Op een gegeven moment kun je een verhaal schrijven over jezelf. En dat kun je van dag tot dag aanpassen. Je kunt ook een beschouwing schrijven van een fenomeen in de maatschappij of het grotere beeld van de hele wereld. Je kunt er ook voor kiezen een keer iets anders te doen, omdat je het gevoel hebt alles geschreven te hebben over jezelf wat te schrijven was en alles geschreven te hebben wat je meent te moeten ventileren als je mening. Als je dat punt bereikt hebt, resten slechts een paar mogelijkheden. Het bedrijven van wetenschap, het belijden van een geloof of het niets van de poëzie. Een geloof heb ik niet. Een wetenschapper ben ik niet. Dan rest slechts die ruimte.
Je zuigt de woorden uit mijn lul, terwijl ik je mond met letters vul. Het spul waar dromen van gemaakt zijn, verkwikt je als een witte wijn. Mijn wijngaard vol met rijpe druiven, die je wellustig poogt naar binnen te schuiven. Die kogels passen maat krap in je zwijgende, zuigende mond, die zoveel meer zegt met de geluiden die mijn woorden daarbinnen maken. De echo’s die het verhemelte raken tot een spuitend hemels huigvermaak. Staak je het niet mijn woorden de jouwe te laten zijn en de zoete pijn van het me aan je overgeven. De kleine dood na een kort beschoren leven, gorgelen de laatste woorden in een korte slik. De woorden weg. De inkt is gegaan. En ik zeg enkel nog: ‘Op je gezicht had dit gedicht ook niet misstaan’ (Von Solo, 2019)
‘Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, …’
woensdag merikdag op pomgedichten – good old elsschot schreef voor vandaag de beste inleiding. we lezen merik – de meest onvervalste amsterdamse dichter in een ingezonden brief naar Het Parool en we lezen van zijn dromen. ‘geniet ervan’ zeggen dan vaak meisjes tussen de 20 en 30 in de horeca die in algemeenheden communiceren. hoe anders onze Merik van der Torren.
Hoi Pom, Ik wil dit ingezonden briefje van mij dat geplaatst is in het Parool van zaterdag jl. even met je delen. Het is misschien ook leuk voor pomgedichten. ( Anders misschien op woensdag ipv. het vaste gedicht ), groet, Merik
Van: Merik Verzonden: woensdag 27 maart 2019 18:41 Aan: hethoogstewoord@parool.nl Onderwerp: ingezonden brief
Het bericht dat er dertig treinen per uur naar Schiphol zullen gaan rijden binnenkort, schudt me weer wakker. Er wordt in Amsterdam al tientallen jaren gepland en gebouwd voorbij het belang van de bewoners. Zo is de Noord-Zuid-lijn gekomen, zo worden ondanks de hotelstop grote hotels gebouwd in en rond Amsterdam. En in deze tijd worden 14.400 bomen gekapt op de Zuid-as-Dok, vanwege de vernieuwing van Station Zuid, Zo kapt en bouwt men als gekken en de Amsterdamse inwoner heeft het nakijken; die hapt naar adem in een door uitlaatgassen vergiftigde lucht,
Groet,
Merik van der Torren
resteert na de daad nog de ‘droom’- geniet:
Droom
Ik ontmoette de oude dichter. Het speelde zich af op de Geldersekade in een schemerig vertrek tussen verweerde muren en lekkende goten. “ Ik heb een schrijfgroep geleid bij de Nieuwmarkt, “ zei ik, “ het was er vaak chaotisch, maar soms werd er heel goed geschreven, wel een uur lang, hè, Mirjam ?” Mirjam straalde een helder licht uit. “Jazeker,” zei ze en verdween weer in het duister. “ Achter de sluiers zijn madonna’s mijn inspiratie ……en hoeren, “ zei ik. De dichter glimlachte minzaam.
Columniste op een gala met 84 dichteressen in het baksteen- en asfaltrijke Bos en Lommer. Het leek wel een samenkomst van heel literair gereformeerdkatholiekmoslima vrouwelijk NL. Kijk, daar had je de zilveren dos van Diana Ozon en daar de dasspeld van Simon Mulder, o nee, die kwam alleen iets uit de kleedkamer halen, die kwam net uit de vorige voorstelling waarin hij de Gilgamesh had gelezen. En daar had je het alpinopetje van Cathelijne die de galajurk zwierig over de spijkerbroek had gesjord. Geweldig, wat een statement maak jij, zei Aurora, wijzend op mijn kloffie van spijkerbroek en slobbersweater. Ik mompelde iets over drukdrukdruk en glad vergeten, bovendien ben ik al het hele weekend on the road en niet in de gelegenheid geweest om mijn galajurk uit de mottenballen te halen, maar de volgende dag zei mijn huisgenoot mij: Ik wilde niet mee als jouw introducé in galapak omdat ik een trauma heb van het jasje rippen bij de studentenvereniging. Had je me dan niet kunnen helpen herinneren? riep ik verontwaardigd, nu werd ik er godbetert van verdacht een statement te maken, of erger nog, de aandacht te trekken.
Vier regels moest iedereen tijdens de dichtmarathon voordragen, ik deed het kwatrijn waarmee ik in Eindhoven een fles biologische wijn had gewonnen, iets met een vaatkwast en afdrogen, waarvan – vreemd genoeg – juist de weinige mannen in de zaal het meest gecharmeerd waren. Er was een afterparty met wel erg luide muziek in de foyer. Desondanks raakte ik aan de praat met de bosnische presentatrice. Ben je moslim? vroeg ik belangstellend, aangezien haar naam niet zo moslim klonk. In Bosnië valt meestal uit de naam op te maken of iemand moslim, katholiek of orthodox is. Deze vraag werkte echter als de spreekwoordelijke rode lap op de stier bij een andere jongedame die ineens uit het niets leek opgedoken.
Wat zeg je dat moslim geringschattend, blies ze. Normaal gesproken ga ik dit soort heikele discussies uit de weg, maar ik had van mijn consumptiebonnen al een cocktail en een bel wijn achter de kiezen, dus ik voelde me vrij om mijn licht eens op dit onderwerp te laten schijnen. Luister eens, gaf ik, het gaat mij niet om de islam, maar om religie. Zelf ben ik van gereformeerde huize, maar ik heb het geloof vaarwel gezegd. Ik ben niet anti-islam, ik ben antireligie. Je moet jouw gereformeerde trauma niet op de moslims projecteren, brieste de dame. Nogmaals probeerde ik uit te leggen dat ik niets tegen islam of moslims in het bijzonder heb, maar wel tegen religieus vertoon in het algemeen als hoofddoekjes en schetterende minaretten. Ik draag niet eens een hoofddoek! riep ze verontwaardigd. En waar haal je het idee vandaan dat ik gelovig zou zijn? Dat heb ik niet gezegd. Nu viel ik werkelijk uit alle wolken, zoals de Duitsers zeggen. Waarom voelde ze zich aangesproken, zelfs beledigd door mijn vermeende geringschattende uitspraak van het woord moslim als ze niet eens gelovig was?
Ik spring als atheïst toch ook niet voor “mijn” gereformeerden in de bres? Laat ze toch lekker branden in de hel, die fundamentalistische zwarte kousen. Als er morgen een Mohammed opstaat die het in z’n hoofd haalt om gereformeerden uit te sluiten of zelfs te vervolgen, zeg ik: Ga gerust je gang, ik voel me niet aangesproken, ik ben atheïst. En als je me alleen daarom dood wilt hebben, bekeer ik me wel tot de islam. De islam is mijn cultuur, zei de dame hierop. Nee nou werd ie helemaal mooi! Moest ik mij dan maar identificeren met mijn calvinistischnederlandse cultuur, het oiko van Thierry? Het was mij inmiddels wel duidelijk, deze discussie was volstrekt heilloos. Werd ik me daar als linkse kosmopoliet met allochtone (moslim)vrienden weggezet als een enge, witte, racistische, nationalistische, islamfobische extremist!
Getergd tot op het bot verliet ik het feest. Ik heb er een potje om moeten janken, lieve lezer, toen ik op dat naargeestige station Sloterdijk op mijn trein zat te wachten. Dit doet pijn. Ik zal nooit meer iets over moslims zeggen. Ik zal doen alsof ze er niet zijn. Ik zal stiekem dromen van Thierry’s 1880, toen er nog geen enkele moslim de Middellandse Zee was overgezwommen. Maar bovenal zal ik geen cocktails meer drinken.
mallarmé met de hollandse slag
mijn trein rijdt glorierijk achteruit in blauwzilvervlootvaart tot hij vanzelf stoomlocomotief wordt, ik heb geen haast
om bij jou te geraken, ik zoek liefde enkel in meervoud geven is nemen, ik besta dankzij jullie adoratie in overvloed
alle rivieren stromen naar mij toe, ik is het beginpunt de toekomst een ver verleden toen er op het gymnasium
nog met latijnse linealen op vingers werd getikt, uilen minerva gedoopt in 1880 droomjaar toen er nog geen grenzen waren
alleen volkeren die het schaamteloze bloed met elkaar deelden de dandy was het heertje, al lag hij laveloos in de goot
en opium was vrij verkrijgbaar, het oiko geen fobie, want er was niets buiten het eigen in een wereld die het heelal leek, de tijd
een oceaan, we waren honkvaste slakken met voelhorens voor het bekende tot oorlog alles verpestte en tsunami’s veroorzaakte
van vreemde volkjes uit het zuiden, hun g was van fluweel ze aanbaden nog een vrouw ook, sloegen een denkbeeldig kruis
mijn voorbeeld is mallarmé, we verkopen allebei woorden frans deftig is mijn naam, bijna was ik dichter geworden
Er bestaat geen beter contrast
dan winter en zomer tegelijkertijd in een veel te zoete lente.
Het is ook goed zo. Suja suja ssss.
Ons huis is schoon en de geest die deze plaats bewaart
noemt zich zonder meer charmant.
Het is gedaan zo. Suja suja ssss.
Mijn dode zuster staat vlak voor je, alvast te stralen
in de gedaante van een schone mooie fee
en de oom die zich verdronk in zee staat
vanuit de stille sloep te schallen:
zeeman zeeman, ik vang je op.
Daarom geef ik je terug aan de vrede
opdat je wegrolt als de donder
als het onweer en dan stopt.
Muziek: Rod Stewart-I am sailing https://youtu.be/FOt3oQ_k008
de winnaars zijn vandaag niet moeilijk te bepalen – de volgorde van het eremetaal des te moeilijker. duidelijk is dat op deze zilverblauwe zondagochtend erika de stercke, cartouche en het aanvullend dichterschap van petra maria & frans terken de winnaars zijn. erika met een rond gedicht en die prachtige spatten uit het verleden die hem zo zwaar vallen. cartouche met een ronduit verwoestend verzetsgedicht over die buikslootvogel: ‘hij zal likken van zijn eigen braaksel tot hij van honger vergaat ‘ en het hier nieuw geboren dichtersduo petra maria&frans terken – vanaf vandaag tussen het blauw en het zilver. ach het is arbitrair – dank aan alle blauwzilveren dichters – laten we het houden bij deze volgorde hierboven. erika goud, cartouche zilver en petra maria& frans brons
Petra Maria: het regent lichte spijt
Rik van Boeckel roeit dagen uit de tijd
Marc Tiefenthal Eerst schuimden we het strand af
Frans Terken in antwoord op Petra Maria
Cartouche over deze almaar populairder alt exoot in arendswaan getooide blauwbilgorgelende dwarsfluitblazer
Erika De Stercke hij buigt zijn hoofd veegt de spatten uit het verleden weg
Jako Fennek keer om dwaas, keer om
o wonderschoon blauwzilver water – o eenzame roeier waar heen? waar toe? waar voor? wie wint deze week de enige echte virtuele blauwzilverwater trofee op pomgedichten? u kent de regels: de gedichten niet te lang svp – 20 regels is genoeg – insturen tot zondag eenmalig voor 9 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst.
en al dat water
moet nog terug vandaag
naar engeland
het is bijna eb
ik weet het
pomwolff
het regent lichte spijt
op je regenjas
de mijne is al lang
doorweekt
bij de oever van het meer
volgen we de watervogels
en met de kraaien
ben je bijna bevriend
als de kachel brandt
en alles droogt
besef ik
koester hem maar
de regen
want in wezen
zijn we vandaag
vertrokken
Petra Maria
blauwzilver water – o eenzame roeier waar heen? waar toe? waar voor? wie wint deze week de enige echte virtuele blauwzilverwater trofee op pomgedichten? op de foto het tweekleurenwater duidelijk herkenbaar. de eenzame roeier op weg waarheen? we weten het niet? op weg naar het einde – tegen de stroom op, op de vlucht wellicht voor de nieuw gekozen waterschappen? of mag je dat niet schrijven en word ik nu aangegeven bij het meldpunt baudet voor links georienteerde dichters? in wezen zijn we al vertrokken schrijft petra maria.een afscheid met kraaien. een betekenisvol gedicht zo zijn de woorden gerangschikt – het precies verhaal is vol ‘witte plekken’- invulbaar door de lezer. het thema afscheid voelbaar, het regent afscheid – hoe en wat is aan de lezer. de dichter terken geeft hieronder, een poëtisch antwoord.
Daar waar het schittert
op golven fonkelt
water naar het einde
van de wereld stroomt
horizon de hemel raakt
daar wil ik op je wachten
mijn slagen gemaakt tot de
lucht tussen ons geklaard is
elke dreiging weggedreven
met de stroom
hoe je dan blozend afsteekt
tegen een achtergrond
van zilverblauw
FT 30.03.2019
het thema afscheid voelbaar, het regende afscheid bij petra maria – hoe en wat is aan de lezer. de dichter terken geeft een poëtisch antwoord. biedt poëtische troost – er is altijd iemand die op je wacht zijn de troostende woorden- zilver blauw en blozend rose – een kleurrijk gedicht – het is alsof zij de liefde tegemoet roeit – onwennig nog van zoveel warmte zo veel schittering. en weg met de dreiging zij stroomt uit zichzelf wel weg en voorbij – liefde overwint alles – stond er bij mijn oma op een bordje in der keuken in nieuwenhagen (heide) – frans hangt hier op de muren van de pom een nieuwe variant op omaas wijsheid.
Doorgaande stroom
De blauwe rivier weegt niet op
tegen regen hagel natte sneeuw
zij is de doorgaande stroom
kanoënde gasten verleiden zichzelf
nooit valt zij droog
nat is haar wezen
zij leidt in af en uit
roeit dagen uit de tijd.
Rik van Boeckel 30 maart 2019
niet opwegen betekent zoveel toch als afleggen? maar ik vermoed dat rik hier het tegenovergestelde bedoelt. de doorgaande stroom legt het tegen niets en niemand af – trotseert regen, hagel natte sneeuw met gemak. in wezen is de rivier toch al nat en zal niet in dit kikkerland om een buitje geven. de rivier roeit de dagen uit de tijd. mooi gezegd. nog iets sleutelen aan de logika en we kunnen voluit genieten van die prachtige laatste regel.
In aansluiting
Niet aan het einde van de reis
maar aan het begin namen we alsnog
de Portugese wijk.
Eerst schuimden we het strand af.
Onder de beer
lag languit de kat.
Tussendoor droeg een auto
de beer voor hij de kat verslond.
Losse flodders kolder
fladderen driftig aan het binnenzwerk.
Zaken nemen een loopje
uit zichzelf met u en mij.
Niets nog laten ze op hun beloop.
Het is te vroeg ofwel te laat
voor een ondankbare
en dus afgedankte zeejonker zeeonwaardige pooier
van een meermin.
marc tiefenthal
tiefenthal schrijft zijn eigen recensie: ‘Losse flodders kolder’. dan is er ineens een beer, vervolgens een kat, een pooier ook nog – het is teveel – ook voor die twee uit de eerste strofe.
Buikslootvogel
Fabeldier, hybride wezen gelijk een mens
bestaand uit water grotendeels, maar hoe
klapwiekmoe van zijn vluchten in het donker
hij daalt, klapt zijn vleugel in en slaat
bij het ochtendkrieken aan het krassen tegen al
en iedereen in atonale grepen op een kale tak
hoe bleek de blik in zijn onbewogen ogen
kleurendoof en bang voor ammezuurverval
deze almaar populairder alt exoot in arendswaan
getooide blauwbilgorgelende dwarsfluitblazer
verbeten loerend naar muizen en lemmingen
maar te bevreesd om op te stijgen in het licht
wit gevlekte wapenkleed van Minerva’s uil
weet hij zich een tijdlang nog in leven te houden
in zijn boreale habitat met pikken aan de lever en
likken van eigen braaksel tot hij van honger vergaat
uit zijn voetklem valt en verdrinkt in het wonder
mooie zilverblauw van ons zeemanshart en wij
de zon in het gezicht en de vogel in ons hoofd
gestriemd en geriemd naar de einder roeien
30-03-2019 Cartouche
keurig 20 regels – cartouche voelde het al aankomen – zo een gedicht schrijven en dan gediskwalificeerd – het zal hem niet gebeuren. met de titel erbij zijn het natuurlijk wel 21 regels en dat is er een teveel. het is ditmar bakker die mij hierop wijst. we ontmoeten elkaar op het meldpunt baudet voor links georienteerde dichters, eens kijken of we cartouche daar ook aantreffen. JA ZEKER! de uil van baudet in arendswaan – als onderbuik slootwatervogel – hier keurig beschreven – hij zal likken van zijn eigen braaksel tot hij van honger vergaat – en wij dichters wij gaan de zon tegemoet. een verzetsdicht kun je wel aan cartouche overlaten. prachtige beelden en metaforen – heerlijke uitkomst. het wordt druk op het meldpunt.
Wilgentakken
zijn het waaien beu
zoeken contact
met het gras
een plaatje als uit
tijdschriften
hoe de jaren in ringen
vergroeien
hij buigt
zijn hoofd
veegt de spatten
uit het verleden weg
in een zee van stuurloos
roeien droogt spijt op
binnenkort een duik
naar de diepte
Erika De Stercke
blauwzilver water – o eenzame roeier waar heen? waar toe? waar voor? wie wint deze week de enige echte virtuele blauwzilverwater trofee op pomgedichten? even het thema memoreren na de poëtische bom die Cartouche zojuist hierboven plaatste. de takken buigen meteen al zwaar in het gedicht. we hebben een echte erika de stercke te pakken. ook hier ruimte ingebouwd voor de spijt – de spatten uit het verleden rusten zwaar op hem – mooi gezegd heel mooi – ja dit is een echte erika! – de weg naar het einde is hier voor de roeier uitgeschreven – de diepte in – daarheen! geen ontkomen aan – erg leuk dat erika mij nog even als fotograaf in het zonnetje zet – wolff schoot toch maar even – op vrijdagmiddag aan de Amstel vlak voor ‘het kalfje’ een plaatje ‘als uit tijdschriften’- dank je wel erika – als het met dichterschap niets wordt dan kan ik verder als fotograaf.
Erika De Stercke: ‘een plaatje als uit tijdschriften’
Mogge Pom, zware tijden met de verschuiving van uren. Maar de zon schijnt, alsof er niets aan de hand is, en wij maar poëtische overuren draaien. Heb het goed vandaag, en bij voorbaat bedankt voor je liefdevolle werk. Groet van Jako
roeier
als met de liefde is het o wonderschoon blauwzilver water o eenzame roeier waarheen, waartoe, waarvoor het water, blauwzilver spat van je spanen ze wacht op je, haar golvende lijnen dansen verblindend als zilverblauwe gedaanten het riet ruist als de zang van sirenen
je merkt niet roeier hoe de wind zich roert
hoe een klaaglied zich losmaakt
uit fijnste waterrimpels golven stijgen
keer om dwaas, keer om
klam je aan je riemen en roei
nog voor het troebele water je slokt
jako fennek
goede raad van onze jako aan de roeier – keer om domoor keer om – waarheen, waartoe, waarvoor – hoe groot ook de verleiding – lorelei-achtig – de liefde in de gedaante van prachtige nimfen -keer om voor dat je wordt opgeslokt – wijze raad van de man die het kan weten. ach ja we lijden er allemaal van en onder – andre hazes zong er mooie liedjes over – hij gelooft nog steeds in dat loeder – keer om keer om. grappige romantische wending in dit loreleigedicht van jako.
het heerlijk harde en het genadeloze realisme van Peter Posthumus – in ieder geval een keer in de twee weken – geniet ervan:
omdat er geen toen is zonder dan geen dan zonder nu schrijf ik mezelf een horizon uit wat verdween schrijf ik een toekomst uit wat ondenkbaar is schrijf ik geheimen toe aan wat berekend is en vast staat schrijf ik dwars door het beton paden om door het bos te dwalen schrijf ik een zucht die duidt op diep verlangen naar wat ongrijpbaar is schrijf ik iedereen hoog in het hoogste vaandel en nodig hen dan uit om ons eens goed te gaan bezatten in een middeleeuwse kroeg waar gekrijst wordt gedanst wordt op de tafels en geschreeuwd dat levenslang te kort is omdat er geen toen is zonder dan geen dan zonder nu
Afgelopen week was een zwarte dag voor de vrijheid van
meningsuiting. De dag dat de uitspraak ‘Volkert, waar ben je?’, uitmondde in
schorsing van een hoogleraar. Een wetenschapper. Iemand met verstand en een
mening, die het debat niet uit de weg zou gaan. Het soort mensen dat gehoord
zou moeten worden en zich in de frontlinie van meningsvorming behoort te
bevinden. Met steun dan wel kritiek van vakgenoten en universiteitsbesturen
uiteraard. Maar dat willen we niet in dit land, waar de wereld doordraait. We kiezen
de laffe uitweg. We laten ons dwingen op eieren te lopen. Zo’n man schors je
voor de veiligheid.
Het was een de dag later dat onze minister van justitie de tekst veroordeelde en zei dat politici in vrijheid en veiligheid
“moeten kunnen zeggen wat zij willen zeggen”. Politici verdomme wel.
Vrijheid van meningsuiting, maar niet voor het volk. In een land waar de minister-president
er ook niet voor terugschrikt Syriëgangers de dood in te wensen, nemen we
elkaar graag de maat. En dat doen we dan bij voorkeur met onze advocaat erbij.
Want we zijn zo vreselijk bang bedreigd te worden.
Een linkse mevrouw die tijdens een betoging een jolig
liedje zingt over Thierry Baudet wordt opgepakt na heksenjacht wegens
‘doodsbedreiging’. Als je aan den lijve ondervonden hebt wat doodsbedreiging
is, dan kun je het verschil nog wel maken. Maar in deze multimediale
samenleving, welke zijn veiligheid zoekt in juridische regeltjes, is iets
tegenwoordig maar al te gauw een ‘serieuze doodsbedreiging’. Waarom pakken we
op een willekeurige zondag dan niet meteen hele voetbalstadions op? Nee, het
kwalijke aan de hele zaak is, dat er momenteel voorbeelden gesteld worden. De
nieuwe norm.
Een aantal jaar geleden liepen dezelfde mensen die nu moord en brand
schreeuwen nog met (vooral digitale) banners op hun tijdlijnen met daarop de
tekst ‘Je suis Charlie’. Toen wisten deze mensen al niet wat ze zeiden, maar nu
toont het beest gelukkig zijn ware aard. We willen helemaal geen debat. We
willen geen discussie. We willen geen twijfel. We willen zekerheid dat alles
veilig is, geborgd door staat, apparaat en rechtspraak. Daar betalen we toch
voor? Een politiestaat.
In nazi-Duitsland werd het volk opgestookt tegen de Joden. Tegelijkertijd
werden wetten uitgevaardigd om de gevoede haat te ondersteunen met
systematische uitroeiing. Volk en politiek gingen hand in hand. Foute boeken
gingen op de brandstapel. Foute kunst moest van de muren. Foute mensen moesten
naar kampen. En voor een opmerking als ‘Stauffenberg, waar ben je?’ had je mooi
de doodstraf gekregen.
Maar ik zal niet wijken. Al mijn schrijfsels zal ik voortaan
voorzien van een ‘death-disclaimer’. Wat ik ook schrijf of zeg, is nooit
bedoeld zoals het is en zeker niet bedoeld als doodsbedreiging. Het zijn loze
woorden, die ik zo nooit bedoeld heb. Ze kunnen te allen tijde uitgelegd worden
ten positieve. Lees maar. Er staat toch niet wat er staat.
En zo belandde columniste op haar vrije zaterdagochtend waarop zij het gewoon is – net als op alle andere dagen in de week, het columnistenbestaan is nachtwerk – uit te slapen bij de katholieke mis. De vader van goede vriendin A. was overleden en ja, dan ga je naar de begrafenis. Ik wist dat de goede man zijn laatste jaren, sinds de dood van zijn vrouw, bij de fraters had gesleten en dan kun je verwachten dat er een pastoor komt opdraven om een stichtelijk woord tot de goegemeente te richten. Nou heb ik niets tegen stichtelijke woorden, integendeel, net als poëtische woorden kunnen ze voer voor de geest zijn. Ook heb ik wel eens een kerk van binnen gezien, weliswaar niet zo frequent als in mijn jeugd, toen ik nog actief geloofde en op een koor zat, maar het komt voor. Protestant of katholiek, zelfs islamitisch maakt me niet uit, hoewel die laatste geloofsrichting er uiterst wereldvreemde opvattingen inzake vrouwenemancipatie op nahoudt.
Trouwens, zijn de zuilen hier in NL niet al decennia geleden neergehaald en is niet iedere geloofsviering een keuze en een lichte, blijmoedige variant van wat ooit in de Statenbijbel werd uitgedragen? Wel, lieve lezer, ik waande mij in alle vroegte in de duistere tijden van de oude Statenbijbel. Ik kreeg zin om iets in de hens te steken, een liturgieverbranding te initiëren. Het wierookvat uit het raam te kiepen, het bloed des Heren op het boetekleed te spugen. Des duivels was ik dat ik gedwongen werd om zo’n middeleeuws tafereel bij te wonen waar zelfs de uil van Thierry geen brood van lust. Je zou er als katholiek trauma’s van oplopen, om van minderwaardigheidscomplexen nog maar te zwijgen. Neem nou de tekst die we als een versje moesten opzeggen (maar columnistes lippen bleven stijf gesloten): Ik belijd voor de almachtige God, en voor u allen, dat ik gezondigd heb in woord en gedachte, in doen en laten, door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld. Verschrikkelijk! Dan kun je net zo goed het mes over je eigen keel halen. Op dat moment dacht ik mij nog in een uitzonderlijk rariteitenkabinet te bevinden, maar nee, mijn goede vriendin C. haalde me na afloop uit de droom door te stellen dat dit tegenwoordig schering en inslag in de katholieke kerk is en dat zij daarom op een slapend lidmaatschap is overgestapt.
Hoe denken ze ooit nog jongeren bij deze poppenkast te betrekken? vroeg ik verwonderd. Dat interesseert ze niet, luidde het antwoord, als het maar recht in de leer is. Je wilt toch niet zeggen dat je zoiets nog nooit hebt meegemaakt? riep mijn – ook al katholieke – kunstbroeder, die ’s avonds kwam eten, uit. Wees blij dat het tenminste niet in het Latijn was! Op mijn weerwoord dat ik in de jaren 80 zoveel missen had bijgewoond als lid van een swingend jongerenkoor met combo dat franse chansons en gedichten van Gerard Reve op muziek ten gehore bracht zei hij: Dat was ten tijde van het Tweede Vaticaans Concilie. Dat was uitzonderlijk, dit is nu de normale gang van zaken.
Nu snapte ik ineens waarom een dwarse dichter als Frans Babylon zo tegen de kerk aanschopte en menig Brabander die ik spreek eerder vroeg dan laat over zijn katholieke jeugdtrauma’s begint. En ik altijd maar denken dat die aan de gereformeerden waren voorbehouden! In mijn jeugd ging het er bij de katholieken veel gemoedelijker aan toe, die stapten tenminste uit de kerk rechtstreeks door naar de kroeg, daar was ik dus liever dan bij “mijn” gereformeerden. Enfin, na al dit tandengeknars wachtte ons tenminste een copuleuze lunch bij de Biltsche Hoek. Maar toen ik het zaaltje voldaan weer verliet, zag ik op de gang plots de witte knot van de natuurgenezer langsflitsen. Radovan, jij hier?! riep ik uit.
Kijk eens aan, heb je zowaar je oude beroep weer opgenomen, compleet met minervabril en energetisch aureool. Stil toch, fluisterde hij, ik ben hier incognito. Ja, ik zal geus wel verwarde zieltjes redden als die zich aandienen, maar ik ben ondergedoken in de Biltsche Goek sinds ik levenslang geb gekregen. Gier slijt ik mijn dagen in get ligbad vol wijwater, gesel mij met een fluwelen zweepje en stuur schietgebedjes naar de Allergoogste opdat mijn zonden worden vergeven.
sterfelijk na de plechtigheid
er zullen bomen zonder schaduw aan de zoom staan ze beschermen niets van waarde, berooid
van knoppen met kou in de krimpende wortels wacht de aarde op weer een lichaam, ondergronds
het zwijgende leger, bovengronds de rouwende raven die de erfenis bespreken, herinneringen afvinken
mannen met hoge hoeden en touwen om de nek vrouwtjespinguïns op bemoste hakken, de geestelijke
in het paaskleed in hun midden, er mag gesproken worden spenderen is belangrijker, de hoeden groeien
als wijnranken de hemel in, er wordt nauwelijks gesproken toch kan men maar geen afscheid nemen van de dode
die men in heilige handen weet en toch knaagt er iets aan de kist alsof zondes nog niet zijn afgelost
alsof nooit meer toch definitief is spoeden we ons terug naar het altaar en koffie, we willen gedenken
sterfelijk en stoffelijk te zijn, zijn dankbaar voor onze schaduw, produceren geluiden
als tekens van leven, raken huiden aan, dromen stiekem van een plooibaar lichaam in een zacht bed in een verfomfaaid hotel
ik heb columniste een brede veilige schouder geboden – de andere houd ik graag voor mijzelf in dit weer. onze karin aan de nachtmerrie vandaag. is het texel? is het het weer? of het politieke klimaat?
Nachtmerrie
De wind en de regen huilen verderf De krengen in strikken schreeuwen verderf
In mijn kreupelhouten dromen rood van het bloed hoor ik
de stroper de klemmen scherpen op het erf…