In Zeeland groeide ik op in een keurige straat met keurige mensen. Voortuinen werden bijgehouden en ramen gezeemd. Daar had je toen nog huisvrouwen voor. Het was een plek waar je je geen zorgen hoefde te maken om wat dan ook. Alles klopte. En het hele dorp was zo. Het was een cocon. Een decor van fatsoen, rust, reinheid en regelmaat. Een plek waar iets miste.
Soms keek ik films, die zich in het New York, Parijs of London van de jaren tachtig afspeelden. De buurten die je in die rolprenten voorbij zag komen, hadden een veel grotere aantrekkingskracht op me, dan de aangeharkte tuintjes in de straat. Ik wilde de brandladders opklimmen. Door verlaten panden struinen. Overgroeid, braakliggend terrein betreden. In latere jaren zouden we dat veelvuldig doen. Het was meer dan avontuur.
In Antwerpen was er het verlaten goederenstation op Het Zuid. De favoriete drink- en overnachtingsplek van ome Sjors en mij. De oude kantoren, waar soms nog vrachtbrieven lagen en paperclips van de Belgische spoorwegen. Balies met ingegooide ruiten. Slechte graffiti. Maar door dat alles heen kon je zien wat het ooit was geweest. En dat maakte het nog mooier. Het verval maakte wat ooit mooi was nog mooier. Ineens vielen alle regels weg. Verschafte het een nieuwe dimensie van pure vrijheid.
In Rotterdam had je de Keileweg en het oude spoorweg overslag terrein. Hetzelfde soort aftakeling. Mijn liefde voor deze plek zat hem niet in de tippelhoeren. Het zat hem in het hele spel van verderf met op de achtergrond een stad gepokt door spuitverf en zilverfolie, achterstallig onderhoud en armoede. Wie zegt, dat Rotterdam ‘zo leuk is vanwege het rauw randje’ heeft geen idee waar het over gaat. Dat is allemaal voorbij. Maar toen! Toen wel. En we leefden het. Nog steeds hebben half verlaten plekken en industrieel erfgoed, met een vleugje ellende en verval een enorme aantrekkingskracht op mij, hoewel ik zelf al decennia in een redelijk onderhouden huis woon met een wilde tuin, dat dan weer wel.
Het toeval wil, dat ik onlangs voor mijn werk de beschikking gekregen heb over een opslag terrein in een zijstraat van de Keileweg. Meerdere keren per week rijdt ik over de voormalige tippelzone, die voor een amateurhistoricus nog deels herkenbaar is. En denk aan toen. Als ik op ‘mijn’ terrein ben, voel ik me thuis tussen het opschietende onkruid, dat de gifgrond weerstaat. Tussen de oude containers met uitzicht op de trotse Maas.
Vanmiddag fietste ik over de Keileweg naar huis. Op een obscuur plekje vlak tegenover de oude afwerkplekken stond een witte Citroen C1. Ik zag een jonge meid omgekeerd op de bestuurderstoel zitten. Haar volle borsten bulkten zowat uit haar strakke hemd. Onder haar zat een knaapje van misschien negentien jaar. Het vertederde me. Onwennig als ze daar zaten. Als het gouden rafelrandje van de nieuwe dageraad. Dat is echte romantiek!
VON SOLO DICHTER, COLUMNIST, PERFORMER EN CINEAST Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl
soms geeft een dag zich op dingen kunnen loom en ongelezen blijven ongedaan/onaangeraakt wachten op andere momenten een koel glas wijn dient zich voor de boterhammen aan condens kringt donker op tuintafelhout misschien kan ik opnieuw beginnen is vandaag de dag om te besluiten waar ik zonder kan wat is werkelijk relevant wat blijft aan de hand een gedicht beginnen kan altijd zelfs op zulke dagen afronden is problematisch [je steekt iets in de brand en kijkt vanachter rood-wit lint wat er gebeurt] dit soort dagen dit soort van dagen niets valt af te sluiten Lieke zei dat het er niet om gaat de dagen door te komen de dagen gaan vanzelf voorbij het gedicht niet het gedicht [zeg ik] zet zich vast op het kastje waar mijn wekker waakt en grijnzend naar me kijkt
pomgedichten.nl heeft het exclusieve recht gekregen om 65 teksten van Miriam Al tweewekelijks op de woensdag te publiceren – dat gaan we doen! de teksten zijn door haar helaas overleden vriend Merik van der Torren nog net voor zijn dood uitgetypt en van een nummer voorzien én in een blauw mapje gedaan. vandaag tekst nummer 64– dank je wel Merik – dank je wel Mirjam Al.
Dit zijn woorden die zich alleen nog maar voltrekken woorden die niets meer doen lege hulzen tussen de kogelgaten die ze achterlieten
slijtvaste woorden maar afgepast en uitgeteld bedoeld als middel tegen de vertekening bedoeld om beelden te bedwingen, beweging te bevatten gaan zij nu als knikkers over ijs helder hard en waar maar te los om te beduiden te rond om te betekenen te glad om te vatten
dit waren woorden die zich alleen nog maar voltrokken
Ik heb ze niet gezien. Heidi noch Peter. Voor de hand liggend wellicht in zo’n prachtige omgeving. Noch een Milka-koe. U weet wel zo’n paarse. Het verschijnt allemaal via de hersenen op mijn netvlies. Surrogaat. In grote verwondering wandel ik verder en ga volledig op in de natuur.
In mijn achterhoofd een neuriënde Julie Andrews in een Schotse ruit. Werkelijk waar. Sound of music meets Sound of Silence. Het is nu slechts wachten op een boxer … eh … Sint Bernhard. Zo eentje met een tonnetje om zijn nek, luisterend naar de naam Simon. Ach. Wellicht is het tijd om een dokter te raadplegen. Wat denkt u? Niet?
Ja, ook in de bergen kan het 34 graden worden, kunnen gedachten gaan dwalen. Al vijf uur loop ik oververhit door dit prachtig berglandschap. Het maakt me gek en ietwat melancholisch. Een droomscenario. En zie ik het nu goed? Bouwt Casper D. Friedrich nu ineens een vlot van hout voor mij? Of ben ik in de war met Géricault?
Nee, het is een imitatieberg. Zorgvuldig en precies geschilderd door … nee … nee … Bob … Bob Ross. Maar die schildert toch naar de waarheid? Precies. Ik besluit contact op te nemen met H. Rousseau. Telepatisch uiteraard. Dat hij het lekker oplost. Tot slot besluit ik nog even een foto te maken van de situatie. Je weet maar nooit waar dat goed voor is.