
Het was een broze hulpkreet. Paniek. Help. Twee keer. Help! Onverstaanbaar bijna. Maar zonder twijfel paniek. Breekbaar en indringend kwam het keihard binnen. Richtingloos. Nog geen minuut geleden. Thuisbrengen kon ik het niet.
Pas nadat de streekbus voorbij geraasd was, zag ik haar. Aan de overkant van de Breestraat het afschot van de stoep trotserend in zo´n rolstoel die in ieder verzorgingshuis voorbij de schuifdeur staat. Daar zat ze, grauw en grijs als de kabeljauw uitgestald op de markt om de hoek. Eenzaam worstelend voor een grote glimmende etalageruit. Beide handen met de knokkels bleek rond de grijze banden van het onding geklemd. De trottoirband steeds naderbij. ¨Help me!¨ Blinde paniek spatte uit haar benepen blik. ¨Alsjeblieft!¨
Terwijl ik de losgeschoten veiligheidsremmen terug in de juiste stand aan het manoeuvreren was, vertelde ze dat ze in haar rolstoel woont. Met haar wijsvinger priemend in het niets. ¨Ze hebben mij er laten vallen.¨ Daar. ¨Ik kan niet meer lopen.¨ Daar. ¨Mag er nooit meer uit¨ Daar. ¨Maar mijn dochters laten mij gelukkig om beurten uit en vandaag is het die dag.¨ Haar grip verstijfde. Nog voel ik haar handen rond m´n polsen kloppen. ¨Dankjewel.¨ Tranen dreven op haar gezwollen ogen. Ik vroeg haar om haar naam. Ze dacht even na en haalde beide schouders op. ¨Daar,¨ zei ze. Dat is wat ze zei.
¨Zal ik je zeggen wie jij bent?” Na met een knipoog een vette glimlach te hebben bevrijd stromen duizend woorden over bewegingsloze lippen. Ik voel haar sidderen. Ze ruikt naar hageldauw op lentegras. Eva resoneert in mijn ganse lijf totdat de vrouw mijn beide polsen loslaat en kwijlend met haar kin op de borst in een staat van apathie belandt.
Juist op dat moment zwaait de winkeldeur open en begroet haar dochter haar met de woorden. ¨Zo moedertje, dan kunnen we nu weer lekker verder samen op stap,¨ en wenst mij vervolgens een prettige dag.
Peter Berger






















