kende bijzonderder dan liefdes die ik in boeken lees
steeds dieper voel ik dat door alles wat we mee maakten door alles heen om bij elkaar uit te kunnen komen om elke keer weer te kunnen kijken zoals die eerste keer
iemand die zegt: dat de stilte in mij waarop ik altijd kan terug vallen daar waar verder niemand is waar ik ooit alleen met me zelf sprak
iemand die dan zegt: dáár ben jij en ga je niet én dieper kan niet dieper bestaat niet, lief
pomwolff
alles in balans
dat moment komt niet dat is wat je zei
maar nu je terug bent stroomt het water weer rivierendiep
ben ik nog wel dezelfde droomt het leven
als vandaag alsof Sinatra zingt met orkest voorste rij
alles overhoop dat is wat liefde beweegt en meer nog
waarom ik van je hou
petra maria
–> alles uit balans lijkt Petra Maria ons te willen meegeven. maar eigenlijk wisten we dat wel lieve Petra Maria. en om de reclame te citeren – als de liefde je overkomt, je overvalt. als de liefde alles overhoop haalt dan is dat het ‘waarom ik van je hou’ schrijf je – we roepen het diederik na: ‘natuurlijk wel’! een beetje voorspelbaar gedicht, wel heel lieflijk en dan ook nog die plotselinge en onvoorspelbare leuke verschijning van sinatra – dat dan weer wel – bij elkaar een heel aardig klein gehouden gedicht. de woorden, de regels, de strofen geheel in balans.
Ach de liefde
We zouden een park kunnen vullen bloemperken met tal van klaprozen elk voor ieder uitzinnig moment dat we elkaar bekenden
hoe veel de liefde ons bracht alsof we dat al niet op de lippen lazen zelfs een gesloten oog zei genoeg als we elkaar de dag in kusten
altijd de hand dichtbij te voelen schouder waarop het vertrouwd rusten is een overgave zonder voorbehoud
het is de diepste kleur in ons bestaan de grondtoon die er stem aan geeft om geen liefdeslied verlegen
–> de beschouwing van Frans in mooie kleuren beschreven staat van liefde – de grondige ‘diepste kleur in ons bestaan..’ als een soort conclusie in de laatste strofe – mooi beeld. maar we vroegen in wezen niet om een beschouwing – niet om de ‘balans’ van petra maria – we vroegen om de chaoskant van de liefde – liefde die onbeheersbaar alle kanten uitspat ook in de taal. dit gedicht kent teveel beheersing.
een hart heeft meerdere kamers ontdekten we in de loop der jaren stevige sloten waren overbodig een hart is geen gevangenis
elk ervan kan ik beschrijven behalve juist die ene speciale die tot aan het einde toe altijd alleen ons toebehoorde
–> ook Anke zoekt in een beschouwing naar het wezen van de liefde van twee. en beschrijft wat niet te beschrijven is. een poging daartoe. een mission onmogelijk. soms geeft een schildering een beter beeld van onmogelijkheid – dat de ultieme verbondenheid beter in kleur dan in woorden te schetsen is. dat een beeld soms meer zegt dan in zinnen geschreven kan worden.
We spelden liefde
We hadden geen rode rozen nodig om de vazen te vullen we schreven bloemenvelden vol bij het warme zomerlicht
ik mocht altijd met je wiegen soms was de stilte al genoeg
of liefkozende woordjes zacht gefluisterd in mijn oor we spelden liefde voor de jaren die volgden
–> ook magda in een bijzonder aardig gedicht – geschreven in de verleden tijd – ojee – hanteert de dichterlijke beschouwing – een terugblik – weliswaar met iets van toekomst in de laatste regel. maar we vroegen juist wel naar rozen, velden vol, we vroegen geen stilte maar uitbundigheid die alle perken te buiten gaat of ging.
