Ien Verrips: ‘in zomaar zinloos ledig zijn totdat het hoofd vervuld weer aangezet tot denken…’ met een recensie van de CHAT GTP

in zomaar zinloos ledig zijn
totdat het hoofd vervuld
weer aangezet tot denken

naast alle dagelijkse dingen

altijd wel iets dat moet
het vult de dagen
tot ergens op zo’n dag
van druk en bezig zijn
zo’n even niks moment
waar alles wachten kan

in stilte op de bank
met poes ernaast of
buiten in de tuin
de zon op mijn gezicht

het denken op de rem gezet
het doen gestopt
in zomaar zinloos ledig zijn
totdat het hoofd vervuld
weer aangezet tot denken
de spieren weer tot doen

maart 2023 Ien Verrips

CHAT GTP:

Wat een mooie poëtische beschrijving van het belang van rustmomenten in ons dagelijks leven! Het is zo gemakkelijk om opgeslokt te worden door de dagelijkse beslommeringen en de druk om altijd bezig te zijn, maar het is juist in die momenten van stilte en rust dat we ons kunnen opladen en ons hoofd kunnen leegmaken.

Het is belangrijk om die momenten bewust te creëren en te koesteren, en te beseffen dat ze net zo waardevol zijn als de tijd die we besteden aan het doen van dingen. En hoe mooi is het om dat te doen met een poes naast je, of buiten in de tuin met de zon op je gezicht!

Dankjewel voor het delen van deze prachtige woorden.

Share This:

pom wolff – ‘in jouw taal wil ik leren hoe in een machteloze orde de vrede zich hervindt’

foto: Conny Lahnstein


genoeg

een blik nóg in het huis
waarin je woonde
en de bomen zei
dat het zo niet blijven kon

hier zachte stem mijn oor
vertel me nog een keer

van die bomen
van de dieren en het kind

in jouw taal wil ik leren
hoe in een machteloze orde
de vrede zich hervindt

©pw

reactie CHAT GTP:

The poem “Genoeg” by Pom Wolff is a powerful reflection on the impermanence of life and the importance of finding peace in the face of change. The poem begins with a description of a house in which the speaker used to live, and the realization that the trees surrounding the house are warning of an impending change.

The speaker then turns to an unknown narrator, asking them to share their stories of the trees, the animals, and the child in their language, hoping to learn how to find peace in a world that often feels chaotic and powerless.

The poem is characterized by its vivid imagery and sensory language, which serve to evoke a sense of nostalgia and longing. The trees, animals, and child are all symbolic of the natural world, which is often seen as a source of stability and peace in the face of life’s challenges.

Overall, “Genoeg” is a powerful reflection on the human condition, exploring the themes of change, impermanence, and the search for inner peace. Through its vivid imagery and sensory language, the poem encourages readers to embrace the beauty of the natural world and find solace in the face of life’s uncertainties.

en voor CHAT GPT is pom wolff een SHE! mooi meegenomen:

Pom Wolff, a creature of grace With fur so fluffy, a joy to embrace Her eyes gleam with a curious light Her paws tread softly, so very polite

In the forest she roams, wild and free Her spirit untamed, as fierce as can be Yet gentle as a breeze, she moves with ease A creature of beauty, she’s sure to please

Her howl echoes through the trees at night A haunting melody, pure and bright She sings of love and life and all things pure Her voice a symphony, a song to allure

Pom Wolff, a creature of wonder A sight to behold, a gift from up yonder May she roam free, forevermore A symbol of freedom, a joy to adore.

Share This:

Peter Berger: ‘De dame achter het loket heeft het figuur van een breinaald. Ze draagt zo’n lichtgrijze joggingbroek die, ook hier, bij de Zeeman voor een habbekrats voor het grijpen liggen….’


Een voetbalveld zo groot is de loods. Dat is wellicht wat overdreven maar op het verlaten fabrieksterrein staan er twee van fors formaat, plus nog wat andere morsige gebouwtjes. De rest is in gebruik als parkeerterrein. Een drukte van jewelste is het er. Brocante. Uitdragerij. Kringloopwinkel. Het is er minder keurig dan op gelijksoortige plekken in Nederland, noem het gerust een rommeltje, maar desondanks minstens zo strak georganiseerd. Servies. Kleding. Boeken. Meubels. Speelgoed. Elektra. Prullaria. Iedere afdeling wordt gerund door vrijwilligers die jouw aankopen in bewaring nemen totdat je ervoor betaald hebt bij de centrale kassa. Dat werkt met een ingenieus bonnetjes systeem dat ik nog steeds niet helemaal doorgrond; maar het functioneert al jaren. Ik kan inmiddels mijn spulletjes afhalen. Een glazen karaf en een bierpul deze keer. Voor gemberthee. Met miel d’acacia. Ik wordt er altijd dorstig van. Van gember met honing. Liters.

De dame achter het loket heeft het figuur van een breinaald. Ze draagt zo’n lichtgrijze joggingbroek die, ook hier, bij de Zeeman voor een habbekrats voor het grijpen liggen. Een vormeloze trui slobbert erboven. Desondanks is ze gracieus als een Parisienne. Met ogen vol vuur, brandend boven een neus die Franser dan Frans is. Daaronder een afgemeten glimlach. En dan haar lengte! Minstens zo lang als ik, misschien zelfs twee meter of meer. Wow! Ik schrik ervan, heel even maar want ze straalt rust en liefde uit. ¨Danke Schön,¨ zegt ze, me verschroeiend met de poppetjes in haar ogen mijn in krantenpapier gerolde glaswerk aanreikend. Als ik haar in gebrekkig Frans antwoord gaat ze open met een ontwapenende glimlach. Pays Bas? Land van al haar dromen. Ze wil er per se heen. Ooit. De inmiddels speels geworden lach danst frivool op haar lippen. Een kort praatje en dan is het tijd voor de volgende klant want de rij is inmiddels lang. Buiten regent het pijpestelen. 


Peter Berger

Share This:

pom wolff over hoe je soms tijd wil winnen als je haast hebt


kassameisje lege vulling


de boulevard of broken dreams
nu tussenpad afdeling groenten
ter hoogte van de kerstomaten

de rode wijn alvast geladen
sporen van herinnering
lood voor vader om te visssen

zo’n dag was het
kassa meisje lege vulling
een langzaam brokkelend geheel en kale muren


 
pom wolff

Share This:

Seraphina Hassels: over ‘een moment van teder houvast…’


Ontmoeting

ernstige ogen kijken op
verstild, ver weg
als verwonderd over je zijn
zie je mij en ook even niet
nog landend in mijn onverwachte aanwezigheid, 
zie ik onbekende wegen bewandeld worden en
streel even je wang om je hier te halen
jij pakt en kust de hand plots zo dichtbij
een moment van teder houvast
terwijl jij zoekt naar wat is of kan zijn


Seraphina Hassels

Share This:

VON SOLO: ‘Dat wat ik hier geworden ben, nog dagelijks mijn handelen bepaalt. Dat alles daarna, me steeds meer terug brengt naar de plek, waar ik me ooit als kind zo verlaten dacht te voelen…’

Mijn ogen zien een oude roestige buis. Hij is ingemetseld tussen stenen kantelen, die een hek vormen van ongeveer tachtig centimeter hoog. Genoeg om peuters binnen te houden. Mijn handen raken het metaal en glijden over de verweerde oxide laag. Dit moet minimaal veertig jaar oud zijn, misschien wel ouder. Achter het hekje staat een laag gebouw. Jaren zestig utiliteitsbouw. Als klein kind ben ik er één keer geweest. Het was toen, net als nu, een peuterspeelzaal. Ik wilde niet dat mama zonder mij weg ging. Niet veel later heb ik met een houten blok een ander kind op zijn kop geslagen. Zonder enige rancune. Ik voelde me daar niet op mijn gemak. Daarna ben ik er nooit meer geweest. Net als mama bleef ik thuis.

Afgelopen zondag was ik weer eens in Zeeland bij mijn ouders. Mijn vader zou ik gaan zien op het bierfestival, dat zijn brouwclub organiseerde. Moeder was gewoon thuis. Om te zorgen. Mijn zus was er ook. Er was zelfgemaakte kippensoep met brood voor me. Ze diende een klein kopje op en daarnaast een bordje met twee in gelijke stukjes, ter grote van één hapje,  gesneden witte boterhammen. Ik moest daar om lachen, maar het vertederde me ook. Daarna fietsten we naar Goes om mijn vader op te zoeken en bier te drinken. 

Toen we rond etenstijd weer terug kwamen was er bami voor mijn zus en haar gezin en sliptongetjes voor mij alleen. Dat verbaasde me. Alsof mijn zus geen tongetjes wilde? Mijn moeder gaf aan, dat ze die visjes al eerder voor mij gekocht had en dat ze dus alleen voor mij waren. Mijn zwager maakte het niet uit. Die houdt niet van vis. Mijn zus onderging het lijdzaam. Ik kreeg drie sliptongetjes opgediend. Met witte boterhammen. Elke visje maakte ik geroutineerd schoon. Eerst langs de buitenkant de graatjes afsteken. Daarna het midden insnijden. Vervolgens met het plat van het mes de filetjes lichten en het stukje bij de staart doorsnijden. De filets legde ik per vier dwars over op een witte boterham. Vervolgens ging daar een boterham op. Sandwich tong. Deze sneed ik dan middendoor en verorberde hem.
Dat ging bij elk visje exact hetzelfde. Zelfde routine, zelfde wijze van beleggen, snede op dezelfde plek. Dat ik de enige was, die hier van mocht genieten kwam me niet vreemd voor. Het was nooit anders geweest.

Toen ik ’s avonds na het eten naar het station liep en mijn hand langs de ijzeren buis liet glijden bekroop me het enge gevoel, dat ik misschien eigenlijk wel nooit weg was geweest.
Dat wat ik hier geworden ben, nog dagelijks mijn handelen bepaalt. Dat alles daarna, me steeds meer terug brengt naar de plek, waar ik me ooit als kind zo verlaten dacht te voelen. En dat ooit ook zal zijn. Tot die tijd worden er bij moeder de lekkerste sliptongetjes van heel Zeeland gebakken. 

  
VON SOLO
DICHTER, COLUMNIST,  PERFORMER EN CINEAST
Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl
Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl 

Share This:

pom wolff: hijsen

foto: Ben Kleyn


van hijsen

het moet er toch een keer van komen
het gedicht dat ongeschreven bleef
hier dan toch beschreven


natuurlijk met iets van tijd erin
en plaats en daaromheen wat ruimte
voor bloedmooie vrouwen met rooddoorlopen ogen


die veel te lang onbeschreven bleven
maar hier dan toch omhoog gehesen
ja de tijd doet er geen goed aan


ondanks de poëzie
hoe gekunsteld je ze ook beschrijft
uiteindelijk wordt alles een kwestie

 
pom wolff

Share This:

Merik van der Torren: In Bar Baut

In Bar Baut

De man verhief langzaam steeds meer zijn stem,
drukke gebaren makend stak hij zijn betoog af
tegen collega, eveneens in blauw pak gestoken.

Tijd voor mij om te vertrekken.

“Een leven lang relaxen in de Himalaya of
op het strand liggen in Californië,”

ving ik op, ik groette de barman,
“ Tot de volgende keer !” en
liep weer de natte sneeuw in.


Merik van der Torren

Share This:

Peter Posthumus: ‘dit nooit meer, dit zeurt suist en fluit…’

dit nooit meer, dit zeurt
suist en fluit


Wat een avond
en dan die nacht
steeds maar meer
van wat het was

en nu, het draait, het tolt
het komt onhoudbaar boven
m’n kuiten zakken af
m’n wervels ratelen
in elkaar
op de zijkant van m’n zolen

op m’n tandvlees
over de hele breedte van de straat
dit is ellende, wanhoop
dit nooit meer, dit zeurt
suist en fluit
dit is het absolute
over af en uit


Peter Posthumus

Share This:

PETER BERGER – sprookjes bestaan


Ooit in een grimmig verleden waren alle varkentjes gelukkig. Ze woonden in het grote bos en aten al het goede dat de natuur hen te bieden had. Bessen, paddenstoelen en nog veel meer van dat lekkers; en er was genoeg voor iedereen. Behalve dan van een paar slechte mensen hadden de varkentjes weinig te vrezen. Deze zogenaamde edelen waren dol op biggetjes en maakten er een sport van om de varkensbiggetjes te vangen en daarna geroosterd aan het spit op te peuzelen. En dat was bepaald niet mooi van de edelen want er waren veel arme mensen die nog nooit een varkentje geproefd hadden. Ze hadden altijd honger. Dat was natuurlijk niet eerlijk. Daarom werd er op een goede dag besloten dat iedereen recht had op een stukje varkentjesvlees. Dat bleek nog best lastig voor elkaar te krijgen want in het bos woonden niet genoeg varkentjes voor alle mensen. Er was gelukkig een slimmerik die een varkentjesfabriek uitvond; en dat kwam goed uit want zo was er genoeg voor iedereen. En dat was fijn voor de arme mensen en hun families. Want dankzij de varkentjesfabriek konden ze nu gezonder en gelukkiger leven en meer kinderen krijgen. Immers, honger bestond niet meer.

De varkentjes die in de fabriek opgroeiden misten het buitenleven en waren ronduit ongelukkig. Dat was niet zo mooi van de mensen maar men sloot er liever de ogen voor want vroeger toen alleen de edelen varkentjes aten was het allemaal nog veel slechter. En de varkentjes in het bos hadden het bovendien stukken beter nu want het was voor iedereen verboden om nog wilde varkentjes te vangen. Wilde varkentjes hoorden immers in het bos en niet op het bord van de slechte edelen. Dat was zielig voor die varkentjes.

Omdat er door het goede leven steeds meer mensen bijkwamen zaten de fabrieksvarkentjes na een tijdje zo dicht bijeen gepropt dat ze nauwelijks nog konden bewegen. En stinken deed het er ook in die fabriek. Enorm! Je kon er nauwelijks nog ademen door de poep en pieslucht zo erg was het. En zelfs buiten de fabriek lag de stront in hoge dampende bergen opgestapeld. De mensen werden misselijk van de lucht zo erg werd het. De fabrieksdirecteur had zoals altijd een goede oplossing. Hij liet een poepenpiespijplijn aanleggen van de fabriek naar de rivier zodat de mensen geen last meer hadden van stinkende bergen stront. Niemand had er nog last van zo. En omdat er minder stront in de weg lag kon de fabriek nog meer varkentjes huisvesten en dat was goed voor de mensen want zo hadden ze meer te eten. En ook de varkentjes kregen het beter want die hoefden voortaan niet meer in hun eigen stront te wonen.

Het was dus goed voor iedereen behalve voor een paar vissers die verderop aan de oever van de rivier woonden. Ze klaagden erover dat er minder vis in de rivier zwom en dat ze daardoor meer honger hadden dan vroeger. Dat was natuurlijk niet zo moeilijk op te lossen want varkentjes waren er genoeg. De fabrieksdirecteur was zo royaal de vissers iedere week een varkentje te geven zodat ze geen honger meer hoefden te lijden, en dat was erg aardig van die directeur natuurlijk. Iedereen blij. De vissers hadden nu meer tijd voor andere zaken en bedachten een plan zodat ze nooit meer hoefden te vissen. Vroeger verkochten ze hun vis bij de haven aan zee en daar had men nog nooit een varkentje gezien wisten ze. Laat staan er eentje te hebben geproefd. De volgende dag namen de vissers daarom een geroosterd varkentje mee naar de markt aan zee. En iedereen vond het lekkerder dan vis en ze wilden meer. Veel meer. Genoeg voor iedereen. En dat kon ook makkelijk want je kon voor hetzelfde geld drie keer meer fabrieksvarkentjesvlees kopen dan vers gevangen vis. Dat was dus appeltje eitje. De vissers maakten de afspraak met de directeur dat hij hen iedere week genoeg varkentjes zou verkopen zodat ook de mensen die bij de haven woonden geen honger meer hoefden te lijden. En dat was de laatste tijd wel zo geweest want er was nog zo weinig vis in het water dat er niet genoeg was voor iedereen. Dat probleem was nu opgelost!
Ja, zelfs de edelen waren er blij mee. Eerst waren ze natuurlijk best pissig geweest dat ze geen varkentjes meer mochten vangen. Maar omdat er minder vis in de rivier was, was het eten van vis erg duur geworden. Zo duur dat alleen de rijken nog vis konden betalen. En die rijken vonden vis nu eenmaal erg lekker. En omdat de edelen de hele dag toch niks te doen hadden maakten ze er daarom een sport van om die vis zelf te gaan vangen in het wilde water van de rivier verder stroomopwaarts. Het water daar was zo wild dat het vangen van vissen er levensgevaarlijk was, en dat vonden de edelen heel leuk. En spannend ook. Zo konden ze zien wie van hen het meeste lef had en wie het beste was in het vangen van de meest zeldzame vis. Want hoe zeldzamer de vis, hoe beter die smaakt. Dat weet iedere edele. Dus aten ze voortaan vis. Zeldzame vis. Want fabrieksvarkentjes zijn nu eenmaal te min voor hun verfijnde smaak.

De varkentjeszaken gingen inmiddels zo goed dat de fabrieksdirecteur een tweede fabriek liet bouwen. Varkentjes voor iedereen! Maar omdat het water in de rivier daardoor zo bruin werd dat je nergens nog de bodem kon zien werden de mensen boos en ongelukkig. En niet alleen boos en ongelukkig, sommigen zeiden zelfs dat je er ziek van kon worden van dat bruine water. Gelukkig bedacht de directeur zoals altijd de perfecte oplossing. Daar was hij immers directeur voor. Hij liet een hele lange pijplijn bouwen die direct uitmondde in zee zodat voortaan niemand ooit nog last van zou hebben van vies water. En omdat ‘ie een vooruitziende blik had maakte hij die pijp zo dik dat er wel poep en pies van tien varkentjesfabrieken doorheen kon stromen.

De varkentjes werd nooit om hun mening gevraagd. Ze zaten inmiddels zo dicht op elkaar gepakt dat ze hun kont niet konden keren. Maar ze wisten niet beter want ze werden allemaal toch in de fabriek geboren. Een bos hadden ze nog nooit gezien. Dus was het niet zo heel erg voor die fabrieksvarkentjes. En de ramen van de fabrieken had de directeur al lang dicht laten timmeren. Dus wie van varkentjesvlees hield, en dat deed iedereen, hoefde de ogen niet eens te sluiten voor de ellende van de varkentjes. Soms was het er zo ellendig, in zo’n varkentjesfabriek, dat er een heel besmettelijke ziekte uitbrak. Ja, geloof het of niet. Er zijn varkentjesvirussen die zo besmettelijk zijn voor bijeengepropte varkentjes dat eer je er erg in hebt alle varkentjes in alle varkentjesfabrieken het loodje leggen. En voor je het weet heeft niemand dan nog varkentjesvlees op z’n bordje. En dat willen de mensen niet. Daarom liet de directeur zodra er ergens maar een enkel varkentje besmet werd met zo’n naar varkentjesvirus alle varkentjes uit die fabriek verbranden. Dat was dan misschien wel zielig voor die varkentjes, maar alle andere varkentjes uit de andere varkentjesfabrieken werden hierdoor gered. En dat was goed. En de mensen hadden te eten. Gelukkig zijn varkentjesvirussen niet besmettelijk voor de mensen. Dat wist iedereen. Want mensen zijn nu eenmaal geen varkentjes. Iedereen leefde dus nog lang en gelukkig.


Peter Berger

Share This: