Karin Beumkes – mens&melodie op de maandag én die pasfoto

dichteres over vroeger en hoe het is om over vroeger heen te stappen met op de achtergrond nog iets van koos alberts

Vallei van vroeger

De rug van mijn vallei is oud
een tatoeage waarin ik wijsheid mis
op de polsslagader van mijn tijd
kan ik een naam verminderen of meer
niet denken aan.

Maar elke voetstap waarbij ik niet
moe begin te worden zegt me
niet hetzelfde van ik wil terug.

Dat je van een stad kunt houden
waar je nooit was dat wist ik nooit
als je betoverd bent door papaver
pak je je rugzak in en laat het vroeger
vallen als een minnaar
die onaardig voor je was.

Je verscheurt zijn pasfoto omdat
juist hij dat ernstig ook zou willen.

Muziek: Röyksopp – Happy up here

Share This:

JOLIES HEIJ wint de enige echte virtuele job degenaar trofee op pomgedichten – over ‘de helderheid van morgens’ en dat de morgen mogelijk vol vragen is die er niet zijn. VERA VD HORST zilver, LISAN LAUVENBERG brons


Goedemorgen pom,
 
Ik kon gewoon op je site en stuur je nu de beoordelingen en doe de edelmetalen ook maar meteen. Ik heb genoten!   Ook het gedicht van Job (het jouwe ook hoor )  heb ik met veel plezier tot me genomen. Een fijne wedstrijd dit!
 
Goud Jolies (kan echt niet anders)
Zilver Vera
Brons Lisanne
 
 
Mooiste regel – dus een bloem van tante –  Petra Maria:  Waar we boomhutten bouwden van onze gedachten
 
 
Liefs en dank aan allen. Ik werd oprecht blij van alle  inzendingen!

wie wint de enige echte virtuele job degenaar trofee op pomgedichten – over ‘de helderheid van morgens’ en dat de morgen mogelijk vol vragen is die er niet zijn.

  • Rik van Boeckel – wat er is? het sneeuwmonster!
  • Petra Maria – wat er is? boomhutten!
  • Frans Terken – wat er is? een eerste merel!
  • Lisan Lauvenberg – wat er is? een liedje voor een ongeborene!
  • Vera van der Horst -wat er is? het eeuwige kind!
  • Cartouche – wat er is? een bloem!
  • Anke Labrie – wat er is? zoveel eindeloze luchten!
  • Jolies Heij – wat er is? de troosteloze scherven van het nachtelijke regenen
  • Jako Fennek – wat er is? de zon!
de komende weken zal steeds een dichtbundel uit de boekenkast van webmaster en daaruit één gedicht als inspiratiebron gekozen worden voor de zondagochtendwedstrijd

allemaal naar het prachtige (titel)gedicht van Job Degenaar (Thomas Rap – Staalstraat 10 Amsterdam 1992). Bescheiden man – https://www.jobdegenaar.nl/ – bescheiden dichter – deze week de door webmaster gekozen inspirator voor onze zondagochtendwedstrijd – hoe helder is uw morgen eigenlijk? welke helderheid verschaft de ochtend u als dichter?
welke vragen stelt u in het licht van de ochtend, in een licht van wellicht overbodig, vragen die niet gesteld hoeven te worden omdat ze er niet zijn, nooit een antwoorden zullen krijgen. omdat ‘Alles is zoals het is’. jeanine hoedemakers is de juryvoorzitter deze week – u kent de regels: de gedichten niet te lang svp – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10.30 uur. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst.

de helderheid van morgens

Met de dunne sneeuw is de akker
opgehelderd, alleen ’t bushok
mort nog in de wind-

Alles is zoals het is: het veld
het veld, de halte halte, stil
geritsel in de struiken, een
bronzen weg die naar de zon leidt
en een reiziger met hoed en jas

De morgen is vol vragen
die er niet zijn

Job Degenaar

wat er is

wat is er met de dagen gebeurd
ik herken ze niet meer
een vrouw schrijft een jongen
vaal van verlangen naar nodeloos licht
schrijft een gedicht
mooier dan ze eerder ooit schreef
vraagt ken jij ze nog terug
wat heb ik gemist wat zal ik nooit weten

pomwolff

Het sneeuwmonster

Het sneeuwmonster is neergedaald
vanaf de bloedrode maanvorst

strooit zijn witte korrels over het land
van Zutphen tot Leiden zo bij de hand

zorgt nu al voor het woord van 2019
dat alle journaals heeft gehaald

de gladheidscoördinator
heeft de vliegschaamte ingehaald

lacht in zijn sneeuwbalvuistje
als hij schaatsend de strijd aangaat.

Rik van Boeckel
22 januari 2019

pom: de ochtend vol vragen die er niet zijn – een prachtig thema – maar er is/was wel sneeuw in de vorm van een monster – en monsterlijke nieuwe woorden – rik noemt er twee – geestig gedicht! bloedrode maan en schaatsen maar – in wat voor een wereld leven wij – lijkt de dichter zich af te vragen zonder dat ie de vraag stelt. de afgelopen week teruggebracht tot een observatie van 10 regels. met heel veel gladheidsschaamte! erg leuk gedicht. onze jeanine juryvoorzitter krijgt deze week een zware dobber. zoveel is zeker. het lijkt erop of in deze zo heldere morgen iedereen zijn beste beentje heeft voorgezet.

Jeanine:

Ah! Dit gedicht is alvast genieten. Heerlijk trefzeker neergezet. Het sneeuwmonster, de gladheidscoördinator en een sneeuwbalvuistje onder een bloedrode maan.  Leest lekker, het staat er. Dank!

jaren terug zijn we bevrijd

door het diepste blauw
ergens is het achtergelaten
rond een pijnlijk idyllisch
boscafé

waar we boomhutten bouwden
van onze gedachten
bekleed met kinderlijk gelach

dat alles nu zo anders is
en alle woorden wegzinken
in het diepe blauw

dat bevrijdt

PetraMaria

pom: dat diepe blauw daarachter rond onze petramaria – dat blauw dat weet wat – is mijn voorzichtige conclusie. weet iets wat wij als lezer niet weten. petra laat bij ons ons eigen blauw. bij petra worden het bos en de boshutten blauw ingekleurd. heel apart! alles gaat in het blauw op lijkt de mededeling van de dichter op deze morgen en vroeger ook al. ik denk dat een schilderij met blauwe verfstreken hier de betere kunstvorm is om kunstenaresses gemoed uit te drukken. met zijn allen wegzinken in petra’s diepe blauw – ik noem dat geen bevrijding.

Jeanine: Waar we boomhutten bouwden van onze gedachten, dat vind ik zo’n prachtige regel. De betovering ervan wil ik vasthouden, de rest is nodig om iets te zeggen maar voor mij schuilt het suggestieve alles in dat bos-café waar die boomhutten werden gebouwd.  Later is alles anders, woorden zinken weg en dat bevrijdt….hmm ja. Het diepste blauw, ik vat dat niet helemaal , ik pak mijn rust bij de boomhutten.

Hoog lied

Een ochtend die weinig licht toelaat
in slierten mist ronddwalend
op zoek naar helderheid

denk ik dat het wel goed komt
als we de dag uit elkaar trekken
minuut na minuut krijgt een andere tint

het neigt van diepgrijs naar hoger wit
vlokken sneeuw alsof het dekbed opgeschud
tot van boven het licht doorbreekt

kijk een eerste merel zeg jij
en legt je hand op m’n ogen
hoe zo het lied zuiver te horen

FT 26.01.2019

pom: een ochtend in heel veel tinten grijs maar met die ene zo gewenste hand in de laatste strofe. ja zo willen we allemaal wel een dag uit elkaar trekken. om wakker te worden in een gedicht luisterend naar vogeltjes waar zij/hij de hand in heeft – en de dichter natuurlijk de zijne hier. frans terken gunt zich zelf een heerlijke ochtend.

Jeanine:

Mooi neergezet, ik lees er zelfs een haiku in en bij de laatste regel vraag ik me af of ‘hoe’ niet ‘om’ moet zijn, al kan ik het ook anders lezen, dat begrijp ik wel.  De haiku, voor nu geen 5-7-5 (hoeft ook niet persé)

ze legt mijn hand

op m’n ogen en zegt, luister

de eerste merel

Ach ja.

Liedje voor een ongeborene

Je kent het licht nog niet
Alleen het diffuus rood roze
dat je warm en veilig

ergens tussen de dag en nacht
gewiegd en bewogen
onder het hart-harte-klop zacht

intens geliefd laat wezen,
wanneer je eerste ochtend
doorbreekt in kleuren
die je vanaf dan omringen

Die dag, ken je het licht.

© Lisan Lauvenberg
26 januari 2019

pom: komt er toch nog een kleintje aan in huize lauvenberg?  – een zacht moederlijk gedicht – zo dromen vrouwen van de  innerlijke schoonheid waar mannen slechts bij aan de wieg mogen staan en mochten bijdragen. we krijgen een inkijkje heren. zo voelt dat blijkbaar – lisan klaar? baren maar! ik weet dat de helft van de wereldbevolking mij na dit weinig invoelende commentaar in een zekere mate veracht. gelukkig is juryvoorzitster vrouw vandaag – zij regelt de ontsluiting van de eremetalen deze ochtend.

Jeanine: Wat mooi neergezet. Ik kan me helemaal inleven en zie het. Knap gedaan. De laatste regel zou wel weg kunnen denk ik. Het is een conclusie die tegenspraak zou kunnen ontlokken bij de lezer. Wat is kennen hè? En dat wil je als lezer dan zeggen tegen de schrijver en dat gaat dan weer niet. Dat is jammer.

Ochtend staat

Na éėn sloopnacht,
weet ik ’s morgens:
ik leg mn moeder in de bleek,
haar poreus karakter heeft teveel
valse kleuren opgezogen.

Dochterlief kan er ook wel bij,
ze ziet wat pastellerig de laatste tijd.
Een blank begin gun ik ze allebij.
Mijn bronzen gestel is al geoxideerd,
geen bleek helpt daar meer.

Maar elke ochtend,
nog voor ik m’n ogen ontsluit,
ligt daar de vraag, hoe ik doe
met het eeuwige kind.
Mijn zoon, die nu zo bleek
Korsakov ontmoet.

Vera van der Horst

pom: eens kijken of ons vera deze ochtend weet op te vrolijken. er stroomt nogal wat bleekwater door huiskamer van der horst – mijn god zie toch hoe brede banen bleekwater door een  onlangs gerenoveerd einhovens  huiskamertje gaan. je zou er bijna van gaan dichten. wat een toestandenkind! ik bedoel lieve vera misschien trek je je het zelf wel allemaal aan – te veel aan. loslaten is een grote kunst. sloopnachten, moeders in de bleekwater leggen, dochters met een kleurtje en dan nog die lieverd – we hebben als lezer ons portie ochtendgloren nu wel binnen. dit gedicht is voor de nacht met grandmarnier erbij – heel veel grandmarnier en dan die prachtige bronzen kop van vera met die romantische grote alles verslindende grote ogen naast je op een bankje – dichters klaar? huilen maar!

Jeanine: Hier is een moeder aan het woord. Een moeder die zich met poëzie inlaat omdat je soms nu eenmaal even weg moet van hoe het is. Een bitter gedicht maar er is ook vuur. Zorg dat het niet dooft dan komt er nog meer van deze poëzie want het kan allemaal tegelijk. Schrijven, dragen, piekeren, verwerken, weeklagen en dat alles zonder de lezer het gevoel te geven in te moeten grijpen. Dat is knap, daar neem ik mijn hoed voor af. Dat allebij allebei moet zijn weet je vast wel, misschien deed je het expres, het zou me niet verbazen. Pastellerig is gewoon nieuw. Een spellingscontrole weet ook niet alles. Moet mn voor moeder niet geschrapt worden?

Helder

Vannacht zing ik dwaas
die ik ben over een bloem
Ik zeg enkel roos en jij
mijn ochtendzaad en hart
dat niet bang is te breken
de dansmoed en droom
die waagt te ontwaken
in kroon en kelk

zo helder bloedrood
– geen lakmoes nodig –
als je geverfde nagels
die zonder vragen
langs bast schrapen
en de stam omvatten
van eeuwig dorsten
in dit doornig lijf

26012018
Cartouche

pom: Cartouche zat  vannacht in de spambox – dat gun je niemand. maar hij heeft zich kranig geweerd hoor – ik bedoel zijn diep romantische woorden hebben de spambox aardig opgefleurd. cartouche kan een bloemenzaak beginnen – met kaartjes met gedichten aan de rozen die hij verkoopt. dit gedicht mag vandaag met de bloemen worden meegegeven. het loopt storm in zijn winkeltje. en vera staat al voor de deur met de gehele familie achter haar aan. ik bedoel in deze tijd, op een ochtend als deze zijn we toe aan de zeker in de laatste strofe weinig verhullend romantiek die Cartouche in dit gedicht uitrolt.

Jeanine: Als je het mij vraagt is dit een liefdesgedicht maar waar is de geliefde?  Helder staat er boven en dat is het en toch heeft het gedicht iets duisters.  Het duistere helder ontsproten aan een doornig lijf. Je bent Cartouche of je bent het niet, spreek ik mezelf quasi streng toe.

onbegrensd

de horizon is hoger hier
loopt langs de dakrand
van de huizen aan de overkant

een handbreedte lucht

als ze haar stoel verschuift
wel een halve meter

zoveel eindeloze luchten
opgeslagen in haar hoofd

vandaag gaat zij met elke vogel mee
die haar hemel binnenvliegt

anke labrie

pom: in de voorlaatste strofe is de kracht van de verbeelding gegeven. kan het niet linksom, niet rechtsom, niet vooruit dan maar – vrij naar van speijk – onze kanonneerbootcommandant – dan maar de verbeelding in – dan maar de lucht in – die eindeloze lucht van de verbeelding. anke doet  onze vaderlandse geschiedenis een nieuw jasje aan. de poëtische woorden hier als munitie om de verbeelding in te schieten.

Jeanine:

vandaag gaat zij met elke vogel mee die haar hemel binnenvliegt, dat is mooi en tegelijkertijd klopt het niet helemaal, ik neem aan dat de dichter bedoelt dat ze meevliegt met de eerste de beste vogel.

Ik lees het als een stemmig gedicht over eenzaamheid – of het ergens in belemmerd worden –  en het vrij zijn ineen. In je hoofd kun je eindeloos reizen en zelfs het verschuiven van je stoel levert al een beter, ander zicht op.  De grens zit in jezelf…. Of juist niet dus.

morgenwekker en nachtwaker

je weet dat ik op dit uur geen goud in de mond heb
je mag van mij als de bleke zon tegen muren opkruipen

de lucht in plassen oprapen, de troosteloze scherven van het
nachtelijke regenen, de duiven voeren na knikkebollend vasten

je was nooit maanziek, kent geen ander hemellichaam
dan je sterrenbeeld dat je trekt in de ochtendkrant

je bent opgewekt, gewekt door het gloren, het krieken
van al te wakkere beloftes, de ketel voor jou gemaakt

die je aanzet tot fluitende daden, er is altijd een begin
een nieuw en eindes ferm afgewikkeld, niet de losse hand

je wordt filosofisch bij het bakken van een ei en de geur van
koffiebonen, je denkt aan wat er komt, kiept het droesem weg

jij bent het die mijn glazen ruimt, vergeef me het navelstaren
ik heb gewacht op een ingeving, een woord in de nacht

dat ik lokte als een kwijnende kater, een opvliegende vleermuis
ik zat bij halogeenlicht terwijl jij dwaalde in droomtaal

nu ben ik blind en moe van de reis, de verzen waarmee ik mezelf
kastijdde, kom dan flank aan flank terug in bed en rust uit

Jolies Heij

pom: het is onze jolies vergeven hoor – in ieder geval hier in het redactielokaal – kind ik kom eraan – zet de elektrieke deken maar uit – die hebben we niet nodig. een uitnodigend gedicht vol en geladen met zelfspot – heerlijk – en groots en helder ook – een helderheid die hier echt tot volle bloei is gebracht door lieve dichteres. ‘je wordt filosofisch bij het bakken van een ei…’ zegt ze, schrijft ze – zo ben ik nog nooit toegezongen op een willekeurige zondagochtend. een meeslepend en vooral ook uitnodigend gedicht.

Jeanine: Hier is een dichter aan het woord, meer kan ik er niet over zeggen. In één adem gelezen en geen moment gedacht, ho eens even, nou ja, hier en daar heb ik geaarzeld, even geslikt maar ik hou het bij: amen (wat een goed teken is, een heel goed teken)

verwachting

Mogge Pom,
de laatste tijd wat moeite mee te doen, maar vandaag weer zin.
Heb het goed vandaag en groet van Jako

de raad van de nacht
niet gekregen
werpt de klaarte van de morgen
nieuwe vragen op

de zon begeeft zich ongekleed
in de rivier
waar de spiegeling hem
in armen sluit

een jongen buigt zich
over de reling van de brug
volgt, verzonken in gedachten
dobber en zon

jako fennek

pom: een soort door en in woorden vertraagde ochtendmijmering – alsof alles langzaam voorbij schuift – roeiers chrysanten filmbeelden – daar doet deze zon aan denken. een rustig begin van een zware ochtend – alles is zoals het is maar ook een beetje onheil-spellend.

Jeanine:

Mooi gedicht, komt meteen binnen, enkel waar spiegeling hem in de armen sluit stoort me een beetje en dat komt omdat ik de regel ervoor zo prachtig vind en ook wel genoeg daar maar goed, dat ben ik, slechts één lezer

de raad van de nacht
niet gekregen
werpt de klaarte van de morgen
nieuwe vragen op

de zon begeeft zich ongekleed
in de rivier

een jongen buigt zich
over de reling van de brug
volgt, verzonken in gedachten
dobber en zon

Die laatste regels (cursief) zouden ook weg mogen van mij of in elk geval net iets anders geformuleerd mogen worden. Graag gelezen, dat zeker.

Share This:

Lisan Lauvenberg – herinneringen – ‘God wat ken ik veel doden.’

Zoals beloofd, dagboek aantekeningen en verslagen van gesprekken uit 1998 en begin 2000, alweer bijna 20 jaar geleden. Haast onzichtbare vulpen aantekeningen uit de nacht, afgewisseld met pogingen tot gedichten en verslagen van volkomen uit de hand gelopen avonden, waar dan op een hele pagina onzin, één goede zin tevoorschijn piept. Ook zijn er zinnen die losstaand, na al die jaren een betekenis krijgen, die ze toen niet hadden. Ook omdat veel mensen die in de verslagen voorkomen zijn overleden. God, wat ken ik toch veel doden. Maar gelukkig nog genoeg levenden om delen verleden mee te delen en oude woorden, nieuwe glans te geven en ze aan de onleesbare vergetelheid te ontrukken.

Vandaag ben ik tot missen gekomen
We delen het weten van de verloren tijd.


Ik heb je namen verzameld
in mijn gezicht.
Voor eeuwig mijn moeder.
Ik ben de lijnen in je gelaat,
gebroken.


Uit een gesprek met Menno Wigman, Nacht-Café de Doffer januari 2000

Elke letter alleen is eenzaamheid betekent niets
onderdeel van een alfabet waarin het zich niet thuisvoelt.
Verlaten door zijn broertjes uit andere talen.
Samen met de anderen voegt het betekenis toe aan de wereld
althans in de juiste volgorde geplaatst.

Nietszeggend wordt betekenisvol
net als jij, als je je mooie ogen
niet gebruikt om te kijken
maar om bekeken te worden.
Genomen en niet gebruikt.


Als het zomer wordt kunnen we weer samen
in de rozentuin gaan snuffelen, samen met je baasje.
Jij kwispelt met je staart en hij met zijn wenkbrauwen.


Jij belt aan op mijn mooiste nachtmomenten
Neemt de heerlijkste wijnen mee,
drinkt de vrolijkheid eruit
tot jankens toe.
En wordt misselijk van de emoties.


Ierland zomer 2000

A low sunset,
A golden one
To write with the tip if your pen
Into the white paper
For it will never return to you.


I left my face in the mirror
I grew a new one
for the world to see.


Ik heers over mijn rimpelrijk


In deze jaren tussen 1998 en 2000 ben ik teruggekeerd naar mijn dichterschap. Ontstond de dichterscirkel waarin Dichters in Helmers kon groeien.
Leerde ik Pom Wolff kennen die in een bomvol Café Helmers, tijdens een gedicht op zijn hurken ging zitten en de zwarte kater aaide, die dat toeliet. Het publiek keek ademloos toe. In de stilte was het mooi. Zo zonder woorden. Zonlicht op het podium.
En ergens hebben we de woorden steeds gevonden. De letters tot kunst gemaakt.
Nu hebben mijn hervonden woorden een nieuwe toekomst. Bij jullie.

© Lisan Lauvenberg
24 januari 2019

Share This:

VON SOLO in het donker

Deel 322. Donker

Het was halftwee in de nacht. Door het schemerduister wankelde ik van de slaapkamer naar de badkamer. Op mijn blote voeten op de koude tegels stond ik voor de wc. Water klaterde in de bak. Ik keek naar opzij naar buiten in de nacht. De gebouwtjes in de tuinen waren gedompeld in een onaards koud, blauw licht. Het was stil. In de belendende panden was geen enkel licht aan. Aan de wolkeloze hemel stond een gigantische maan. Dreigend. In stilte glipte ik terug in bed. En droomde. In de vroege ochtend werd ik met een stuiptrekking wakker. Voor de wekker. Het was nog steeds donker. Maar niet meer zoals een paar uur daarvoor.

Soms komt er iemand in je leven. Na de eerste woorden, de eerste blik, weet je dat deze persoon niet te vertrouwen is. Maar je wil dat dat anders is. Je vertelt deze persoon alles. Je stelt je open. Want je hoopt dat je gevoel niet klopt. Je hoopt dat alles nooit zo erg kan zijn, als je je voorstelt. En deze persoon zwijgt. Rustig voedend op je gedachten en gevoelens. In alle kalmte de offers verorberend als een wrede vergeten godheid. Pas met gespleten tong worden spaarzaam woorden gesproken. Altijd op momenten dat de tijd niets toelaat. Op valrepen en als de trein al wegrijdt. Maar jij hebt je geloften. Jij bent schatplichtig. Deze woekeraar doet niet aan advocaten. Maar jij wil enkel slapen.

Als de nacht bijna ten einde is, kleed je je aan. In zwart. Alles nauwsluitend. Het laat geen ruimte. Kent geen reflectie. Want je weet ondanks het ontbreken van de zon hoe laat het is. Je rent. Geen mens op straat. Geen leven en geen geluid. Tot de eerste tram langs rommelt en je de afslag neemt het bos in. Waar de vogels nog slapen en de geesten van vroeger stierven voor de belangen van de nieuwe mens. Het pad knarst onder je voeten en de koude wind striemt je gezicht. Niets of niemand kan wat doen aan de cycli van de maan. De maan is een koude dode steen. Maar als de duivel wakker is, wordt het kwaad slapen. Er zit dan niets anders op. Slijp je mes n steek het bij. Blijf wakker en wees bereid.

‘Bolje rat nego pakt, bolje grob nego rob’ (Servisch gezegde)

VON SOLO

DICHTER, COLUMNIST,  PERFORMER EN CINEAST

Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl

Share This:

Merik van der Torren: ‘ik had je nog willen vertellen over die blinde poes die uit Utrecht is komen lopen…’

Open brief aan de buurvrouw

Ik heb nog een paar verhalen laten liggen
in dat lange gesprek met jou;
verhalen over Mirjam en de blinde poes bijvoorbeeld.
Dat verhaal heb ik laten liggen
om te praten over de voeten van de buurvrouw,
tagliatelle en stokrozen en dat je niet
moet schoffelen in januari,

maar ik had je nog willen vertellen
over die blinde poes en hoe Mirjam aan haar kwam,
de poes die uit Utrecht is komen lopen,
de poes die thuiskwam,

komt een andere keer,
tot later,
dag

Share This:

jolies heij over het SLAM wezen

Over drietrapsmetaforiek & zolderkamertjes

Slam is als het leven zelf, stelde Ditmar op de Pom in een open brief aan columniste voor een hart onder de riem, waarvoor dank. Die “tweetrapsmetaforiek” duikt vast ooit wel in mijn biografie op. Ik vind het een adequate omschrijving van mijn werk en inderdaad, dit is niet altijd even toegankelijk voor het grote publiek. Dat de dichteresjes steeds jonger worden kan ik best hebben. Van gesjoemel met publieksstemmen heb ik niets gemerkt. Maar ik heb nu vier keer de eer gehad om aan de halve finale van het NK mee te mogen doen en ben daarvan drie keer stukgelopen op een incompetente jury zonder enig benul van zaken. Die stonden te stamelen en te schutteren van: ehm, dat vond ik wel een mooie regel, ja. Beste jury, het gaat er niet om wat u goed vindt, maar om uw deskundig oordeel!

Het zijn van die figuren die hun autoriteit aan hun “beroemdheid” ontlenen, maar de ballen verstand hebben van feedback geven, van voordracht, niet eens van de woordkunst. Toen ik begon met Slam, dacht ik dat het mijn literaire carrière een optater zou geven. Tot dan toe was ik een zolderkamertjesschrijfster met drie ongepubliceerde romans op mijn naam. Ik had geen connecties en kende geen andere schrijvers, want schrijvers waren losgeslagen types die steevast in de goot belandden, zo had ik van mijn moeder geleerd. Ik moest maar een fatsoenlijk beroep gaan uitoefenen, zoals lerares Duits, waar ik meesterlijk in ben gefaald. Toen had het idee zich in mijn hoofd postgevat om in alle stilte aan een roman te werken, waarmee ik in één klap zou doorbreken. Dit bleek echter voorbehouden aan de “nikserige” jongens als Ronald Giphart, Rob van Erkelens en Ingmar Heytze. Jonge schrijfsters/dichteresjes waren toen nog niet zo in trek als nu. Ja, je had Désanne van Brederode, maar die werd naar voren geschoven dankzij het feit dat ze Arjan Peters van de Volkskrant neukte. En je had Connie Palmen die weliswaar al ietsje ouder was, maar de hele grachtengordel neukte.

Zulke connecties had ik niet, maar ik was zo naïef te denken dat ik er met noeste arbeid, veel schrijven, veel schaven om mijn werk te perfectioneren wel zou komen. Mijn manuscripten pasten of niet in het fonds, of werden niet goed genoeg bevonden, dus bijschaven maar weer. Tot ik erachter kwam dat dit de standaardafwijzing van de uitgeefheren was en mijn woord zonder de broodnodige contacten een dode letter was in het literaire wereldje. Bovendien wilde ik van die zolderkamer afkomen. Letterlijk. Ik schreef in die tijd op de zolder van het eetcafé waar ik een Melkertbaan had met een fles wijn binnen handbereik en de dronken stad onder mijn raam. Het klinkt heel romantisch, maar het was vooral heel eenzaam. Ik had behoefte aan lotgenoten. Ik ging in mijn woonstee Utrecht op zoek naar podia. Dat viel vies tegen, want die zijn er in de kloosterstad met haar dienstbaarheid naar subsidieverstrekkers toe nauwelijks voor beginnende dichters.

Ja, een Michel Houellebecq wordt van de ruimhartige subsidie naar Utrecht gehaald, maar fris talent kon alleen bij de Uslam in de Bastaard terecht. Ik had inmiddels de ommezwaai naar de poëzie gemaakt omdat ik ook wel snapte dat zich dat beter leent voor voordracht dan hele lappen romanteksten. Ik vond Slam altijd iets voor elkaars dissende hiphoppers met hoodies. Ooit was ik ergens aan het begin van het millennium door de historicus meegesleurd naar Festina Lente. Wat een theater, wat een schijnvertoning en wat een slechte winnaar die een brij van onbegrijpelijkheid over de hoofden uitstortte. Maar ik had geen keus, in Utrecht was er niets anders. Zo werd ik wel gelijk in het diepe gegooid. De Uslam verloor ik glansrijk, de jury vond mijn gedichten hooguit geschikt voor op een tegeltje. Ellen Deckwitz won met een gedicht over haar fietsbel. Ik was er gelijk klaar mee en dacht: als ik over zulke banaliteiten moet schrijven om te winnen hoeft het van mij niet. Op puur geluk gaf ik me twee maanden later toch weer op voor de Slam in Zeist en won. Ellen Deckwitz zag mij plots staan. Slam heeft mij veel gebracht, veel lieve collega’s en vrienden. Ik hang mijn Slamvork ook nog niet geheel aan de wilgen. Maar dat NK hoeft van mij niet meer.

handleiding voor verliefden

ze zegt dat ze altijd verliefd is, dat ze de schimmel
in je koelkast wil zijn, maar jij hebt genoeg

aan je eigen woekeringen, je wilt wel verliefd
maar niet als zij dat dicteert, want een gevoel

laat zich niet in woorden vangen, je wilt liever
je eigen demonen kiezen, je noemt het poëzie

dat heet het beteugelen van de muze die je laat
kruipen voor een kruimel, een gelaagde toenaderingspoging

de gehengelde vis te glibberig voor jouw
geoefende handen, die je spijtig teruggeeft aan de zee

de diepte van gevangen in cliché’s, het woekerende
van metaforische anemonen, de stiltes die tronen

op wat jij haar nooit zult zeggen, een ander die wegloopt
die steelt wat jij lang geleden hebt uitgekookt

aan verlangen, de aanjager die de dichter beweegt
tot afdalen onder de huid, tot gistende cellen

maar eenmaal aan het licht, zo naakt, zo schriel
dat je enkel gevild tot op het bot en nog steeds verliefd

Jolies Heij

Share This:

Karin Beumkes: ‘Ik ruik de adem van verliefde rozen…’

de keuze van Karin Beumkes – mens&melodie op de maandag


Lichtwandeling

Er zal een dag zijn
dat alles klopt
ik vind het vliegtuig
naar een gestorvene terug
hij heeft in de hemel
de koffie klaar
en staat al blij
naar mij te lachen.

Ik ruik de adem
van verliefde rozen
er zijn geen gevangen vragen meer
we lopen gearmd
door het drukke stadsverkeer
en alle naargeestige nomaden
zullen voor ons wijken.

Karin Beumkes

antwoord aan mijn beum

hoe dood ook
weerstaan zal ik je niet – je tover pracht aan woorden
maar ook wie je bent hoor

ik zal de aarde voor je ploegen
dat je je koningin kunt voelen
(én ik zal die wennemars zijn bek snoeren anders kom je nooit aan je rust toe)

om vandaag te vergeten
en alleen nog te weten
hoe mooi je was

pom wolff

Share This:

FRANS TERKEN wint de enige echte virtuele unterwelttrofee op pomgedichten – Petra Maria zilver en Anke Labrie brons

wie wint de enige echte virtuele unterwelttrofee op pomgedichten?

dank aan alle dichters die ons lezers lieten meegenieten in hun onderwereld. onder de gedichten leest u het juryrapport – overleg hier in het redactielokaal over de bekroning leverde drie namen op als kanshebbers – frans terken, petra maria en anke labrie – berichten uit de unterwelt op poëtisch wijze geëtaleerd – anke doet het met veel bloed deze week – petra maria zonder uitzicht en hoop en frans terken houdt de hel heel aktueel – kiezen we hier in het redactie lokaal voor fransgoud, petramariazilver en ankebrons. arbitrair maar natuurlijk en van harte!

  • Frans Terken – jij stak nog een hand uit voordat je wegzakte
  • Rik van Boeckel met weemoed
  • Petra Maria – we gaan elkaar verliezen alleen nog niet vandaag
  • Marc Tiefenthal – liever dood dan levend
  • Cartouche een op- en ondergang
  • Jolies Heij met een handleiding voor verliefden
  • Marten Janse Dat was het…
  • Anke Labrie van begin tot eind
over uw unterwelt graag deze week!

juryvoorzitster (bregje) hoedemakers is volgende week weer aan zet – deze week gaat u met webmaster de unterwelt in – ‘een opgeborgen zijn om uit te breken’ – schreef ik eerder in cel 041 van de inmiddels gesloten inrichting – de haarlemse koepelgevangenis. ergens vermoed ik bij elke dichter een unterwelt – voor den draat daarmee! nu willen we het ook weten ook. op naar uw unterwelt dat we ervan lezen mogen. u kent de regels:
de gedichten niet te lang svp – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10.30 uur. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of ‘laat een reactie achter’ onderaan dit item – ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst.

unterwelt

likbaar koud verkild een liedje
totdat het over is voorbij
een houtje nog om op te bijten
kun je daarmee leven
je zal wel moeten

ik heb het over unterwelt
een onbestaanbaar niets
zo onbestaanbaar kan het liefste zijn
de vrouw die je net een hand gaf
dat was je moeder jongen

pom wolff

Wees welkom zegt hij

In de onderwereld waar het vergeven is
van haatdragende lieden zeiksnorren
die op jacht naar tere vaasjes
de weelde van liefde naar het leven staan

zoals de baardaap die klimaatrammend
de borstelharen in vuur en vlam wil zetten
de uitslaande brand slaat terug
in het verwrongen aangezicht

dat ik uit die hel jou moet redden
jij stak nog een hand uit
voordat je wegzakte en onderging

wilde je aan je haren daarbovenuit trekken
maar kon enkel toezien
hoe je me door de vingers gleed

FT 19.01.2019

tegenover het utopia van john de mol de unterwelt van de dichter. deze week. al heeft utopia op tv heel veel weg van een unterwelt – alle kwade dampen en sappen van de gehele mensheid mogen we elke dag weer meebeleven – ze elimineren elkaar, er wordt geroddeld tot ze er bij neervallen, ze zijn verslaafd, ze jatten van elkaar – het is de hel! hebben we gelukkig die prachtige unterwelten van de dichters nog – waar het goed in taal toeven is. frans terken heet welkom. leidt ons naar een wereld van politiek en gekonkel – geen redden aan en zo mogen we dat ook aan het einde van het gedicht lezen. de VVD de hel – een politiek statement van frans voor de goede lezer. ik vermoed niet dat hij wordt uitgenodigd op een VVD congres als dichter spreker. welkom op pomgedichten in een  zuiver klimaat voor elke dichter!

Langs aders

Verankerd in de regel van verliefdheid
losbrekende impasse van de passie

een nieuwe laag van betekenis
herbergt de kamer van het hart

aorta van ritme zoekt uitweg
langs aders van weemoed.

Rik van Boeckel

het zoeken van een uitweg langs de weg van de  weemoed – in de unterwelt is het erger, harder. het zachte gemoed van rik zit hem in de weg bij een genadeloos thema als UNTERWELT.  geen redden aan – zoiets moeten we lezen rik. voor dit thema ben jij te lief.

ONS WACHT

hetzelfde
eenmaal gevonden
telt verval niet
het leven
haalt ons toch wel in

ik weet het wel
achter de zwarte nevel
zijn de nachten donker
waar anders
wordt het licht gebroken

we gaan elkaar verliezen
alleen
nog niet vandaag

PetraMaria

zo zien we het graag – dat we elkaar gaan verliezen – inderdaad geen redden aan – dat is het thema – unterwelt – we gaan ten onder dat we het weten – dichter petra maria stelt het allemaal nog 24 uur uit – en dat mag – daar is taal voor daar heeft ze woorden voor daar zijn de woorden voor.  maar de zinloosheid van het bestaan – de mensheid aangeboren unterwelt – is gegeven in de titel.

Hoe vind ik mijn hel terug?

Een dief in het diepst van mijn getaal.
Wie mijn onderwereld wil onderzoeken,
vraag ik beleefd te wachten tot ik sterf.
Ik wil liever dood dan levend worden gevild.

Onderhuids houd ik alles verborgen.
Het krioelt er.

Slechts wie mij liefheeft krijgt er toegang.

marc tiefenthal

de vraag stellen is de vraag…. deze variant op neeltje maria min – heeft net teveel IK in zich om geloofwaardig over te komen voor de lezer.

Zonder schrik

Graag zou ik een gang graven in een hersenpan
historisch worden – in een boekenkast vooraan of
ergens achteraf – niet slapen, maar een vaste plek
op aarde in plaats van zwalken over water, agitato

of andante tot de dood, geen smachten meer
naar een eerlijk zeemansgraf, hemel, goddelijke
komedie, maar een doorgang naar en opstaan
uit de onderwereld zonder ooit nog om te zien

mijn lieve E., jou hand tong en lippen te laten
om bloedrood samen te smelten en te drogen
als levende legende ons geheime leven te lezen
hoe en wie we zijn, wat ik ben, een of twee

in een wereld zonder schrik en prikkel
heeft voor wie niet veel verlangt alles
elke draad iets weg van een pantheon

een op- en ondergang

190119
Cartouche

Cartouche gaat zich weer eens helemaal te buiten – muziektempo’s, romeinse tempels alles maar dan ook alles door de tijd heen wordt ingezet om de kronkels in zijn hoofd om die ene (geheime) geliefde heen vorm en luister  te geven – we begrijpen het lieve Cartouche – het is ook niet allemaal makkelijk het leven. we ontmoeten die lieve E graag – op deze manier beschreven zijn we van haar gaan houden – is ze ook van ons geworden – moet je haar met de lezer delen. in de unterwelt van Cartouche kom je prachtige schonen tegen zoveel is nu duidelijk geworden, in de unterwelt van Cartouche is Cartouche nooit alleen. in de unterwelt van Cartouche is het sodom en gomorra. zo brengt Cartouche culturen bijeen.

handleiding voor verliefden

ze zegt dat ze altijd verliefd is, dat ze de schimmel
in je koelkast wil zijn, maar jij hebt genoeg

aan je eigen woekeringen, je wilt wel verliefd
maar niet als zij dat dicteert, want een gevoel

laat zich niet in woorden vangen, je wilt liever
je eigen demonen kiezen, je noemt het poëzie

dat heet het beteugelen van de muze die je laat
kruipen voor een kruimel, een gelaagde toenaderingspoging

de gehengelde vis te glibberig voor jouw
geoefende handen, die je spijtig teruggeeft aan de zee

de diepte van gevangen in cliché’s, het woekerende
van metaforische anemonen, de stiltes die tronen

op wat jij haar nooit zult zeggen, een ander die wegloopt
die steelt wat jij lang geleden hebt uitgekookt

aan verlangen, de aanjager die de dichter beweegt
tot afdalen onder de huid, tot gistende cellen

maar eenmaal aan het licht, zo naakt, zo schriel
dat je enkel gevild tot op het bot en nog steeds verliefd

Jolies Heij

onze jolies heij door ditmar bakker op een paard gezet. maakte haar eigen slamhel mee deze week. en daar zit je dan in de unterwelt van de slam. iedereen weet al jaren dat ze daar in utrecht – het zit ze in de vezels – het was ooit  alexis al die stiekum ooit muntjes in potjes liet gooien om slams te winnen door voormalig vriendin gina vd B.  – dat ze daar alles ‘voorprogrammeren’ maar lieve jolies doet er tien jaar over om dat te ontdekken. het is de onschuld in haar wezen – in het wezen van een dame op leeftijd – wat moet je nog willen slammen te midden van 11 jarigen? nouja we lezen jolies hier. in een handleiding voor geliefden en we stuiten meteen al op schimmel? lekker is dat.

we lezen over een hij en een zij – en hij zoekt het in de poëzie – kiest liever zijn eigen demonen – lezen we – mooi is dat. en ook zijn muze laat hij kruipen – de dichter komt er niet goed vanaf – zoveel is zeker. maar aan het einde van het gedicht is ze nog steeds verliefd. nou best wel mooi toch zo een verhaaltje in de ochtend.

zie hoe het verhalende slamwezen in deze dichteres heij is getrokken. er komt geen normaal woord meer uit. van de mooiste thema’s maken slammers verhaaltjes. en die verhaaltjes moeten uit jonge monden gesproken worden. en dan plak je het woord slam op de onvolwassen zoektocht in het leven en dan heb je slam. in 010 in de schouw hoor je niet anders van die 0-10-ers. tijd voor onze heij om de poëzie weer eens te omhelzen, te aanvaarden in het leven. om volwassen te zijn.

Schaduwwereld

Weggedoken in mijn kraag
doodgelopen in een steeg
speelt licht een vals spel
met avond en adem

Je duikt op in maanlicht
glimmend rood en zwart
ontmoet je geschiedenis
in mijn trage ogen

Dat was het en meer
is er niet geweest
Weinig woorden
Nauwelijks poëzie

Marten Janse

marten janse vat de unterwelt mooi samen – een leven zonder poëzie – dat is de unterwelt in optima forma. gelukkig maakt marten er poëzie van  in en  met de dichters van  de haarlemse dichtlijn – dat las u hier

van begin tot eind

krijsend glijdt ook hij
bloederig de wereld in
projectiescherm voor al hun dromen

vanaf de start
wilde hij niet gepamperd worden
in de drek wilde hij graaien
kraaiend van genot
niet de trots zijn van zijn ouders
niet de knapste van de klas
aan zijn eigen dromen
had hij zijn kinderhanden vol

uit huis gezet voor hij vertrok
zocht hij in elke vrouw een moeder
elke man werd een rivaal

hij haalde het journaal
en alle kranten
bij zijn bloederig einde

anke labrie

het leven in een notedop – de hel – de unterwelt – bloed ook – de poëzie hier van anke labrie. dat we bloederig te wereld komen en bloederig ten onder gaan. noem het maar een zonnetje dit gedicht. met kracht lijken de woorden hier op het papier gesmeten – zo gaat het toe in de unterwelt van dichters.

Share This:

DITMAR BAKKER: Open brief aan Jolies Heij, betreffende haar nederlaag op de halve finale van het NK Poetry Slam ten faveure van een elfjarige dillettant-in-wording

Ditmar Bakker veegt de vloer aan met….

Beste, lieve en weldenkende Jolies,

De afgelopen dagen heb ik zijdelings in de gaten gehouden welke wantoestanden zich nu weer in Slamland hebben afgespeeld—ik voel me enigszins met je verbonden; wij hebben beiden een decennium slam achter ons liggen, al heb jij de tomeloosheid der inzet de afgelopen jaren weten op te voeren waar de mijne enkel afkalfde: ik zoek zo nu en dan een slam uit waar ik aan mee wens te nemen, en laat de happy few soms delen in een klein optreden op een festival of in een theater waar geen mens nadien ruchtbaarheid aan geeft. Na driemaal deelnemen aan een halve finale van het NK Poetry Slam; na een ban op een site voor geriatrische plezierdichters; na het aan der lijve ondervinden hoe vertalingen die door een expert op de gebieden van vertaalkunde en Italiaans ‘kundig en kunstig’ werden genoemd, door dommere mensen dan de expert maar desalniettemin studerenden op talig gebied klaarblijkelijk niet werden begrepen, want te moeilijk, was het mij duidelijk: enig plezier en mogelijke postume roem waren de zaken waar ik mij op voor zou kunnen staan—geluk is met de dommen en succes ligt bij de modus. Mijn operandi blijkt voor fijnproevers, wellicht de jouwe ook—of ligt ze in Duitsland.

Ik wil en zal niet pretenderen dat ik jouw poëzie begrijp—de eervolle keer, echter, dat jij een gedicht aan mij gewijd hebt, vielen schellen van mijn ogen en werd ik in staat gezet middels jouw poëtica te communiceren: ik vraag me af of méér dan een vijftal mensen buiten onszelf de woordenwisseling begrepen heeft, maar wij begrijpen elkaar inmiddels. Nietwaar, Jolies? Althans, corrigeer me wanneer ik het mis heb, maar jouw poëzie—vertalingen daargelaten—lijken mij gekenmerkt te worden door een soort ‘tweetraps-metaforiek’ die voor buitenstaanders nu eenmaal onbegrijpelijk blijft, en misschien is dat het punt—ik weet het niet. Dorothy Parker als sletje van Hemingway, dat was mijn sleutel tot jouw herme(neu)tiek, en sedertdien kan ik vaker door de beschilderde vensters kijken waarvan ik vermoed dat ze voor je geheugenpaleis liggen.

Evenzogoed—je poëzie mag onbegrijpelijk zijn voor de meute: dat is de norm in letterland geworden sinds nazi’s en Vijftigers, die recentelijk doorweven zijn in het groots tapijt dat naoorlogs Nederlands poëzieland vormt. Een vleug mystiek en misinterpretatie van sprung rhythm is voldoende voor de VSB Poëzieprijs in officiëel letterland—erg genoeg, maar de schattigheid van een elfjarige (het gekkengetal, nota bene) is voldoende voor een aanzet daar naartoe. Wacht—hier kom ik nog op terug, want onze verlossing ligt, paradoxaal genoeg, nu juist dáárin.

Adriaan Jaeggi—ook al dood—verwoordde het netjes in zijn recensie van Tjitske Jansens “Het Moest Maar Eens Gaan Sneeuwen”, die eenvoudige bundel slampoëzie bestaand uit gevoelsuitstortingen die met een lichte cursus metaforiek-en-lastiger-beeldspraak volkomen duidbaar is als lichtzinnigheid die naar paarse viooltjes en zure lappen ruikt: “Op poetry slams wordt poëzie voorgelezen, voorgedragen, geschreeuwd, geacteerd, gefluisterd, alles mag, en de beste voorlezer – degene die het hardste applaus krijgt – wint. Dat is heel oneerlijk, want vaak winnen mensen met een grote bek en oppervlakkige gedichten het van bescheiden types met gedichten waar lang over is nagedacht. Ook krijgt een lekkere meid met een gedicht over neuken vaak aanzienlijk meer applaus dan de getergde jongen met zijn homerische lofzang op het antiglobalisme. Poetry slam is, kortom, net het moderne leven.”

We zien thans de doorbraak van Dagmer Dimer Koolwijk—een naam die aan kindermishandeling grenst—die de aanmoedigingsprijs kreeg van een vakjury in Festina Lente, maar hierdoor (ik wed dat de jury zichzelf de haren uitgetrokken heeft) per ongeluk doorstiet naar de halve finale van het NK. Jolies, ik wed dat we geen vrouwelijk Rimbaud getroffen hebben, en zelfs die was haast zestien toen hij begon met zijn baanbrekendheid en willig ondergaan van pederastie. Wel hebben we van doen met de ultieme schattigheid, het dappere kind dat zich de bühne opgevochten heeft en tussen schreeuwlelijkerds haar broze, lieflijke teksten krijt: wie zou daar nu níet voor stemmen?

Wel, iemand die poëzie serieus neemt—wat publiek noch vakjury blijkt te doen. Het is precies zoals ik las in…ik meen in Filter, dat lees ik graag, maar het kan ook een ander vakblad vol littéraire bobo’s zijn geweest, en ik parafraseer naar memorie: poëzie is een kunstvorm die elke sociale, maatschappelijke, politieke en economische relevantie verloren heeft. Het naar voren duwen van een elfjarige is hier een symptoom van: liever geeft men een prepuberaal kind een podium, dan het werk van een academisch en bovendien in het vakgebied gepokt en gemazeld auteur, zoals jij, Jolies. Eigenlijk is het nog gemeen ook dat wicht klaar te stomen voor twintig jaar desillusie, want stoppen met het beoefenen van die sociaal, maatschappelijk, politiek en economische lege (kunst?)vorm zal ze voorlopig niet doen, terwijl ze waarschijnlijk gewoon orthodontist worden kan, getuige het kekke brilletje dat haar patchwork-family-parents haar opgezet hebben.

Wij, Jolies, de volwassenen die gepokt en gemazeld zijn en met enige laconie naar de wansmaak die wordt uitgespeeld kijken en luisteren, hopen stiekem op haar winst: aangezien het publiek nu eenmaal de dienst uitmaken zal op het NK, is er gelegenheid genoeg het schattige, dappere, lelijke meisje (maar lelijk in de luier is prachtig in de sluier, al is haastig getrouwd snel berouwd, Dagmar, gebruik je hoofd als je je voeten wilt sparen en meer van zulks) tot letterkundig hertogin te benoemen bij monde van een onkundig publiek dat nu eenmaal liever eigen zelfingenomenheid bevestigt door de Vent de Parnassus op te juichen in plaats van de Vorm—wat ten tijde van Forum al Inhoud betekende—met het respect te bejegenen dat zij verdient.

Voor wat de vakjury betreft—het is vreemd hoe een kunstvorm waarvan sinds de jaren ’60 bij monde van Barthes het credo ‘De auteur is dood’ zou gelden, de laatste jaren bewezen heeft dat dit in een substantiëel deel van haar uitvoering niet (meer?) geldt. Dat een elfjarige dit bewijs moest leveren, is treurig. Wellicht kent de vakjury haar theorie niet en is—zoals Jaeggi in zijn recensie ook al stelt, leest u maar na—de slampoëzie werkelijk de rock ’n roll van deze jaren, waarbij het uiterlijk van de deelnemer belangrijker is dan wat deze ook te berde brengt.

Dus Jolies, wellicht wint die lelijke eend en krijgen we ons armzalig gelijk; zullen we wéten dat poëzie, of Slampoëzie in elk geval, in Nederland niet méér behelst dan wat we op de speelplaats van de basisschool mochten uitvechten: welke kleuter het hardst op een biels ‘poep’ durft te roepen tot jolijt van de minder dappere-of-aangedane kinderen tot een pedagogisch geschoold volwassene het groteske circus een halt toeroept—poëziecircus: chapeau.

Overigens, Campanella, die oude, gekke filosoof-cum-magiër, wist het zo’n vijfhonderd jaar geleden al. Zijn sonnet zegt het in volledigheid:

***
17 – KONING IS NIET WIE EEN RIJK HEEFT, MAAR WIE WEET TE REGEREN

Geen have—penselen, pigmenten, waarmee
hij somtijds op muur of doek kliedert en klunst—
maakt ’n schilder; de gave bezit hij der kunst
al zonder inkt, slagpen, pot, stift of cahier.

Noch maakt hem een pij of tonsuur tot abbé,
en ’t volgzame rijk tot een rex? Transeuntst;
nee, Jezus, Mars, Pallas inéén zijn begunst
de poverste slaaf—hoedde vader dan vee. 

Geen mens komt ter wereld natuurlijk gekroond
als heerser der beesten—die hebben ’t van node
daar investituur ze hun meesterschap toont.

Ik zeg: ’n republiek is aan ’t mensdom geboden…
O rex, niet door ganzenveer, pluimpjes gedroomd:
doch proeve in zon—en in deugdzame mode.
***

Ik blijf, Jolies, één uit de karige vierschare lotgenoten,

Ditmar.

Share This:

VON SOLO: ‘Met een gevoel van weemoed en verwondering realiseerde ik me dat ik nu dus ook echt zo’n vader ben geworden…’



VON SOLO
DICHTER, COLUMNIST,  PERFORMER EN CINEAST
Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl

Deel 321. Blik

Het was vrijdagavond. Ik zat in de knutselwerkplaats aan de voorzijde van onze woning en deed een poging de fiets van mijn dochtertje te repareren. De achterband was lek en de voor rem remde niet meer. Een echte vader repareert dat soort dingen. En dat doet hij dan vooral graag na zo’n eerste werkweek na de vakantie. Zo’n werkweek die aanvoelt als een nieuwjaarsduik. Je springt als bij Scheveningen het koude water in en worstelt vervolgens drie dagen om weer boven te komen. Boven gekomen breek je door het oppervlak. Met je hoofd boven water kijk je rond. Het eerste dat je ziet is weer zo een golf die op je afkomt. Je gaat weer kopje onder. En voor je het weet zit je om negen uur ’s avonds op vrijdag nog een fiets repareren.

De buitenband zat erg strak, wat het lichten ervan met mijn oude metalen bandenlichters niet gemakkelijk maakte. De binnenband bleek lastig uit de buitenband te halen. Dat kwam door de schuifrem. Die moet eerst los, alvorens je het wiel weer vrij kunt bewegen. Het kostte me ruim vijf minuten om daar achter te komen. Ik vond al snel het lek. De oorzaak was een stukje glas in de buitenband. Ik plakte de band en legde hem er met de nodige moeite weer op. Pompte de band op en hoorde het sissen. Weer opnieuw de band eraf, om tot de conclusie te komen dat er nog een lek in zat. Ook geplakt, band opgepompt en deze bleef wonderwijl hard.

Het stellen van de voor rem leek zo gebeurd. De rem bleek echter niet te werken omdat de kabel in de knijper los was gegaan. Toen ik de knijper demonteerde sprong er een veertje uit, dat er voor zorgt dat de knijper na inknijpen ook automatisch de uitgangspositie weer inneemt. Na zeven pogingen lukte het om zowel de kabel te bevestigen als het veertje weer op z’n plek te krijgen.

En toen klonk er een geluidje. Ik was nog zodanig geconcentreerd, dat het geluidje op de tweede band binnenkwam. Er begon een tandwiel in mijn hoofd te kraken. Het was het geluid van een blikje. Een leeg blikje. Een leeg blikje dat in een fietskrat viel. In een fietskrat vlak voor mijn deur. Mijn fietskrat dus. Als ik zie dat iemand slinks zijn rommel in mijn fietskrat heeft gemieterd, word ik altijd boos. Dit proces speelde zich dus halfbewust in mijn hoofd af in een spanne van tien seconden. De conclusie, die zich ineens bewust aandiende was duidelijk. ‘Iemand heeft zojuist een blikje in mijn fietskrat gegooid, en daar word ik boos van!’

Ik sprong op en rende naar de voordeur. Deed deze open en keek in mijn fietskrat. Daar lag een leeg blikje energie drank. Twintig meter verderop liepen drie jongemannen. Ik griste het blikje uit de krat en riep: ‘Heeee!!!’ De jongens keken om terwijl ik in hun richting beende. Tot mijn verbazing zetten ze het op een lopen. Ik zette zelf ook een sprint in. Eén van de jongens vloog rechtdoor en de twee anderen schoten een zijstraatje in. Ik ging het tweetal achterna. Het was een hele toer ze bij te houden en toen we de bocht naar de volgende straat om gingen schatte ik mijn kansen goed ze in te halen. Maar ik had ook mijn voordeur open laten staan, en dat zat me niet lekker. Ik riep ze na dat ze zoiets niet nog een keer moesten flikken en staakte de achtervolging.

Ik liep terug het zijstraatje in. Een hipsterstelletje kwam uit het duister en liep met me mee op. ‘Is er iets ergs gebeurd?’, vroeg een meisje in een bruin suède jas met een knot op haar hoofd. ‘Nee,’ zei ik ‘ze hadden een blikje in mijn fietskrat gegooid en ik vind dat dat niet hoort. Dat wilde ik ze duidelijk maken.’ ’Oh, een van die jongens ging daar in dat bochtje aardig op zijn plaat, dat moet wel zeer gedaan hebben.’ Toen ze dat zei voelde ik me een beetje schuldig. Het enige dat ik wilde was uitleggen dat ik niet gediend ben van afval in mijn fietskrat. Toen bedacht ik me dat ik me net mijn vader voelde. Die heb ik, toen ik jong was, om zoiets kleins ook ooit uit zijn slof zien schieten jegens enkele plaaggeesten uit de buurt. Dat vond ik indrukwekkend en stoer en ook wel een beetje spannend.

Met een gevoel van weemoed en verwondering realiseerde ik me dat ik nu dus ook echt zo’n vader ben geworden. Ik kan me nauwelijks voorstellen waarom drie jongens in de bloei van hun leven op de loop gaan voor een klein ouder mannetje. Wat was ik van plan geweest? Of misschien is dat toch een beetje oer magie. Net als de laatste keer bij de poëzie avond in de Schouw iemand me vertelde dat ik veel groter lijk als ik voordraag, dan wanneer je naast me staat. Dat er toch meer aan de mens is, dan enkel zijn fysieke lichaam. Dat het een geheel is van lichaam en geest dat je op bijzondere momenten als compleet laat zien.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd, zat de voorruit van ons huis er nog in, mijn fiets was onbeschadigd en de fietskrat leeg. Er was ook niet in onze portiek gepist. De achterband van de fiets van mijn dochtertje stond weer plat. Zo’n supermens blijk ik dan toch ook weer niet te zijn. 

Share This: