Met Mirjam Al én met jou

Stilte die de tijd omringt,

                        de tijd die van het afscheid zingt,

                                                           maar het drijft me niet in het nauw,

                                                                                   want ik heb geschreven MET JOU

Stilte die de tijd omvat,

                        de tijd met zijn dit en dat,

                                               zijn zus en zo en diepe rouw,

                                                                       als ik niet geschreven had MET JOU

Stilte die de tijd omwindt

                        als vanzelf de wijzerplaat vindt,

                                               en de sleutel van het eeuwig blauw,

                                                                       komt allemaal door het schrijven MET JOU

Mirjam Al

Share This:

jolies heij: ‘Het enige dat spetteren mag is de poëzie.’

met jolies 2019 in

Over vuurregens & boerenkool met worst

Allereerst wens ik de lieve lezers een gezond, vruchtvol, creatief en inspirerend jaar toe. Echter geen knallend, spetterend, bruisend of meer van die ongein nieuwjaar. Het enige dat spetteren mag is de poëzie. Na de vreugedevuren op het scheveningse strand begaf ik mij, toch wel ongerust geworden, naar des natuurgenezers tuinhuis. Of eigenlijk is hij natuurgenezer af, maar hoe moet ik ‘m anders noemen? Eens een kwakzalver altijd een kwakzalver en in de tuin tiert het fluitekruid nog altijd welig. Laten we hem maar als natuurgenezer buiten dienst bestempelen. Het tuinhuis was tenminste ongeschonden ondanks de vreugdevuren, nog geen aswolkje was erop neergedaald, geen ruit gebarsten noch de sponning geblakerd, alleen de kerstboom in de tuin stond er treurig bij met uitgevallen naalden en verzakte piek. Toen ik de deur opengooide, overzag ik met één oogopslag het slagveld van de lege flessen bubbels en pizzadozen en aan de lip van de bulldog hing een draadje gesmolten kaas. Welwel, gaf ik, het ziet eruit alsof je al te wild hebt gefeest,

Radovan. Waarom was ik niet genodigd? De natuurgenezer nam me van top tot teen bedenkelijk op. Zozo, kom jij ook eens aanwaaien? Ik goef jou toch niet uit te nodigen, mijn deur staat altijd open, mijn armen zijn altijd gespreid, mijn pik weliswaar niet steigerbereid, maar daar gebben wij get al gonderdduizend keer over gegad. Onze relatie kan enkel zuiver platonisch zijn. Je wilt toch niet zeggen dat je me platonisch hebt gemist, Radovan? vroeg ik gekscherend. Welnee, ik geb mij uitstekend vermaakt, zoals je ziet, glimlachte hij. Eerst ben ik get strand opgegaan om get vreugdevuur te ontsteken en de goden te verzoeken om de wind uit de verkeerde goek te laten waaien, toen… Wát? riep ik verbijsterd. Ben jij verantwoordelijk voor die vuurregen op Scheveningen? Hoe heb je ‘m dat geflikt? Als natuurgenezer in ruste geb ik nog altijd een lijntje met get gogere, gaf hij, ik goef maar in mijn tuniek te schieten of ik krijg alles gedaan. Maar waarom dan? riep ik. Wat schiet je daar nou mee op? Of wou je gewoon een rel ontketenen?

Ik wou de scheveningse gevangenis laten affikken! zei hij met vervaarlijk vonkende ogen. Je bent niet goed bij je hoofd, gaf ik, dat is immers een driesterrenhotel en veel te gerieflijk voor oorlogsmisdadigers zoals jij. Ik word ziek van die kop van Mladic, klaagde ie. Gij zeurt maar over z’n nierstenen en dan moet ik weer een gandoplegging doen. Behalve als ik met gem moet schaken, dan is gie ineens miraculeus genezen. En ik moet iedere dag cevapcici voor hem bereiden, die komen me de neus uit. Ratko, zei ik tegen hem, ik ben nu een gollands ingezetene, dus wil ik ook wel eens boerenkool met worst en een oliebol waarop hij repliceerde: ik ben een asperger en eet alleen mijn moeders pappot omdat ik dat van kinds af aan zo gewend ben. Wat een zenuwlijer, get is gewoon een psychiatrisch patiënt, dus daarom wilde ik gem in get vreugdevuur smoren.

