Sprookjesdier speelgoedpaardje slaapt op rommelzolder velletje oud oogjes zo wijs van vroeger ben je weet je nog.. ik trok je aan je ivoorgekleurde oortje ik trok je naar ons paradijs dan zwierf ik met je langs de zee geduldig leerde ik je baden totdat je wit en schoon en nobel was de koningin te rijk kamde ik je manen en zon toverde bezieling in je oog van glas je bent veranderd in een zebra wat heeft de tijd met ons gedaan die rusteloze wezel haat kinderlijk duimendraaien aan het raam het dromerig gekwezel en ik heb ook niet goed op je gepast laat me het stof afnemen van mijn dom verzuim je krijgt je paardenkracht terug in elke vezel ik streel je levend tot op het allerlaatste puntje van je kruin.
maar ik heb het over jou over wie ik het wil hebben een gedicht is soms heel soms een tekening die nog gemaakt moet om te krassen in die boom van toen
Natuur ontwaakt in goud, kleur die zij het kortst houdt, bloeit pril haar bloemenblad, een uurtje–of zowat, dan vallen blaadjes af: een godgegeven straf, een dauwdrop die verkwijnt. Alles goud verdwijnt.
we kennen de dichter beter als comedian – maar in de comedian schuilt zo af en toe ook een dichter – en zie hierboven de dichter aan het werk: prachtig subtiel gehouden weemoed – alle romantische elementen zijn aanwezig – het is een gedicht met ietwat bittere weemoed, er is nacht, er is muziek en eigenlijk is er niets meer – alleen de ik persoon in zijn alleenheid – de dichter.de romanticus. Cristian Pielich brengt de weemoed tot aan de rafelranden van de liefde – heel persoonlijk en toch heel algemeen gehouden – het verlangen ook.
Een paar jaar geleden kwam ik op een zondagavond thuis van café de Gouden Bal in Eindhoven. Ik was die namiddag naar een poëzie happening geweest in de geest van Derrel Niemeijer. Ik strompelde moeizaam het huis binnen. Mevrouw Solo riep lachend van boven, dat ik zeker weer te veel gedronken had. Dat klopte. En ik had een forse smak met mijn OV-fiets gemaakt in Eindhoven en mijn ene bil was blauw en twee keer zo groot als mijn andere. Misschien was ik ook wel aangereden. Dat wist ik niet meer zo goed. Binnen drie dagen was ik weer in staat voorzichtig te joggen. Mijn lichaam herstelde nog snel.
Iets minder lang geleden kwam ik op een zondagavond thuis van de Gouden Bal. Een gelijksoortig liedje. Gelijk Lazarus strompelde ik het huis binnen. Ik lachte mijn tanden bloot en mijn dochter kwam niet bij van het lachen. De helft van één van mijn voortanden miste. Het gaf me zoals mijn dochter zei, ‘het uiterlijk van een dakloze’. Of ik nou in Eindhoven op het station op mijn plaat was gegaan of dat ik in de fietsenstalling in Rotterdam tegen een rek opgelopen was, wist ik niet exact meer. Het was dus weer prijs. De volgende dag trok de kater rustig voorbij en de verzekerde mijn tandarts me, dat dat tandje zo opgelapt zou zijn. En dat was ook zo.
Toen ik twee dagen daarna weer al mijn tanden had en helemaal helder van geest was, begon ik na te denken. Het leek wel of de geest van Derrel Niemeijer me elke keer als ik de Bal bezocht te grazen nam. Ik kon me perfect voorstellen hoe hij zijn krachten aanwende om mij bewust te maken van mijn nietigheid. Hoe hij zorgde voor dat kleine struikelsteentje om me duidelijk te maken, dat als je wil dichten als een maniak, je ook de gevolgen moet willen en kunnen dragen. Zoals ook hij altijd deed. Derrel lachte me uit elke keer als ik op mijn bek ging. En terecht.
Afgelopen maandag kwam ik met de trein om kwart over tien uur in de ochtend aan in Eindhoven voor mijn werk. Het bedrijf waar ik heen moest was een half uur fietsen van Eindhoven Centraal. Ik liep de kelder in op zoek naar een OV-fiets, Daar lachte een conciërge met een gebit als een fietsenrek me toe. ‘Oem niegen oer woaren ze oalemoal oal wegh’. Vertelde hij me in dat prachtige Eindhovense accent. Ik wilde vloeken en tieren. Nu zou ik nooit op tijd op mijn afspraak komen. Maar koos ervoor te berusten. Tien minuten later liep ik de stationshal in om aan de andere kant van het station de bus te pakken. De hal was leeg. Vlak na de poortjes glinsterde een muntstukje op de grond. Ik bukte, pakte het op, bekeek het. Twee cent. Zo’n muntje waar je net niks aan hebt. Toch stak ik het in mijn kontzak.
Uiteindelijk kwam ik bijna op tijd waar ik zijn moest. En naderhand was er ook weer iemand zo vriendelijk naar Eindhoven Centraal te brengen. Toen ik het perron op liep, scheen de zon me in het gezicht. Net als op een middag in tweeduizendzestien. Ik voelde het muntje in mijn zak en er verscheen een glimlach op mijn gezicht. Soms mag je in Eindhoven gewoon niet de fiets pakken blijkbaar. Boodschap ontvangen.
