
Zes uur van haar
Ik ben drie keer in de cel beland. De eerste keer dat ik in een berm lag, brachten ze me nog thuis. De tweede keer: niet zo lief. Die keer kregen ze me in de boeien. En daarna nog een keer of twee die allemaal hetzelfde geurden: beton, TL, spijt.
De eerste bermavond was bijna komisch. Ik lag met mijn fiets half in de slootkant, alsof ik een dronken flamingo was die net uit de opvang voor mislukte vogels was ontsnapt, veren in de war, benen scheef, kijkend of iemand hem zou komen ophalen.
Twee agenten (types die je eerder bij een frietkot tegenkomt) waren opvallend beleefd. Ze zetten me thuis af, bijna op de deurmat, alsof ik een verkeerd geprinte weekenddeal had gekocht in mijn eigen dorp.
De tweede berm was minder charmant. Boeien, omdat het anders blijkbaar te saai werd. Ik met mijn ontvlambare drankkop in discussie, alsof ik op dat moment morele autoriteit had. Een dronken man die in discussie gaat is als een hond die probeert te schaken: gênant voor iedereen die toekijkt.
De andere keren (café, bankje) waren remixen van hetzelfde nummer: mijn grote smoel, mijn kleine grenzen, mijn overtuiging dat ik nog “goed tegen drank kon”. Een mythe tussen Sinterklaas en de romantiek van de functionele alcoholist.
Maar de échte straf ligt niet in boeien, niet in het kale bed, niet in het dichtvallende slot dat een hoofdstuk afsluit. De straf zit in wat die vier muren met je doen. Een cel laat niet zien wie je denkt te zijn; hij toont wie je geworden bent.
Daar zat ik, op die koude vloer, de tijd villend met mijn nagels. En pas toen ik mezelf betrapte op boter-kaas-en-eieren spelen met de voegen tussen de tegels, wist ik hoe lang de trap was. Je tekent zo’n denkbeeldig kruisje en denkt: nog één stap omlaag en men kan me opvegen met een stoffer en blik. Een volwassen vent die kinderspel doet om niet te hoeven luisteren naar het geluid van zijn eigen schaamte.
In die betonnen doos zat geen dichter. Geen charmante reus. Daar zat gewoon een kloothommel die zijn vriendin weer teleurstelde. En een vader die niet in de buurt komt van wat zijn dochter verdient.
Tussen die vier muren waaide Ammie binnen in mijn hoofd. Haar lach, die ik te vaak alleen nog van foto’s ken. En ik vroeg me af wat zij later over haar vader zou horen: over zijn fouten, zijn bermen, zijn cellen. En of ze ooit zal geloven dat ik méér was dan dat.
En dan is er Deeltje. Deeltje die alles droeg wat ik liet vallen, die met één blik meer gaf dan ik ooit fatsoenlijk kon vasthouden. Ik scande andere vrouwen alsof ik iets miste, terwijl de jackpot gewoon naast me lag.
Wat een klootzak kan een mens zijn als hij zichzelf verliest.
Drank maakt je blind. Niet zacht, niet romantisch, domweg bruutblind. Je ziet niks van wat telt en alles van wat je beter had laten liggen. Je voelt troebel, je denkt troebel, en je maakt keuzes die passen bij iemand die zichzelf allang verkeerd gebruikt.
De laatste keer zat ik zes uur.
Een agent kwam me halen en zei dat de combi onderweg was om me thuis te brengen. We rookten buiten een sigaret. Ze klaagden over werkdruk, ik zweeg. Iemand die net uit een cel komt, heeft weinig recht van spreken. Misschien zijn niet alle agenten bastards. Misschien was het rustig op de dienst. De waarheid rook naar beide.
Het zwaarste moment kwam thuis. Deeltje die niet schreeuwde, niets kapotsloeg, maar die die blik had. Dat stille verdriet dat je in je slaap achterna zit. En achter die blik: Ammie. De vraag of ik ooit nog vader kan zijn zonder dat de schaamte eerst mijn stem dichtsnoert.
Ik ben nooit bang geweest voor cellen. Ik ben bang voor de mensen die me nog altijd geloven. Voor de liefde die ik keer op keer verkeerd adresseer. Voor het kind dat ik hoop ooit weer aan te kijken zonder dat mijn fouten eerst aanbellen en binnenkomen.
Verandering begint niet in een cel. Een cel is hoogstens de echo van wat je al wist en weigerde te veranderen. Verandering begint als je merkt dat een kind niet wacht, dat een vrouw stil kan breken, en dat geluk (hoe groot ooit) een breekpunt heeft dat jij met je eigen handen hebt getest.
Ik stond daar, zes uur later, mijn jas die nog rook naar Jägermeister en schaamte, en het werd eindelijk pijnlijk helder: dit is niet “nog één kans meer”. Dit is de kans. Niet om te pleiten, niet om nog meer excuses te bouwen, maar om dingen op slot te doen die niet meer open horen te zijn. Mijn excuses, mijn vluchtwegen, mijn dronken versies, die moeten op slot. Ik moet op slot. Tegen mezelf. Omdat anders alles wat nog blijft, van me wegglijdt.
En als ik ooit weer wakker word in een cel, of in een berm, of in de ogen van iemand die me liefheeft, dan wil ik dat het iemand is die eindelijk trots kan zijn. Want dit is mijn bodem. Alles daaronder is geen plek om te leven.
MartinB


















