we beginnen de maandag rustig met Peter Berger – pak uw broodnodige rust nu het nog kan is mijn advies – om 1500 uur hier de REDE een tijdje geleden uitgesproken door Helge Bonset – horen en zien zullen u vergaan.
Vandaag heerst rust. Op noord van Katwijk, en dan Noordwijk voorbij nog. Daar, na een eind lopen, heerst rust. Achter de duinen. Vers helmgras en kleine heuvels opgestoven zand tot voorbij het prikkeldraad.
Het zicht de windmolens voorbij. Ik ben er even gaan liggen. De ogen toe. Het ruisen van de branding. Het kreunen van wind. Alles felrood als klaproos. Ritmeloos samensmeltend in een eindeloos dreunende witte kolk.
Er vliegt een helikopter. De schaduw van een meeuw. De schelle schaterlach van de engelachtige peuter onder het parasolletje. Moers lijf glimt van kokosolie. Rood met witte stippen. Het gedreun. Het parasolletje. Het geruis. De geur. De ribbels. Prikkeldraad. Klaproos. Strand.
Terwijl zwaartekracht me in het rulle zand bij iedere stap omlaag zeult, ploetert mijn lijf zich blootsvoets de laatste heuvel over. Daar staat ze. De benzinemeter zegt dat ik moet tanken. Gelukkig maar! Want ik snak naar een blik vleugels.
‘Rotterdam breek me de bek niet open….’ altijd fijn als een echte 010-er zijn eigen stad – nouja stad op de korrel neemt – het woord aan Ton Huizer – we lezen hier in 020 toch wel iets van kritiek in het werkje van Ton – hij moet het allemaal nog maar eens uitleggen wat er mis is in deeldersdorp:
Cultuurzuur
Helaas liggen er tegenwoordig steeds vaker meer rotte appels dan toffe peren
in de fruitmanden van onze lokale onvolprezen subsidiekruideniers
als dat maar niet gaat leiden tot vitaminegebrek en cultureel vegeteren
met al die losse tandjes is het aanbod straks nog slechter te verteren…
Ton Huizer
uw webmaster schreef ook weer eens wat – voor als u niet kunt slapen of voor morgen maandag ochtend vroeg aan uw ontbijtje – een en ander naar aanleiding van onze atleten die allemaal struikelend het einde van de wedstrijd net niet halen – ze maken het spannend
laten we doen alsof we wakker zijn ergens met uitzicht op witte kalk rotsen zeggen ze dan bij een diep blauwe bodem van de zee zeggen ze dan en wezens – dat zeggen ze niet
dan zeggen ze oude mensen of jonge mensen atleten wellicht dan specificeren ze liever wezens zijn zo wezensvreemd in een gedicht
laten we doen alsof we aan het ontbijt zitten een ontbijtje met jam zalmsalade verse lever fruit en koffie over reuzel van een vet varken lees je niet
(scharrelvarkens zijn wezensvreemd zelfs in een vet gedicht)
laten we doen alsof we een gedicht schrijven en in de finale van een loopnummer uitglijden over een banaan die je vergat op te eten bij je ontbijtje
pomwolff
het is een eer en een groot genoegen om deze aankondiging hier op mijn site te kunnen doen – de afscheidsrede uitgesproken door mijn zo gewaardeerde leraar/docent taalbeheersing ooit verbonden aan de de lerarenopleiding d’Witte Leli te Amsterdam zal morgenmiddag om 1500 uur op deze site het licht zien – morgenmiddag zal het nieuws niet bepaald worden door omtzigt maar door wat u hier met rode oortjes zult kunnen lezen over de korrie-vee-en van genoemde lerarenopleiding – spraakmakend!
REDE, Uitgesproken door drs. H. Bonset, voorzitter van de COOPLEL (Commissie Opheffing Leli) ter gelegenheid van het eerste en laatste lustrum van D’ Witte Leli, op 28 november 1976 – maandag 21-8-2023 dan toch eindelijk op deze site
de dichter Frans Terken neemt de uitdaging aan – de komende weken schrijven wij in het weekend op pomgedichten punt nl over en weer. ik schreef Frans dat wat mij betreft het een persoonlijk thema mag zijn. dochter Sonne bevalt rond 1 augustus – ik schreef Frans: een persoonlijke reeks – de verwachting – het geboren worden – en dan het leven in Frans – en dat we het mogen meemaken. Frans stemde in: eind september wordt zijn oudste zoon Tjebbe vader.Liva is inmiddels geboren op 5 augustus – het wachten is nu op het meisje dat eind september de wereld mooier maakt. de zondagochtendwedstrijd gaat even aan de kant. we draaien nu om – frans schrijft pom reageert.
Dat wachten
van opa’s als in weken en dagen aftellen zoals eerder in jaren van zelf vaderen en toch zo wezenlijk anders
meer toezien vanaf de kant met oudere ogen opnieuw sprakeloos in alle stilte wachten op het wonder
zien hoe leven is doorgegeven hoe vaak ook – deze alsof het voor het eerst is nog nooit in deze grootheid vertoond
wat je jaar na jaar koestert en viert zoals je haar koestert en toespreekt als je weer woorden vindt
De reeks ‘Sonnets From An Ungrafted Tree’ werd, al experimenterend, door Millay gemaakt, en, tja, grossiert in prachtig leedwezen. Het heeft me vrij veel werk en tijd gekost om de ruwe omzettingen, die je website sierden, te schaven en politoeren naar contemporaine(r) werkjes, later dan 1975 wordt ’t niet denk ik—zelfs van een telefoon wordt in de reeks geen gewag gemaakt, wel van grutters die maar ‘bezorgers’ zijn geworden e.d.—maar ach, Millay stierf zelf al 25 jaar daarvoor, en deze reeks bleef onafgerond(?). Het líjkt echter grotendeels gaaf, en behelst het ziekbed-en-sterven van een man, bezien door de bril van zijn vervreemde wederhelft, die terugkeert naar hem als hij ziek is (ondanks het feit, dat zij niet van hem houdt, wat dat dan ook precies moge zijn—hier verwijs ik graag naar het andere werk van Millay) en hem verzorgt tot het eind. Ik stuur je de eerste negen, van de zeventien, oorspronkelijke sonnetten en hun schaduwrijke fluisterstem in het Nederlands toe. Geniet, of niet!
Liefs! D.
***
II. Hij was al zo lang ziek, op de grond trok door oud wit zaagsel grijs een schimmelspoor; fris waaide, waar de bijl stond in het blok, er regen in, brutaal het venster door, terwijl het almaar tikken bleef, steeds langer op ’t afdak; er bestond geen einde voor: ging ’t zomeren, de wind van hitte zwanger als van de maaigeur tussen ’t tjirpen door, en schitterend, kleurrijk, die vogel vloog met ongelooflijk zilverlange tong en langsflitsend (of misschien niet!) bezong wisteria, geen spoor van druppels hoog daarboven in het brede hemelsblauw, zou toch de regen tikken op dit dak, net zoals nou.
The last white sawdust on the floor was grown Gray as the first, so long had he been ill; The axe was nodding in the block; fresh-blown And foreign came the rain across the sill, But on the roof so steadily it drummed She could not think a time it might not be — In hazy summer, when the hot air hummed With mowing, and locusts rising raspingly, When that small bird with iridescent wings And long incredible sudden silver tongue Had just flashed (and yet maybe not!) among The dwarf nasturtiums — when no sagging springs Of shower were in the whole bright sky, somehow Upon this roof the rain would drum as it was drumming now.
bij de hilletjesbrug, de verbinding tussen de eerste leliedwarsstraat en de tweede egelantiersdwarsstraat, staan voor café sonneveld 2 rasechte oude jordanezen, beiden de petten muurvast op het hoofd gemetseld, die hun gehele leven nooit verder gekomen zijn dan de grenzen van de jordaan.
vanuit de tweede egelantiersdwarsstraat komt een boersachtig type aangedrenteld.
bij goed observeren blijkt het joop komen te zijn, die na 27 jaar eenzame opsluiting in het volstrekt onbekende dorpje gendringen in de achterhoek, eindelijk gehoor gaf aan zijn onbedwingbare zevenentwintigjarige drang om nog eenmaal in zijn 85 jarige leven zijn geliefde amsterdam te bezoeken.
de vorige dag was hij na een slopend lange tocht in amsterdam gearriveerd waar hij zich allereerst volgooide met pekelaugurken van de leeuw op de chulchilllaan, italiaans ijs bij venetië op de scheldestraat en speciaaltjes bij febo op het damrak.
al deze lekkernijen miste hij al 27 jaar in gendringen waar men al opgetogen wordt van een mok erwtensoep of een bak stamppot boerenkool met of zonder worst.
van speciaaltjes, italiaans ijs en pekelaugurken heeft men daar nooit gehoord.
hij besloot de volgende morgen vroeg een bezoek te brengen aan zijn innig geliefde jordaan, iets waarnaar hij vurig verlangde, temeer daar hij zijn gehele jeugd in de jordaan heeft genoten van de oprechtheid, vrolijkheid, muzikaliteit en liefde voor hun kinderen van de jordanezen.
ademloos genoot hij op die vroege zondagochtend van de vele liefkozingen waarmee zijn jordaan hem overlaadde.
bij de hilletjesbrug liet hij zijn emoties de vrije loop en innig drukte hij een kus op de reling van de hilletjesbrug.
de twee voornoemde jordanezen bij café sonneveld zagen dit met ongeloofwaardige ogen aan, tikten tegen hun voorhoofd en zeiden tegen elkaar: ‘die vent is stapel mesjogge.’
uiteraard neemt hij dat gedrag die twee jordanezen niet kwalijk, want weten zij veel van het verlangen van een amsterdammer die al 27 jaar zijn geliefde mokum niet heeft gezien en 27 jaar de geneugten heeft ontbeerd die amsterdam hem voordien al een kleine 60 jaar heeft geboden.
maandag weer thuisgekomen in gendringen schreef een ontroerde joop komen een gedicht dat zijn weerga nog moet vinden:
.
ik kus de reling
van de hilletjesbrug
twee oude jordanezen
tikken tegen hun voorhoofd
.
weten zij veel
.
omdat dit gedicht door zowel de webmeester als door juryvoorzitter brandhoff als min of meer onbegrijpelijk wordt gekenschetst, schreef ik deze kleine toelichting.
We kwamen het huis binnen van de nieuwe vriend, een hoge ruimte vol met kleurige beelden en schilderijen. Iedereen was uitgenodigd op het feest, het was een vrolijke boel. Een gast gooide zijn witte hoed hoog de lucht in. Ineens viel me op dat iedereen iets roods droeg, een rood hemd, soms onder een zwarte trui, behalve ik. Gelukkig had ik mijn gedichten bij me.
van de schilders de dichter genoemd Vincent alzo gekend scheppend en herscheppend zijn wereld manifest met nieuwe ogen kijken wij sindsdien als je het geschenk aanvaardt
Twee aan twee zitten ze. Op twee schamele houten bankjes, die, scheef weggezakt in het rulle zand, aan weerszijden van een smalle tafel staan. Ik schat dat het een tafel voor zes is, maar de dames zijn fors van formaat. Met z’n viertjes is het er al krap genoeg. Ik denk dat het zussen zijn: drie zussen en een dochter. Gezusters’ wiebelende bovenarmen zijn bleekwit als het strand; dochterlief is wat donkerder van tint. Haar geoliede halflange haar, dat te weinig krullend is om kroeshaar te mogen heten, heeft ook nog eens te veel slag om van een hollandse krullebol te kunnen spreken. Haar lijf pronkt in iets straks; zijdeglans met een soort van tijgerprint. Maar dan van een panter. Een geblokte smalle shawl, ook in geel met zwart, op de haargrens strak tegen het voorhoofd gebonden, maakt haar look compleet. De playlist draait ondertussen almaar smartlappen en houdt haar zeegroene ogen verwachtingsloos gevangen in een treurige blik.
Een glimmende aluminium bak met gegrilde kippenbouten, althans het kerkhof dat daarvan over is, staat te druipen midden op tafel. Een vage veeg donkerbruine sambal op de gedeukte bodem getuigt van een feestmaal. De friet heeft het evenmin overleefd. Een paar vette servetten slingeren slordig samengepropt rond naast een paar nog halfvolle bakjes mayo. Er wordt gelachen, geroddeld en geklaagd. Mansvolk? Dat valt niet te vertrouwen! Het wordt de dochter nog maar eens flink ingepeperd. Wir wissen! Na een paar minuten van louter muziek staat de deerne stilletjes giechelend op om vervolgens, opzichtig heupwiegend, naar een stiller plekje verderop te schuifelen. Alle zussen steken nog maar eens een peuk op. Er wordt geleuterd over politiek, de te slappe Irish koffie en het vrouwenvoetbalteam. Schade, dass sie nicht dabei sind! Dochterlief danst inmiddels vrijpostig met een lachende getatoeëerde Haagse dikbuik. Met dito blonde mat. Vannacht speelt Nederland. Ik ga voor een wandeling langs de branding. Straks terug door de duinen.