Laat me zijn breekbaar samenraapsel van huid en bot met wangen om van binnen op te bijten ogen om achter te verdwijnen, een buik om in te huilen en onverwachte plaatsen om in te schuilen van schedel, schouder en het achterste van de tong.
Laat me zijn een beven zonder harnas van wimpers en tanden, lang uitgestrekte binnenwanden vuurgedoopte handen, zenuwbanen waar ieder bericht zich op lijkt te keren tot waar het begon.
Laat me daar wachten op een thuiskomst een herhalende hartslag of andere tekens van leven, als alles weer langer dan verwacht ergens onderweg blijft breken.
Half acht in de ochtend. Het water was koud in de Bergse Achterplas. Elf graden Celsius. Vijftien minuten zwemmen in een zwempak met blote schouders is dan afzien. Ik was blij de kant weer bereikt te hebben. Na me op de kant gehesen te hebben liep ik naar de boom. Daar hingen aan twee zelf aangebrachte haakjes mijn badjas en handdoek. De buitentemperatuur was vijf graden. Met mijn rug naar de bewoonde wereld trok ik mijn zwempak uit en droogde me af, alvorens mijn badjas aan te trekken. Mijn door de kou gescherpte zinnen, merkten op zo’n twintig meter afstand beweging op. Ik draaide mijn hoofd en zag inderdaad, dat er iemand aan kwam lopen in mijn richting. Dat was opmerkelijk, want niemand benadert mij ooit als ik uit het water kom. Het is een plekje ver van het doorlopende voetpad. Deze persoon leek zich vastberaden in mijn richting te begeven.
‘U stond zich daar net naakt af te drogen, is het niet?’ Ik beaamde dat met een knikje. ‘Dat kan verstaan worden als schending van de openbare eerbaarheid.’ Ik luisterde aandachtig, maar reageerde nog niet. ‘Er wonen mensen hier in de buurt, die aanstoot zouden kunnen nemen aan uw naaktheid’. Ik keek de man aan. Hij zag er heel normaal uit voor deze buurt. Cognackleurige nette schoenen. Een Levis spijkerbroek en een lichtblauw overhemd, met daarover een grijze, wollen State of Art V-hals trui. Langzaam knikte bevestigend. Niet dat ik het met hem eens was, maar wel, dat ik hem had begrepen. Daarop vroeg ik hem of hij aanstoot nam aan mijn naaktheid en overwoog mijn badjas een eindje open te laten vallen, wat ik niet deed. Deze vraag beantwoordde hij ontwijkend.
Daarop besloot ik het woord te nemen. ‘Weet u meneer, het mooiste zou zijn, als ik gewoon een simpel kleedhokje zou hebben vlak bij het water, Dan kan niemand mij zien omkleden. Dat heb ik zo in elkaar getimmerd. Wat dan echter jammer is, is dat het in de zomer, door buurtgenoten met een sloep, aangezien zal worden als een toiletvoorziening en iedere zatte corpsbal erin staat te pissen. Wanneer zij mijn kleedhokje niet onteren, zullen de lokale alcoholisten het als kakdoos gebruiken, nog even afgezien van het feit, dat het tweewekelijks door de lokale hangjeugd gesloopt zal worden. Neem daarbij het feit, dat hier veel juristen en ambtenaren wonen. Als ik iets timmer om me om te kleden, zal iemand ervoor zorgen dat ik het op last van de Gemeente weer moet verwijderen. Tevens zullen er borden verschijnen, dat er helemaal niet meer gezwommen mag worden als ik pech heb. Of de Gemeente en de Omgevingsdienst gaan het water onderzoeken, wat een jaar duurt, om tot de conclusie te komen, dat er een jaar later weer gezwommen mag worden, maar enkel op gezette tijden bij bepaalde temperaturen. Via een Burgerinitiatief, kan ik misschien een aanvraag doen voor een kleedhokje, dat dan na vijf loketten en tien formulieren in overweging genomen wordt. Twee jaar later verschijnt er dan een kapitaal bouwsel, dat alleen ik gebruik om twee keer in de week mijn badjas aan te doen. Verder zal het als openbaar toilet en mikpunt van vandalisme gebruikt worden. Dus ja, ik snap, dat er misschien iemand aanstoot kan nemen aan mijn blote kont. Maar ik denk toch, we het het best zo kunnen laten en dat degene die mogelijk aanstoot zou nemen een kort moment de andere kant uit kijkt’. Tot slot gaf ik hem nog een vette knipoog.
Hij keek hij me aan, zoals de vissen op de markt op zaterdagochtend dat ook doen. Hij draaide zich om en liep weg. Eigenlijk had ik hem moeten uitleggen, dat mijn piemel zo klein, als ik uit het steenkoude water kom, dat er werkelijk niets meer te zien is en dat het dus meer de suggestie van schending van de openbare eerbaarheid zou zijn, dan een feitelijke overtreding. Dat had me een hoop verhaal gescheeld.
VON SOLO DICHTER, COLUMNIST, PERFORMER EN CINEAST Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl
www.pomgedichten.nl heeft het exclusieve recht gekregen om 65 teksten van Miriam Al tweewekelijks op de woensdag te publiceren – dat gaan we doen! de teksten zijn door haar helaas overleden vriend Merik van der Torren nog net voor zijn dood uitgetypt en van een nummer voorzien én in een blauw mapje gedaan. vandaag tekst nummer 23 – dank je wel Merik – dank je wel Mirjam Al.
Wij ontvingen het bericht dat Mirjam gevallen is en zodanig gewond is geraakt dat herstel inmiddels extern plaatsvindt. Wij wensen Mirjam een goed herstel toe – en het lijkt alsof haar tekst van vandaag – met TRUMP als winnaar – iets van voorspellende waarde in zich heeft.
hoe jij je vastbijt me toe-eigent tot bloedens toe de joue tot ik gespleten wegzweef onder je vandaan voorbij het nu hierna ik weet niet of dit sterven is
DE CALLE zingt het elk jaar weer op Ruigoords Armand Memorial en zo ook dit jaar 2024 een van Armands grootste songs – het leven, de mensheid betreffende – voorganger in de ware romantiek – dat we het steeds maar weer helemaal mogen voelen – nog een keer ook hier weer op de pom – nu De Calle hem weer voor even teruggehaald heeft – ARMAND
op haar eigen wijze meldt Lucienne het door haar samengestelde programma met heerlijke dichters en met Frans Bakker en Julius Branolte voor de muziek – over het open podium schrijft ze: ‘Direct na de pauze is er een Open Podium – (Aanmelden mag op de dag zelf bij Pom Wolff (hij bijt niet!) – Lucienne Kohler, Pom Wolff en Hettie de Korte zijn (voorlopig) understudy en/ of trappen het Open Podium af.’
Adres: Laan der Hesperiden 18 1076 DN, Amsterdam. Tijd: 15:00 – 17:30, inloop 14:30. Halte Olympisch Stadion. Toegang voor het publiek is gratis, consumpties vrijwillige bijdrage (graag pinnen)
over Marjets heerlijk klagen gesproken JOZ KNOOP kan er ook wat van hoor – al in 2020 hier present:
Hallo Pom. Ik wens iedereen een hartverscheurend gelukkig 2020. Mijn inzending is de definitie van hartverscheurend geluk.
Hartverscheurend geluk
Geluk is een deerniswekkende sloerie die even aandachtig met jou en dan weer verveeld met die ander een dansje waagt en dan wegvlucht.
Nee, dan de ellende met eeuwige trouw die thuis wacht na jouw buitenspelen en jou weer omarmt in een wurggreep tot jij bij een aandachtverslapping geslepen haar armen ontsnapt
voor een vluchtig ontzielend moment met die hartverscheurende slet.
Vriendelijke groet Joz Knoop.
–> pom: contemplatie&/ of empathie was het thema – hahaha – en we lezen over die heerlijke onverzadigbare hartverscheurende slet – die sloerie die in de hoofden van zovelen danst. de juryvoorzitter kennende zou mij niet verbazen dat dit gedicht hoge – hele hoge ogen zal gooien bij het uitreiken van het eremetaal. de vrouw des huizes wist mij vanochtend ook al met een brede lach op haar eeuwige trouw lippen te melden dat ene joz knoop een wel heel geestig gedicht had ingestuurd. kortom in huize wolff is de sloerie goed geland – kijken of zij juryvoorzitter le nobel aan het dansen weet te krijgen. voor dat de boel ontploft: vuurwerk & vluchtige liefde. bijna de titel van een roman.
Peter le Nobel: –> Hartverscheurend geluk
Nu sprak ik ooit een Franstalige prostituee met hartklachten die haar leven kort samenvatte met: ‘La vie est une putain comme moi.’ Een klein juweeltje, maar zo in het Nederlands kan Joz Knoop ook een diamantje fijn slijpen. Een favoriet.