Maar Radovan, verzuchtte ik, waarom ga je dan ook met die slager om en laat je je door hem koeioneren? Er zijn vast wel betere medegevangenen… Neen, wij twee zijn de laatste der Mogikanen. En ik geb niemand anders, mijn geilsoldate is weg en jij gebt nooit tijd, jij bent altijd de gort op om ergens in den lande op te treden. Ik ben er nu toch? riep ik. À propos, hoe is het met je autobiografie? Daar kan ik je nog wat tips voor geven. M’n ouwe vader werkt ook al aan z’n levensverhaal met smeuïge anekdotes uit de oorlog, dus hij is een geduchte concurrent. Als jij dat boek van jou net zo sappig maakt door in detail te beschijven hoe je je moslimkapper de nek omdraait, dan… Hij maakte een vermoeid wegwerpgebaar. Ik geb niet de kracht om mijn pen op te pakken.

Ik mis mijn geilsoldate te zeer. Maar nu ben jij er. Ik ben jouw grote liefde, dus dan wil jij toch wel uit naam van de liefde mijn guis aan kant maken? Wel, verzuchtte ik terwijl ik de pizzadozen vast begon op te stapelen, daar hem je me weer eens tuk. Pak jij dan maar vast je pen en laat Mladic op papier aan die strop bungelen. Of verteren in het vagevuur.

Mechels nieuwjaar

De dag is opgeschoten, pleinsluipers vragen naar
de datum. De vadderik op drie broden dorst
naar zee, onze dorst is natter dan een dweil
en droger dan de kater. Hier zijn de uitspatten

al verbeurd. Mijn compagnon in zacht sterven heeft
het er moeilijk mee, het is niet alleen het keren van
de tijd, er gaan evenveel korrels in een zandloper
als dagen in een jaar en hoop is de strohalm waar-

door we het vuurwater opslurpen. Hij zegt maar
dat haar wereld op slot zit, wat me liever is dan
geen toegang tot de tijd. Hij wil in haar hoofd
ik onder zijn huid. Het is de eerste dag van

het jaar, maar we voelen ons nergens thuis
hetzij bij hem of haar. We willen niet hier
zijn in deze abdij van uitgestorven plezier
van virtuele wensen hebben we onze bekomst.

We duiken onder in elkaars armen. Hij wil
trouwen en een kind, ik ben blind voor zijn gewin.
Gewetenloos denk ik aan mijn schaduwman. Nacht
treedt in. Nog even en het borreluur begint.

Jolies Heij

Share This:

karin beumkes: Die dag proefde ik aan zijn vingers hoe Zuid-Afrika voelde…

Robbeneiland verteld.

Toen vader terugkwam van zee
dansten tantes op tafel
met roomwitte navels
was ons varken verwerkt
in de worst en het hop
hing als bellen te drogen.

Die dag proefde ik aan zijn vingers
hoe Zuid-Afrika voelde
hoe de kinderen stonken
hoe de spreeuwen daar jokten
hoe de aarde daar schreeuwde
hoe de stranden vervuilden
hoe de rooibossen huilden.

Dit was het donker
hier kon je je schamen
hier lag rag op de ramen
en God moest mij horen
hij had smeer in zijn oren
de wind  zou het zeggen
aan een vuurvliegje snel
aan de man in de cel
die prinsenbloed had
en wittebrood at.

muziek: Gert Vlok Nel-Rivierhttps://youtu.be/rNkrDCPdec0
Liefs groetjes Karin

Share This:

Frans Terken wint de enige echte virtuele – hier mijn hand – waar is je vlaamse hart? – trofee op pomgedichten – zilver Merik vd Torren – brons Petra Maria

De site was weer een beetje kaduuk of overbelast deze ochtend – iets met de server – er komt een dag dat alles beter is – webmaster en jeanine hoedemakers deze week de juryvoorzitter laten ons niet uit het veld met prachtige rozen slaan – nu leest u de commentaren onder de gedichten – over enige minuten de uitslag door jeanine – dank aan de dichters die instuurden.

Jeanine meldt: Goud Frans Terken – Zilver Merik van der Torren Brons Petra Maria

  • MERIK VAN DER TORREN Bij ons schijnt de zon, fonkelt in Bollekes
  • MARC TIEFENTHAL Een man uit Rotterdam spoelde ‘s nachts aan
  • PETRA MARIA misschien het zachte glooien
  • FRANS TERKEN we hadden aan een halve maan genoeg
  • RIK VAN BOECKEL zoals de wind waait in Oostende
  • JOLIES HEIJ onze dorst is natter dan een dweil
wie wint de enige echte virtuele – hier mijn hand – waar is je vlaamse hart? – trofee op pomgedichten? toestanden, frites, duizend kralen hartendag – in vlaanderen is alles mogelijk! dichters laat uw harten spreken. of zoals een belangwekkend vlaamse wetenschapper ooit vaststelde:

als haar billen zouden kunnen spreken
dan heeft ze best een grote mond

u kent de regels:
de gedichten niet te lang svp – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10.30 uur. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. jeanine hoedemakers ook in 2019 om de week onze juryvoorzitter.

