RIK VAN BOECKEL op SCHIERMONNIKOOG

Pom, nu het toch vakantie is, hier mijn poëtische groet van Schiermonnikoog. Daar ben ik via het Groningse dorp Zoutkamp gekomen.

Groeten,

Rik


Het koor van Schiermonnikoog

Tijdens de avond van Zoutkamp
lagen Duitse zeilboten te rusten
in Groningse zomerweeën

zo heet was het niet langer
op Schiermonnikoog wierpen duinengelen
hun harde druppels op trappende benen

tijdens de zomerdans van de Kooiplaats
loeiden koeien door balafoons heen
‘t ritme van Schiermonnikoor weerklonk

ogen en oren kwamen minuten te kort
om te zien en te horen en de handen
ze sloegen de voeten ze dansten

het dorp was een weldadig koor
van zwiepende zwierende armen
de zon legde zich langzaam te ruste
langs Schier’s zandrijke kusten.

Rik van Boeckel
2 augustus 2019
Schiermonnikoog.

Share This:

LISAN LAUVENBERG & de verbouwingen in 020 – haar eigen (G)oud-West met een constante stroom zaag- breek- boor-herrie

Vakantietijd

Tot dusver
Het regent nu.
Vorige week was het te heet.
Het heeft geen zin om het huis te verlaten,
de weersomstandigheden maken het zo niet fijn om
buiten te zitten, terrasje te doen. 
boek te lezen op mijn mooie balkon
dat door de (G)oud-West verbouwingen 
ook nog in een constante stroom zaag- breek- boor-herrie zwelgt,
met bouwvakkers uit alle windstreken van de wereld 
met hun radio op Arbeidsvitamines uit god-weet-waar-vandaan. 
De hoopvol begonnen vakantiestemming is beneden nul. 

de nachten werden lang vorige week, sloom ook en half breindood
kwam ik na 21.00u dan toch voorzichtig naar buiten 
om wat menselijk verkeer te ervaren, 
een oververhitte kluizenaar zijn is niet goed voor het hart.
In een luchtige jurk gehuld begaf ik me dan 
tussen de dampende muren van mijn lieve stad. 
Overal plek zat om te parkeren, dat wel, maar ook
smog, muggen, herrie,stinkende barbecues, dronken fiets-toeristen, 
overvolle terrassen, waar je door personeelsgebrek 
lang moet wachten op een warm en duur drankje.

En nu
Regen, oh god ik kan nog steeds niet naar buiten, 
de vriendin waarmee ik naar zee zou gaan heeft afgezegd
en ik 
ik schrijf en weet dat ik overdrijf. 
Zomers in de stad zijn heerlijk
Oh zo heerlijk, onontbeerlijk en ik blijf hier.

©Lisan Lauvenberg
1 augustus 2019 

Share This:

VON SOLO bericht vanuit de Auvergne

Share This:

Abraham VON SOLO aan het kamperen geslagen: over het leed dat kamperen heet

Het leed dat sociaal zijn en kamperen heet

Het heeft zo zijn voordelen. Goed overweg kunnen met je buren. Zowel ik als mevrouw Solo hebben allebei daarnaast schijnbaar de uitstraling dat we redelijk makkelijk benaderbaar zijn. Dat brengt mensen er toe dat ze snel een gesprek met ons beginnen. We worden blijkbaar als sociaal aangezien. Dat kan evidente voordelen hebben. Soms ontmoet je daardoor erg sympathieke mensen met mooie verhalen. Er ontstaat dan iets dat te vatten zou kunnen zijn onder het containerbegrip gezelligheid. Soms ontmoet je bij uitzondering zelfs iemand die je een heel leven bij je zou willen houden. Daarnaast zijn er de praktische voordelen zoals wat ons eergisteren overkwam dat een buurman die tot laat had zitten borrelen bij ons een vers gevangen forel kwam bezorgen die zo het vuur op kon en ons perfect smaakte. Maar het kan ook anders. Zoals gisteren.

De kinderen had ik in hun slaapzakjes weten te manouvreren. Die keetten nog wat na, maar het had er alle schijn van dat ik en mevrouw Solo nou toch eindelijk wat zouden kunnen mijmeren bij het kampvuur en lekker een gesprek zouden kunnen hebben met een lekker wijntje en dito schnappschje erbij. Maar toen kwam de overbuurvrouw melden dat ‘ze nog heel even kwam storen’. Letterlijker kon zoiets niet worden. Nu kan het zoals gezegd natuurlijk zijn dat dat gecompenseerd wordt door een goed verhaal, maar die hoop had ik na de avond daarvoor al opgegeven. Dat had ik bij de buren naast ons ook. Maar die waren lekker op zichzelf, dus vormden in die hoedanigheid dan ook geen storende factor en bleken naderhand erg mee te vallen. Ook de man die de vis was komen brengen had goede verhalen over zijn werk en leven als helicopter mecanieker. Zoniet deze buurvrouw.

In haar kielzog voerde zijn ook nog eens twee van haar, naar ik schat vier, bemoeizieke kinderen mee. En daar zaten we dan. Gevijven rond ons kampvuurtje. Haar dochter had zelfs de euvele moed gevat op ‘mijn’ plek te gaan zitten. En de verhalen die je dan hoort. Zelden had ik iemand uit Winterswijk zoveel dat me niet interesseerde horen spuien in zo één korte tijd. Haar man was een stille Willy. Die zei niet veel en bleef nu ook in de tent om God weet wat te doen. Eén ding was duidelijk. Wie de broek aan had bij de overburen. En vrouwen met de broek aan in een relatie, daar houd ik niet van. Tenzij het een geile leren broek is. Wat dat betreft mag er met gelijke wapens gestreden worden, daar gaat het om in een relatie. Maar in dit geval had de man dus duidelijk niets te vertellen. De vrouw hield daarentegen tot overmaat van ramp niet op. Elke zin kon ik op basis van de vorige al voorspellen. Wat haar allemaal dwarszat en had dwarsgezeten in haar werk. Hoe het weer ook niet altijd is wat je ervan hebt besteld. Hoe ze maar één rosé-tje drinkt en dan ook enkel op zeer specifieke niet nader te duiden tijdstippen. Hoe ze koopwoningen bezichtigden waarin gerookt was, hetgeen zeer tegen de goede smaak van hun oudste dochter in was. Dat het zo irritant is dat de Fransen rijden met hun lichten uit. Hoe dat ene meertje dichtbij eigenlijk net zo mooi was als dat meertje ver weg, dus voor niks zo’n eind gereden. Kortom één groot klein drama.

Ik was uit ellende maar aan de andere kant van de campingtafel gaan zitten om te typen wat u nu leest. Kun je het zo’n mevrouw nu kwalijk nemen zult u vragen. Had ik zelf niet het heft in handen kunnen nemen in deze situatie? Ja. Eigenlijk zou ik open moeten zijn. En moeten zeggen dat we een avondje alleen zouden willen hebben. Liefst had ik haar toegeroepen: ‘Ga naar je man! Doe er iets mee of zo, in plaats van enkel kinderen maken en zijn loonstrook benutten om lekker interessant ZZP te zitten doen. Ga iets meemaken. Of niets voor mijn part. Maar val mij er niet mee lastig. Ga desnoods maar naar huis! Maar ga!’ Na een tijdje was ik wel klaar met het uittypen van mijn frustraties en vond ik een modus door me weer in het gesprek te mengen met doorlopend baude uitspraken. Dit gefaciliteerd door de Saint James rhum van Martinique (45%). Dat maakte het alsnog draaglijk.

Zoals gesteld, hoewel ik graag luister naar mooie verhalen, ben ik geen sociaal baken. Het liefst ben ik alleen. Ik verdraag niet goed mensen om me heen. Zeker niet als ze beslag op me leggen. Of op mijn tijd. Of op mijn bezigheden. Ik had bijvoorbeeld liever een geanimeerd gesprek willen hebben met mevrouw Solo of een potje hebben ge-Yatzhee-d vanavond. En nu zaten we weer opgescheept met een brave burgeres die ons verveelde met haar dagelijkse deprimerende besoignes. De volgende dag ga je echter wel nadenken. Misschien moeten we er gewoon een wat minder sociaal toegankelijk schijnende attitude op nahouden. Of gewoon ingrijpen wanneer zaken niet meer dreigen te gaan stroken met het gevoel. En misschien is dit ook wel gewoon ons lot. Dat we door te zijn wie we zijn soms de mooiste, liefste en gaafste mensen ontmoeten. En soms in de marge ook een keer een bak koffie voorgeschoteld krijgen die eenvoudigweg niet te zuipen is. Ik ga in ieder geval weer wat water koken om mijn cafetière te vullen met een zekerheid waar ik soms naar verlang. Me realiserend dat dat alles is wat ik in de hand heb. En ik ook niet wil dat zaken veel zekerder worden dan dat. Daar is het uiteindelijk ook vakantie voor. Wacht…maak daar gerust het hele leven van.

De Walvis van de Vogezen

Het is zomertijd
De zon zindert het landschap
Van stralen zon, sleurhutten en slaapstedelingen
Foldervolgers alle landen verenigt U!
Met uw landgenoten in den verre
En zondert U vervolgens af

Oases van regulerende rust
Asemen deodorant en zonnebrand
Zonnige dag, snel de camping af
Regenachtige dag, ééntje mag
En dan weer door

De zon zindert het gehaagde landschap
Behaaglijk stil voor de achterblijver
Verblijvend achter gekloonde coniferen
Ligt een luchtbed
Met daarop een corpulent corpus
In strakke zomerkleren van de V&D
Net, niet te zweten door het vet
Voelt het niet
Is wel ontspannen in dit vreemde land
Stiekem is er een walvis in de Vogezen gestrand

Bijna niemand die het ziet
Verrast slechts de schaars passerende campinggast
Die op vakantie
Geen hulpdienst zal bellen

(2015, Von Solo)

Met hartelijke groet,
Von Solo
www.vonsolo.nl

Share This:

Merik van der Torren bij de verjaardag van MIRJAM AL – met het laatste instemmend geblaf van saartje


Voor Mirjam,
 

De zweem waait aan in de kamer,
het kan de geur van rozen zijn,
of een flard piano van Schubert
en de merel in de Japanse kers.
 
Een chocolade-essence van de bonbon
uit dat België van de sterke biertjes.
De schittering op de kroon van die
oude Westertoren.
 
Een rood-glanzende lap stof
op de Albert Cuypmarkt na het
broodje haring alles erop en eraan
en voor de droge witte wijn, juffrouw.
 
Of misschien de woorden van een oosterse wijze,
het gebaar van de leerling in de Tai Chi,
let op : witte kraanvogel spreidt zijn vleugels.
 
Ik ben steeds op pad en zoek bij jouw geheimen
ontrafeld en opnieuw ontdekt
een eeuwig avontuur,
 
 
Merik van der Torren – 28 juli 2019, Buitenzorg,
onder instemmend geblaf van Saartje,
likje

Share This:

breaking news: poëziehondje van merik SARA is vandaag overleden


Hoi Pom,
 
Mijn lieve hondje Saartje is er niet meer.
Ik heb haar een paar uur geleden moeten laten inslapen.
 
Dus :
 
Laatste tekst voor Sara.
 
Waar is Sara ?
Weg zijn haar rustige ogen op mij gericht
Iedere beweging van mij volgend.
 
“Even boodschappen doen. Ben zo terug”,
Hoef ik niet meer te zeggen.
 
Mijn hartendief, mijn vriendinnetje,
je wilde graag mee op de laatste tocht naar de dierenarts,
je sprong niet uit je mand.
 
