
Gescheiden geluksmomenten
Een ochtend. Het is september en de zon valt vaalgeel de kamer in. De nazomer kriebelt door de gordijnen. Ik hoor je huilen. Draai me om. Je huilt harder nu. Ik luister naar stappen op de trap. Zoals ik al langer luister. Naar bewegingen die niet zichtbaar zijn. Voelbaar. Misschien. Luister naar de stilte door jouw huilen heen. Je huilen lijkt het huis te vullen met leegte. Ik voel naast me. Je vader. Die op zou staan. Ik voel hem niet. Een zucht. Een ademtocht.
De treden naar beneden. Waar ik hem vermoed. Lees de krant. Zucht. Zeg iets. Niets. Niets dan een briefje op tafel. Ik moet het nog steeds ergens hebben. Na al die jaren. Gescheiden van de geluksmomenten. Hij schrijft. Schuine letters in zwarte inkt. En soms, soms kan elke letter nietszeggend zijn kind. Het is een afscheid. Het is nog minder dan een afscheid. Zo vanzelfsprekend geschreven. Als een boodschappenbriefje. Geen nadenkende punten. Geen zwaar gedrukte krassen, geen doorhalingen op het papier. Niet meer dan de woorden ‘niet leuk meer’. Die woorden.
Nog kinderlijker dan jouw gehuil boven. De stilte. Niet leuk meer. En geen traan die het papier aanraakte. Geen gedachte. Geen twijfel in welke letter dan ook te zien. Hij gaat weg. Moet weg in onregelmatige krullen. Dat hij jou bij mij laat. Want dat ik een goede moeder ben. En waar hij gaat dat schrijft hij niet. Houten tafel en de beschuldigende zon die schijnt. Het hout warm. De vloer kraakt. Voetstappen die al gezet zijn. Niet gehoord. Ze klinken na. Koele handen die voelen. Ik strijk de woorden glad en loop naar boven. Jij bent stil als je me ziet. Steekt je armpjes uit. Samen staan we in de kamer. Zwijgend. Stil.
Een paar dagen daarna valt er een vliegtuig uit de lucht. Soms breken de dingen af. Kind.
Zomaar om je heen.
YAYA









