ik zie een luchtig slagroommeisje a capella schaatsen
Aloha dear dichter we waren een beetje laat, hebben zojuist alle roze koeken opgevreten. Van heel Holland bakt krijg je vanzelf inspiratie. Neem Robert, ook zo’n heerlijke kerel. En dan die lekkere André. Ik zou graag bevestigd zien dat jij ook naar dat programma kijkt, maar dat raadsel moet je zelf maar oplossen. Bakkers klaar bakken maar. Denk aan januari met slagroom.
Liefs Karin
reactie redactie: sorry Karin heel holland bakt maar dat het brandt in de hel maar wij van hier bakken niet mee met dikke robert, zijn dikke vriendin die alles achter der handjes naar binnen douwt en met die man met die vreemde ogen.
Januari
Januari beleef ik in mijn nieuwe Friese washand of ik zie een luchtig slagroommeisje a capella schaatsen dit is de eerste maan onder de vijver lacht de sneeuw zoveel mogelijk zal ik trachten om heel warm van jou te mogen worden. Streel mijn koude. Dat is zo mooi te vroeg.
Voor de liefhebbers: op een website voor rijmelaars (waar, onder anderen, een perfide man onder het pseudoniem “Bas Boekelo” nog immer haat en domheid zaait) liet schrijver dezes zich eens verleiden tot het construeren van sonnetten die stiekem opgebouwd waren uit higgledy-piggledy’s dan wel olbols. Het betroffen gelegenheidsdichten, hieronder ongewijzigd weergegeven—de eigennamen incluis.
In het magnum opus ‘Zeslettergrepigheid’ (een woord dat, tussen haakjes en ironisch genoeg, de hoofdklemtoon op de tweede lettergreep draagt) van H. Polzer vindt men de uitvinding van het construct op p.92. Zoals ondergetekende de van zelotisme haast waanzinnigen op hierboven omschreven website trachtte in te doen zien: een dergelijk construct zal bij hantering van staand rijm aan het eind van de oneven sonnetregels altijd conflicteren met het door de olbol (goed, door A. Hecht & de zijnen) gedicteerd & zeer strak dactylisch metrum. Het creëeren van een zogenoemd ‘olsonbolnet’ met staand rijm op de oneven regels van de eerste acht (zoals Polzer deed in zijn geversificeerde hapax), leidt onvermijdelijk tot schrikkelrijm óf een doorbreken van de dactyli door brevis in longo—beide door De Drs. als doodzonde bestempeld, als we dan toch tot in de marges dooremmeren. De enige manier om zulks te vermijden, is door de constructie van een glijdend rijm in de oneven regels van het octaaf, zoals onderstaand in III. is gebeurd. Het slepende rijm in I & II. blijft ongeveer zo onvolmaakt als dat van Polzer in zijn construct. Uit met dichterlijke idolatrie!
Overigens ben ik van mening dat Lucebert een nazi was (zie, tussen haakjes, ook eens het saillante naschrift van Alexis de Roode c.q. de redactie van Hekelvers bij de laatst geplaatste verzen aldaar. Het ware kostelijk zo het niet zo navrant was.).
I. Bas, nu uw achting graag! Ja, kom erbij (door ‘m hier te betrekken vermijd ik de smaad). Zag u ooit hier op dit dwingelandijforum dichtwerk zo sierlijk en zo adequaat?
Dat dacht ik ook al niet. Zie toch zijn glijporem glimmen: de vlegel die brille slechts haat. Hoon valt ten deel aan het rijmelarijschorem dat, blijkens stoplappen, immer bestaat.
Toch is ’t funest, weet u, langer zo door te gaan—vierkant verdommen wij haarkloverij.
Vijftien april heet nu Olsonbolnettendag! Hier kant de meute zich vast tegen mij…
II. Juffrouw Verlinde met juffertje Prik door de gangen: een dinsdag in ’t schools internaat. Zien zij daar Hendrik! Zijn wedervraagantwoorden zelden opmerkelijk, nooit accuraat.
“Zeg, mijne juffers!” Indachtig slechts lustmoorden nemen zij Hendrik welwillend de maat. Disassociërend naar amusementsoorden luisteren beiden ontstemd maar beaat.
Dan zijn ze boos. Ik zie beiden hem optaters geven—hij schreeuwt, en rent schreiend naar bed.
Niet meer getergd door die klaagmuurklachtlangspeelplaat schreven zij blij een dactylisch sonnet.
III. Dit had ze nooit verwacht. Oh, welk 1 odium! Wee diva Ditmar in dit exposé: Amper beklom zij het mooischrijverspodium Toen iemand baste: “Welk lipdiarree!
Poep aan de nieuweling!” ‘Slik een Imodium®!’ Riep zij. ‘Of beter, je neemt er maar twee! Stinkend uw wonde: als heelmeestersjodium strontwerpen is, doe ik graag met u mee:’
“Weg met de voorschriften!” Riep zij zeloten toe. Hinderlijk werd ze genoemd, en gehoond.
Hoor ze nog doorkiften… Polzerdiscipelen. Kinderlijk kliederwerk werd hier getoond.
Regen dagen spoelen schoon dennennaalden en zand van het tuinpad wat binnen knarst en zout van verborgen tranen van vreugde of verdriet
ze laten je dansen in plassen genieten van de druppels op je huid en mopperen op de lucht van oude natte hond die als een foute dweil over de vloer gaat na zijn rondje
extra genieten van het thuiskomen en als dan de zon weer komt natte bladeren drogen terwijl lichte vorst de nacht beheerst de prikkelende geur van winter
Ik zat klaar achter mijn eettafel. Oortjes in mijn oren gewurmd, in de hoop er de rest van de les niet meer aan te hoeven zitten, mijn waterfles naast me, haar in een knot, ogen op scherp en de helderheid van mijn laptop iets lager dan normaal. Tegen de vierkante ogen. Ik was vanochtend op tijd opgestaan en had mijn tanden gepoetst met verwachtend enthousiasme. We mochten weer: school. Ik hoopte dat ook in de online wereld mijn enthousiasme gevuld zou worden met het plezier en de leermomenten van het vak. Met een zucht, een kuch en aanschuivende stoel klikte ik op ‘Join.’
Langzaam popten de gezichtjes van mijn klasgenootjes op. Mijn beeld vulde zich met acht afzonderlijke wereldjes. Als eerste vloog Ivo in beeld. Hij zat nog in zijn kersttrui en draaide rondjes op zijn bureaustoel. Plop, Noortje volgde. Met haar gezicht zo verward als haar knot. “Effe wennen he” zei ik. “Hè, wie zei dat?” Vroeg ze. “Ja dat het effe wennen is.” “Oh ja goh, zeker. Ben net uit m’n bed gerold. Nee mam ik had het niet tegen jou.” Haar moeder liep als een schim het beeld in, en zeven handjes vormden één groot ‘Hallo’ op het scherm. “Hi mevrouw.” Ze verdween haperend uit beeld terwijl haar voet vastlopend bleef hangen. “Zo dan, we zijn er allemaal” zei Elsa. “Dan gaan we maar beginnen.”
We kregen onze eerste opdracht. In tien minuten moesten we voor onszelf bedenken, en opschrijven, wat je aan het einde van deze periode geleerd zou willen hebben. Ik voelde me enigszins gek. Zo achter een computer. Alsof ik in een verhoor zat, afgezonderd van de anderen, en er zo maar mensen mee kunnen kijken. Hmmm. Ik bewoog mijn lippen tussen mijn tanden en keek naar het plafond, en toen naar de fruitschaal, de scheve foto aan de muur en de net nieuwe scheurkalender die tussen mijn twee ramen bungelde.
De regendruppels buiten vingen mijn blik, waar een man post aan het bezorgen was. Kletsnat rende het oranje jasje van deur tot deur. Zijn hoofd bleef voor mij een mysterie. Ik vroeg me af hoe laat hij uit z’n bed gerold was. Arme bezorgers. En wij maar online bestellen. “Ivo, wil jij je camera wat naar boven draaien, want ik zie zo steeds je typende vingers in beeld” onderbrak Elsa onwetend. “Oh ja, ik zie het. Sorry.” Ik keek naar zijn beeld. Inderdaad. Tien tikkende vingertjes bewogen ritmisch voor mijn ogen. Grappig eigenlijk, het kon bijna een voorstelling worden.
Het volgende blokje greep mijn aandacht, waar Elsa zich in bevond. Haar achtergrond was gevuld met de muren van haar woonkamer. De open haard mondde uit in een aantal hangende planten, die op beeld een pruik voor haar korrelige gezicht vormden. Ik had haar woonkamer niet zo verwacht. Voor zo een iemand die een Russische dansschool had afgerond zou je toch ja… Een andere kleur muur verwachten? Minder planten?
Er popte plots een handje op in iemands blokje. Esther had een vraag. “Ja ik hoorde dus niet helemaal wat u zei. Mijn verbinding liep vast.” “Verbeelding liep vast?” Vroeg Elsa. “Dat is niet zo best, voor iemand die een theateropleiding doet.” “Nee nee, verbinding. Ik hoorde uw vraag niet.” Terwijl ik bijna in mijn slok water stikte zag ik acht op-en-neer bewegende ‘pixelhoofdjes’ die mijn beeld met gelach vulden. Elsa beantwoordde haar vraag.
Van een vastlopende verbeelding had ik geen last, wel een slapend been. Een slapend been en nog geen antwoord op de gestelde vraag. Wat wilde ik nou geleerd hebben aan het eind van deze periode. Terwijl elk blokje afzonderlijk weer een gebogen hoofd naar een blad op tafel vormde staarde ik nog even naar buiten. De postbode was helaas ook weer doorgereden. Als het wel een postbode is, misschien is dat wel helemaal niet zo. Misschien keek hij via zijn TomTom stiekem wel mee in deze meeting. Ha, dan had ik dat toch mooi gevonden.
“En Suzanne. Laten we bij jou beginnen. Wat heb jij?” Vroeg Elsa. Ik had natuurlijk nog niks opgeschreven. Mijn eerste impuls ving me stotterend op: “Aan het eind van deze periode wil ik geleerd hebben om mijn verbeelding te laten vastlopen, en mijn verbinding met de les meer aan.” De klas lachte en knikte tegelijk. Ik keek nerveus lachend naar het blokje van Elsa. “Ja, dat lijkt me een goede, haha” zei ze. Terwijl Elsa de volgende student de vraag stelde wierp ik nog één blik naar de fruitschaal: “Oké Suus, bij de les blijven” zei ik. De twee appels en laatste banaan lachten me toe. Nog twee uur te gaan.
je donkere Indische ogen, je rasta-vlechten, O, Tito,
Tito de Vries, dichter, muzikant, beeldend kunstenaar; Merik: “Hoe heb je Simon leren kennen?” Tito: “Ik kende Simon al heel lang, al sinds 1954. Van mij waren toen een aantal cartoons gepubliceerd in Vrij Nederland en bij de eerste ontmoeting met Simon, vroeg deze of hij een interview met mij mocht afnemen om in de Haagse Post te plaatsen. Ik heb daarna steeds contact gehouden met Simon. In 1983 kwam ik hem op de hoek van de straat tegen en zei hij tegen me: ‘Ik ben een schrijfworkshop begonnen, heb je zin om mee te doen?’ Zo ben ik bij schrijfworkshop De Klus gekomen. Toen Simon na tien jaar ophield met het voorzitten van de schrijfgroep, heeft hij De Klus nagelaten aan Yermac de Wit en mij. Tot de dag van vandaag draait De Klus door. Iedere maandagavond komen vijf, zes, soms wel tien of twaalf schrijvers bijeen om aan de hand van thema’s, gedichten en verhalen te schrijven.”
Hoi Pom,
Gisteren bereikte me het droevige bericht dat vriend Tito is overleden, beeldend kunstenaar, dichter, muzikant en sportman en vooral voorzitter van Schrijfgroep de Klus, die wekelijks bij elkaar kwam om aan de hand van thema’s te schrijven. Zowel Mirjam Al en ik schreven een afscheidstekst voor hem.
Adieu, Namasté,
Tito, meester in de poëzie, de muzikale grappen, de gamelan en het voetballen, de honden, jij dierenvriend, met de planten, de aapjes, de schilderijen, uitgever, altijd naar de anderen toe, zacht-goddelijke fluister in je meesterlijke teksten, de geinige glinstering in je donkere Indische ogen, je rasta-vlechten, O, Tito, ik heb er geen woorden voor, alleen de liefde voor altijd.
Dit is voor Emmy, de hartsvriendin van onze Tito: dank voor je niet-aflatende zorg, dank daarvoor.
Er is een lege plek in de tuinen van Buitenzorg, na al het lachen wat we deden.
4 januari 2021, Mirjam Al
Voor Tito de Vries
De stad staat vol huizen, de wind waait om de hoeken, burgers spoeden zich naar elders.
Maatje Betty gaat uit wandelen met mij, snuffelen aan alle grassprietjes, die rare doos, een grote boodschap.
Dat ik mij kan vollopen, al ben ik een vergiet met verdriet uit allen gaten, want je bent er niet, vriend, met je grappen en grollen en poëzie voor het slapen gaan.
Volgens mij zweef je op een schapenwolkje, vleugeltjes aan naar wie je liefhebt waar je vandaan kwam, die je koesterde als je het koud had; Eigenlijk ben je er wel met een laatste gedicht, zon en regenboog.
Zie je nog steeds op die stoel bij het raam, filosofische boeken lezen, brieven schrijven, Schrijfgroep de Klus voorzitten.
kom terug bij mij terug naar het meisje dat ik ben geweest
Yo Pom
Ook zo volgevreten van de oliebollen en appelflappen? Ik wel. Ik kan geen poedersuiker meer zien. Volgend jaar ga ik op de pindatoer. Gelukkig nieuwjaar.
Liefs
Karin
Voor geliefden
Voor als je droomt: kom terug bij mij terug naar het meisje dat ik ben geweest met mijn vlinders in de buik van vroeger met mijn duizenden herfstlichtjes in najaarshaar met mijn open handen waarin een visitekaartje gemaakt van humusblad met mijn schaterlach uit zee en diepe wouden waar de krekel kakelt waar de stilte is en is en is.
echt heel moeilijk was de beslissing niet deze week – onder dankzegging aan alle inzenders – twee gedichten braken door het plafond in het huiskamertje van uw webbie hier in die altijd weer zo fijne amsterdamse jordaan. we weten niet wat er in Erika de Stercke is gevaren (of wie) maar ze schreef deze week op zeldzame hoogte – GOUD! en van harte. had Erika niet ingezonden ik had goud geroepen bij de droeve inhoud van het prachtige dichtwerk van Ditmar Bakker – nooit zullen we die prachtregel: ‘Ik mis hem in het huilen van de regen,..’ nog vergeten – maar Erika zond wel in en nu roep ik zilver en van harte Ditmar – geniet het werk van Erika:
de witte stad
ze spraken van zeven heuvels, we vonden er meer onder het wiegende wasgoed en de geuren van knoflook rustten als voldane ontdekkingsreizigers uit bij de gebakken vis aan het portotafeltje, het houten tramstel slakte voorbij
lokale gesprekken kregen onze mooiste glimlach, de hitte wachtte op verkoeling in verborgen stegen zonder einde een stem lokte ons naar dieptes van weemoed, we boden geen tegenstand en dreven gewillig naar fuiknetten
in broeierige bars waar zeerovers een spoor van nostalgie en vrouwen achterlieten, spraken we vlot de matrozentaal braken stadsmuren af en deden het klooster daar beneden aan de Taag wellustig beven
Erika De Stercke
–> onze Erika verrast ons de laatste weken – het is alsof ze poëtisch losgekomen is – wat zeg ik losgekomen – losgezongen lijkt van haar zo vaak klagende zelf. in een strak en prachtig ritme neemt ze de lezer mee naar de stad waar geliefden vol van zijn en raken. in een heerlijke beschrijving wordt een compleet en volledig beeld op innemende en voortvarende en meeslepende wijze uitgeschreven. een schitterend vergezicht.
René Brandhoff in Lavelline-devant-Bruyeres
Peter Posthumus aan die slootkant
Ien Verrips is thuis
Petra Maria naar de dagen van eeuwige sneeuw
Rik van Boeckel in LissabonvanCarlos do Carmo
Frans Terken naar de oude haven
Babak Amiri in Kurşunlu
Ditmar Bakker ontwijkt de plekjes
Erika De Stercke aan de Taag
Anke Labrie op Ibiza
Jako Fennek bij de Aude
was het orange of vaison-la-romaine, carpentras of avignon? waar we ooit waren – waar we in de avond aten in een zacht avondlicht met lampjes die een beeld belichtten of iets met water – het zachte geroezemoes van de gasten, de overheerlijke gerechten en de keuze uit zoveel wijnen, het menu met de kazen van de streek – de serveerders en serveersters gekleed in iets plechtstatigs zwart en wit – ja het was daar waar wij ooit waren – de markten, de grotten, de bruggen, de terrasjes – de plaatsen waarheen we weer zouden willen – plaatsen van het stille genieten – we lezen zo graag van dichters in dit nieuwe jaar hoe het ooit was – (waar en met wie) – wie wint de enig echte virtuele – de plaatsen waar we ooit waren – de plaatsen waarheen we weer terug – trofee op pomgedichten? u kent de regels: de gedichten niet te lang svp tenzij noodzaak – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd.
weet van de dagen die achteloos voorbij gingen oplosten in diezelfde achteloosheid waarin ook wij bestonden
in de mooiste woorden die te vinden zijn ze had ze graag gelezen ze wist dat hij ze schrijven zou
pomwolff
Ha pom,
Er moest maar weer eens geschreven, nu we toch nergens heen gaan maar overal al waren. Intussen denken we dan maar even aan La Douce. Ja, zo was het daar. En je kon er gratis parkeren. Kom daar nog maar eens om. Groet en fijn weekend. René
Lavelline-devant-Bruyeres
die avond zaten ze voor hun huizen er zou weer een stukje L van de fabrieksmuur vallen
we stonden even stil maakten foto’s van hen en de muur thuis zouden we laten zien hoe het was hoe ze zich tandenloos verbeten
ze moesten zich net zo voelen als toen de poort niet eens meer sloot maar de zon als altijd onderging wij zagen alles in het voorbijgaan
weet je nog wel mijn lief hoe goedkoop het daar toen was
René Brandhoff –> een verfijnd soort nostalgie aan de woorden meegegeven. daar beneden , toen en wij. weet je nog wel lief etc etc – en ze weet het nog – of in ieder geval weet de dichter het nog – de woorden “van hen” niet mooi kunnen gewoon vervallen.(‘en de muur’ is ook wel duidelijk, hoeft niet) – de vallende stukjes L zijn werkelijk fascinerend. dat verzin je bijna niet – zo maak je van proza poëzie, van non-fictie fictie. of moet je voor zo een regel in het groningen van wiebes wonen?
Hoi Pom, de beste wensen voor een creatief 2021 en uiteraard dank, dank, dank voor het ‘online ‘ houden van je website. Nu het gedicht over toen en daar:
je zou nog eenmaal aan die slootkant willen zitten toen het altijd zomer was
je wenst je zelf 10 vogels in iedere hand een spiegel die ontrouw is alleen loyaal aan jou is je wenst jezelf vooral een terug gaan op het slappe koord een ontsnapping uit het gemak van de gewoonte
totdat de sterren zijn gevallen verdwenen in hun eigen licht om als niets te landen in de diepe holtes van je lege handen
Peter Posthumus
–> ja ik wil die sloot ook wel nog een keer. mooi. de herinnering brengt de dichter toch wel terug in de – zo we lezen – min of meer lege werkelijkheid – met lege handen staan – de wensen nog een keer geformuleerd. een gedicht waarin de zomerse slootkant langzaam verandert in een koud winters landschap.
thuis is waar ik ben al staat mijn bed in een huis in de stad waar ik nu woon
ooit stond datzelfde bed in een ander huis een andere stad die ik de mijne noemde
het bed, het huis waar ik geboren werd bestaan niet meer al is het dorp nog steeds mijn thuis
Ien Verrips
–> ja het lijkt er hier toch een beetje op of dichter zich zelf aan het overtuigen is. een spel met de woorden huis en thuis. dit en dat en dat is dit en dit is dat en als dit niet meer dat kan zijn dan kan dit toch nog dat zijn. en anders is het anders. een typisch voorbeeld van een te gesloten geheel waarin alles duidelijk is voor de ik persoon maar waar de lezer al snel denkt. ja ze zal het wel zo voelen. een huis een bed een dit en een dat – ok hoor.
als er ergens terugkomen is
de dagen van eeuwige sneeuw zijn voor onze ogen gesmolten
was dat onze jeugd tijd van fotoboeken
de blauwe hemel droeg nog luchtig naar de zee als schelpjes in het raamkozijn
ik wil ook met jou nog ergens terugkomen
is dit dan ónze oorlog
petra maria
–> iets van melancholie wordt wel gehaald in de tekst maar de vraag draagt niet bij aan het complete gevoel. de eeuwige sneeuw, de jeugdfoto’s, de schelpjes allemaal mooi en aardig maar er hoort wel iemand bij. en dat lijkt gevoelig te liggen. we blijven als lezer – net te veel – in dezelfde kou staan maar dan zonder voorkennis.
Beste Pom
De eerste twee dagen van het nieuwe jaar werd ik door het overlijden op nieuwjaarsdag van de 81-jarige fado zanger Carlos do Carmo ineens teruggebracht naar de zomers van 2012 en 2017 toen ik hem ontmoette en sprak. Zoals je wellicht weet schrijven Portugese dichters de teksten voor fado’s. Samen met fado ster Mariza zorgde Carlos do Carmo ervoor dat fado door de UNESCO als werelderfgoed werd erkend. Hij adviseerde Carlos Saura voor de film Fados. Zomer 2012 ontmoette ik hem samen met fotograaf Hans Speekenbrink in het kader van een reportage over fado voor Jazzism. En in 2017 met leden van Pastiche voor een documentaire over fado in Lissabon. Ik schreef dit gedicht dat volgens mij past bij het thema ‘de plaatsen waar we ooit waren’ (lees hier mijn verhaal over fado: https://writteninmusic.com/artikel/fado-een-film-over-fado/?fbclid=IwAR2rrnP1mlAbZdFS9TkqWpgQ6Y2xXOFAnBxjZnu1fLkrYcalshEJGeN8kzo)en terugkeren zal ik zeker.
Denkend aan Carlos do Carmo
Denkend aan Portugal hoor ik zijn stem in Lissabon een fado man in de stad wegbereider van de saudade de Sinatra van weemoed
zijn woorden en zinnen leven voort via de poëtische klank van zijn stem het lied van zijn land aan de zingende zee
zijn heengaan tijdens de eerste dag luidde de geschiedenis in van oude jaren zittend aan de traag dansende Taag
luisterend naar de eerste fadista’s zingend vanuit de krochten van de ziel stemmen in passie geroerd
fado meu fado de stad licht op uit steegjes van verhitte wijken
denkend aan Carlos do Carmo weerklinken de ontmoetingen in echo’s van een rijk verleden.
Rik van Boeckel 2 januari 2020
–> ‘de sinatra van de weemoed’ is niet meer – een mooi eerbetoon van rijkdom en prachtige klanken. ‘de sinatra van de weemoed’ een eretitel. het lijkt me dat dit eerbetoon buiten de wedstrijd moet blijven. een eerbetoon is een eerbetoon – en stijgt uit boven de zondagse dagelijksheid van pomgedichten – danken we rik voor de respectvolle aandacht voor deze grootheid.
De beste wensen voor 2021, Pom, met mooie reizen in het hoofd!
Oude haven
Ach het Avignon van een glimlach de diva dansend op het festival verleiding krijgt een podium in de stem van de ondeugd
ze voert me mee naar Vieux Port uitzicht op zee aan een zuidkust Marseille op een late namiddag dat hengelen van mij in visserslatijn
een liefdesverklaring tot leven geroepen ruisend als haar extravagante robe maar mijn poging blijft vruchteloos
gestrand in het sissen van de branding waar ik die taal niet machtig ben blaast de zon het sprookje uit
–> reizen we met de dichter mee door douce france waar in de oude haven van marseille een liefde strandt. of dichter met zijn geliefde in het warme mooie festival zuiden een voorstelling geniet of dat hij daadwerkelijk dronken van de liefde douce france doorkruist wordt niet helemaal duidelijk. de afloop wel.
Kurşunlu
Zij spreidt haar armen wijd open wijzend naar de grenzen van geluk niet dat de waterval iets voorstelt het is tenslotte herfst
Zij kijkt omhoog naar die plek waar haar god en mijn niets bevriend raken de plek waar de vragen vervagen bovendien het panorama is dicht
B.Amiri
–> dichter neemt ons mee naar een plaats waarin het mooi zal zijn, met water en licht en lucht en meer. maar hoe het met de geliefden staat – ik weet het niet en de tekst geeft me ook geen duidelijkheid. het is herfst, er wordt omhoog gekeken, god mag weten waarheen. ik moet daar toch eens heen.
Tijd heelt géén wonden; leugens allerwegen van wie mij zeiden ’tijd verlicht die pijn.’ Ik mis hem in het huilen van de regen, verlang naar hem bij nacht & bij ontij. De oude sneeuw op bergtoppen gelegen smelt; rook is al wat rest van ’t blad in mei. Wrang liefde van destijds blijft toch genegen mijn hart, mijn wezen, denken, heel mijn zijn. Er zijn wel honderd plekjes waar ik niet durf gaan—zo vol herinnering aan hem! En elk vertrek waar hij nooit binnen ging, en ‘k opgelucht betreed: nooit klonk zíjn stem er, zeg ‘k: “Niets raakt aan hem, die mij verliet!” Direct ontzet met zijn herinnering.
Ditmar Bakker
–> Dichter pakt weer uit. ‘Wrang liefde van destijds…” leest wat moeilijk weg. het prachtige gedicht verder opgebouwd rond die de dichter -maar ook de lezer hoor- zo enerverende prachtregel: ‘Ik mis hem in het huilen van de regen,..’ ja wat kunnen we anders nog dan? we huilen mee – oprecht en vol begrip dat de dichter niet die honderd plekken durft te gaan die hij eerder met hem ging.
Ibiza
na hordes hippies in die zomers en lang voor de BN’rs kwamen zag ik jou op dat terras
je hotel was niet zo ver
de bergen ademden melancholie de zee was kalm die herfst het zonlicht zacht
jij kende elke plek
geen adressen was de afspraak maar eenmaal thuis toch dat ene telegram
je bleek al uitgeschreven
anke labrie
(2021)
–> wellicht laat het gedicht zonder die laatste regel meer aan de lezer – biedt het in ieder geval meer mogelijkheden voor interpretatie. dan kunnen we nog ALLE kanten op. dan willen we allemaal precies lezen wat er in dat telegram heeft gestaan. en krijgen we het niet te lezen. met de laatste regel is die nieuwsgierigheid min of meer opgelost. in een zacht parlando beschrijft anke labrie mens en plaats en weet iets van wat vakantieliefde is uit te drukken.
roeiers
we strijken neer als vogels na de trek het is een franse dag genadeloos de zon gebenedijd de wijn en kaas
onze blikken volgen roeiers hun silhouetten stuwen door de weerschijn van de aude
opeens begint de wijn te wegen we houden hem aan ‘t licht misschien catharenbloed ze knijpt haar ogen dicht en lacht misschien dat van de duivel zelf
jako Fennek
een sterke daadwerkelijke sterke laatste strofe. we verwelkomen jako in het nieuwe jaar – nog niets verleerd daarachter in het zwitserse – het gedicht scherp van toon, geraffineerd gesneden en stevig neergezet – proost!
Mijn allerbeste Pom, Kwam tussen mijn foto’s een tulp tegen die zichtbaar een mondkapje draagt. Een beetje naar beneden gegleden, maar toch. Die wist er dus maart/april 2020 al van af. Zo zie maar! Maar betere tijden zijn onderweg. Onder de oppervlakte van de besneeuwde tuin – ja, hier in het Zwitserse heeft het vannacht gesneeuwd – liggen veertienhonderd tulpen te wachten op een beter jaar. Ik hol straks gewoon achter ze aan, en pik 2021 lekker mee. Maar voor het zover is, nog een pessimistisch woordje hieronder. Wil natuurlijk niet verzaken je mijn hartelijke wensen te sturen voor de jaarwisseling. Dat er betere tijden mogen aanbreken, zwaai ik je toe. Heb het goed en groet van Jako, vanuit het witte.
afgehaakt
de buurvrouw van beneden die met die tuitlippen waar ik steeds met verlangen naar staar leeft al tijden achter een kapje ‘t is toch wat al bijna een jaar verstopt ze zich
het zijn altijd de lieven, de aantrekkelijken de sterken die verdwijnen
wat mij betreft kun je beter meteen de covid krijgen
jako fennek
Ik wens je een heel mooi en zeer poëtisch 2021. Hier mijn nieuwjaarsgedachte. Met dichterlijke groet, Rik van Boeckel
Onder de boom des levens
Onder de boom des levens liggen geheimen in stilte verborgen
aan de takken hangen de jaren ze vallen als ze voorbij zijn
de volwassen eeuw raapt ze op schudt ze uit over het landschap
herinnering streelt de kleuren aangenomen door de passerende tijd
de stam geworteld in eeuwen begroet het nieuwe jaar met passie
de takken reiken de armen uit naar zon maan en vallende sterren.
De dag gisteren nieuw begonnen ligt oud achter ons net als het jaar wat knallend ten onder ging om met het zelfde vuur weer van start te gaan
2021 Nummerologisch een 5 welke staat voor verandering, vrijheid en nieuwe uitzichten
ik snak er naar!
daarnaast nog die ganzen waar ik vanmorgen over struikelde ( oké ik gaf ze wat te eten) die als totemdier de boodschap hebben dat het tijd wordt om uit beperkingen te treden.
Natuurlijk al met al een hoop spiritueel gelul in de ruimte, maar wel gelul wat me op de 1e morgen van het jaar prettig in de oren klinkt.
Ik hoop dat een ieder de jaarwisseling goed is doorgekomen en geef jullie allemaal op deze morgen virtueel de vijf en hopenlijk veel ganzen op het pad, zodat we een mooi jaar krijgen.