Groet,
 
Merik

ik had ooit ook een hondje
het hondje sjonnie
lieve sjonnie wil je asjeblieft
sara een beetje de weg wijzen
vandaag in de hondenhemel

ze voelt zich vast alleen
zo zonder merik

pw

Share This:

JOLIES HEIJ: ‘We sliepen met Saskia en Serge in een duinpan..’

Over aircostress & druiloorweer

In deze zomer, die volop woedt, leren we een hoop nieuwe woorden die voordien nooit werden gebezigd. Voor de taalliefhebber in columniste een waar genot, voor de hittehaatster in mij een kwelling. ’t Is weer voorbij die mooie zomer, zong Gerard Cox in 1973, toen we nog van die heerlijke Azorenzomers hadden met miezerregen bij een schamele twintig graden. Van de hete zomer in 1976 herinner ik me slechts de dagen in de riante, schaduwrijke tuin van mijn jeugd met naast mij de radio (die op batterijen liep) op Hilversum 3 en het chagrijn toen er enkel treurmuziek op was omdat er op een ver eiland twee vliegruigen vol vakantiegangers op elkaar waren gebotst. (Wie herinnert zich dát eigenlijk nog?) De eerste échte hitte, die ik bewust meemaakte, was in de zomer van 1992, toen ik in Freiburg studeerde en in het zuiden van Duitsland werd het al gauw een paar graden warmer dan hier. Daar beschikten de meeste openbare gebouwen over een airco, of Klima-Anlage, zoals de Duitsers zeggen. Dat gold ook voor de universiteitsbibliotheek en omdat ik net aan mijn scriptie begonnen was, kwam dat goed uit. Later – in die zomer van de dode bejaarden in Frankrijk – heb ik er nog een glorieuze eenenveertigkommanogwat graden meegemaakt. Nu zijn begrippen als hitte-eiland, hittestress en hitteberoerte heel gewoon. Ik woon zelf op zo’n hitte-eiland, in de stad, op een bovenwoning met twee dakramen, wel met een park voor de deur, maar mijn dak wordt helaas niet door verkoelende boomkruinen overhuifd. Manlief heeft een koele benedenverdieping, maar de computer staat boven, waar het alweer een stuk warmer is. De utrechtse openbare bibliotheek heeft geen airco, het amersfoortse Eemhuis wel. Sinds dat mijn nieuwe werkterrein is sleepte ik me door de zindering naar het station. Gelukkig was de NS nu zo verstandig geweest om de nieuwe sprinters, mét airco, op dit traject in te zetten, zodat ik bij een aangename drieëntwintig graden naar Amersfoort boemelde. Het was heerlijk vertoeven in het Eemhuis. Mijn hittestress verdween op slag. Tot ik het ronduit frisjes kreeg. Daar had ik al rekening mee gehouden door een vest mee te nemen, maar het was een dun zomervestje en niet afdoende bij de kille achttien graden waarop de thermostaat ’s zomers én ’s winters is afgesteld en dan zit je er immers ook niet in een katoenen jurkje. Hittestress werd zodoende aircostress, bovendien werd ik, toen ik weer buiten stond, ineens dermate bevangen door de hitte dat ik bijna van m’n stokje ging. Er volgde ook nog eens een zwoele nacht zonder een zuchtje wind tijdens welke ik het in de verte zag flitsen en de zeiljachten op de Loosdrechtse Plassen omsloegen, maar afkoeling ho maar. Dan maar de provincie uit naar de zeeuwse kust. Daar was inmiddels een onweersband overheen getrokken en werd slechts nog een zuinige eenentwintig graden gehaald. In Groningen is het nog altijd dertig graden, wist de vriend bij wie ik verbleef. À propos, ik heb soms van die periodes dat ik aan W.F. Hermans moet denken, zal wel door Groningen komen, met die Martinitoren waaronder Onder professoren zich afspeelt. W.F. wordt zwaar overschat, wees ik hem terecht. Hij heeft zeggen en schrijven twee goeie boeken geschreven, namelijk De donkere kamer van Damocles en Nooit meer slapen. Het was een cynische zeurkous, zo ongeveer als het huidige zeeuwse druiloorweer. Laten we het liever over iets vrolijkers hebben. Of een plaatje opzetten van Anne Vanderlove, ook wel de franse Joan Baez genoemd. Hier in eigen land totaal onbekend en kortgeleden roemloos gestorven, maar in Frankrijk een ster. Zij is van een heel andere orde dan die Plastic Bertrand, waar jij zo mee dweept. Laten we nu naar Anne luisteren, dan kom jij volgende week naar mij op de Poëziebus luisteren, als we Rotterdam, Amsterdam, Zwolle, Groningen, Eindhoven, Gent en Mechelen aandoen. Waarop warme franse klanken de huiskamer vulden en we een regendansje deden.
Zomer in Zeeland

We sliepen met Saskia en Serge in een duinpan
renden met de zeepaardjes
regen kwallen aan het spit.

We legden zandkastelen aan
met een slotgracht van snot
we wilden ons werpen voor tankers aan de gezichtseinder

om mee naar Engeland te varen
emmers zeezout over de horizon kiepend
golfbrekers tot in de hemel.

Het enige andere gezin met schep was Duits
maar moeder verzekerde ons
dat ze niets met de oorlog te maken hadden.

Ik had graag eens een mof tot moes geslagen
en cowboy en indiaantje gespeeld
met schepjes, vormpjes en emmertjes.

Graag was ik terug in de schelp gekropen
om het ruisen van die jaren weer te horen
we gingen met de zon naar bed

namen een zeester als huisdier
speelden buut onder de strandtent op brakke palen
groeven een kuil voor onze foto-albums.

Jolies Heij

Share This:

DITMAR BAKKER recenseert “GEDICHTEN” van PAUL BEZEMBINDER: ‘Een vergeten bundel roomblanke verzen’

Pom, liefste,

Het leven kenmerkt zich door een arbitrariteit die onze eeuwigheid benadrukt. Een vergeten bundel roomblanke verzen—“Paul Bezembinder” staat erop gestanst in onverzettelijk zwart—in mijn brievenbus gevonden, verslonden en nog eens doorgespit (‘Verdammt na, Ablativ!’) na deze tijdens eerste lezing smalend weggeworpen te hebben toen ik erachter kwam dat duurverdiend gevonden intertekst in een register achterin was opgenomen (‘Opgelost.’): Hölderlins Gelbe Pfirre (‘Zo dacht ik toch.’) vinden we niet terug, noch de door Komrij geprezen vertaling die Mulisch ons achterliet, lezers moeten zich tevreden stellen met “AANTEKENINGEN” in klein zetsel.

Toch handig, achteraf—om te beginnen beheers ik het Russisch niet zoals Bezembinder moet doen, getuige diverse (obscure?) bronnen waar aan gerefereerd wordt door auteur in zijn “AANTEKENINGEN”. Hier en daar parelen er zelfs woorden in Grieks alfabet op de pagina’s. Bovendien—hoe kunnen we ons anders van de welbelezenheid des dichters verzekeren? Hij las vast veel Komrij.

Ondergetekende kreeg deze leut toegestuurd door de webmaster dezes—jij, Pom. Je aantekeningen in potlood (‘sulfieten schrift’ zou die knappe Karin er wellicht van gemaakt hebben—ráts, het is besmettelijk) vormden een prettige handreiking tot een begin van ontsluiten van de bundel. Wel moest ik diverse gesprekspartners in wisselende staat van ontkleding op het hart drukken dat ik bij het lezen van poëzie niet zo hysterisch ben.

Poëzie met een knipoog, vol vrijage, leuk voor de intellectuele mens (‘Efemeer genot!’). Zij wordt omschreven op de achterkant als het resultaat van een zoektocht “naar de belans tussen serieuze poëzie (sic), pastiche en smartlap.” Ook wordt er gewag gedaan van enkele vertalingen uit het Russisch die door mij in landelijke luiheid en onlust (het is verdomme ècht besmettelijk) om het Cyrillisch alfabet te leren niet zijn nagevorst. Maxima culpa.

Daar zit ‘m natuurlijk wel de kneep—in die zoektocht, bedoel ik—dat álle poëzie serieus is, óók pastiche en smartlap, wat niets van doen heeft met sentimentalisme of lichtvoetigheid maar veel zo niet alles met de gebruikte techniek om tot een poëtisch eindproduct te komen. Dat geldt voor pastiche en smartlap net zo goed—wat trouwens te doen met Van Kootens “De Noorderzon Scheen”? Het door M. Servaes vertolkte maar door driekwartnazi Lucebert geschreven “De Soldatenmoeder”? Polzers “Zij Dwaalde Eenzaam”? Ik dwaal af—neemt u van mij aan dat in dergelijke producten ook aspersorisch zweet gaat zitten. Enfin—Bezembinders poëzie omvat dus alles, naar eigen omschrijving. We zullen zelf tot classificatie over moeten gaan.

Gelukkig staan er ook enkele sonnetten ter analyse in de bundel gedrukt—laat ik mij er nu op voor staan daar ook iets vanaf te weten—hier en daar verlucht door frivole fiorituur (verdómme, Karin!) van webmaster zelf (‘hoer’ staat naast het lieflijke “Voor Bloeme” geschreven boven een triomfantelijk omcirkeld ‘tevreden klant’ in het feitelijk gedicht)—die me aldus leiden kunnen.

Ik vind er zes in de bundel die zijn afgedrukt in een klassiek 4-4-3-3-of-4-4-4-2-schema, suggererend dat dichter zich hier vóór staat op een traditie. Een snelle scan leert dat auteur zich in deze werkjes echter van een soort mix van het Siciliaans (ABAB) en Shakespeareaans schema[1][2] bedient, en in “Mariënburg” het rijm zelfs even loslaat. Daar is niets mis mee, dat mág, alles mag, alles mag en wilt u daar leverworst bij, maar een ‘klassieke versvorm’ zoals trots op de achterkant vermeld staat dat bundel er specimens van in zich draagt, is het niet—het is een nieuw construct, door dichter gewrocht. Wanneer in “De Overgave” wordt gesproken over vakmanschap en poëzie, “de kracht van zeggenschap en vormbehoud” vraagt deze lezer zich af of auteur ironiseert—een goed lopend gedicht dat in existentie vormbehoud laakt doordat het rept van datgene waartoe het zelf niet in staat is? Auteur niet in staat is? Enfin—variatie in rijmschema’s is iets waar vele groten mee geëxperimenteerd hebben. En kijk, er staat toch een ècht Italiaans werk tussen: “Zeelucht” is zuiver Siciliaans en tweemaal rime riche nemen we voor lief. Niets aan de hand—laten we lettergrepen tellen.

Zeelucht

Hij was piloot. Er ging geen dag voorbij
of hij was op verkenningsvluchten mee.
Gelokt door wolkendrift doorkruiste hij
het nevelruim van n’importe welke zee.

Toen zich bij Brise Marine, de rederij,
een ‘situation’ voordeed, ginds op zee,
werd hij gevraagd. Zij schoof langszij,
Ondine, de proxy van monsieur le PDG.

[…]


Een eerder werkje, “In Andalusië” verdraagt dat niet. Welwillend tot aan alexandrijnen aan toe concludeer ik dat het wat dat betreft een rommeltje lijkt te zijn. Het hindert het ritme niet—maar het is een tweede vormaspect waar auteur los mee omgaat. Zelfs het charmante “Zeelucht” gaat gebukt onder één geval van slimmigheid van de schrijver—ik weiger betekenis te zoeken in het doorschuiven van voeten, zoals gedaan in r.8-9 van het gedicht—en één geval van Fout door de schrijver (r.4).

Uitgaand van de Franse uitspraakvoorschriften (Jazeker, die worden zo anaal-retentief opgesteld als de Algemene Nederlandse Spraakkunst) is het onmogelijk de finale -e in “n’importe welke” te eliseren of in te slikken. Daarmee komt het aantal lettergrepen op elf. J’accuse!

Ach, zoals gezegd, de bokkesprongen hinderen het ritme uiteindelijk niet—auteur heeft vast zijn best gedaan de zinnen uitgeschreven een op de jambe geënte melodie te doen klinken. Het werkt heus—het misstaat niet. “Voor Bloeme” heeft—buiten dat rijmconstruct—bijvoorbeeld een metrum in zich dat klinkt als een klok. Webmaster, híer was die opmerking ‘ditmarbakkertje’ die ik vond elders in de bundel, bij “Las Meninas”, meen ik—gód, wat een ingewikkelde zin was dat, ik heb er nog koppijn van—welgeplaatster hoewel minder complimenteus geweest (práchtig gedicht, “Las Meninas”!). De allegorie van tweeslachtigheid wordt zo’n tien, twaalf regels vastgehouden om te culmineren in een wat flauwe clou—dat doe ik ook wel eens, niemand zeggen hoor, toe!

De bundel: hit & miss. De bundel draagt voor de meeste lezers heerlijks in zich. De bundel is potpourri van kolder en porno en zwaar aangezette barok. Hits: “Las Meninas”. Onbekende, zelden gebruikte woorden! Fijnzinnige en vooral nuttige beeldspraak—dat laatste lijkt de huidige poëzie nogal eens te missen als een dronken hoer haar pumps, maar de hoeren in deze bundel staan op stiletto’s. Soepele kwatrijnen. Misses: af-
brekingen in enjambement. Odysseus die de contemporaine Ivo de Wijs wel lijkt te echoën—dat is géén compliment—met relatietherapie voor Penelope en meer van zulk moderns. Het gemengd stijlgeritsel in verschillende werkjes.

Bezembinder maakt zich er qua classificatie makkelijk of duurdoenerig, wat u wilt en de leverworst is afgeprijsd vandaag, vanaf en laat de lezer het werk doen, geholpen door zijn eigen aantekeningen. Fijn voor de, ehm, drukke lezer. Hoe we het ook moeten classificeren, het blijkt vooral degelijk, doordacht werk dat niet zonder reden in diverse tijdschriften werd gepubliceerd. Het is aan te raden de gedichten één voor één te lezen en te herlezen, gezien hun incidentele complexiteit.


[1] Voor de lieve verstaander zet ik het er maar bij, maar zoals Dorleijn & Van Boven ook al melden in hun ‘Literair Mechaniek’: dat zijn helemaal geen sonnetten, dat zijn gewoon gedichten—enfin, ze melden iets dergelijks. Eens! Daarom laat deze lezer het gedicht aan Lucrezia dan ook buiten beschouwing.

[2] Eén van de zes werkjes, zich Janusachtig “Sonnet” noemend óók nog, blijkt zuiver Shakespeareaans maar blijft nu juist om die reden ook hier verder buiten beschouwing.

Share This:

Karin Beumkes: ‘je verloor je kind je verloor je been, maar je ziel ging niet kapot..’ – KB in M&M



Oorlogsslachtoffer

Weer schrijf ik over je gebarsten buik
en de kleine baby die niet werd geboren
je kwam in vuurzeeën terecht, je huis
brandde tot op de laatste sponning af.

Had je maar geluisterd naar dwingende gedachten
die nacht luisterde je naar niets
God kon niet op je wachten
en veranderde je lot.

Je lag daar bleek, er kwam
een stok tussen je tanden
je been werd afgezet,

Je wilt er niet meer over spreken
oorlogsbeelden – je verloor je kind
je verloor je been, maar je ziel
ging niet kapot, die droomde over
wilde bloemen en hoe het vrede wordt.


Muziek:  First Aid Kit – My silver Lining https://youtu.be/DKL4X0PZz7M


Liefs
Karin Beumkes

Share This:

PARIJS ZIEN en dan STERVEN met WILFRED ALLOY in de slotetappe 21 zo 28-7: Rambouillet – Parijs (128 km, vlak)

Etappe 21 zo 28-7: Rambouillet – Parijs (128 km, vlak)

… een schim van jezelf …

De dag van het afscheid. Gisteren die andere lui uitgezwaaid, maar dan vandaag… De kroegkrakers zijn ook vertrokken. Het was een moeilijk moment. Ze werden door die ene kraker die er niet was, Lolke ‘Kachelpijp’ Staelenblik (‘Ik volgde jullie wel, maar wat een lappen tekst!’), met de blikken zelfmobiel opgepikt en verdwijnen vanavond (na een afsluitend drankje in de bekende kraakkroeg Het Laatste Stuivertje nabij de Leidsepoort en een stukje varen over de Overtoom) opnieuw met onbekende bestemming. O wacht  (niet gelijk doorfietsen, we rijden de tour niet), de Détour speelde zich dus tóch in Amsterdam af, het kon ook niet anders. Ik had het zelf niet eens door!

Door minder en minder schimmen omringd…

…of, zoals Dijk en Du het snedig uitdrukken:

[LAATSTE NIEUWS – De commentaaruitlatingen van de heren Dijkstra en Ducrot zijn – en nu moet ik even spieken – ‘wegens onaanvaardbaar risico op aard verschuivende en tourcommentatorlevens bedreigende stemmingswisselingen in de werkruimte van de Détourredactie geblokkeerd, zeg maar: niet aangehoord, oftewel: niet genoteerd, kortom, zoals dat tegenwoordig zo mooi heet: ‘geneutraliseerd’. Op deze laatste tourdag derhalve noch Herbertje van de Dag noch Ducrootkwoot. De redactie biedt haar excuses aan voor het hierdoor eventueel onstane gemak.]

Poëzie, drank en geouwehoer, dat resteert er na drie wilde weken (dat was eigenlijk al die tijd al het hele verhaal, zij het met de nodige détours ter decoratie), vertegenwoordigd door respectievelijk snelverzer Wilfred Alloy, barman Ranke Nelis en verslaglegger Josse Ketting. Wie van de Drie. Wie is de echte…? In het hoofd schalt een intercom: ‘Wil de echte hoe-heet-het-nu-dan-weer opstaan en voor de laatste keer het podium bestijgen?’

De kajuit is leeg. Na het gebeitelde en geheide slotvers zal Wilfred Alloy de lege zaal vol verdwenen schimmen en passanten (opgeteld: leeg) bedanken voor de aandacht en de bijdragen, Genoemde Zaal een prettige voortzetting van wat dan ook wensen en voorbij de loopplank, niet tussen wal en schip geraakt, huiswaarts gaan…

…en alles van zich af geschud hebbend eindelijk worden wie hij is,

dat is, voor alles begon

wie hij was.

ROEPT U MAAR

“Opgebaard over de meet komen!”

Parijs zien en dan sterven. De gladiool ook dood.

Het Onbekende-Rennergraf. Hotelcake voor Ducroot.

De aulaspeech van Herbert. Wat bijstand aan elkaar.

Met gilsirenes weg van heel dat wielercrématoire.

‘Dan weet je dat het klaar is. Dan huil je wat. En dan?’

Hoezo? Dat rondecircus was onminzaam láchen, man:

een wedstrijd, met een stand-up voor losers uitgedijd.

Maar we zaten hier gebeiteld en we zaten hier geheid…

[Top 3 algemeen orangement (slot): 3. Kruijswijk +1.31, 26. Poels +1.12,25, 28. Mollema +1.14,58.]

Arie van Egmond

Amsterdam, 28 juli 2019

Share This: