
Ik heb iets met sleutels. Deuren. Blijkbaar. Vandaag ook weer. Fris en guur is het in de stad. Lekker! Staalblauwe luchten. Kortom, candy voor de longen. Het voelt als roken bijna. Die ijskou in je longen. Diep. Vries. In de Weimarstraat. Een klein uur lopen van het Scheveningse strand. Daar staat ze. Pal om de hoek. Twee van die vierkante appie tassen naast de voordeur op de stoep geparkeerd. Boordevol lekkers. Een jonge moeder, want luiers ook, parmantig verpakt in een blauwe parka en een dikke gewatteerde broek die haar gek genoeg flatteus uit verf doet komen. Die broek. Achter de fluffy rand van nylon konijnenbont schuilt een weifelend meisjesgezicht. Met een neus die net geen wipneus is en lichte paniek in de ogen. Ravenzwart is ze. Het haar. ¨Ik kom mijn eigen huis niet in,¨ fluistert ze fragiel.
Ik voel haar twijfel. Een vreemde. Man. De sleutel steekt nog in het slot. Ik ken dat wel. Een onverzettelijke deur die klemt door vorst. ¨Heb ik in Leiden ook,¨ stel ik haar gerust. ¨Zo´n deur.¨ Haar blik ontdooit. Ik leg haar uit dat het een kwestie is van een harde ruk en precies in dat moment de sleutel draaien. ¨Plus een flinke dosis domme kracht natuurlijk.¨ Ze lacht en zucht dat ze al een kwartier aan het klooien is. ¨Kan jij het alsjeblieft proberen?¨ Het is iets in de zang van haar stem. Ik denk dat ze Française is, maar slik de vraag maar in. Tegenwoordig. Spaanse? Met een ruk, een snelle polsbeweging plus lompe schouderbeuk is de klus geklaard. Klik, en het kreng zwaait piepend en krassend open. Haar blik spreekt boekdelen. Opluchting fonkelt in haar ogen. Ze mompelt iets over haar man en een schuurmachine en meer dingen waar ik geen weet van heb. Een warme lach en een vluchtige aanraking doen dienst als vaarwel. Ik ga vaart maken. Flink doorstappen en dan rust in mijn kop. Altijd. La mer. El mar. Om het even. Een uurtje nog. Tot de leegte.
PETER BERGER



















