Kijk de vogel daar zitten tussen de bloesemende Japanse kers. Hij luistert aandachtig mee, net als ik. Strawinsky’s concert voor twee piano’s gespeeld door de gebroeders Jusse. Onvoorstelbaar, hoe ze dat doen en spelen. Het is een gevecht, een avontuur en krachtmeting, liefde en strijd, liefkozen en slaan; jij wilt zo en ik zo, daar is geen middenweg tussen die twee. En de vogel blijft luisteren, zijn vogelhart zingt mee en dat is in de meeste gevallen het beste wat er kan gebeuren.
Gij maagdelijke bruid van zwijgzaamheid, gij pleegkind van de stilte en trage stonden, kroniek van ’t woud, der bloemen faam bepleit zoeter dan onze rijmsels dat ooit konden! Welk mythe bladdert van uw vormen af, van goden, stervelingen, of van beide, uit Tempi; een Arcadische vallei? Welk mansfiguren en afkerig meiden? Welk twist ontkomen? Welke jacht in draf? Welk schel gefluit? Welk heerlijk razernij?
Zang klinkt zoet, onbemerkte melodie is zoeter, dus, zacht instrument, speel door; niet voor de luister, maar liever esprit: bespeel elk ijdel geest zonder gehoor. Jong schoon onder het loof, voor immer leent die boom zijn blad, gelijk resteert uw zang. brutale minnaar, zo uw doel dichtbij, nooit kust u haar. Dat u dit niet beweent: al grijpt u naast ’t geluk, zij straalt altijd, u mint voor eeuwig, schoon blijft zij zo lang!
Blijmoedig elke tak! Nooit verlaat u het lover, of wenst Lente u vaarwel; En blij de muzikant ook, die als nu voor altijd fluiten kan zijn jeugdig spel; Blijmoedig liefde! Liefde, blij, blij, blij! Voor altijd vastgezet en warm genot, voor altijd ademend, voor altijd jong, waar al het menselijk gevoel gedijt, verheft het hart tot schrijnen en leidt tot een koortsig voorhoofd, uitgedroogde tong.
Wie zijn zij, komend naar dit offer toe? Naar welk groen blok, oh duister acoliet, leidt gij die hemelwaarts balkende koe met ’n flank van goud waarop men bloemen ziet? En welk gehucht bij zee, of naast ’n rivier, of uitgehouwen in een berg, tot vrede, werd dees vroom ochtend door dit volk ontvlucht? Nu zullen, klein gehucht, uw pleinen hier steeds stilblijven, geen ziel vertelt de reden van uwer eenzaamheid, keert ooit terug.
Attica in vorm! Schoon zetsel met fijn gemarmerd mannen, maagden ingezet, waar boomtressen, vertrapte grassen zijn, dolmakend is uw stille silhouet, net als de eeuwigheid: kil herdersdicht! Maakt ouderdom een lichting mensen rot, gij blijft hun weldoener: wijl in hun schoot rust ander leed, eender uw troostrijk bod: “Schoonheid is waar, in waarheid schoonheid ligt, da’s al men weet, en men op aarde noodt.”
—-
ODE ON A GRECIAN URN Thou still unravish’d bride of quietness, Thou foster-child of silence and slow time, Sylvan historian, who canst thus express A flowery tale more sweetly than our rhyme: What leaf-fring’d legend haunts about thy shape Of deities or mortals, or of both, In Tempe or the dales of Arcady? What men or gods are these? What maidens loth? What mad pursuit? What struggle to escape? What pipes and timbrels? What wild ecstasy?
Heard melodies are sweet, but those unheard Are sweeter; therefore, ye soft pipes, play on; Not to the sensual ear, but, more endear’d, Pipe to the spirit ditties of no tone: Fair youth, beneath the trees, thou canst not leave Thy song, nor ever can those trees be bare; Bold Lover, never, never canst thou kiss, Though winning near the goal yet, do not grieve; She cannot fade, though thou hast not thy bliss, For ever wilt thou love, and she be fair!