vlaamse toestanden

je lacht me in 1000 kralen toe
daar moet ge toch heel wat aan geregen hebben
trachtte ik in mijn beste vlaams

liet mijn vingers over de kralen gaan
en weer terug ook weer duizend
deed spontaan mijn duizendkralen gedicht:

blijk jij gewoon van wie ik houd twee lieve ogen
houden we duizendkralendag en rijgen we
vullen we huisjes met poëzie

nam jij mijn hand
om deze op je hart te leggen

pw

In Gent

In het oog van de cycloon zitten we.
Laat buiten de storm maar razen.
Pannen en planken van daken scheuren,
Bomen ontwortelen, ouden van dagen vermorzelen.

Bij ons schijnt de zon, fonkelt in
Bollekes Keizer Karel.
We zien het Lam Gods herrijzen en
Sioux-indianen onder de kloosterbogen.

“Nog één Keizer Karel, alstublieft””
Om weg te zweven naar de hoge bergen.

Laat buiten de storm maar razen.

Merik van der Torren

pom: ha ha ha de ouden van dagen komen er niet goed af vandaag bij onze merik. leuk gecentreerd deze opkomende liefde die alles in zich herbergt – liefde is exclusief en van 2 mensen in een middelpunt – merik gebruikt de elementen die hem ter beschikking staan. ‘Om weg te zweven naar de hoge bergen.’ is echt zo een merik regeltje – buiten elke ordening.

Jeanine: Merik van der Torren – Zo is het, laat buiten die storm maar razen. Al ben ik een fervent  tegenstander van het vermorzelen van ouden van dagen, dit moet gezegd. Het gedicht leest prettig, ik krijg van alles voorgeschoteld en het waait.

Toegestaan, stand van zaken

Boter smokkelen doen we niet meer.
We spelen ook geen kaas, boter en eieren meer.
We versluizen zelfs geen geld meer.

De lage landen liggen klaar
om overspoeld te worden,
alsnog houdt Nederland stand,
in het Frans.

Nous autres, les Belges,
nous maintiendrons aussi.

Een man uit Rotterdam
spoelde ‘s nachts aan zonder ham.
Spek noch bonen droeg hij mee,
honger des te meer.
Zijn hart heeft hij verpand
aan dit andere lage land.

Haar vader smokkelde boter.

(Pom, dit vers is uiteraard vrij, al rijmt het op het laatst. Het associeert geheel uit zichzelf en meandert van de een naar de ander, wat een onderliggende betekenis geeft aan het werkwoord meanderen. Me anderen… je est un autre)

marc tiefenthal
dichter essayist

pom: toestanden! ik houd het verder bij het commentaar dat tiefenthal zelf meestuurde.

jeanine: – marc tiefenthal dichter essayist – Aangezien het cursieve gedeelte enkel aan pom gericht is lees ik het wel maar doe er niets mee. Ik vind het niet netjes andermans berichten te lezen en ook niet netjes om niet te worden genoemd aangezien toch ook ik het gedicht voorgelegd krijg.  Ik meld dit maar even, anders piept dadelijk de tante van Bregje tevoorschijn en die is heel wat ongezoutener in haat conclusies cq oordelen dan ik.

Ik speel het nog, boter kaas en eieren, ik heb pas nog van mezelf verloren en vond dat best een aparte ervaring.

Een man uit Rotterdam die aanspoelde zonder ham. Dan is het een Rotter (met voor de am een h in het gedicht). Helemaal vatten doe ik het gedicht niet en tegelijkertijd snap ik het wel geloof ik. Spek noch bonen maar honger des te meer, ja, als hij spek en bonen had gehad dan had hij geen honger gehad, is wat ik denk en ook denk ik, vedorie, daar heb je tante.
Het is me wat met dat taalspel van Tiefenthal. Spreekwoorden, gezegdes, spelletjes, verwijzingen die je moet zien te snappen/vinden en dan een totaal dat vaak helemaal niet onaardig uit de strijd komt. Je gedicht komt wel binnen bij me maar waarschijnlijk anders.

ergens

ergens hebben wij iets Vlaams
misschien het zachte glooien
van de eerste omarming
de vluchtige zoenen

het lijkt alsof die streek
ons toezingt
de oude pleinen
met warme café’s

hongerig als wij zijn
gelijk dampende frieten
kom laten wij ons
onderdompelen in genot

ergens stroomt iets Vlaams
in onze aderen
hoe anders
zoveel liefde

zo vanzelf

Petra Maria

pom: de elementen aangenaam verwerkt en tot poëzie gerangschikt. liefde van de man gaat door de maag. zo patatje met is nooit weg. een bolleke, een pleintje, petra maria in de buurt en het leven wordt al snel aangenaam. jahoor ik heb ook iets vlaams – ik hoor het me zo zeggen. die spataderen mogen wel uit het gedicht verwijderd – klinkt me net te oudnederlandsch en neerlandsch bloederig. nee een patatje mét en vluchtige zoenen rond enige bollekes. zo mag het leven.

jeanine: Petra Maria – Onze zachte G. Vooral n het Westen denken ze soms geloof ik dat die Brabanders nooit goed leerden spreken. Zachte mensen. De Vlamingen begrijpen dat beter.  Bovendien hebben ze daar hele lekkere frieten. In puntzakken en  met liefde gebakken. Ja, Petra, kom, we gaan.

Brugse Zot

Dat ik aan het Minnewater
haar om het recept voor liefde vroeg
wij zouden die als konijnen
op Vlaamse wijze op smaak brengen

hadden aan een halve maan genoeg
om elkaar tot in de nacht af te tasten
de hand die schuim van de lippen wiste
we bruisten en gistten als blond bier

hoe goesting ons naar het hoofd steeg
geen houden aan ‘ik zie u graag’
we wachtten niet tot Lievekesdag
kropen in het donker weg op kot

hijgde ze nog ‘maar gij zijt toch een Ollander’
ze dronk me als een Brugse Zot

FT 04.01.2019

pom: maakte petra maria hierboven  de voorzichtigheid nog het hof – frans laat er geen gras over groeien – over de aanstormende liefde die het gehele terras opvult – in een vlaag, in een slok kan ze toeslaan – ongeacht de wijze woorden die cornelis vreeswijk ooit ons toezong: de liefde is een vreemd soort wijn – maar neem je een slok teveel dan schiet het gal je in de keel…’ zo ongeveer. dat is voor later. nu is het een heerlijk genieten dit gedicht.

jeanine: FT 04.01.2019 – Ollander, is het eerste wat me opvalt en ik denk meteen aan de ha voor am bij Tiefenthal. Haha, nee hoor ik bedoel het niet flauw, ik weet het wel dat van die h.

Even naar het begin, die regel ‘wij zouden als konijnen’  ik vraag me af of ik het goed interpreteer maar zie al snel dat ik het uitstekend lees. Leuk gedicht, lekker warm.

De Vlaamse wind

Zoals de wind waait in Oostende
de geur van frietekes uitstalt
langs de contouren van ‘t Kroegske

zo zij uitzwermt over het Vlaamse land
naar terrassen met Leffe Blondjes
en luidkeelse Duvel toejagers

de Gentse wieven in Bijloke
hun oorkussenslopen schoon poetsen
zingend met de bravoure van Brel

zo wil ik daar zijn met een handvol
mayonaise uitgestald over zakjes
bakjes vol vretende frietoorlogjes.

Rik van Boeckel
5 januari 2019

pom: rik neemt meteen het gehele vlaamse platte land mee in zijn beschouwingen – van de kust het land in – er kan gedronken, gezongen en gefeest.

jeanine: Rik van Boeckel – 5 januari 2019 – Oei Rik, een hand vol mayonaise uitgestald …. Hier zit ik toch echt even een beeld te zoeken waarin ik de hand bevrijd weet en de mayonaise op de juiste plekken zie. Vlot gedicht vol Vlaamse ingrediënten.

Mechels nieuwjaar

De dag is opgeschoten, pleinsluipers vragen naar
de datum. De vadderik op drie broden dorst
naar zee, onze dorst is natter dan een dweil
en droger dan de kater. Hier zijn de uitspatten

al verbeurd. Mijn compagnon in zacht sterven heeft
het er moeilijk mee, het is niet alleen het keren van
de tijd, er gaan evenveel korrels in een zandloper
als dagen in een jaar en hoop is de strohalm waar-

door we het vuurwater opslurpen. Hij zegt maar
dat haar wereld op slot zit, wat me liever is dan
geen toegang tot de tijd. Hij wil in haar hoofd
ik onder zijn huid. Het is de eerste dag van

het jaar, maar we voelen ons nergens thuis
hetzij bij hem of haar. We willen niet hier
zijn in deze abdij van uitgestorven plezier
van virtuele wensen hebben we onze bekomst.

We duiken onder in elkaars armen. Hij wil
trouwen en een kind, ik ben blind voor zijn gewin.
Gewetenloos denk ik aan mijn schaduwman. Nacht
treedt in. Nog even en het borreluur begint.

Jolies Heij

pom: onze heij weet altijd wel ergens  iets van  ellende te vinden. maar het mag gezegd ze beschrijft het menselijk tekort best wel mooi. met regeltjes als:

onze dorst is natter dan een dweil – Hij wil in haar hoofd ik onder zijn huid. We willen niet hier zijn in deze abdij van uitgestorven plezier…

een gedicht met net teveel compacte ellende om van de mooie regels te kunnen genieten.

jeanine:  –Jolies Heij – Heerlijk Jolies, die regel;  pleinsluipers vragen naar de datum. Daarna vlieg je wat uit de bocht, onze dorst natter dan een dweil, droger dan de kater…hmm  Dan weer de schitterende regel, mijn compagnon in zacht sterven waarna de dichter opnieuw de vaart onvoldoende ment.
We duiken onder in elkaars armen
Nog even en het borreluur begint.

In dit gedicht verdrinken die prachtige regels een beetje, dat is erg jammer. Op de vierde strofe heb ik weinig te zeggen, het is  een prima strofe, echt een gedicht om nog eens naar te kijken. Dank je voor deze reis.

Share This:

VON SOLO: “Sartre zei het ook: ‘De hel, dat zijn de anderen’.

von solo voor U!

Deel 318. De hel

Vorige week fietste ik over het fietspad langs de Gordelweg. In de verte zag ik een man in tegenovergestelde richting over het trottoir lopen met een aantal hondjes. Naarmate ik dichterbij kwam, kon ik zien dat het een lange man betrof. Kort stekeltjeshaar. Peper en zout kleurig. Een zwarte sportjas met grijze en blauwe accenten. Een donkere spijkerbroek. Eén van de hondjes was een foxterriër. De andere een onduidelijk bastaardje van schoothond formaat.  De hondjes liepen in het gras naast het voetpad en dwongen de man ook in het gras te gaan lopen. De riempjes waren net te kort. En zo stond de man daar terwijl ik hem passeerde met mijn fiets. Het bastaardhondje bukte zich om zich te ontlasten. Ik zag het beeld compleet. En keek de man aan.

De harde ogen van de man flitsten even naar het hondje en toen weer naar de mijn. In zijn ogen las ik ongenoegen en boosheid. Het vormloze varkens lederen bankstel in de huiskamer. Een grote tv uit de koopjes kelder van de Correct met toch bedroevende beeldkwaliteit en al die kutprogramma’s. Een Opel Astra 1.9 diesel uit 1992. Een vrouw waar geen personal trainer meer wat aan kan verhelpen. Omdat het niet alleen aan de buitenkant eraan zit. Het ondergaan van de zon, terwijl het te bewolkt is om hem goed te kunnen zien. Altijd dezelfde racistische grapjes op het werk, waar die Turkse metselaar ook gewoon bij is. Hassan kan er zelf ook wel om lachen, toch? En nooit de postcode kanjer. Nooit. Terwijl ik mijn blik afwendde zag ik hem in mijn ooghoek het hondje nog een schop geven. Hij riep me na: ‘Als je met je arrogante kop maar niet denkt dat ik die schijt ook nog voor je ga opruimen’. Ik keek niet om en wist dat hij het niet tegen mij had. Hij zag enkel een blanke middenklasser die tevreden op zijn fiets richting zijn gezin onderweg was voor het avondeten. Erasmus zei het al: ‘De meeste mensen zijn andere mensen’. Sartre zei het ook, maar maakte ervan: ‘De hel, dat zijn de anderen’. 

VON SOLO

DICHTER, COLUMNIST,  PERFORMER EN CINEAST

Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl

Share This:

VON SOLO – ‘Stel je voor dat je te horen krijgt dat je nog een dag te leven hebt. Wat ga je dan doen?’

VON SOLO schrijft voor U!

Deel 317. Handschoen

Onderweg van kantoor A naar kantoor B fietste ik, na het Centraal gepasseerd te zijn, over Kruisplein. Ik werd ingehaald door een vrouw met een grijze knot op een fiets met zadeltassen. Ze fietste over een hobbeltje in de weg. Uit een van de fietstassen viel een handschoen. Ik zag hem vallen. Landen op de straat. En riep: ‘Mevrouw, u verliest een handschoen.’ Stoïcijns fietste de vrouw door. Ze keek niet eens om. Een moment dacht ik om te draaien en de handschoen op te halen en haar achterna te fietsen. Maar toen die gedachtegang ten einde kwam, was ik al weer zestig meter verder.

