merik van der torren in het frans vertaald mét accent graves – nu met nog een vertaling voor Merik


Poète
 
Sais-tu ce qu’il lui arrive?
 
Il dit le contraire de ce qu’il veut dire!
 
S’il dit: il pleut, il est triste.
 
S’il dit: vent frais, une peur subite s’empare de lui.
 
On ne peut compter sur lui.
 
Il peut s’effondrer à tout moment.
 
C’est un poète.

Julien Deschamps



Hoi Pom,
 
De Française Myriam Daillo heeft enkele gedichten van mij in het Frans vertaald. Bij deze dus “Dichter” + de franse vertaling  ‘’poete’’.
Je ziet het al: op de e van “poete” dient een streepje naar achter te staan in het Frans, de zgn. accent grave. Ik kan dit letterteken echter niet op mijn pc vinden.
Zie opmerking onder toegezonden document,
 
Groet,
 
Merik
 

Dichter

Weet je wat het met hem is?
Hij zegt iets en bedoelt iets anders.
Als hij zegt: het regent,
is het verdrietig voor hem.
Als hij zegt: fris windje
heeft hij een angstaanjagend  probleem.
Je weet niet wat je aan hem hebt,
alsof je loopt op ijs
en ieder moment kan vallen.
Hij is een dichter.
 
 
Poète

 
Sais-tu qu’l se passe avec lui ?
Il dit une chose mais il veux dire autre chose.
Quand il dit : il pleut,
il se sent triste.
Quand il dit : le vent est frais,
il a un problème d’angoisse.
Tu ne sais jamais si tu peux compter sur lui.
Comme quand tu marche sur de la glace
et que tu peux tomber à tout moment.
C’ est un poète.
 
Merik van der Torren
Vertaling Myriam Daillo
 
( Pom, in het Frans dienen op een paar woorden de accent grave ( streepje naar achter) te worden geplaatst; te weten op de e van poete ( eerste en laatste woord) op de e van probleme ( vijfde regel van onder ) en op de a bij a tout moment (tweede regel van onder ). Zelf heb ik de accent grave in mijn tekstverwerkingsprogramma proberen te vinden, maar tevergeefs. Lukt dit jou wel ?
Anders is de vertaling zo ook wel te begrijpen).   

Share This:

WILFRED ALLOY van GILZE tot RIJEN in Etappe 18 do 25-7: Embrun – Valloire (208 km, bergen)


Etappe 18 do 25-7: Embrun – Valloire (208 km, bergen)
 
… een laag-categorisch colletje vooruitgeschoven …
 
“Als ze over een kuitenbijter beginnen, nou, ‘bergje’ dan maar.” [hahahaha] “Aan de andere kant,  het traject is vlak, maar ik zou vandaag ook niet naar Gilze ‘rije’. 40,7 graden!” [hahahaha]
 
Parijs is niet ver meer, je voelt het aan alles. Ook hier in de zuipschuitkajuit van MS De Kantelaar hangt er naast het ‘richting-de-bar-‘ een donker ‘richting-de-meetsfeertje’. Niet die tourmeet specifiek, ik bedoel: hier zijn andere dingen niet ver meer. Tour en Détour gaan van begin tot eind synchroon op, maar niet samen. Ze gaan in de drijvende kroeg, zij het in zekere wederzijdse afhankelijkheid, hun eigen gang. De stemming is bedrukt.
 
Ranke Nelis kijkt als een Stan Laurel, de slapstick-Ranke, strak weemoedig voor zich uit. Zelfs als hij bier tapt, zoals nu twee Roetemeijers Beiers Bier voor kroegkrakers, blijft hij zo staren. Ze staan weer perfect te schuimen, daar niet van, niet te veel, niet te weinig, maar hij heeft er geen professioneel geïnteresseerd oog voor. Is het een eiland in de verte? Zoiets? Hij zwijgt. Zo kennen we de Ranke niet.
 
Altonice Rieding en Arent Hendriksz B. ‘Pannekoek’ Lix hebben inmiddels hun RBB. De eerste hangt teruggetrokken ‘reading’ aan een tafeltje in de hoek waar Des Kantelaars portable buikige zwartwit tv-toestel staat. Pannekoek, ballpoint nu net tussen de lippen, zit aan de honkytonkpiano afwisselend te schrijven en te pingelen, misschien aan een nieuw weemoedig lied bezig.
 
En de Chileen voor Immanie Kompaan? De Ranke let opnieuw niet op zijn schenktechniek. Maar het gaat uit de kunst. Stijlvoller heeft de Chileen nog niet op Immer gewacht.
 
Dit verslag valt me zwaar. Waar hebben we het over? Ik sjok zonder mankeren verder typend naar de bar (met de juiste concentratie heb je die gelijktijdigheid van handelen op zeker moment aardig onder de knie), regel zelf een Leffe D, terwijl ik de nog steeds somber starende barman in een poging hem op te beuren een amicaal schouderklopje geef. Mezelf eigenlijk. Nelis Mince c’est moi.
 
We zijn allemaal één. Dat alles gelijk getypt dus, anders heb ik bijvoorbeeld geen Leffe, dezelfde waar ik nu een hijs van neem. Intussen sta ik ook met een kopstootje op het podium, appeltje eitje, en oefen als Wilfred Alloy binnensmonds murmelend alvast mogelijke roeptumaarregels. Altonice zingt tussen Roetemeijerslokken door een ‘Frans waasje’, een liedje van Françoise (Laurel en Hardy vandaag beiden present). Pannekoek, het lied in wording terzijde geschoven zijnde, tingeltangelt er basisakkoorden bij. De tranen staan hem in de ogen. Hij vindt de energie niet om iets swingend yé-yé-achtigs in zijn spel te leggen. Quand je me tourne vers mes souvenirs, je revois la maison où j’ai grandi, zingt Altoos. Och ja, waar ze het gedicht op had geschreven, dat ze laatst voordroeg. Zoiets roep ik haar toe, de speciale stilte in de zuipkajuit wreed doorbrekend. Ik zie haar het hoofd schudden. Dat het inhoudelijk geen directe invloed was, meer qua sfeer. De melancholie druipt ervan af. Er zingt al een afscheid in door.
 
Immer is ook niet de vrolijkste. Ze draait met de wijsvinger over de bovenrand van het wijnglas, dat ze bij de voet surplace aan het tafelblad houdt. Kanteldraait dan het glas zelf. Het voetje raakt als dat van een balletdanser die vloer op vier poten nog net: “Circusact met soepel tollende Chileen’. Intussen neuriet ze iets van het 7e Regiment Infanterie voor zich uit. Misschien denkt ze aan voorbije tijden in café Schinkelhaven, de Tolhuistuin en het Paleis voor Volksvlijt, waarover Altonice toen een sonnet voor haar dichtte.
 
Kopermaannacht – ’t Zevende Regiment Infanterie / Blies op electra, tot dan ongekend. / Volksvlijts concertzaal ‘cet après-midi’ / Was in geen tijd zulk een bruischende tent. // Ook in de tuinen, bij gaslicht verwend, / Zwierde ’t op iedere hoornsymphonie. / Zelfs kellner Laurensz, een nuchtere vent, / Viel voor den charmdans en ‘t vat eau-de-vie. // Zingend hielp Zaagmans, capeldirigent, / ’t Koper den nacht in. Het was tegen drie / Fluist’ren geworden tot puur poëzie. // Teder, nog lustig op zeek’ren moment / Bracht ik te weenen mijn minelegie / Om ons uiteengaan zoo warm innocent.
 
Eén klimmetje nog, dat idee. Een klimmetje van niks, waar hebben we het over? We hebben het er niet over. We stellen het uit. Maar voelen nu al de pijn die doorgaans twee dagen na emotionele inspanning op z’n ergst is. En niet alleen in de kajuitkuiten. Nee… Daar vooral niet, zou ik zeggen. Klimmetje? Ha! Noem het maar een klimmetje. Een tranenmettuitenbijter is het. We berusten.
 
Françoise is allang af. Zij is van de kleine pareltjes. Geen woord te veel. Geen woord te moeilijk. Mevrouw Van Zetten uit Tiel begrij…. Af! Nee, helemaal raak. Nelis, zing jij ook nog wat? De Ranke schudt nog altijd zwijgend het hoofd, er wordt wat afgeschud vanavond, een tissue in de hand. Hij legt een verzamelplaat met Françoises grootste hits op Genoemde Draaitafel.
 
Verdroten naar de kwoten. Herbert kan ik er vandaag gewoon niet bij hebben. Zo kort mogelijk dan. Kroot? Een greep uit de mallebabbelgrabbelton. ‘Nu lijkt het erop alsof ie een deuk nee een kras heeft opgelopen op z’n carosserie.’ Erg. Nog een keer grabbelen. ‘Als je daar fietst dan denk je man man man ik ben in de maan.’ Ja, denk je dat dan, Maarten? Het moet iets korts zijn, is anders zo lullig voor Herbert. Laatste grabbel. Oké, deze dan.

HvdD: ‘Een slagveld, nu al.’
DK: ‘Toen was ie de pinarie.’
 
Voor de vorm de vraag: nog wat nieuws over de tour? Het volgende is saillant. Het ‘topoverleg’ binnen team Deceuninck–Quick-Step afgelopen zondag had fysieke consequenties, maar het team mocht in zijn officiële totaliteit de tour wel voortzetten. Hoe anders is het met Tony Martin van Jumbo-Visma en Luke Rowe van Ineos. Een niet opmerkenswaardig ‘akkefietsje’ tussen de twee leidde direct tot uitsluiting voor de rest van de tour richting Parijs. Wielerunie UCI vond dit opeens niet door de beugel kunnen, ook al stonden ze voorbij de meet het incident, waaraan ze geen woorden vuil hoefden te maken, handenschuddend de prullenbak in te lachen. Dit zaakje stinkt.
 
Kantelaarintern gaat het later op de avond tot aan de kajuitsluiting alleen maar beter. We kletsen en hijsen wat weg en halen alsnog soepel op routine de eindstreep van de Détouretappe. Dit alles na het traditionele snelvers, het slotakkoord van de dagelijkse uitzending:
 
ROEPT U MAAR
 
“Kuitenbijter!”

Een renner die voor goud gaat moet alles wel doorstaan.
Dus ook de korte klimmetjes die in de benen slaan.
Zo’n bult heet kuitenbijter (want daarin schiet de pijn),
maar voor getrainde malers moet zo’n klim een makkie zijn.
Er was een klassekoerser – hij won steeds bij de meet –
die lui vanuit zijn zetel zélf in ‘malse kuiten’ beet.
Dat werd een hashtag NoTour. Denk dat hij niet meer rijdt.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[Top 3 algemeen orangement: 4. Kruijswijk +1.27, 23. Mollema +42.30, 38. Poels +1.11.25]

Share This:

VON SOLO zit vast in de THALYS – enige vertraging bij de donderdag column – we nemen het voor lief

Ha heerlijk deze dag te mogen beginnen in de wetenschap dat er flink geleden wordt om alles voor elkaar te krijgen. VON SOLO bericht vast te zitten in de THALYS. dat ie alles op alles zet om de column door alles heen richting pomgedichten te krijgen. tourrenners die 5, 6 bergen opmoeten – en dat allemaal zonder doping hahaha – gelooft u het? een mart smeets die spartelt en spartelt – niemand wil nog iets van mart smeets alleen mart smeets wil nog mart smeets. wilfred alloy die hier elke dag zijn eigen tour de force fietst – in het weekend neemt café eijlders opnieuw een centrale plaats in zijn dagelijkese column in. we lezen:

Vandaag een kort gevoelig stuk over naderend afscheid in De Kantelaar. Vrijdag en zaterdag bruisende afleveringen rond de Labetobus. Zaterdag komen alle dichters weer samen, met Heintje Draaifiets. Dat is DE AFLEVERING. Zondag een heel kort stukje, vol weemoed. Alloy sluit in zijn eentje de deur…

in DEN HAAG lekker veel daklozen horen we in het nieuws. FRAUDE bij de partij van BAUDET – dat wordt genieten. smaad, laster, we gaan het horen. schiphol vliegt niet. en wij – wij steunen VON SOLO in die thalys die ergens tussen parijs en amsterdam in een weiland staat. ik zeg”: lang leve de grandmarnier, langleve de gewurzstraminer, lang leve de poëzie:


het was
 
alsof ik in een film terecht gekomen was
de momenten nog ongrijpbaarder dan ze toch al zijn
een nieuwbouw woning – knaagdieren wijk


hoe vaak sloegen we de uren niet over
met een liedje op de repeat
toen je nog tussen de componisten woonde


nu laat je tina turner rennen op je muur
van links naar rechts en weer terug
met je beamer – ik vind het wat onrustig

zo – dus hier woon je nou met hem
meneer heeft het goed voor elkaar
dat moet gezegd
 
een beamer, een smetteloze muur
een bankje van bouvrie én een vrouw
die vreemd gaat met een dichter
 
pw

Share This:

Wilfred Alloy: Toestanden, mensen in Etappe 17 wo 24-7: Pont du Gard – Gap (200 km, vlak) – Vooral Ducrot heeft een scherp gedachten lezend oog en helder woorden horend oor. Naast slager en beul is hij waarzegger, medium, psycholoog, haptonoom….



Etappe 17 wo 24-7: Pont du Gard – Gap (200 km, vlak)

… handsfree? …
 
Als je Dijkstra en Ducrot mag geloven, en waarom zou je dat niet…. Het is geen vraag, mensen! [zucht] Ik zie direct opgestoken vingers in de kajuit, ga niettemin verder met mijn verslag. O, er wordt besteld. Dan is het goed. Dank je, Ranke. Als je die twee dus mag geloven, wordt er in de koers con-ti-nu gedacht en gepraat. Dijk en Du weten precies wát de renner denkt en zegt. Ik had het er al eerder over. Het is steeds ‘Hij denkt: ik blijf voorlopig in je wiel zitten’, ‘Roche zegt: ik laat me niet linkeballen’ en meer van dat soort dingen. Hoe kunnen de commentatoren dat weten? Ik heb me er in de openbaarheid vaker over opgewonden. Vooral Ducrot heeft een scherp gedachten lezend oog en helder woorden horend oor. Naast slager en beul is hij waarzegger, medium, psycholoog, haptonoom. Zeg ik psycholóóg? Naar mijn bescheiden mening doet hij niets meer dan de stemmen die uit het niets in zijn licht psychotische betweethoofd opklinken tot iets onsamenhangends fabuleren. Daar heeft hij de renners niet bij nodig. Doet ie thuis tijdens de afwas en in zijn slaap ook. Het gaat gewoon door.
 
Kroots taalgemaal en Herberts luchtverplaatsing laat ik links liggen, of rechts, in ieder geval op de kant gezet. Meer interesseert me de ware communicatieve kant van het circusoptreden der renners. De cyclisten zullen heus niet als een stel zwijgende Willems al die kilometers koersen. Wat hebben ze te berde? Ik mag hopen iets anders dan zeg maar wederonwaadigheden uit het benauwde Tweede-Goudsbloemdwarsstraatleven die vroegtwintigste-eeuwse uit open schuiframen hangende viswijven heen en weer achterklappen. Nee, denkelijk zagen ze door – maar dan op z’n minst in inhoudelijke zin – over de etappe die ze aan het afstoempen zijn. Ze overleggen, vragen, informeren, uiten onvrede over andermans rijgedrag. Zulks. Denk ik. Zeg ik.
 
Ik zou graag dát eens horen, in plaats van de oeverloosheden van Dijk en Du. Kunnen de renners geen geluidsopname-apparaatjes meenemen? Dat hoeft met de steeds modernere technieken geen probleem te zijn. Alles is ook steeds kleiner uitvoerbaar. Net als die gehoorapparaatjes tegenwoordig die je niet meer ziet, fantastisch! Of moet je dan weer naar de oogarts? Ik zal het eens navragen. Eén ding blijft vereist: handsfreedom.
 
Vanaf 1 juli 2019 is het in Nederland verboden tijdens het fietsen elektronische apparaten zoals mobiele telefoons, navigatiesystemen, tablets of muziekspelers vast te houden. Een overtreding komt je op een boete van 95 euro te staan. Handsfree mag je nog wel van alles doen. Een ander nieuw verbod, in Amsterdam, betreft snorfietsen (dat woord vind ik overigens veel te zacht ogen/klinken om de baanbrede herriemaker aan te duiden). Ze mogen op veel trajecten niet meer op fietspaden rijden. De snorfietser moet tevens een helm dragen. Een overtreding kost je hetzelfde boetebedrag.
   
Raakt zo’n maatregel inzake het gebruik van een mobieltje op de fiets ook de tour? vraag ik mij af. Als je Ducrot mag geloven – geen vingers alsjeblieft, tenzij voor een bestelling (lekker, dank je Ranke) – worden er in het parcours om de leverklap telefoongesprekken gevoerd. Dat zal dan hopelijk handsfree gebeuren, zeker met die snelheden. (Handjes aan het stuur bij de afdaling, mannen!) Ik weet het niet.
Wat de gemotoriseerde tweewielers in de tour betreft durf ik één ding wel met zekerheid te melden. Voor zover ik weet rijden er in het circus geen snorfietsen rond, wel motoren. Die zijn qua omvang nog meer op de weg aanwezig dan snorfietsen zouden zijn. Mollema heeft zich laatst opgewonden over bepaald rijgedrag van de motorrijders. Wij weten dat Ducrot en Dijkstra weleens samen in een zijspanmotor meerijden. Vanaf vorige week donderdag al. Wel, vandaag hebben ze kennelijk opnieuw in dat knusse broembroemding gereden, want mij is ter ore gekomen – dat zag je misschien niet, maar die gehoorapparaatjes zijn ook zó klein tegenwoordig, die zie je ook niet, dus dat kan kloppen! – dat ze een prent van de Franse politie hebben ontvangen, en niet zo’n malse ook. Stelletje klunzen. Nergens in het parcours vind je fietspaden en net op dat ene korte stukje niet ver van Gap, waar toevallig eerder dit jaar iets van een fietspad was aangelegd, vraag me niet waarom (ik herhaal, Alloy: vraag me niet waarom)… Uh, net op dat ene eindje fietspad zijn ze gesnapt. EN geen helm op, hoe vind je die? Geen vingers graag. Lekker, dank je, Rankje. Ennn… ze hadden de handen vol, in ieder geval de zijspanmotor, aan zendapparatuur voor het verslag. Van die oude splinterige houten bakbeesten met lange metalen ontvangsprieten en Alpenbergen spaghetti aan snoeren, heb je ’t voor je? Als je bedenkt dat een motor met zijspan nog een stuk breder is dan een gewone motor, kun je wel ongeveer inschatten hoe hoog daar op het zeldzame fietspad de boete opliep. Nee wacht, ik vertel het helemaal verkeerd, moet je mij horen! Zo erg was het ook weer niet. Ducrot had niet zo ver vanaf de start in Pont du Gard het zijspan al gelost, vraag me niet waarom (sssst). Dus qua breedte viel het wel mee. Alles opgeteld bleef het wel fors dokken voor De Kroot.
 
Dijkstra, die ergens in een verlaten stal onder een laag stro werd teruggevonden – hij zat daar voor het oog nog aandoenlijk gerieflijk in z’n zijspan ware het zijn huiselijke fauteuil, zij het opnieuw behoorlijk in de kreukels, onverstoorbaar voort babbelend over de etappe alsof die hele lancering stalwaarts hem niets zei (dat zegt wel iets)  – had dus wel fysieke schade (hij zal behoorlijk van de weg zijn gekletst, de ontkoppeling geschiedde in een bocht), maar geen financiële. Dat dan weer niet. Ik moet afronden. Het was dus Genoemde Stal vanwaaruit het Herbertje van de Dag de huiskamers binnenkwam. De volgende taalkundig schurende uitspraak – hij is het niet geworden maar ik wil ‘m u niet onthouden – lijkt in zijn treurigheid mede te verwijzen naar Herberts zijspanzweefvlucht richting stal (net als het HvdD zelf trouwens): ‘Of je hier blij mee moet zijn met alle klimaatveranderingen, daar kun je je vraagtekens bij zetten.’ Maarten heeft de verwoording van de drukke stemmen in zijn hoofd (dat ging trouwens wel handsfree) natuurlijk ná de zijontspanning en vóór de aanhouding door de politie ontplooid, relaxed nog op zijn motor, zijn deel van de zendapparatuur op koptelefoon en microfoon na achter de rug stevig vastgebonden (Herberts deel ging mee de stal in), ergens op het fijn glooiende parcours. De kwoot is er een sprekend voorbeeld van dat hij dingen ziet die anderen niet zien.
 
HvdD: ‘Prachtige lavendel in dit gedeelte van Frankrijk.’
DK: ‘Alle grote renners zijn op dit moment aan het vallen.’
 
Toestanden, mensen. Op de weg, van de weg af, in het hoofd… Je weet het gewoon niet meer in deze roerige, tevens bloedhete tourtijden. Gelukkig zijn er ook zekerheden in het leven. Hier aan boord van MS De Kantelaar bijvoorbeeld. Verticaal, Wilfred? Go!

ROEPT U MAAR

“Wegkletsen!”
 
Wanneer de drank gaat werken, daarmee de stemming stijgt,
en iedereen van iedereen nog meer te hijsen krijgt,
er niet gedemarreerd wordt, de zuipclub klitten blijft,
en communicatief inmiddels weinig meer beklijft,
zijn klanken al voldoende (‘Wie hoort nog wat ik zeg?’).
Je bazelt als een Dijkstra en je kletst gewoon wat weg.
Misschien wil je toch moven  (‘Nu huiswaarts met de geit’),
maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[Top 3 algemeen orangement: 3. Kruijswijk +1.27, 19. Mollema +18.25, 40. Poels +1.00.11]

Share This:

WILFRED ALLOY vals plat in Etappe 16 di 23-7: Nîmes – Nîmes (177 km, vlak)


Etappe 16 di 23-7: Nîmes – Nîmes (177 km, vlak)

… waar een wil is is een water …
 
Wat voor dag is het nu? Dinsdag. Het wordt zo langzamerhand tijd te gaan geloven in en vervolgens alvast te wennen aan respectievelijk de mogelijkheid en het idee om werkelijk de trossen los te gooien. Dat moet een keer lukken. Waar een wil is is een water. Kwestie van concentreren en doorpakken. De haven is te beklemmend geworden en met het domme Café-Nol-altijd-lolachtige  ‘Het Kleine Café aan de Haven’ met z’n voetbalclub aan de muur en z’n in wc-water gespoelde glazen – de kroegnaam alleen al – wil MS De Kantelaar ook niet langer verward of geassocieerd worden. This port ain’t big enough for the both of us. Onroerend fout versus varend goed. We schommelen al ongeduldig aan de kade. Tijd voor nieuwe horizonten. Wat jullie? Ach, geef je eigen bestelling gelijk aan Ranke Nelis door, dat gaat sneller. Roept u maar, zou ik zeggen.
 
De scheepshoorn is opgepoetst en gereed om op elk gewenst moment (één is genoeg) het kleine concert des vertreks te blazen. (Tot het zover is moeten we de deining zelf opwekken. Laat dat maar aan ons over. Het gaat de ware drinker om een zorgeloos hier en nu. ‘Hik et noenk’ zou de bacchant zeggen. Parijs mag dan nog altijd ver zijn, de zee is nakende, en Parijs kan ons gestolen worden! Het draait om veel bruin en blond schuimend bier. Maar dan zónder Malle Babbe, alsjeblieft. Hoe ik daarop kom? Nou, verderop aan de haven galmschalt een bekende stem dat lied uit een deur die nog wijd open staat. Heintje Draaifiets, kent u die uitdrukking? Nee, Nelis, er wordt hier niet meegezongen! Wel bier gedronken, by the way, vat je ‘m? Tjeempie, m’n Leffie staat er al. Dat is snel! Je lijkt de Overtoom wel! Kun je daar nog over varen trouwens? Ik heb ’t de laatste tijd niet bijgehouden. Zeg Altonice! Heb jij dit laatste zinnetje zitten typen toen ik even naar het toilet was? Brutale kroegkraakster!) Zeker nu er in de tour vlak en nergens heen gereden is, wil je het zeegat uit. Een rondje Nîmes. Het moet niet veel saaier worden. Een suf waterpas biljartpartijtje in een familiebrasserie te Nîmes, dat idee. Wáár is het feestje? Dáár is het feestje niet.
 
Hoewel… Spreek het eens rustig voor je uit: Nîmes. Dat verandert de zaak. Dat zegt wel iets. Dan komen de beelden van weleer. Dan willen we meer zien, meer weten. Romeinse roots, nog zichtbaar in ruïnes. Colonia Nemausensis noemden de Romeinen de nederzetting, die door keizer Augustus echt op de kaart was gezet. En wat dachten wij van de menhir van Courbessac, die duidt op ver voorgristelijk gedateerde menselijke activiteit rond de stad? We hoeven er niets van te denken, maar toch… Het zégt wel iets. Zeker als je mensen erover hoort praten.
 
Heb je er weleens bij stilgestaan? Wat? Nee, niet bij die menhir, onderbreek me niet, Kompaan, de zin was nog niet af. Zucht. Heb je er weleens bij stilgestaan dat het ‘denim’ van je spijkerbroek uit Nîmes (‘de Nîmes’) komt? Nee, Pannekoek? Moet je eens doen. Sta erbij stil en huiver. Serge de Nîmes. Een soort weefpatroon. In Nîmes werd de stof voor het eerst vervaardigd door de familie André voor de veehoeders van de Camargue, de zogeheten gardians. Spijker mijn woorden alsjeblieft niet aan die broek vast, ik heb ze ook maar van een ander. Van Herbert Dijkstra, mocht je dat willen weten. Ook als je dat niet mocht willen weten, heb ik ze van hem. Ik heb Herberts script vanochtend in zijn hotelkamer achterovergedrukt, toen hij in de ontbijtzaal zijn witte bammetje pindakaas en banaan aan het verorberen was, en nog iets, wat niet op de kaart stond. Een snel retourtje Nîmes, voor mij geen punt. En ’s avonds weer strakgespannen in MS De Kantelaar voor m’n verslag. Herbert zal de info op zijn beurt wel weer van wiki hebben, maar ik kan me voorstellen dat hij vandaag tijdens de etappe wel van zijn zeikapropos was. Niet des Herberts. Gewoonlijk laat hij in zijn verbale luchtverplaatsing geen luchtgat vallen.
 
Waar de arme man het, tussen Ducrots afdraaien van edele delen door, bij ontstellende onstentenis van zijn script waarschijnlijk ook niet over zal hebben gehad is: het Maison Carrée, de vermeend best bewaarde Romeinse tempel, gewijd aan de ‘Prinsen van de Jeugd’, de kleinzonen van de keizer. Dat zegt dus niets qua Herbert (in het vervolg kortweg: kwerbert). De Arena van Nîmes, beschouwd als het best bewaarde Romeinse amfitheater, gebouwd tussen 50 en 100 na gr. en geïnspireerd door het Colosseum te Rome? Het valt te vrezen dat je Herbert ook hierover niet zult hebben gehoord..
 
Als ik hem was zou ik voorbij de meet de teleurstelling over de gemiste toeristeninfo in een hier en daar lommerrijk en verlaten stukje Nîmes verbijten, in het stadspark Jardins de la Fontaine bijvoorbeeld, gelegen op de Cavalierberg, en route du Tour – het zal geen verbazing meer wekken – vast ook niet door hem gememoreerd. Ik zou als extra emotionele verwerking vanavond bij het laatste straaltje zonlicht, zeg maar in de avondzon die o.a. over straten en pleinen valt dan wel in de gouden zon die in de stad an sich valt, proberen de (ook door hem niet uitgesproken) zinnen te verzetten met een bezoekje aan de onder aan de Jardins gelegen Temple de Diane, uniek overblijfsel van een historisch gebouw dat aan de keizerlijke cultus gewijd was, daterend uit de 2e eeuw na gr. Hij kan het ook bergop stoempend zoeken: op de top van de Cavalierberg, via trappen aan het park bereikbaar, staat de Tour Magne, laatste restant van de Romeinse ringmuur.
 
Vanuit die toren kan hij alle sneue culturele misgrepen van de dag nog eens rustig tot in de wijde omtrek overzien. En natuurlijk ook, over missen gesproken, op Uitzending Gemist.
 
Toch heeft Herbert uit de losse pols genoeg te berde om er een mooie kwoot aan te doen overhouden. En Ducrot? Ach ja, Ducrot. Voices from a troubled brain. De korte kwoots komen extra goed aan:
 
HvdD: ‘Als het breekt, zit je niet meer recht.’
DK: ‘Dat had echt z’n wisselwerking op z’n familie.’
 
Nogmaals, in andere woorden: dat mag dan allemaal wel zo wezen met Nîmes, toch wil je in die stoffig historische stad niet dood gevonden worden. Straks blijf je nog in al dat oude steken, zeg. En hoe moet het dan verder met onze zuipschuit? Nee, wij pakken het heel anders aan, volgens een stramien dat zich al twee en een halve week bewezen heeft, in een kroeg waar iedereen je naam kent. De Cheersformule. In MS De Kantelaar is nîmand ano-Nîmes. Nelis, hij ken! En ach… zing ook maar wat, kerel. ’t Is toch een gekke avond. Laat ons deinen. En wat jij, Alloy?

ROEPT U MAAR

“Vals plat!”

De Kantelaar gaat wiegen. We voelen ons op zee.
Er is veel ingenomen en dan maak je zoiets mee.
De bar zou waterpas staan? Vals plat nu minimaal.
De glazen zijn gaan schuiven door het ganse dranklokaal.
De meute zet een wave in. Vals plat ook het gekweel.
De bieren, niet te plaatsen, deinen soepel naar de keel.
Echt alles losgeslagen, van elk surplace bevrijd.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 
[Top 3 algemeen orangement: 4. Kruijswijk +1.27, 24. Mollema +37.54, 37. Poels +1.00.11]
 

Share This:

VAN PIEKEREN met de zomerhit van 2019

Share This:

JOLIES HEIJ: “Iedere dag dezelfde bagno met dezelfde zongebruinde koppen, hetzelfde brandende zand, dezelfde meloenstand, hetzelfde lauwe zeewater.”

Over romantiek & velours

Columniste al volop in vakantiestemming. De komkommertijd is aangebroken, de kranten vullen de katernen met zomerspecials van narcisgele stranden en azuurblauwe luchten. Het Italiëgevoel. Daar is een dagje naar het strand een manier van leven met tutta la famiglia, van bambino tot nonna. Ik heb het vroeger vaak gedaan tijdens de verplichte vakanties met ouders en zussen, maar vond er niets aan. Iedere dag dezelfde bagno met dezelfde zongebruinde koppen (ik werd enkel rood), hetzelfde brandende zand, dezelfde meloenstand, hetzelfde lauwe zeewater. Dat rondje vlinderslag langs de kustlijn ben je dan ook wel zat en de leeslijst voor school is allang klaar. Alsof je iedere dag verplicht de tijd uitzit, net als op kantoor, of in het redactielokaal te Pomburele.

Maar er is toch iets wat ik voor altijd zal missen. De romantiek van de Riviera-express. De slaapcoupé’s met velours zitting (waar nog gewoon gerookt mocht worden!), die tegen bedtijd werden uitgeklapt en bekleed met knisterendpapieren lakens. Urenlang slingerend in De donkere kamer van Damocles lezen. De halve nacht kletsen en kaartspelletjes doen in het conducteurshok. Als 19-jarige ondernam ik dit avontuur voor het eerst in mijn eentje. Mijn vader zette me ’s avonds in Albenga op de trein, nadat ik de hele dag peentjes had zitten zweten van opwinding. Als ik maar het juiste rijtuig zou weten te vinden, alsook mijn zitplaatsnummer waarboven een geplastificeerd kaartje prijkte: riservato Albenga-Arnhemo. Dan pas kon ik opgelucht ademhalen. Het was 1984 en Big Brother ver weg. We passeerden Genua, Milaan en vlak voor middernacht Domodossola, dat alleen al door het tijdstip en de klank pure poëzie was. Bij Basel sliep ik nog steeds niet, want ik heb van mijn leven nooit in een rijdend bed kunnen slapen. Met open ogen was ik me gewaar hoe de trein in het witte licht van de hoge schijnwerpers op het perron wel twee uur lang aan het rangeren was.

Kennelijk moet ik toen toch even zijn ingedommeld, want toen ik m’n ogen weer opende, was de dag aangebroken. Je zag de spitse torens van de Keulse Dom opdoemen, de steden van de Ruhrpott en toen kwam Emmerich, de laatste halte voor de grens, waar de trein opnieuw een uur stilstond. Je gaat naar buiten voor een peukje, struint wat over het godverlaten perron, verzucht tegen je medereizigers dat je het nu wel hebt gehad en echt heel graag naar huis wilt. Er waren geen smartphones, dus een praatje was nog heel gewoon. Afgelopen weekend kreeg ik plots een déjà vu. Ik ging met de historicus en het servokroatische leraresje een dagje uit naar Elten en Emmerich. Station Emmerich was in die 35 jaar geen spat veranderd, niet eens opnieuw in de verf gezet en het perrondak lekte. Het déjà vu was compleet toen we op de terugweg meer dan een uur op de trein moesten wachten. We zaten op een aftands bankje naast twee conducteurs, de een was druk in het Nederlands aan het bellen, de andere in het Duits. Waren wij de enige passagiers? Daar kwam de trein uit Duisburg waarop het perron volstroomde met ongerust volk. Wegens een springer lag het treinverkeer al drie uur nagenoeg plat. Het kan nog gekker, zei een skiester uit Innsbruck, vanochtend vertrok de trein uit München een kwartier te vroeg, zodat m’n ticket omgeboekt moest worden. We knikten begripvol.

Er werd lief en leed gedeeld, de smartphone leek niet meer te bestaan. Het servokroatische leraresje had sjans met een Kroaat uit Zaltbommel, maar alras bleek dat het hem er voornamelijk om te doen was om sjeckies te bietsen. Wanneer kan ik eindelijk uit dit rotgat weg, verzuchtte hij, ik moet binnenkort in Emmerich voorkomen, ik kan hier niet snel genoeg weg. Wat heb je op je kerfstok? vroeg het leraresje liefjes, maar hij staarde haar slechts mysterieus de rook uit zijn neusgaten blazend aan. Op sommige vrouwen heeft zoiets een magische uitwerking, maar het leraresje schoof toch maar een stukje bij hem vandaan. De historicus beende vlijtig op en neer, driftig swipend naar steeds dezelfde berichten. Tja, dit is toch een uithoek geworden sinds de intercity er niet meer stopt, kwam de Innsbruckgangster weer. De vroegere grandeur was definitief vervlogen en soms betekent romantiek gewoon ongemak. Maar die trein kwam uiteindelijk wel.


fernweh is ver genoeg

we reizen op de ouderwetse manier
als vogels wiekend op de lucht
we willen ons duurzaam verplaatsen

en alstublieft niet te verheven, meneer
de grens is ver genoeg
hinkstapspringend over gesteven lijnen

een dagje uit met een peertje in de nok
de boulevard leidt de horizon in
zo zie ik de zon in het glas zakken

het onweer is over rijnaken getrokken
dagjesmussen strijken neer in de goot
we zijn allebei al eens doodgegaan

aan fernweh, maar hier staan onze stappen
de verte is nooit bereikt, dromen liggen
op het plaveisel in die nabije stad

we weten dat treinen niet meer rijden
dan tot dat ene station met lekkend dak
de laatste halte tot verzengend azuurblauw

waar ik in jou verzonk

Jolies Heij

Share This:

WILFRED ALLOY pakt rustdag 2 ook nog even mee – ma 22-7: rustdag


ma 22-7: rustdag
 
… gevechten tegen het zuur …
 
Weer tijd voor wat artistieke voorprogramma’s, vindt Wilfred. Hoe kun je zo’n rustdag beter dan zingend doorbrengen? Ik zie trossen opgestoken vingers in de kajuit-juit-juit, vier om precies te zijn, maar negeer die gewoon. Heb niet voor niets al dit voorwerk voor Wilfred gedaan. O, de vingers zijn voor Nelis bedoeld. Men heeft dorst. Over zingen gezongen (Danke Ranke): zoals wij weten wordt half augustus, rond Maria Hemelvaart – hoe deze ongelovige hier nu plots mee komt? – bekend in welke stad volgend jaar mei het – en nu moet ik even spieken – Eurovisie Songfestival plaatsgrijpt. Het (d.i. de strijd) ‘gaat tussen’ Maastricht en Rotterdam. Ik vermoed Oisterwijk, dat acceptabel ‘tussen’ Genoemde Steden ligt. Het zal daar wel ‘gaan’. ‘Bonsoioioioir Oe-as-ter-wiezjque!’ Hoe zou de Franse jury dat Oisterwijk uitspreken? Sommige laaglandnatievelingen hebben er al moeite mee. Welnu, vandaag op de tweede rustdag het Eurovisie Songfestival in het piepklein en een tikkeltje anders: Des Kantelaars Zure Visie Wrong Festival! DKZVWF! Wie kent het niet?! Ik zie opnieuw minstens vier opgestoken vingers. Er wordt snel gedronken. (Leffe D nummer 2 alweer. Dank je, Nelis. Zeg, wat doet zo’n mooi biertje als jij in een eenvoudige kroeg als deze? Opgedronken worden? [hahahaha] Leuk, Alloy.) Basissmaakversterker voor het Wrong Festival is: zuur. Heel klein dus. Een liedje, een extra versje. De liedtekst is ook van Wilfreds hand trouwens, ik bedoel, nu van zijn hand, niet zijn stem, maar toch helemaal Alloy, herkenbaar aan dezelfde dreun met dat lettergreepje extra halverwege de even regels. Hij gaat maar door, die ‘Bulderdijk’, die ‘onvermoeibare versifex’ van de 21e eeuw. Op zeker moment moeten mensen het toch zat zijn, zou je denken. Parijs is nog ver en de stekker er nog niet uit. N.I.W.… Pannekoek heeft het op muziek gezet. Nelis, die vindt lang genoeg zangdroog te hebben gestaan, vertolkt het lied, getiteld Zuurstok Sjanie. Uit de tijd dat Wilfreds maag door ene Helicobacter gekraakt werd. M.E. erbij, traangas, dat werk. Smaakmaker opnieuw: zuur. Er zal overigens geen applaus, boegeroep of gejuich uit het publiek klinken. Het publiek zijn wij en wij geen publiek. Mooi festival is me dat…
 
Ze was niet meer de jongste. Ze was behoorlijk stok. / Geen nazaat, door een houding waar al menig man van schrok. / Ze noemde dat een keuze, maar doorgaans klonk het zuur. / Nu kon ze enkel wachten op de slag van ‘t laatste uur. / Berucht als ‘Zuurstok Sjanie’, vanaf de kleuterschool. / Ze zeek met valse branie al haar bijtend vitriool. // Zo kwam ze zelfs ter wereld. Zodra het vlieswerk brak, / vervulden moeder golven walging tot haar schedeldak. / Toen Zwaan lag bij te komen – dat ding eruit gestouwd – / werd zij al zonder reden door het mormel toegesnauwd.  / Daar had je Zuurstok Sjanie, ons rinse aureool, / vast werkend aan haar manie tot gesneer en apekool. // Ze trok haar wrange sporen, veel zuurte liet ze na, / ontkalkte elke ‘vriendenkring’ met ongekend pH. / En waar zij ook passeerde, de zakken vol venijn, / hing penetrant huishoudelijk de meur van haar azijn. / ‘Daar zuigt weer Zuurstok Sjanie,’ zo treurde men in koor / en heel die zangcompanie ging er langzaam onderdoor. // Nu giet ze dus haar zuren in zo’n verzorgingshuis. / Ze bijt nog massa’s mensen weg, het personeel incluis. / Maar straks zal het gedaan zijn, ondanks dat aceton, / een stof waar Maag’re Hein, hoe sneu voor haar, wél tegen kon. / Dan gaat daar Zuurstok Sjanie aan ‘t hemelse gewelf / bij strijkwerk Mantovani voor verzuring van God Zelf. // Dan toost je maar op Sjanie met borrel, bier en bowl, / bevrijd van de litanie van die zerpe kutviool.
 
Dank u, u bent een fijn publiek! Altonice doet nu, in modern Nederlands zowaar, een gedicht dat haar uit tijden van weleer ingefluisterd is door – en nu moet ik even spieken – het chanson ‘La maison où j’ai grandi’ van Françoise Hardy, de bekende chanteuse de La Vague Yé-Yé: een stukje geschiedenis, een riviertje, een wonder, een vleugje jeugd, de dingen de baas en alles wat voorbij gaat. Druk ik het zo goed uit, Altoos? Ze schudt schuchter nee. Immer schudt achter haar Pleegzuster Bloedchileen ook het hoofd, van het lachen. Juist. Gezellig, mensen. Ga je gang.
 
om de slochter

de moesboeren boeteprevelend bereid
gereed voor kilometers slopend geslof
naar de heilige stee om – o wonderheid –
de tot zuurtoost geroosterde christusstof

elders te velde huivert een vendelflard
geuzen – verguisd vergeten en bijna heen –
overste helling kwam van zee trof het hart
kil slaat de leden het dooraderde veen

eens zal – de hemelen hun vuurwet gewist
geen woord gesmoezeld in het recht ter vest –
ons het pad vrij zijn tevreden om wat is
zo de slochter om niets meer stromend west

Fijn, Altoos. Over naar Alloy. Momentje. Eerst dit:
 
HvdD: n.v.t.
DK: n.v.t.
 
Dank voor uw bijdrage, heren. Alloy nu. Hij staat, het bergop achter de rug, al klaar op het podium. Ik vraag me de laatste tijd af: is dat trapklimmetje in de tweede helft van de Détour dan geen probleem meer voor ‘m? Vreemd eigenlijk. Hij is toch niet minder gaan zuipen, integendeel. Destijds beklom hij het podium zoals elk jaar op Maria Hemelvaart in de brandende augustuszon godvruchtige pilgrims voorbij de houdbaarheidsdatum de ellen(de)lange trappen van de Panagia Evangelistria op het Griekse heilige eiland Tinos richting de wonderbare icoon van de Verkondiging aan de Moeder Gods. (Alweer dat katholieke gestoemp en geslof door het hete stof. De tour, maar dan anders.) Dat zegt (mij) wel iets. En ik heb het niet eens van Herbert. Die loopt vooral voor ongeïnteresseerde wielertoeristen door Franse kastelen te gidsen. Maar het blootsvoets en dito knies kruipgestrompel staat me nog helder op het netvlies. (Leffe D, hoi. Dank Nelis.) Maar goed, alles went, zullen we maar zeggen. Of steeds minder mensen hangen zijn zatte geklauter aan de grote klok, ook mogelijk. Dat is het. We hebben het er niet meer over. Intussen vraagt men zich hier aan boord van MS De Kantelaar af waarom ik zo eindeloos in mezelf zit door te typen. Hm. Oké dan, Alloy. Laat ze maar roepen. Ik verwacht op deze rustdag een soort pas op de plaats. Zit ik er ver naast?
 
ROEPT U MAAR
 
“Surplace!”
 
Hij wilde wel een wijntje. Zo’n wijntje van de streek.
Hij nipte wat, z’n mond trok scheef. “Mon Dieu, ze gaf me bleek!
Twee flessen Evian nog!” Hij hield het bij dit glas.
“Het zal me niks verbazen, mensen, als ik straks zuur plas!”
Ontkalkt en hevig spoelend verliet hij snel de stad
met in zijn muil de smaak nog van een half sportfondsenbad.
U ziet dat zo’n châteautje soms fout naar binnen glijdt.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!

Share This:

Karin Beumkes op de maandag: ‘Heel de wereld is een open wond.’

Brief aan ……


Het koele stof bedwelmt mijn gezicht
hier liggen wanhoop en verdriet op de verlaten schouders.
de tijd heeft weinig lichaam meer
maar ik ben ouder.

Er zijn granaten en verdoemde bommen
mijn ledematen horen niet meer bij mij.

Ooit dacht ik – er zal vrede wachten
maar als het noodlot op mijn hart bonst
ben ik voor eeuwig moe.

Geluiden uit de gebroken stad verstommen
en de verlatenheid dekt mij van binnen toe.

Ik weet helaas geen plaats
waar ik mij kan vermommen.

De oorlog gaat voorbij mijn grenzen
zal ik nog een keer vrede wensen…

Maar de ether hoort mijn huilen niet
al zou ik schreeuwen om de waarheid
de vijand komt- al zou ik krijsen om genade
de vijand staakt het vuren. niet.

Heel de wereld is een open wond.





Groetjes en liefs
Karin

Share This:

WILFRED ALLOY als herbert – de Vraag is welke groep de quickste step in de benen heeft in Etappe 15 zo 21-7: Limoux – Foix (Prat d’ Albi) (185 km, bergen)


Etappe 15 zo 21-7: Limoux – Foix (Prat d’ Albi) (185 km, bergen)

… topoverleg …
 
Weer de bergen in. Het kan daar boven koud zijn, dus trek iets extra’s aan, mannen, zegt de gezag pretenderende baas van team Deceuninck–Quick-Step. Och, wie zijn de aangesproken mannen om daartegen in te gaan?  Dat zijn: Kasper Asgreen, Dries Devenyns, Enric Mas en Maximilian Richeze. De volgende renners gaan er wel in mee: Julian Alaphilippe, Yves Lampaert, Michael Mørkøv en Elia Viviani. Dat wordt bergop nog gezellig, denkt de teambaas met bedenkelijk gezicht. Met een gezicht waarvan de bedenkelijkheid, de bezorgdheid valt af te scheppen, bedoel ik. Niets bedenkelijks aan dat gezicht an sich, al nodigt het niet direct uit tot nader contact, maar dat is een ander verhaal. Kasper, Dries, Enric en Max sputteren voor de start dus tamelijk tegen, maar de baas heeft met enige druk, tegen het hem karakteriserende intimiderende aan, toch dingen gedaan gekregen – de dingen de baas als het ware – namelijk dat gans Deceuninck–Quick-steps met iets extra’s over de gebruikelijke wielerkloffie aangetrokken aan de etappe begint. Jasjes dus. Wat vreemd is als je erbij stilstaat. Helemáál als je er aan de start, zeg onder aan de berg, bij stilstaat. Het is daar namelijk behoorlijk heet. Rare jongens, die Deceuninck–Quick-Stepwielrenners. Maar goed, de jasjes zijn dan maar vast aan voor als ze in hogere sferen geraken. Hoeven de mannen er niet voor af te stappen.
 
Klimmenderweg lopen ook de negatieve gemoederen hoger op, nog hoger dan ze al waren. Het botert al langer niet binnen de ploeg, dat is een publiek geheim. Over waar ‘t ‘m precies in zit laat niemand zich voor de camera uit. Botsende karakters, zoiets, in de koers soms letterlijk botsend, dranghekken geïnvolveerd. Tja, dan kan zo’n dwingend opgelegde dresscode net de zweetdruppel zijn die het klam geworden boordje doet overlopen. En natuurlijk de spreekwoordelijke emmerdruppel. Zulks blijkt pijnlijk als ze de top zo ongeveer bereikt hebben. De ploeg zet zichzelf op de kant. Of hoe noem je zoiets, de remkabel wordt gesnokt? De edele delen tot halt houden afgedraaid? Het team stopt in ieder geval, of liever: de twee deelteams stoppen. Ze gooien, de woede reeds voorkokend, hun fietsen áán de kant (dat is zeker goed verwoord), de ene kant vier, de andere kant ook vier, en zijn van zins flink met elkaar op de vuist te gaan. Alles wijst erop. Wat er onderweg aan verbaal grof vuil heen en weer is gesmeten is niet te achterhalen. Je zou het de heren commentatoren kunnen vragen. Die menen continu te weten wat de renners koersend denken en zeggen, zelfs als ze niet op hun zijspanmotor meerijden. Feit is dat Genoemde Viertallen elkaar zat zijn.
 
De gangs staan tegenover elkaar. Worden er spreekwoordelijke troeven op tafel gelegd? Welnee. Het primitieve ‘erop klappen’! Sodemieter op met je kaarten, dit is geen spelletje. Handen en voeten gaan nu duchtig spreken. Vraag is welke groep de quickste step in de benen heeft (als daar boven überhaupt nog benen zijn, misschien die van gisteren). Het antwoord komt ‘rap’, zoals dat zo mooi heet.  
 
Durven jullie wel, vier tegen vier?! bibberroept Yves Lampaert, vooral in hoofdrekenen niet de slimste van het stel. Ja hoor, antwoordt Enric Mas rustig. Lijkt me wel zo eerlijk, voegt hij er vals grijnzend aan toe, vertrouwend op de slagkracht van zijn manschappen. De jasjes gaan uit bij het stel dat het waagde tegen de baas in te gaan inzake – hoe toevallig – het aantrekken van diezelfde jasjes. Kasper Asgreen, paars van woede, werpt als eerste zijn colbertje van overigens sportief prikkelend erodynamische snit van zich af om direct aan te vallen, Dries Devenyns,  redelijk acceptabel gekleed, volgt zonder nadenken zijn voorbeeld en staat op het punt ‘dol-ge-Driest’ op die vier walgelijke wittevoethielenlikkers af te stormen. Enric Mas en Max Richeze echter willen zich in stijl op het handgemeen voorbereiden door na het uitdoen der jasjes – nog tien keer sportiever prikkelend erodynamisch qua snit, hetgeen perfect bij de traagheid in handelen past – tevens onderliggende overhemdsmouwen tot de zwetende oksels op te stropen. Het oogt wel fraai slowmotion-filmisch, stijlvol heldhaftig en tot strijd bereid, het bouwt boven op die berg de spanning prettig en ondraaglijk tegelijk op, en dat zal hun bedoeling misschien ook zijn geweest – zie bovendien hoe de twee hun stropdas nog gentlemanlike subtiel met rechterwijsvinger en dito middelvinger over de linkerschouder tikken (alle bewegingen synchroon en danseuse als in een soort voorstelling van het Frans Nationaal Wielerballet of ‘Tour de France – Le Musical’) – doch tactisch is dit alles ronduit onverstandig. Er is geen intern overleg meer in de gevechtseenheid als geheel, geen samenhang. Voor zolang het filmduo het jasafwerpen, mouwopstropen en stropdas-over-de-schouder-draperen laat duren is het gewoon twee tegen vier.
 
Durven jullie wel, vier tegen twee? roept Devenyns, door de overtalsituatie in zijn nadeel overrompeld een stuk minder Driest. Ja hoor, lacht Julian, en hij zet zelfbewust à la Philippe de Tweede zijn IJzeren Hertog van Alva Elia Viviani strategisch op kop – als speelden zij het duel met thuisvoordeel, het publiek aan hun kant, in het Spaanse deel van de Pyreneeën – om eventuele futloze aanvallen van die twee sukkels alvast doeltreffend te kunnen beantwoorden. Kasper is van angst weer Asgreen as ever, terwijl in het achterland van het opstandige gebied het opstropen der mouwen zijn voltooiing nog moet meemaken. Jaaaa, het loopt weer aardig richting kerst, mensen. De afloop van het treffen zal ik hier derhalve niet uit de bevlekte doeken doen.
 
Of Ranke Nelis ook Pleegzuster Bloedwijn schenkt, wil Immanie weten. 
 
Herbert en Maarten hebben op de zijspanmotor bergop andere strijd geleverd zien worden. Ze hebben dus inderdaad met het pak meegereden, maar niet met ‘het maatpak’. Herstel: Maarten reed grotendeels alleen. Materiaalpech, zo was de officiële lezing, noopte Herbert al voor de beklimming van de eerste col – hoe druk je zoiets uit – te ‘lossen’ en de rest van de etappe in zijn bedompte commentaarkeet te volgen. Het scherm ging opnieuw af en toe op zwart, maar ook dat is het circus dat Tour de France heet. Pech. Herbert weet gaten altijd soepel dicht te praten, en dat zo beeldend dat het zwart van het scherm niet eens opvalt. Dat zegt wel iets. En die paar schrammen, ach, het had slechter kunnen aflopen, breek hem het gips niet open. Dusss…. Onafhankelijk van elkaar, dat scheelt schrijnend gebekvecht,  leverden de heren weer diepe kwoots. Herbert zegt expliciet dat hij iets gaat zeggen – wat zegt dat over Herbert? – en Kroot neandert weer in een knusse aflevering van Oudere Tijden:
 
HvdD: ‘Ik zeg: de verliezers van gisteren zijn de aanvallers van vandaag.’
DK: ‘Hij vrat een stuk berenvlees en legde er gelijk de zweep weer over.’

[Extra verkeersinformatie: in het pittoreske centrum van Foix is een Labetobus vol vale, zombieachtige passagiers gesignaleerd. Haal niet in, blijf rechts rijden en probeer de chauffeur met lichtsignalen en schoten in de lucht te waarschuwen.] Hij kan, Alloy.
 
ROEPT U MAAR

“Een jasje uitdoen!”

De renner heeft nog over. De groep kan nu gesloopt.
Wat extra kolen op het vuur, het jasje losgeknoopt.
Je ziet zoiets wel vaker. Ook in De Kantelaar
doet menigeen het jasje uit, voor topprestaties klaar.
Dat continue hijswerk… de dorst stijgt met het uur.
Begrijpelijk, dan gaat er soms nog méér uit op den duur.
Het ‘uitgaans’-leven is niet op alles voorbereid.
Maar we zitten hier gebeiteld en we zitten hier geheid!
 


[Top 3 algemeen orangement: 3. Kruijswijk +1.47, 27. Mollema 35.54, 36. Poels +56.22]

Share This: