
Hier bonkt het hart
Ze mailt. Dat ze terug is. Zij. De dag maakt een sprongetje en ik hoor haar lachen en alles heeft opeens weer glans. Hoe ik haar ontmoette. Op het verwaaide schoolplein waar we al tijden naast elkaar stonden maar niets zagen, weggedoken in onze jas vanwege de andere moeders die altijd serieus en vlekkeloze kinderen met hun naam op hun appel. Herkenning was het. De taal. De eindeloze taal. Er kwam iets thuis in mij. Er kwam iets thuis in haar. De eindeloze jaren. Waarin we rituelen voor alles verzonnen. Niet verzonnen. Vanzelf. Alles vanzelf.
Vanzelfsprekend. Woordloos. Als ze belt en haar stem donker klinkt dan roep ik kom we gaan naar Hotel New York een gebakje eten. Komen langs de borden Galgoord. Overal Galgoord. Eerst een gebakje. Ze lacht. In de regen stappen we uit. Ze maakt foto’s. Van de glanzende straten. Van de Zwaan. Ergens loopt een ijsje. We lachen. Een bord op een pakhuis. Hier bonkt het hart. Ja. Hier bonkt het hart. Het bonkt. Het bonkt dat we leven. Het zoet op onze tong. En niemand die het proeft. Wij.
We zakken in de zon. Groot plein. Niemand op het plein. Winterzon. We roken. Zingen satijn. Een man, een oude man, een zure man, een verveelde man, oh, gaat precies voor ons staan in de zon. Kunt u een klein stapje opzij gaan? Nee. Zegt de man. Zijn benen spreidend. Alsof hij groter zou kunnen worden. Hij. Wij. Zie zijn vrouw. Voor een etalage raam. Zij kijkt om. Het satijn zingt. We verhuizen de zon. De man staat. Loopt weg. Wij lachen. Roken nog een sigaret. Er komt geen einde aan de dag.
YAYA



