Ik zag dat ze stopte bij de kruising met de Kruiskade. Inhalen zou kunnen als ik hard fietste. Maar wat zou ik dan te zeggen hebben? ‘Mevrouw, u bent tweehonderd meter terug uw handschoen verloren.’ Zou het ze iets kunnen schelen? Zou ze de moeite nemen om terug te fietsen om hem op te halen? In mijn schuur liggen twee volle vuilniszaken met uitgewassen handschoenen. De oogst van één winterseizoen handschoenen oprapen op mijn dagelijkse fietstochten. Ik voelde een moedeloze onverschilligheid die zich meester van me wilde maken.

De kruising met de Kruiskade overstekend zag ik honderd meter voor me dat de vrouw stopte en haar fiets op de stoep zetten. De zette het rijwiel op slot en ging een pand binnen. Toen ik er voorbijfietste, zag ik dat dat het Goethe Instituut was. De vrouw was dus waarschijnlijk Duits en had niet verstaan of gehoord wat ik riep, toen ze haar handschoen verloor. Nog vijftig meter twijfelde ik, voordat ik alsnog de teugels wendde. Ik fietste terug naar Kruisplein en vond daar op dezelfde plek als ik hem had zien vallen de handschoen. Ik pakte hem op.

Het plan was om de handschoen in de fietstas van de vrouw te stoppen. Zo zou ze hem weer terug hebben. Toen ik echter aankwam bij het Goethe Instituut was ik er niet meer zeker van welke fiets het was. Iedereen lijkt tegenwoordig wel fietstassen te hebben. Dus belde ik aan en stapte, nadat een jonge vrouw de deur open had gedaan de drempel over. Ik legde uit dat ik een handschoen had gevonden van een vrouw met grijs haar en een knotje, die hier zojuist vijf minuten eerder was binnengegaan. Een zwaar Duits accent antwoordde das das ein Kollegen gewesen sein moeste en nam de handschoen in ontvangst. Ik wenste haar een goede dag en liep de deur uit. Toen ik me omdraaide zag ik de vrouw met het knotje haar hoofd om een hoekje steken binnen en met een brede lach zwaaien. Dat voelde goed.

Ik stapte op mijn fiets en dacht verbaasd over de weinige praktische moeite die het had gekost iemand blij te maken. En hoe onevenredig veel innerlijke discussie me dat had gekost. Trappend om op snelheid te komen scheen er flets licht door de ontbladerde bomen langs de Westersingel en stelde zich de volgende vraag: ‘Stel je voor dat je te horen krijgt dat je nog een dag te leven hebt. Wat ga je dan doen? Pak je dan de eerste handschoen op die je ziet liggen? Of ga je filosoferen over een probleem waar je de oplossing nooit meer van zult vinden.’

VON SOLO

DICHTER, COLUMNIST,  PERFORMER EN CINEAST

Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl

Share This:

Merik van der Torren: ‘laten we nieuwe goede dingen doen, laat ik je hand vasthouden…’

merik

Hoi Pom,
 
Het thema van mijn inzending op 1 januari 2019 voor de 2-de is natuurlijk Oud en Nieuw. Bij deze, veel geluk en wijsheid in 2019 , groet, Merik

Oud en Nieuw 2019

Zie je die foto’s van toen;
de kinderwagen en de pop,
die lieve hond,
de oude huizen
opschriften – uit de tijd,
blauwe trams;

laten we nieuwe goede dingen doen,
laat ik je hand vasthouden,
laten we zingen
van haar aan de overkant;
hoe we roeien en zingen
tegen de stroom in
en in de middag
kaarsen ontsteken
voor de nacht.
Meester, open de fles, rood en wit,
laat wapperen die haarlinten
in de zwoele wind;

Gelukkig Nieuwjaar !

Share This:

Erwin Vogelezang: ‘zomaar op een januarimorgen zag ik ze weer staan: de hemelswitte schoenen van mijn vader…’

http://www.erwinv.net

Witte schoenen

I

zomaar op een januarimorgen
zag ik ze weer staan: de hemelswitte
schoenen van mijn vader

ze stonden wat verloren op de kokos keukenmat

en heel even dacht ik

maar

het was een speling van het licht
dat bleek
wit door het keukenraampje viel.

al het andere is ijdelheid.

II

hij droeg zijn witte schoenen graag,
mijn vader.

er staken dunne benen uit
die rood en blauw en rouw
waren gerand.

ze knakten
als cocktailprikkers
wanneer hij in hurkzit zat

en schoenen poetste boven
op de keuken
mat.

III

zo dun zijn benen, zo groot zijn handen,
maar vaal

als oude vlaggen die hij streek
en opborg voor de nacht

in een la naast zijn bed

waaronder de heilige geest
gebotteld op hem lag te wachten.

IV

soms seinde hij met zijn handen
overgave
vanuit het lakenwit van bed

een weifelend wit op wit
als een voorzichtig opgeven
van kleur.

vandaag
weer overgeven,

de trap niet meer opgekomen.

V

het was net zo’n dood
gewone ochtend in januari
waarop hij roerloos klaarlag;

de vlaggen voorgoed gestreken
zijn handen meer
als ankers nu

reikten haast tot op de grond.

zijn enkels rouw zijn lippen
blauwgerand.

ik salueerde hem
oh, captain, my captain
met een vinger van mijn hand.

VI

maar ondanks dit
desondanks dat
en alles

dat er al zo lang niet meer toe doet

zeg ik je nu

ik zou je het liefste de trap op willen dragen
vraagloos en voorzichtig
zoals je dat met breekbare dingen doet

ook

zelfs als ze schreeuwen.

VII

maar
ik fluisterde alleen maar
papa

loop dan, loop dan

ga omhoog en
loop op je wolkjes

je vuil
grijze rook achterna.

VIII

al het andere is ijdelheid.

Erwin Vogelezang

Ik heb zitten dubben of ik een reactie zou schrijven bij het gedicht ‘witte schoenen’ van Erwin Vogelezang.
Ik schrijf namelijk zelden reacties bij gedichten.
Maar die witte schoenen zitten nu al een paar dagen in mijn kop en ik heb gegraven in mijn onnoemlijk scherpe geheugen of ik ooit zo gegrepen was door een gedicht als witte schoenen.
Ik ben tot de slotsom gekomen dat die schoenen mij in elk geval dusdanig hebben ontroerd zoals een gedicht me nog nooit heeft ontroerd.
Dat moest ik even kwijt.


Joop Komen

Share This:

jaaroverzicht: dat we 2018 nemen zoals het is en het verlaten maar nooit verlaten van wat was

2018 jaaroverzicht

dat een voormalige dichteres des vaderlands
net doet of het stellen van vragen poëzie is
en dat kunstje ook eindeloos herhaalt als ze optreedt

dat de poule des doods lekker aangevuld is dit jaar
ja dat krijg je er van als je over lijken gaat
en dat al die gortdroge jaaroverzichten mij de keel uithangen

dat dichters wel 88 teentjes hebben waarop je kunt trappen
dat ik het nog steeds erg leuk vind om op 88 teentjes te trappen

dat die protestants gristelijke zedenpreekster met die rare ogen
zeker niet de slimste mens was

dat je alles wel poëzie kunt noemen
als je er maar vragen bij stelt

dat Alja Spaan de meest indrukwekkende bundel schreef in 2018
over dat niets – dat onontkoombare existentiële niets

dat er ook met niets te leven valt

dat we 2018 nemen zoals het is
en het verlaten
maar nooit verlaten van wat was

pom wolff

zo wens ik alle lezers – nou ja alleen de lieve natuurlijk en alle dichters en columnisten van pomgedichten een onvergetelijk 2019 – ik zeg het u 2019 wordt een heel heel bijzonder jaar

Share This:

ELBERT GONGGRIJP – BIJ BENADERING MISSCHIEN DIT – Een nieuwe J.A. der Mouw is geboren – om zo op de rand van het bestaan te kunnen schrijven – een kunstzinnig solipsisme dat we sinds Johan Andreas der Mouw niet meer hebben kunnen lezen

ELBERT GONGGRIJP  – BIJ BENADERING MISSCHIEN DIT – Een nieuwe J.A. der Mouw is geboren – maar we zitten zonder god! om zo op de rand van het bestaan te kunnen schrijven – een kunstzinnig solipsisme dat we sinds Johan Andreas der Mouw niet meer hebben kunnen lezen

Laten we bij het begin beginnen – de bundel. ‘Die prachtige titel: ‘Bij benadering misschien dit’ – ik heb inmiddels het eerste hoofdstuk NABIJ gelezen – met dat werkelijk fenomenale gedicht “Dit dus” –

(…)
 
Misschien wil iets
blijven om naar te kijken, iets
blijvends, zoals jij nu
 
(…)  je wilde, je luisterde
een heel lichaam lang.
 

het gedicht dat heel veel gedichten overbodig maakt – ik had zo gehoopt het te kunnen vinden – heb het in jouw bundel gevonden – maandag de recensie.’,  schreef ik aan Elbert. Maar nee niks maandag – in een ruk heb ik de bundel verder uit gelezen tot het bittere einde, tot de laatste regel: “Hoe gelukkig maakt ongeluk nu het zich niet meer laat traceren –“

In deze bundel van Elbert Gonggrijp, en voor alle duidelijkheid zeg ik het maar meteen – alle vooroordelen kunnen de deur uit. Ook die van mij.  Natuurdichter – niks natuurdichter – geen bloemetjes of  beestjes – in deze bundel staat de mens centraal. En god is ver te zoeken. Een troostrijke god heeft de dichter al helemaal niet gevonden of tot zijn beschikking. Hij moet het helemaal alleen doen. In het eerste hoofdstuk is er nog even ‘een meid’ – heeft ie heel even meer dan de dichter der Mouw – maar na het eerste hoofdstuk zit ie ook zonder meid – Moeder is ook nog even aanwezig in hoofdstuk 2 TOENADERING geheten. Maar de toenadering is tot mislukken gedoemd in deze bundel – deze zoektocht – deze Alleingang: ‘een moeder die mij niet herkent, terwijl ze nog kan, terwijl ik het wil – ‘

De bundel telt 62 gedichten – 6 hoofdstukken met achtereenvolgens 13-13-7-23-5-1 gedichten. We hebben een nieuwe der Mouw maar in het jasje van Elbert Gonggrijp. En waarom ik op de achtergrond Stef Bos toch soms zacht hoor zingen als ik de gedichten van Elbert lees – ik hoop het antwoord vandaag nog te vinden. 

De vergelijking met Der Mouw is natuurlijk niet per ongeluk gekozen. BIJ BENADERING MISSCHIEN DIT – deze bundel – deze zoektocht – deze alleingang  is een prachtig voorbeeld van kunstzinnig solipsisme – dat er maar één enkel bewustzijn bestaat: dat van de dichter-waarnemer  in zijn poëtisch weten.  Het universum en de personen waarmee gecommuniceerd wordt, bestaan slechts in de geest van de dichter-waarnemer. Waar de dichter  der Mouw zich begaf in zijn zoektocht van atman tot aan brahman – heen en weer geslingerd – tussen het onvolmaakte en het verlangen naar een volkomen al –  begeeft Elbert Gonggrijp  zich door de tijd heen. Elbert Gonggrijp behoedzaam wadend door een levenslang tekort – door  ‘de lege gaten in de tijd’.

Wat achter hem ligt kan vergeten worden, desnoods herhaald  – wat voor hem (ons) ligt is slechts een gissen, wel met  ‘de gedachte dat elk begin bericht van een nieuw einde’. Het leven gezien als een voortdurende herhaling van gebeurtenissen – Zo komen we uit bij de opdracht in de bundel met de hand geschreven: ‘uiteindelijk vertaalt poëzie zich in stilte’. Hoe uiteindelijk het leven zich vertaalt in stilte – hoe alles samenvalt als het voorbij is,  de woorden oplossen in een dodelijke stilte. En dan – in zekere zin troostrijk –  dat dit alles weer ten dienste staat van een nieuw begin.

Deze dichter moet het alleen doen – met slechts één hoofdstukje liefdeslyriek. Hoofdstuk 1 – de eerste 13 gedichten. Maar dan houdt het op – is het over en voorbij.  En daar staat hij. Het leven houdt hem op.  Niemand om tegen aan te leunen. Niemand! Het is niet de wereld die door draait – het is de angst. In Hoofdstuk 2 TOENADERING in 13 gedichten komt de dichter heel dicht bij zijn poëzie.  Krijg je als lezer de dichter als het ware er gratis bij. Maar ik schreef het al. Elke toenadering is hier tot mislukken gedoemd.

En bestond het eerste hoofdstuk NABIJ al uit wonderbaarlijk mooie poëzie de laatste drie hoofdstukken in deze bundel zijn van een –  na hoofdstuk 2 –  onverwachte aangename lichtheid, waarin de dichter met ingehouden explosiegevaar maar ook met die hem kenmerkende behoedzaamheid de regels van de poëzie het werk laat doen:  het oponthoud (het leven) kleur geeft, de tijd stilt – geduldig wacht. Het is werkelijk adembenemend. Je moet als Elbert hebben geleefd om zo op de rand van het bestaan te kunnen schrijven – om zo vorm te kunnen  geven aan een kunstzinnig solipsisme dat we sinds Johan Andreas Der Mouw niet meer hebben kunnen lezen. En nergens dondert hij zijn eigen gegraven graf in. Hoe de kunst hem op de been houdt in deze wonderbaarlijk uitgebalanceerde prachtbundel.

 

pom wolff

 

de bundel is te bestellen bij uitgeverij Silhouette Artistique

info@connylahnstein.nl

Share This: