
Een maand geleden liet uitgeverij IN DE KNIPSCHEER de nieuwe bundel gedichten van KAREL WASCH in literair Café Eijlders het licht zien: de bundel TEGELIJKERTIJD. 6 hoofdstukken. 25 gedichten lekker ruim geplaatst op 50 pagina’s. De dichter doet er alles aan qua vorm gesproken om het de lezer naar de zin te maken. TEGELIJKERTIJD ligt heerlijk in de hand van de lezer.
Maar nu de inhoud: als u in de illusie leeft dat in deze wereld, waar u zich ook bevindt, het een na het ander plaatsvindt en dat u zelf een uniek wezen bent in uw handelen ergens op die imaginaire tijdlijn – dan heeft u het mis. Dichter Wasch weet wel beter – alles maar dan ook alles gebeurt altijd en overal en steeds weer opnieuw tegelijkertijd. Oorlog, Liefde, Dromen, Dood en Leven, Verwondering en Angst – alles – om de dichter te citeren – gaat over ‘in een nieuwe cyclus van eeuwige wederkeer’.
Karel Wasch gaat in de bundel met Leven en de Liefde (tevergeefs) de Dood te lijf. Hoe de dichter ook leeft en of liefheeft, hij, zijn geliefde, de gehele mensheid, wij als lezers dus ook – zij allen ontkomen niet aan het spook van de ‘eeuwige wederkeer’. Dichter en Karel Wasch zelf ook – zijn onderdeel van het spook dat overal in de bundel aan de lezer verschijnt.
Dit gezegd hebbende – ‘alles keert terug’ dicht de dichter – kunnen we het prachtige dichtwerk – zeg maar Karel Wasch’ selectie uit alles – uit altijd – en uit overal – rustig aan de werkelijk inmiddels fabelachtig vakkundige dichter Karel Wasch overlaten. Uit zoveel wereld, zoveel leven en liefde weet Karel Wasch in een selectie van 25 prachtgedichten een prachtwereld te scheppen waarin alles inderdaad ademt van ‘eeuwige wederkeer’: dodelijk en tegelijkertijd hoopvol.
Dodelijk omdat we in ons zijn slechts een fragment zijn in de tijd op weg naar het einde – maar óók en natuurlijk in deze bundel tegelijkertijd hoopvol: wij maken het NU wel mee!
Zo landt de lezer in de adembenemende wereld van Wasch. Eigenlijk las ik nog nooit mooier!
In het gedicht EINDE vol van vergankelijkheid zwarte bomen en vergane namen verzucht de ik-persoon in de laatste regel: “Komt er dan nooit een einde aan?” en hoewel we inmiddels het antwoord op de vraag weten – maakt de dichter één uitzondering in het gedicht voor zijn geliefde Claudia: ‘Het zijn de honingdagen, die eeuwig duren.’



















