
Twee aan twee zitten ze. Op twee schamele houten bankjes, die, scheef weggezakt in het rulle zand, aan weerszijden van een smalle tafel staan. Ik schat dat het een tafel voor zes is, maar de dames zijn fors van formaat. Met z’n viertjes is het er al krap genoeg. Ik denk dat het zussen zijn: drie zussen en een dochter. Gezusters’ wiebelende bovenarmen zijn bleekwit als het strand; dochterlief is wat donkerder van tint. Haar geoliede halflange haar, dat te weinig krullend is om kroeshaar te mogen heten, heeft ook nog eens te veel slag om van een hollandse krullebol te kunnen spreken. Haar lijf pronkt in iets straks; zijdeglans met een soort van tijgerprint. Maar dan van een panter. Een geblokte smalle shawl, ook in geel met zwart, op de haargrens strak tegen het voorhoofd gebonden, maakt haar look compleet. De playlist draait ondertussen almaar smartlappen en houdt haar zeegroene ogen verwachtingsloos gevangen in een treurige blik.
Een glimmende aluminium bak met gegrilde kippenbouten, althans het kerkhof dat daarvan over is, staat te druipen midden op tafel. Een vage veeg donkerbruine sambal op de gedeukte bodem getuigt van een feestmaal. De friet heeft het evenmin overleefd. Een paar vette servetten slingeren slordig samengepropt rond naast een paar nog halfvolle bakjes mayo. Er wordt gelachen, geroddeld en geklaagd. Mansvolk? Dat valt niet te vertrouwen! Het wordt de dochter nog maar eens flink ingepeperd. Wir wissen! Na een paar minuten van louter muziek staat de deerne stilletjes giechelend op om vervolgens, opzichtig heupwiegend, naar een stiller plekje verderop te schuifelen. Alle zussen steken nog maar eens een peuk op. Er wordt geleuterd over politiek, de te slappe Irish koffie en het vrouwenvoetbalteam. Schade, dass sie nicht dabei sind! Dochterlief danst inmiddels vrijpostig met een lachende getatoeëerde Haagse dikbuik. Met dito blonde mat. Vannacht speelt Nederland. Ik ga voor een wandeling langs de branding. Straks terug door de duinen.
PETER BERGER