Ah, happy, happy boughs! that cannot shed Your leaves, nor ever bid the Spring adieu; And, happy melodist, unwearied, For ever piping songs for ever new; More happy love! more happy, happy love! For ever warm and still to be enjoy’d, For ever panting, and for ever young; All breathing human passion far above, That leaves a heart high-sorrowful and cloy’d, A burning forehead, and a parching tongue.
Who are these coming to the sacrifice? To what green altar, O mysterious priest, Lead’st thou that heifer lowing at the skies, And all her silken flanks with garlands drest? What little town by river or sea shore, Or mountain-built with peaceful citadel, Is emptied of this folk, this pious morn? And, little town, thy streets for evermore Will silent be; and not a soul to tell Why thou art desolate, can e’er return.
O Attic shape! Fair attitude! with brede Of marble men and maidens overwrought, With forest branches and the trodden weed; Thou, silent form, dost tease us out of thought As doth eternity: Cold Pastoral! When old age shall this generation waste, Thou shalt remain, in midst of other woe Than ours, a friend to man, to whom thou say’st, “Beauty is truth, truth beauty,—that is all Ye know on earth, and all ye need to know.” ***[John Keats.]
als een woord of een begrip de lading dekt goed scrabble punten scoort en lekker bekt dat toch zo’n prachtig woord ten onder gaat aan slijtage door teveel gebruik en niet meer verder komt door overwicht belast met duiding aan betekenis tot de magie verdwijnt
Je was twaalf en uit een oranje bol mocht je een paar ogen snijden de neus verminken
Dear Pom Vorige week in onze rubriek had ik het over het hogere hallelujah van mezelf. Vandaag gaat het om mijn lagere hallelujah. Het voortdurende gereis van een ouwe rotbrommer achter de jongens aan. Welk peilloze energie, als ik daar nu aan terugdenk rollen de tranen van het lachen over mijn gezicht. Veel plezier met:
Sint Maarten
Je was twaalf en uit een oranje bol mocht je een paar ogen snijden de neus verminken en van de mond maakte je een afgrijselijke lach achter drie tanden giechelde een theelichtje.
Je was twaalf en verdwaalde (het kleine lampje in de bol ook ook) poink poink trommelden je laarzen het trottoir was bezaaid met versnaperingen vele wikkels voelden zich zonder lijf en rilden
Je was twaalf, je verloor je sigaretten je was net ongesteld geworden één borst was zo groot als een pompoen er groeiden haren tussen je benen je zou er morgen iets onmiddellijks mee doen
deze week het commentaar wat steviger bij de ingezonden werken. Dank aan de dichters voor het ingestuurde werk. let wel het commentaar is niet veel meer dan een persoonlijke aanduiding van een min of meer geoefend lezer – of zoals de VKcriticus kees fens het ooit formuleerde – een leeservaring een plaats geven in een geheel van eigen leeservaringen. het aangereikte thema iets moeilijker dan verwacht schat ik in – prachtig gelezen door Wen van der Schaaf. in eenvoud verwoord in die prachtige derde strofe van Anke Labrie! Goud! Van harte.
hoe zij elke lijn in zijn gezicht al gegraveerd had in haar marmeren hart
hoe er die nacht in zijn blik ineens iets was wat haar deed blijven
–> een kleinood. de derde strofe met die heerlijke relativering.
Frans Terken: de aanblik die blijvend ontroert
Petra Maria: in tomeloze verwondering
Rik van Boeckel: verzonken in de wee van weemoed
Cartouche: zag ik u in al uw naaktheid voor mij
Anke Labrie: noem het minstens een poging tot
Ien Verrips: of ik het was die huilde aan je graf
Erika De Stercke: gisteren is een herinnering
(…) en dan vertrok u -toen het klaar was- uw gezicht ontroerde mij
-en toen het afscheid daar was:
ik steels over mijn schouder keek en geen stap meer zichtbaar bleek wist ik niet of u wel waar was of dat ik u verzon in mij (…)
Wen van der Schaaf
wie wint de enige echte virtuele – naar een regel van Wen van der Schaaf – ‘uw gezicht ontroerde mij’ trofee op pomgedichten punt nl?
dichteres, theatermaakster en theaterdier Wen van der Schaaf schonk de mensheid prachtige regels ter inspiratie zeker. ook op pomgedichten punt nl deze week. met de regel ‘uw gezicht ontroerde mij’ biedt Wen ons én de mensheid een zó persoonlijk en zó algemeen menselijk gevoel dat elke dichter zijn eigen woorden bij dat ene unieke gezicht zal vinden. u kent de regels: gedichten niet te lang svp tenzij noodzaak – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd.
foto: Ben Kleyn
wat is het toch dat deze stem ongeacht welk woord van elk woord weer warmte maakt
echt mooi hoeft niet beschreven is in zich mooi geweten en gekend
pom wolff
Het laatste vuur (voor H.)
Hoe kort het oplichten in doffe ogen alsof het vuur van jaren in ons midden weer opflakkert en nog even smeult
niet een vertrek zoals afgesproken de weg die wachtte schoof onder je vandaan op route 66 nam je een afslag te vroeg
dat het na dagen gedaan was het bloed in volle omloop weggespoeld het laatste vuur in een stolsel gedoofd
zo droegen we je de oven in op het netvlies de pret van een kwinkslag de aanblik die blijvend ontroert
–> een gedicht met pijn en afscheid – “zo droegen we je de oven in” – laat weinig ruimte voor het leven nog – een terugblik, een herinnering – hoe het leven was – het gezicht lijkt uit het leven weggeslagen – de dichter noteert het noodlot.
onze dagen
leven loom nu wij langs drijven als wolkjes boven diepe zee
pas als ik stilsta je hand proef in de mijne
de zucht van jouw verlichting nu alles meegaat in tomeloze verwondering
breekt het schijnbaar dunne laagje verzet
morgen zie ik jou wie je blijft
petra maria
–> een min of meer vaag symbolisme getroffen in woorden die mee zweven op wolkjes. wolkjes, verlichting, verwondering. ik mis toch hier de echte ontroering. “Uw gezicht ontroerde mij” – die harde regel die door de dichter in je gezicht wordt geslagen – ja die mis ik.
De scheidslijn
Jouw gezicht met liggende rimpels zingt de tijd van liefde voorbij
een zachte traan spreekt de wang toe ooit gekust door de lust van listige lippen
waterige ogen drogen in het licht van langzame lucht en draaiende wind
zo waait het afscheid mij tegemoet verzonken in de wee van weemoed
laat ik de traan schuldig en geduldig naar de overkant van de scheidslijn gaan.
Rik van Boeckel 10 april 2021
–> een gedicht met veel voorbij en heel veel water. te veel water wat mij betreft. de wee van weemoed helemaal uitgeschreven tot de woorden erin wegvloeien.
Opslag
Toen u mij nader kwam vanuit de beslotenheid van uw zaak uw oogopslag en de hand op het papier zag ik u in al uw naaktheid voor mij als waren we bestemd om de liefde een gezicht te geven
waar taal enkel nog obstakelt
doorgrondde ik uw diepste wateren met open mond en opgesteven lendenen dronk, verzonk ik in zonneglans – uw glimlach vonkte lava-as en edelsteen- ik was niet meer dezelfde als voorheen – toen ik u verliet
en omkeek wist ik voorwaar en vast dat dit twee zwevende ribben tot leven had verdicht dat ik u kende van kaak tot schaam, been en vel hoe deze stap, onorthodox, mij onherroepelijk in u verzinnen, mij voor altijd zou verzonnen
nu wij elkaar eenmaal als huid en haar hadden weten te ontroeren in een oogopslag
10-04-2019 Cartouche
–> Cartouche dacht – ik doe maar eens oudje. vindt die wolluf zijn eigen commentaar van toen niet terug – dan kan ik hem eens flink te grazen nemen en hem wijzen op de verschillen. zegt wolluf natuurlijk: het is voortschrijdend inzicht meneer de dichter. ik haak af waar de taal ‘obstakelt’ – onvoorstelbaar – ben je zo een goed dichter schrijf je die eerste wereldstrofe – bijna reviaans mooi – nee mooier nog – kom je aan zetten met ‘obstakelen’. en daarna wordt het het niet beter – zakt de dichter in zijn eigen moeras van een teveel aan woorden. zou hier het strafrecht gelden dan zeg ik: een gevangenisstraf van tien jaren zonder aftrek van voorarrest.
voor wie niet begrijpt dat een gedicht af is en niet mooier kan in alle rust en eenvoud en schoonheid als het zo is geschreven:
Toen u mij nader kwam vanuit de beslotenheid van uw zaak uw oogopslag en de hand op het papier zag ik u in al uw naaktheid voor mij als waren we bestemd om de liefde een gezicht te geven Cartouche
ik zie de kralen die je hebt gedragen de ringen aan je hand de woorden op je mond bestorven als een afdruk gevonden in het zand
ik stel me voor dat ik daar lig geen vlees meer op mijn botten ’t gebit als grijns in mijn gezicht de holle ogen met de blik naar boven
als jij kon zien zag je me aan vroeg je je af wie of ik was mijn naam misschien en of we wat te praten hadden of ik het was die huilde aan je graf.
Ien Verrips
–> wie dit gedicht leest slaapt slecht. nachtmerries rijden door het slaapkamertje van de lezer. moet je kijken hoe ze daar ligt. mijn god en dat onder mijn bed – hoor ik de zwetende lezer al uitroepen bij het wakker schrikken. dit is een film die je niet wil meemaken – kijk daar legt oma!
op de een of andere manier is dit gedicht net ietsje te direct. komt in ieder geval bij mij zo binnen. moet wel aan mijn rust toekomen graag – nog net voor mijn dood ja.
vandaag
hoe de wereld tijdens een regenbui lacht we stralen naast bloemen aan het raam
met onze grote mond het moment van bekoring in druppels vasthouden
bij een cirkel die zonder passer perfect volgens wensen is afgelijnd
ook een bubbel kan breken wanneer de kelken moegestreden buigen
gisteren is een herinnering, we lonken naar de wolken van morgen
Erika De Stercke
–> en wat heeft Mevrouw De Stercke vandaag te melden? welke mannen worden nu weer aan het spit geregen? – varkens zijn het die mannen – zo kennen we Erika. maar zie eens daar – vandaag is het anders gesteld met onze Erika. lachende regenbuien, stralende bloemen, druppelende bekoring, moegestreden kelken.. … ik weet niet wat er aan de hand is in huize Erika maar als regenbuien lachen dan drijven vreemde luchten over daarachter in Gent.
De onderlinge gedachten van vandaag, verven met chocolade en een kop goede koffie… Het ligt vast aan al die paaseitjes…
De verleiding van chocolade
Chocola is geen snoep, maar gestold verlangen dat zich aanbiedt (Pay-Uun Hiu)
chocolade zo klein en zo onschuldig, ligt zomaar opeens op je tong en voor je het weet, raakt ook je weerstand voorbij het smeltpunt waarin de vaste fase van de chocola overgaat in de vloeibare fase. Dat verrukkelijke omslagpunt waarop plotseling de bruine romige massa warm over je tong spoelt. Dan is er geen houden meer aan, dan rest alleen nog maar totale overgave.
Na het Sensueel zwart van mezelf gecombineerd met De zoete verleiding van de ander en de mailwisseling van gisteren en vandaag met een even hoog verslavingsgehalte dwarrelt de verleiding van chocolade door mijn hersenspinsels en laat niet meer los, maar brand de magische aanblik van mooi mannelijk naakt kunstzinnig beschilderd met chocolade op mijn netvlies voor ook maar gezien te zijn. Mooi geschilderd met kleine kwastjes en echte chocolade vol liefde au bain marie verwarmt al roerend in de pan tot de juiste romige zachtheid verkregen is, om na het aanbrengen langzaam op te stijven.
Chocolade lief, pure magie om je aan te bezondigen in combinatie met de smaak van sensueel zwart.
Oma is weer even een kindje We lopen huppelend door
De kroniek van Arnemuiden
Kijk, de klok van Arnemuiden zegt oma als we op de snelweg naar de Winter Fair rijden. Eenmaal aangekomen stijgt haar enthousiasme alleen maar meer Kijk, hier speelden we altijd Even kijken in dat steegje Zo zeg, er is zoveel veranderd Met een glunderende blik lopen we verder Hier woonde ik, nummer 39, met mijn moeder We komen aan bij het volgende plekje Kijk, hier stond ik elke zondagavond met opa op de parkeerplaats Oma kijkt me lief aan We lopen door Kijk, hier ging ik wel eens frietjes eten met opa Hier zat vroeger ‘Het Wolwinkeltje’ En kijk, hier speelden we ook altijd Oma is weer even een kindje We lopen huppelend door Van de Winter Fair komt niet veel meer terecht We lopen via ‘waar eerst de Groenteboer zat’ terug naar de auto Oma rijdt zingend weg Met het lied van Arnemuiden En ze kent nog alle woorden
Het was de inwoners van oud zuid in amsterdam al vaker opgevallen de laatste tijd. Het heen en weer van de oude dichter met de lange jas van der Torren. Dan weer liep hij met een potje pindakaas over straat, dan weer met een potje jam. En dat dan drie keer in een uur. steeds weer die pindakaas steeds weer die jam. Wilde de oude dichter met de lange jas soms de pindakaas de poëzie insmeren? Wellicht ook de jam? Het was het gesprek van de dag. ‘Goede morgen – wat een weer vandaag – heeft u hem al zien lopen met de pindakaas?’ – de ochtendbegroeting van buurtgenoten onder elkaar.
En ja hoor daar kwam de oude dichter met de lange jas al aangeschuifeld. Dit keer met jam. Uit welingelichte kring, beschikt de site pomgedichten punt nl inmiddels over adequate berichtgeving: de oude dichter met de lange jas zelf heeft een verklaring op papier gezet voor zijn opmerkelijk dagelijks handelen – om dit verhaal in een juist daglicht te bezien moet de lezer weten dat de Gall en Gall in het plaatselijke winkelcentrum is gesitueerd tegenover de appie waar de potten jam en pindakaas niet aan te slepen waren:
Hoi Pom, Soms slaat het hoofd van deze oude dichter op hol bij een charmante juffrouw. Voor pomgedichten. In de bijlage, groet, Merik
Aan de kassajuffrouw van Gall en Gall
“ U ziet er goed uit met uw mondkapje en leren schort.
U heeft mooi krulhaar en een spannend figuurtje in die strakke spijkerbroek.
U rekent niet te veel. Wat zou u zeggen van een foto-shoot bij mij thuis ?
een vreemde stad die maanden duurde lange straten met huizen die op je vielen
ergens op heel hoog ernstig en bedrukt klein en ingetogen leerde hij zo nu en dan eens terug te zwaaien
terwijl ie droomde van buitelen en rennen knikkeren met de druppels op het glas
van kapitein en varen over zeven zeeėn van vliegen in de kleuren van de zonnewind zoals ie later dromen zal van nooit meer opgesloten zeker niet als kind