zoals wij
In deze quasi-intelligente tijden van anderhalf van lockdown eind in zicht en eenzaamheid laat ons een oud ander virus als veenbrand rond doen blijven gaan en aansteken om tot ons wezen in te keren
zo gezind, gezonnen treden wij in vorm gekleed in liefde met zijn tweeën komen en zijn we – ochtend en avond – jij en elkaar nader dan ooit aan deze tafel, dit virtueel altaar geronde rand en beddekant van bestaan
getuigen om te demonstreren dat een mens een mens – een paar meer is dan één, voor ons en aller aangezicht, wanneer ze samenkomen in een naam, in de palm van een hand
niet op te sluiten of te bewaren voor later maar om te bezegelen en door te geven aan wie genegen en van goede wil liefde, liefde is
een zon en een schild zijn zoals wij, oester en parel tegelijk
20-06-2021 Cartouche
–> hoe mooi ook geschreven en bijna in een hans andreas achtige kolkende taal aan de lezer voorgedragen – ja Cartouche kan dichten als geen ander – liefde, oesters, zon en parels worden in een handomdraai in een twee regels aan elkaar gesmeed en verbonden – waar vind je dat nog – en toch geloof ik er niet in.
het is te mooi om waar te zijn. liefde soms ook. (het is weer typisch Cartouche – je bent als lezer gewoon jaloers om de vormgegeven en hier vrij gegeven taalrijkdom en toch smacht je als lezer naar een rondje eenvoud.nog een keer de stofkam van de eenvoud door de woorden en het ultieme liefdesgedicht zou geschreven zijn. maar nee hoor dat verdomt ie.)
ingeborg
mijn kristallen hart lag al lang aan scherven die ochtend – met de moed der wanhoop lijmde ik de stukken aan elkaar
de stoutste schoenen die ik vinden kon nog in mijn hand plakte ik er snel een liedje aan en ging op weg
even later aan het water van de noordzee – zuiderstrand waar het vonken regende
mijn hart ontsnapte aan zijn oude verpakking en ging uit streaken naakt en zonder schaamte
het vatte vlam voor veler ogen en liet zich niet meer doven één waaghals heeft nog blaren op de tong
maar jij (de zachte de gewelfde) rondgehouwen uit zacht gesteente blies met jouw adem zachtjes zuchtend voor mij een nieuw hart zonder barsten
ml
–> een liefdesgedicht met een naam – waarin de eerste vurige ogenblikken zijn beschreven op die ultieme en onnavolgbare max lerou manier. ik geloof dat we hier vanaf moeten blijven in de wedstrijd – de wedstrijd is te aards om deze liefde aan te prijzen. deze liefde is in zichzelf stralend en voor twee – dit gedicht behoeft geen krans, geen wedstrijdkrans. dit gedicht is van iedereen. maar voor al en iedereen voor twee.
Het ochtendhart
Dromen dansen de nevels van de liefdesochtend in
ben jouw hartstocht vraag naar het antwoord de dromenduider in jouw hart
onder Leidse dromerige wolken zingen mijn kussende lippen het lied van ontluikende liefde het lied van de dromende dansers
dit is een lied voor jou wij zijn een en twee met geduld en trouw met een zingende zee danst het ochtendhart in jouw dromen mee.
Rik van Boeckel 19 juni 2021
–> een ochtenddroom een ochtenddans – in een staat van euforie danst Rik het weekend in. het is alsof de corona maatregelen zijn losgelaten en de wereld en leiden in het bijzonder meegegeven wordt aan de liefde. een vrolijk gedicht waaruit woorden dansen.
Alle tijd
Hoe is het, dat ik van je hou je stuurt geen bloemen lange brieven, niets geen kus van jou kwam ooit bij mij terecht de champagnefles bleef dicht
Lang kan ik denken, hoe dan maar liefde ontrafel je met denken niet, weet dat ik je voor altijd ken omdat je zo trouw aan jezelf bent.
Vera van der Horst
Ja zo is het lieve Vera. dat denken – een waarheid als een koe, het gedicht een leuk dingetje. van lieve vera wel eens meer meeslepende regels gelezen dan deze gelatenheid – woeste golven overstelpende hartenkreten – wat zou er met haar aan de hand zijn.
Zelfs nu je jaren weg bent, vind ik steun in jouw positieve zijn en ben je de eerste waar ik aan denk als ik de Mama’s en Papa’s over bruine herfstbladeren hoor zingen. Dat hoofd swingend boven het kerkorgel uit om even scheurend de akoestische solo eruit te halen. De verhalen over de krakers in je lijf. Je blog over de SM dame wat een verholen term voor het bestralingsapparaat was, wat met sarcasme humor en zelfs een beetje liefde beschreven werd, maar vooral je dromen en dingen die je bleef doen met hoop op betere tijden, zoals het opknappen van je boot, wat je toch maar lukte en waar je van genoot.
Nu na al die jaren bind naast een muzikaal verleden ons de gemene deler die er helaas voor zorgde dat jouw krakers zich niet uit lieten zetten. Hier kan ik ze helaas niet uit huis zetten en probeer ik dus samen met ze te leven, iets wat aardig lijkt te lukken nu ze hun plaats weten. Het blijft natuurlijk zaak dat ze zich ook bewust daarvan blijven, dus wordt er binnenkort ook even voor een eerste keer gecontroleerd of de grenzen in huize Koenderman nog steeds gerespecteerd worden. Niets lijkt er eigenlijk op dat dat niet het geval zou zijn, hooguit verliezen we wat veel gewicht. Het lijkt er zomaar op dat ik weer die slanke den wordt die ik in een erg grijs verleden ooit was na een zoveelste afvalpoging. Ik hoor je bijna denken…niet teveel doorzagen Yvon, dat stammetje is niet zo groot meer, ik pas er nog maar net op en die dunne plankjes branden snel op…geniet van het nu en denk niet aan die krakers, maar geniet van een California dreamin op een bijna zomerdag.
JOOP KOMEN – over boer sjors, over het inleveren van maagdelijkheid en over nellie
joop komen met herinneringen aan het vroeger van de vorige eeuw in en om amsterdam, met cursiefjes uit zijn leven in gendringen van de afgelopen 25 jaar en met bizarre verhalen opgediept uit zijn fantasie.
Maanzaad
Eind 1944 begin 1945 heerste er honger in Amsterdam. Slechts de gaarkeuken aan de Haarlemmerweg verschafte ons de dagelijkse maaltijd, meestal een waterige soep van uien, kool, aardappelschillen en andere ongerechtigheden. Soms ook gortenpap van de meest waterige melk die maar te bedenken was. Mijn vriend Evert Wester en ik hadden ontdekt dat bij de Coenhaven, op een afgelegen stukje bouwland achter een boerderij, maanzaad werd verbouwd. Boer Sjors was de eigenaar van het stukje land en hij bewaakte het alsof het zijn kind was. Ik was toen 14 jaar en Evert een jaar jonger. De vader van Evert was in die tijd door de bezetter te werk gesteld in Duitsland. Aan Everts moeder bewaar ik vooral de herinnering dat zij er de oorzaak van was dat ik op vrij jonge leeftijd mijn maagdelijkheid bij haar heb ingeleverd. Tot vandaag weet ik niet hoe het kwam, dat ik als veertienjarig jochie een bepaalde aantrekkingskracht had op dames tussen de achttien en vijfendertig jaar. Wél weet ik dat Nellie Reinders, die boven ons op tweehoog woonde, mij in het trapportaal eens toevoegde dat kleintje een lekkere brutale blonde kop had. Terwijl ze dat zei, kneep ze me pijnlijk in het kruis, hetgeen mij een kreet van pijn ontlokte. Ik was toen nog geen veertien en Nellie was al negentien. Met drie treden tegelijk ben ik de trap op gevlogen, achtervolgd door het geile lachen van Nellie.
Evert en ik besloten dus die dag dat we ’s avonds na spertijd, in het donker, een bezoek zouden brengen aan het door boer Sjors gekoesterde stukje land. Om een uur of negen gingen we op pad. Via Haarlemmerweg, Westerpark, Zaanstraat en Spaarndammerdijk kwamen we in de polder, af en toe een portiek induikend als we onraad vermoedden. De Grüne Polizei patrouilleerde na spertijd namelijk intensief op overtreders, en ze waren niet te beroerd om onmiddellijk te schieten. We kwamen echter zonder ongelukken aan bij het boerderijtje en het aanlokkelijke perceel maanzaad. Het was inmiddels aardedonker en we slopen om de boerderij heen, sprongen over een slootje en kwamen zo op de akkers. Na een meter of twintig langs de sloot geslopen te hebben, hoorden we achter ons de deur van de boerderij open gaan. Een paar meter bij ons vandaan stond een klein houten schuurtje van ongeveer 3 x 6 meter. Bliksemsnel maar zonder lawaai te maken openden we de deur van het schuurtje en sloten die direct weer achter ons. Het was er pikdonker en we gingen zitten op een stapeltje jutezakken dat we op de tast naast de deur vonden. Zeker een kwartier ging voorbij, en roerloos, af en toe fluisterend, zaten we daar in het donker op die stapel zakken, alert op elk geluid en elke beweging. “Ben jij niet een zoon van ouwe Bram?” We schrokken ons wezenloos. De zware stem daverde door het zwartdonkere schuurtje. We waren dus niet alleen op maanzaadjacht. Met een ruk opende ik het deurtje en we renden door de late donkere avond naar huis. Minstens vier keer zijn we tijdens die spurt van een dikke drie kwartier portieken ingedoken, om ons voor de “Grünen” te verbergen. Ongedeerd maar hijgend en met kloppend hart zijn we tenslotte thuisgekomen. De volgende dag hebben Evert en ik het avontuur nog lacherig doorgesproken. Nooit hebben we echter geweten wie de eigenaar van die zware stem in het schuurtje was, net zo min als we te weten zijn gekomen aan wie van ons beiden die stem nu vroeg wie een zoon van ouwe Bram was. Tenslotte heette mijn vader “Cor” en de vader van Evert heette “Anton.” Het meest voor de hand liggend was, dat de stem behoorde aan een zwerver, die de nacht in dat schuurtje wilde doorbrengen, of iemand die net als wij, op maanzaadroof was. Wat wél zeker was is het gegeven dat geen van ons beiden de zoon van oude Bram was. Een paar dagen later zijn we ’s avonds toch thuisgekomen met ieder een zakje maanzaadbollen van het land van boer Sjors. Veilig en wel.
=== Na de oorlog is er in de polder erg gesaneerd t.b.v. uitbreiding van de Coenhaven. Boer Sjors moest er ook aan geloven, maar hij heeft pertinent geweigerd zijn land op te geven. Toen tenslotte zijn boerderij ten offer viel aan de saneringshamer, heeft hij nog jarenlang in een oude caravan, zonder gas, licht, en water, gewoond. Eén keer per week ging hij op de Lindenmarkt zijn eieren verkopen. Naar mijn weten heeft hij zijn land nooit levend opgegeven. Mensen die in de jaren vijftig en zestig in de Spaarndammerbuurt hebben gewoond , zullen zich zeker nog die zonderlinge “Boer Sjors” herinneren, die af en toe uit zijn caravan kwam om zijn kippen te voeren of om een stukje land van 20 x 20 meter te bewerken.
Op kantoor staat de radio aan. Radio 10 Gold. Hij lijkt altijd wel aan te staan. Niemand zet hem ooit uit. De laatste die de deur uit gaat denkt altijd, dat er nog iemand blijft, die het apparaat wel uit zal zetten. Het is rustig op de afdeling en de weinige aanwezigen werken en zwijgen. Ineens verzucht een jonge collega: ‘Wat een vreselijk nummer.’ Ik kijk op van mijn scherm en moet lachen. ‘Dat is grappig, dat je dat zegt. Het zal het leeftijdsverschil wel zijn. Ik heb heel dierbare herinneringen bij het album waar dit liedje op staat.’
Alsof ze een zondige overtreding begaan heeft, kijkt de jonge twintiger in mijn richting. Ze ziet een kalende man met lang haar die hard richting de vijftig gaat. Wat zou ze denken? Ik snij haar gedachten de pas af, want ik zit daar als een schone onervaren jongeling van tweeëntwintig jaar met een nog volle bos lang haar en geen grammetje lichaamsvet. Een onbeschreven blad. Ik vertel van mijn eerste bezoek aan mijn eerste Duitse vriendinnetje. Hoe ik een touw en handschoenen heb meegenomen, omdat ik niet weet of ik bij haar zou mogen slapen, omdat ze begeleid op kamers woont. En ik misschien in de nacht als een koene ridder door haar raam binnen zal moeten klimmen. Ze vraagt of ik het touw ook gebruikt heb? Ik zeg: ‘Ja, maar enkel voor kinky bondage spelletjes. Klimmen was niet nodig, want de begeleiding van de kamerbewoonsters kwam slechts twee keer per week een uurtje polshoogte nemen. En dat was niet op vrijdagavond.’
Verder in gedachten verzinkend, zie op de salontafel de CD van de Crash Test Dummies nog liggen, daar in Aken. Op die avond vol belofte. Hoe de volgende dag bij het ontbijt met een nek vol zuigvlekken de muziek speelt. ‘Afternoons and coffeespoons’. Op dat moment klinkt het gewoon als een schattig liedje na een wilde nacht vol liefdevolle vervulling. Het liedje gaat eigenlijk over een bejaarde man als je naar de tekst luistert. Maar dat is dan een onvoorstelbaar onderwerp. Het geeft je op dat moment enkel het romantische gevoel dat dat een ander leven is. Je kunt je wat dat betreft nog decennia voor de gek houden. Mijn geest zweeft intussen weer naar kantoor en langzaam verander ik terug. Mijn collega wil beloven toch eens muziek van de Crash Test Dummies te gaan luisteren. Waarschijnlijk uit misplaatst schuldgevoel. Dat raad ik haar ten zeerste af.
Niet omdat het heel slecht is, maar omdat het zinloos is. En omdat ze gelijk heeft. Dat nummer ‘Mmm Mmm Mmm Mmm’ is eigenlijk ook wel klote, als je het nu zo hoort.
VON SOLO DICHTER, COLUMNIST, PERFORMER EN CINEAST
Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl
Op het oude Kerkpleintje in Gendringen zag ik hem voor de eerste keer. Een jongeman van een jaar of vijfentwintig, in een beetje te ruime, blauwe ribfluwelen broek, blauwe sportschoenen, een fel rood poloshirt en een zeer klein brilletje op een spitse neus. Hij groette mij verlegen en vroeg me waar een gelegenheid was om zijn behoefte te kunnen doen. “Een grote of een kleine?” “Een grote, mijnheer, ik heb een enorm hoge nood”, en zenuwachtig draaide hij met zijn linkervoet door de kiezelsteentjes van het plein. “Nou, café De Waggel hier aan de overkant is open. Het zal je een consumptie kosten, maar dan ben je ook weer van alles verlost.” “Eh… mijnheer, ik kom uit Den Haag en ben hier voor het eerst. Is het teveel gevraagd als ik u vraag om met mij mee te gaan?” Ik kreeg een beetje medelijden met hem, en om het ijs te breken zei ik: “Stop eerst nou eens met dat gemijnheer, Joop is mijn naam”, en ik stak mijn hand naar hem uit. “Bart”, sprak hij, al minder verlegen, en ik kreeg een slap handje. “Ach, er zijn ergere dingen”, deed ik voor mijn doen komisch, maar hij zag daar de humor niet van in en knikte maar wat. “Zie je Joop, ik moet voor een sollicitatiegesprek naar het Gemeentehuis, maar ik was een beetje te vroeg zodat ik nog wat door het dorp wandelde. En plotseling kreeg ik kramp in mijn buik en daarna een enorme aandrang. Zenuwen voor de sollicitatie, denk ik.” “Nou, vlug dan maar naar De Waggel, dan praten we daar nog even verder.” Binnen twee minuten zat ik aan de bar bij Rick terwijl Bart als een speer meteen was doorgelopen naar het toilet. “Al zo vroeg aan de drank Joop”, vroeg Rick toen ik twee pilsjes had besteld. Ik rekende er maar op dat Bart ook wel een pilsje zou lusten. “Nou vroeg, zo vroeg is het nu ook weer niet. Het is al weer half drie”, en gretig hapte ik het eerste kwart van de inhoud van mijn glas. “Wie is die knaap die je daar bij je hebt?”, vroeg Rick nieuwsgierig. “Hij is niet van hier want ik heb hem nooit eerder gezien.” “Nee, hij komt uit Den Haag en is voor een sollicitatiegesprek bij de Gemeente uitgenodigd. Hij had echter hoge nood vandaar dat we op dit uur komen binnenvallen.” “Dus hij sprak jou aan omdat hij hoge nood had. Dat kan hij zelf toch wel regelen, daar heeft hij jou toch niet voor nodig?” “Ach Rick, een beetje verlegen, hij is hier voor het eerst in die verre Achterhoek denk ik. Dan heb je een beetje houvast nodig”, vergoelijkte ik. Inmiddels was Bart opgelucht en wel naast mij komen zitten. “Ik heb vast een pilsje voor je besteld Bart. Geen bezwaar toch zeker?” “Een…. een pilsje”, stotterde Bart. “Maar over een uurtje heb ik mijn sollicitatiegesprek. Zullen ze dat niet ruiken?” “Natuurlijk zullen ze dat ruiken jongen”, sprak Rick. Hier in de Achterhoek is dat een aanbeveling voor een geslaagde sollicitatie. Neem de geur van drank en mest met je mee bij zo’n gesprek en gegarandeerd, je wordt aangenomen.” “Naar welke functie solliciteer je eigenlijk Bart?”, vroeg ik geïnteresseerd.
“Afdeling Milieuzaken”, was het antwoord. “Speciaal belast met de controle op het illegaal uitrijden en storten van mest.” “Dan zal je hier wel niet veel vrienden maken”, deden Rick en ik bijna gelijktijdig. “Jouw voorganger is hier na vier maanden al weggepest.” “Gelul, denken jullie dat ik me hier laat wegpesten? Door zo’n stelletje boeren uit de Achterhoek? Wij uit de Randstad hebben wel voor heter vuren gestaan. Als je immuun wilt worden voor pesten dan moet je maar een jaartje in Den Haag komen wonen.” Tot onze verbazing wond Bart zich zienderogen hoe langer hoe meer op. “En nu moet ik weg anders kom ik te laat.” Nadat hij de rest van het glas bier achterover had geslagen, beende hij driftig het café uit. Rick en ik keken elkaar aan en barstten in lachen uit. “Wat een figuur”, sprak Rick. Is iedereen in Den Haag zo gauw aangebrand? Het zullen de zenuwen voor die sollicitatie wel zijn. Weet je wat Joop, we nemen nog een pilsje op mijn rekening, dan betaal jij die ene van Bart, want hij heeft zijn pilsje niet betaald.” “Verrek Rick, dat is inderdaad waar. En zo’n figuur moet controle gaan houden op de illegale meststort.” “Ja, en het ergste is dat hij de eerste is in mijn lange loopbaan die hier illegaal mest heeft gestort. Schijten en niet betalen, het is me wat.” Toen ik een uur of twee later weer buiten stond zag ik Bart in de verte bij de bushalte staan. Ik zwaaide naar hem en hij zwaaide vrolijk terug. “Aangenomen?” riep ik naar hem. Hij knikte opgetogen. Toen ik door wilde lopen riep hij me echter. “Zeg Joop, ik moet dat pilsje nog betalen. Hoeveel was het?” “Laat maar zitten Bart. Rick en ik vinden het veel te leuk dat jij de eerste illegale meststorter in zijn café bent geweest.” Hij keek mij eerst vragend aan, toen begon hij te lachen en vrolijk schudde hij mij de hand ten afscheid. Toch een aardige jongen die Bart. Een beetje heetgebakerd, maar dat zal de leeftijd zijn. Ik ben echter benieuwd hoe lang hij het als controleur bij Milieuzaken zal uithouden. Ik vermoed dat heimwee naar Den Haag hem de das om zal doen.
Omdat ik het morgen druk heb, nu alvast de inzending voor pomgedichten op woensdag Dit keer zend ik weer een stukje van de hand van Mirjam Al in. Zij beschreef een belevenis op de herdenkingsavond van 4 mei. Voor pomgedichten. In de bijlage, groet, Merik
Nero
Comfortabel zit ik die avond in mijn tuinstoel. Het is zo tegen achten. Deze avond is de herdenkingsavond. Op de Dam, op de Waalsdorpervlakte, op tal van plaatsen waar aan de gruweldaden wordt teruggedacht. Er worden gedichten gezegd en men musiceert. De merel houdt op met zingen en in de verte klinkt een trompet. Dan is het volkomen stil, roerloos. Slechts enkele seconden, want plotseling verheft zich achter de schutting een groot en dreigend blaffen. Dit is een groot exemplaar hond, denk ik nog. Dan een zware mannenstem die zegt: “Kappen nou, Nero, af !!” Het blaffen wordt wat dunner en komt tenslotte na een zacht gejammer tot stilstand. Ach was er zo’n tachtig jaar geleden maar iemand geweest die op luide toon geroepen had: “ Kappen nou, Nero, af !! “ Maar het heeft niet zo mogen zijn.
Wat is er over van de weg spattende bubbels de imploderende illusies wat is er niet overhoop gehaald aangejaagd en opgeblazen weggezakt en afgebrokkeld afgevoerd en weg gestort
wat is er zichtbaar, tastbaar en nog bruikbaar nu het stof in de mist is verdwenen nu de nevels zijn verwaaid wat is er niet bezweken onder het eigen gewicht
precies, dat is dat éne onbeschrijflijke allesomvattende gedicht