
Lucia
Ach ja – weet je nog- toen we botsten
om het hardst tegen elkaar op de kermis
wij samen de roos probeerden te vangen
met een zuurstok en twee suikerspinnen na
je me deed oprichten, de pluim voor je ving
hoe onbevangen, hopeloos jong we waren
een paar uur, dagen een heel leven scheen
en tijd , gaten ging slijten in ons beiden
we uitvlogen en de einder zochten tot
de maat der dingen begon te wringen
onze voet de Italiaanse laars ontgroeide
ging knellen en Mephisto het overnam
het pad van voortgang en aanpassing
ik nooit vergeten zal hoe jij, Lucinda
me het licht liet zien- je stralende blik
in de rups van die pre-coronatijd toen
afstand nog compleet ondenkbaar
ik nooit vergeten kan – elk jaar opnieuw
hoe de zomer – zij het in semi-lockdown
ons om een nieuwe kermis roepen blijft
Cartouche
–>
ach ja ik herinner me ook de kleine kermis, de gevangen pluim bij het rondgaan. de kaneelstok en de suikerspinnen. hij kan het wel hoor cartouche. bijna zeg je dat na zo een eerste strofe wel een liedje gezongen kan worden. en c de pirate zingt dan ook dat liedje. hoe hopeloos jong, en hoe de tijd gaten deed slijten in de geliefden van weleer. mijn romantische hart slaat op hol – het is die jeugdliefde – elke jeugdliefde die hier wordt geraakt. in ons allemaal gesleten en dat Cartouche er verlichte woorden van liefde aan geeft. geniet het gedicht van de week op uw pom.