VON SOLO DICHTER, COLUMNIST, PERFORMER EN CINEAST Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl
Mirjam AL hier op de foto die afgelopen zondag werd genomen op haar 84ste verjaardag – in tuindorp Buitenzorg – waar haar beste vriend Merik van der Torren ook een tuintje had – mirjam herdacht merik met een gedicht waarin oa deze woorden: ‘‘ ik mis hem zo… het is zo stil geworden in de tuin – ik verlang naar de zanger in de nacht… hij heeft van het geluk gezongen – en nu dat ijzig zwijgen – kijk daar zat ie –
www.pomgedichten.nl heeft het exclusieve recht gekregen om 65 teksten van Miriam Al tweewekelijks op de woensdag te publiceren – dat gaan we doen! de teksten zijn door haar helaas overleden vriend Merik van der Torren nog net voor zijn dood uitgetypt en van een nummer voorzien én in een blauw mapje gedaan. vandaag tekst nummer 15a – dank je wel Merik – dank je wel Mirjam Al.
Peter Berger – hoog bezoek vandaag – bij de gisteren afgeleverde maandagcolumn was te lezen ’tot morgen’! kortom hoog bezoek in het door wegafsluitingen getroffen 020 – halsema heeft het niet zo op auto’s – al laat ze zich zelf in een grote zware zwarte kist door de stad zoeven – het Parool staat bol van de klachten – nog 6 jaar halsema en de stad is één autokerkhof. hoe dan ook we gaan Peter majesteitelijk ontvangen op drie hoog achter in ons tuintje – over welke René Hillenaar de onvergetelijke woorden sprak; ” “Erg leuke tuin, maar drie hoog achter… Me reet!” – haha. – volgens PETER BERGER onze topcolumnist leven we in het NU! de witte wijn staat nu gekoeld. geniet zijn column.
Het komt soms voor. Een week waarin bar weinig te beleven valt. Waar de voorkant de achterkant is en de eerste dag de laatste. En andersom. Zo ́n week waarin je hoofd je kop maar niet uit wil kruipen en de hele wereld in je hersenpan rondzingt. Zo ́n week was het. Een week waarin de werkelijkheid zich aandient als een kroket uit de muur bij de Febo. Of als een toevallige voorbijganger die je zonder voorbehoud spontaan om de nek vliegt. Een werkelijkheid van momenten die gewoon gebeuren en zomaar voorbijgaan.
Realiteit? Daar kan ik mijn kop over breken. Beperkt zich dat niet slechts tot de dingen die je vast kan pakken? Beet kan houden. Die je moet kunnen ruiken of horen. Proeven. Dingen die je moet kunnen voelen schuren. Dat kan alleen nu. In het moment. Een fractie later is het weg. Dat moment. Een herinnering kan je nu eenmaal niet in de hand nemen. Een verwachting al helemaal niet. De toekomst. Het verleden. Die zitten in het hoofd. In beelden die knellen als een kwelling of bevrijden als genot. Niets kan heen of terug. Het heden is nu. Nu aanraken. Nu horen. Nu zien. Nu. De rest? Denk! Ook wat zich afspeelt in het hoofd is nu. Het verleden is nu. De toekomst is nu. Alles los zand. De klok dient slecht als houvast. Als een kapstok voor teloorgang. Tja. Ik ben achter glas gevangen. Maar mijn hart heeft het leven lief zonder omlijsting.
Ik krijg er altijd dorst door. Hersenkronkels. De super is gelukkig om de hoek. Een halve liter uit blik moet het gaan worden. Blanche. Gebrouwen uit gerstemout, ongemoute tarwe en een beetje haver. Treuzelend bij het bierschap loop ik een wat gekreukte jongeling tegen het lijf. Hij drukt me terstond het gedroomde blik in de handen. ¨We hebben het gewoon verdiend toch? Meneer.¨ Zegt ie gedecideerd. ¨Er is geen ontkomen aan. Het kan niet anders. Alles kapot. Ik ga drinken tot ik erbij neerval. De bom gaat vallen.¨ Hij maakt zich vervolgens met een flinke stapel bierblikken onder de arm geruisloos uit de voeten. The bomb? Really? Zuipen is een optie, maar ik denk toch maar dat ik het voor nu bij die ene halve liter hou. Want vanavond wil ik zwemmen in zee. Het hoofd leegmaken. Op Katwijk. Ik wil het zout nog op de huid voelen voordat alle liefde verkommerd is.
na Frans Terken, Rik van Boeckel in de dichtetalage van honneur hier te pom – dit weekend het gedicht van de week – de grote dichter Ton Huizer. jarenlang doet hij deze site zo af en toe glimmen met zijn poëtische parels – hier het gedicht dat FB weigerde.
Mort civile
Wie op een slagveld is geboren raakt de geur van ontbinding nooit meer kwijt
maar straks, als deze vreemde reis voorbij is ben je misschien weer een kind
met mensen die van je houden en een bal zo groot als de wereld