
Hoe je ziek werd. Toen ik je net kende. Zo ziek. Nachten. Wij. Samen. In een vertrouwdheid die geen vragen stelde. Hoe het nooit veranderde. Wij. Zijn tien keer samen geboren.
Een kast. Vraag toch om hulp zeg jij. Een kast op de badkamer vloer. Jij wijst naar spijkertjes. Ik sla. We zeggen niets. Niet nodig. Niet nodig. Niets nodig. Niets meer dan dat. Klap het raam open. De rode daken. Mooi. Zeg jij. We roken. Gooien peuken in de dakgoot. Ik voel me zestien. Zorgeloos. Een gewone dag. Met glans.
YaYa









