TON HUIZER: ‘Emancipa’
vader smelt niet meer
in de warmte van haar
schoot
Peter Berger: ‘Zwart als leisteen hangt het wolkendek berstensvol boven de daken. Een fris briesje prikt hardnekkig door de straten. Even nog dan gaat het los!…’

Zwart als leisteen hangt het wolkendek berstensvol boven de daken. Een fris briesje prikt hardnekkig door de straten. Even nog dan gaat het los! Ik bestel nog snel een cappuccino. Vijf minuten voordat het hier bomvol zit. Vijf maximaal. Het meisje neemt niet veel later plaats aan de overzijde van de leestafel. De allerlaatste stoel. Haar katoenen zomerjurk doorweekt als fuck. Het rode haar golft desondanks waterproof tot voorbij haar fragiele, sproeterige schouders. Straks wordt verse muntthee gebracht. Met acaciahoning. Ver weg ruikt het naar vochtige paardendekens. Jij? Toeval? Noodlot? Of gewoon zomaar. Daar zit ze dan opeens en ze zegt dat ze zich doodschaamt. Daar is verder niks van te merken dus ik neem nog maar een slok koffie. Haar blik heeft iets vrolijk stouts dat niet van alledag is. Onbetaalbaar, die hoopvolle blik.
Studerende buurmeisjes. Puntige schouders. Dito schouderbladen. Vorige week nog was het raak! Midden in de zomernacht. Of eigenlijk ergens ’s morgens vroeg. Tussen vier en vijf denk ik en ik was juist onderweg naar huis. Te voet zoals altijd. Op m´n gele gympen. Daar stond ze te giechelen. In diezelfde witte jurk. Een paar deuren verderop om de hoek. De sleutel krampachtig tussen duim en wijsvinger geklemd; het kleinood vruchteloos rondzwaaiend in het luchtledige. Van assistentie wilde ze niet weten, maar misschien kon ik toch even helpen die verdomde deur in bedwang houden. Want in een onwillige deur is het sleutelgat knap lastig te vinden. Zoiets zei ze.
Nadat ze houterig naar binnen was gestort, heb ik haar opgeraapt, moed ingesproken en voorzichtig de trap op geholpen. Ze verdween vervolgens, lichtvoetig huppelend, luidkeels lachend naar boven. Onnavolgbaar. Beter een goede buur dan een verre vriend. I can tell. Ik vraag of ze nog een glas muntthee wil, maar ze gaat voor prosecco. Met ijs. Ook dat nog.
Peter Berger
pomgedichten feliciteert RIK VAN BOECKEL met zijn verjaardag: “Een en zeventig wat een tijd – langs het interview met Vaclav Havel /langs de Atlas en Diamono Senegal /de zingende palmen van Cuba…”
langs het interview met Vaclav Havel
langs de Atlas en Diamono Senegal
de zingende palmen van Cuba

Met dichterlijke groet
Rik
De tijd van een en zeventig
Een en zeventig wat een tijd
de nu en verleden werkelijkheid
de eerste laag in Den Haag
aan de lange Laan van Meerdervoort
de tweede in een en zeventig
aan de Leidse Hoge Rijndijk
en verder conga spelend
aan Laan de Goede Herder
het artistieke verhaal begon
aan het Leids Academisch Levendaal
met poëzie Graffiti en Grafuit
met percussie ritmisch en luid
met het Gruppo Trutto theater
tijdens de filosofie van sociologie
de eerste interviews van methodologie
de scriptie van onderwijssociologie
de jaren tachtig worden uniek
door popdichterstijd en journalistiek
de combinatie van poëzie en muziek
op Kubus Cassettes en voor publiek
deze hoofden praten nog steeds
van Parijs een zonderlinge reis
van Jamaica naar Mallorca en Ibiza
langs Witte Makedonika en poetry slam
bewegend als een ritmische strateeg
langs het interview met Vaclav Havel
langs de Atlas en Diamono Senegal
de zingende palmen van Cuba
hé hé wat moet dat in Portugal
de fado van Lisboa van Amália en Mariza
reispoëzie en muzikale reisverhalen
langs Portugal Kaapverdië en Finland
musicerend lerend en spelend
met Toeters en Bellen Mafketiers
Bel Cante Les Zazous Kamara
MB Ghetto Flow Negunya The Dub Ark
de dromende dansers in het groene licht
tijdens Ibiza Time en volle manen
langs Porto’s zingende bloemen
de straten met de mooie ramen
de tijd begon ooit met tennis sport
in de Bosjes van Pex bij een hockeyclub
en eindigt tijdelijk met de dub
zoals reggae soms wordt gehoord!
Rik van Boeckel
27 augustus 2023
https://youtu.be/z9SoTSSZrl4?si=kdSkQ7nzsvkdGd5v
Frans Terken en Pom Wolff over en weer – week 9 – slot: ‘het zinderende van nieuwe dingen zien…’


Een zijn jullie twee – van jij in haar naar zij aan zij
stil je de honger aan de borst van je moeder
je mond die voeding vindt in een ademteug
lig je zo schoon in je vel gegoten – wij in aanbidding
geschaard om het bed zijn wij drie nee vier en meer
het maakt ook ons éen zoals wij samen zijn
houden we daaraan een leven lang vast
van nog zoveel op deze wereld verkennen
het zinderende van nieuwe dingen zien
en groeien door altijddurende liefde
van de mensen die dag en nacht met je zijn
zo overweldigend dit bestaan tussen ons
© FT 23.08.2023
DITMAR BAKKER vertaalt! 17 weken de reeks ‘Sonnets From An Ungrafted Tree’ van Millay – 3

Haar armen vol met hout…
De reeks ‘Sonnets From An Ungrafted Tree’ werd, al experimenterend, door Millay gemaakt, en, tja, grossiert in prachtig leedwezen. Het heeft me vrij veel werk en tijd gekost om de ruwe omzettingen, die je website sierden, te schaven en politoeren naar contemporaine(r) werkjes, later dan 1975 wordt ’t niet denk ik—zelfs van een telefoon wordt in de reeks geen gewag gemaakt, wel van grutters die maar ‘bezorgers’ zijn geworden e.d.—maar ach, Millay stierf zelf al 25 jaar daarvoor, en deze reeks bleef onafgerond(?). Het líjkt echter grotendeels gaaf, en behelst het ziekbed-en-sterven van een man, bezien door de bril van zijn vervreemde wederhelft, die terugkeert naar hem als hij ziek is (ondanks het feit, dat zij niet van hem houdt, wat dat dan ook precies moge zijn—hier verwijs ik graag naar het andere werk van Millay) en hem verzorgt tot het eind. Ik stuur je de eerste negen, van de zeventien, oorspronkelijke sonnetten en hun schaduwrijke fluisterstem in het Nederlands toe. Geniet, of niet!
Liefs!
D.
III.
Haar armen vol met hout en dat foreest
vast houdend, klemmend met haar kaakgewricht,
was zij niet minder bang dan ooit geweest
van spinnen op haar armen, haar gezicht,
toch zocht zij niet, had daarvoor geen geduld,
en ’t moest in één keer; dus haar armen had
zij vlug met dunne berkentak gevuld,
voor de gekrulde bast die altijd rad
tot vuur wordt, terwijl niet echt bij haar landde,
dat zij, net zo attent, om blokken daar
wéér komen zou, allemaal klam, zwaar,
glad, en doorknoest, wat ze belet te branden,
(en onderin de houtkist stof en zand,
daarin een halfvergaan appelklokhuis, een oude krant).
She filled her arms with wood, and set her chin
Forward, to hold the highest stick in place,
No less afraid than she had always been
Of spiders up her arms and on her face,
But too impatient for a careful search
Or a less heavy loading, from the heap
Selecting hastily small sticks of birch,
For their curled bark, that instantly will leap
Into a blaze, nor thinking to return
Some day, distracted, as of old, to find
Smooth, heavy, round, green logs with a wet, gray rind
Only, and knotty chunks that will not burn,
(That day when dust is on the wood-box floor,
And some old catalogue, and a brown, shriveled apple core).
Ditmar Bakker vertaalt
VON SOLO back home geladen terug van vakantie met goede raad aan de meisjes

Hij staat daar breed uit midden op straat. Om hem heen staan zijn gangstervriendjes. Hij is een smerige straatrat, die zich een veel te grote broek aantrekt, maar helaas ook stom genoeg is om als het hem uitkomt de daad bij het woord te voegen met een mes of een stuk glas. Wij bekijken het tafereel van de zijlijn. Hij heeft mot met een stel meiden. Op dat moment zegt hij: ‘Weet je wel wie ik ben? Ik ben de man! De man waar je moeder je voor waarschuwt, als je ’s avonds de deur uitgaat!’ Inwendig moet ik lachen, want ik weet dat hij geen man is. Aan de andere kant weet ik ook, dat hij zijn eigen woorden gelooft. Of de meiden dat ook doen weet ik niet. Alles eindigt uiteindelijk onbeslist en eenieder gaat zijns weegs. Maar de uitspraak is altijd blijven hangen.
Het is een scene uit mijn jeugd. De tijd, dat moeders (en vaders) je nog waarschuwden voor mannen als je de deur uit ging als meisje. Meisjes luisterden dan wel of niet naar hun ouders. Dat verschilde per meisje. Daarbij was het natuurlijk ook altijd lastig vast te stellen, wie dan echt die mannen waren, waar de ouders voor waarschuwden. Het vereiste toch nog een stukje inzicht, interesse en interpretatie om daar zelf invulling aan te geven. Het was niet altijd zo gemakkelijk als in bovenstaande voorbeeld, waar de man zichzelf identificeert als de man waarvoor gewaarschuwd wordt. Toch is het ook weer niet zo ingewikkeld.
In mijn kast staan meerdere cd’s van Rammstein. Zij staan bekend om hun rauwe, expliciete teksten. Daarin beveelt de zanger vrouwen zich voorover te bukken, omdat het gezicht hem toch niet interesseert. Hij vertelt hoe hij opgewonden raakt van wit vrouwenvlees en dat hij slechts een gigolo is. En hoe hij paardjerijdt en dat de rit maar kort was, omdat er ook nog andere paardjes gereden moeten worden. Ik heb meermalen gezien hoe de zanger zich live op het podium bedient van een groot imitatie lid, waaruit liters behangplaksel tevoorschijn komen. Heel vermakelijk allemaal. Met zo iemand verwacht je toch heerlijk gezellig een drankje te kunnen doen zonder bijbedoelingen?
Mijn dochter waarschuw ik soms. Ik waarschuw haar dat we leven in een tijdperk, waar fantasie en feit vaker en vaker verward worden. Dat er een bijna onbegrensd, optimistisch vertrouwen in het ‘goede’ in de mens heerst, hetgeen misplaatst is. En ook dat ze sommige dingen beter letterlijk neemt. Ik leg ze het begrip oorzaak en gevolg uit. Hoe een trend of een wet niets afdoet aan wat je kan overkomen. In de ijdele hoop ze voor te bereiden op het wazige grensvlak van verkenning en spijt, waarvan ik hoop dat ze zich er voorzichtig op zal bewegen. Mocht er toch ooit onverhoopt iets voorvallen, dan ben ik wel benieuwd of ze zich de waarschuwingen zal herinneren. Of dat posten op sociale media eerst komt.
VON SOLO
DICHTER, COLUMNIST, PERFORMER EN CINEAST
Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl
Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl
Merik van der Torren leent een model: ‘dat het licht danst in haar krulhaar enzo, dat zij de belofte is,…’
dat het licht danst in haar krulhaar enzo,
dat zij de belofte is,

Ik vraag aan de beeldend kunstenaar of
ik 1 van zijn modellen mag lenen,
trek haar een zalmkleurig transparant jurkje aan en
laat haar zitten in mijn zonovergoten tuin
tussen de rozen en hortensia’ s
en schrijf het gedicht,
dat het licht danst in haar krulhaar enzo,
dat zij de belofte is,
dat wij reizen naar dromen land en
de beren langs de oever van de rivier
zalm vissen en ons groeten.
Merik van der Torren
Ien Verrips over Madonna en Mick Jagger

onlangs werd zij 65
hij telt al 80 jaar
beiden jaloersmakend energiek
eerzuchtig koos zij voor de naam Madonna
hij bleef Mick Jagger trouw
godenkinderen
mij treft het alledaagse
doorsnee is mijn lot
de aarde trekt aan mij
het lichaam in verval
en ongemerkt heeft ook de tijd
mijn geest te pakken
verlangens lopen dood
de eindigheid als horizon
al lijkt er tussen beiden
een soort van samengaan
een evenwicht wat naar ik hoop
het uiteindelijke einde
verlichten zal maar toch
dat het nog even duren mag
aug 2023 IEN VERRIPS
Helge Bonset: ‘REDE,Uitgesproken door drs. H. Bonset, voorzitter van de COOPLEL (Commissie Opheffing Leli) ter gelegenheid van het eerste en laatste lustrum van D’ Witte Leli…’
vandaag proza als poëzie! – hier op de pom dan toch eindelijk de enige tijd geleden uitgesproken rede van Helge Bonset – mijn docent taalbeheersing aan de lerarenopleiding d’Witte leli in Amsterdam – een legendarisch instituut met legendarische mensen. Helge heft hoogstpersoonlijk deze lerarenopleiding op en bedankt de bestuurders (en wat er bijhing) met naam en toenaam. Sommigen zijn overleden sommigen zullen overlijden na het lezen van de rede. en terecht. Helge deed mij de tekst toekomen nadat ik had verhaald over mijn belevenissen op d’Witte Leli – die tekst druk ik onder de rede voor u af.

REDE,
Uitgesproken door drs. H. Bonset, voorzitter van de COOPLEL (Commissie Opheffing Leli) ter gelegenheid van het eerste en laatste lustrum van D’ Witte Leli, op 28 november 1976
Geachte aanwezigen, leden van het voormalig bestuur en curatorium – in het bijzonder wil ik hier welkom heten de weduwe van de heer Voskuilen – dames en heren docenten, dames en heren studenten!
Het verheugt mij bijzonder dat ik in de gelegenheid ben tot u het woord te richten, en dat dan in de blijde sfeer van afbouw en wachtgeld, waarnaar wij allen zo lang hebben uitgekeken. Het besluit is dus eindelijk genomen, en hoé!
Pas twee maanden geleden had ik de eer als toen nog maar net benoemd voorzitter van de COOPLEL (Commissie Opheffing Leli) de procedure in gang te mogen zetten die mogelijkerwijs zou leiden tot de opheffing van ons dierbaar instituut. Wie had toen durven denken dat onze wensen en voorstellen twee maanden later al bewaarheid zouden zijn geworden? Wie had de in de Leli-historie nooit vertoonde eenstemmigheid verwacht die over de toekomst van het instituut bleek te bestaan, van hoog tot laag, van bestuur en directie tot studenten, en niet-onderwijzend personeel.
Als de twee jaar geleden opgeheven Instituutsraad dit nog eens had mogen meemaken!
Het besluit om ons instituut met ingang van morgen op te heffen dat mijn commissie met volledige steun van alle geledingen hierbij aan u presenteert, is een wijs besluit. Het vloeit logisch voort uit de voorgeschiedenis van de Leli en uit de ons door het departement ter beschikking gestelde middelen, en het is bovendien een waardige bekroning van het werk van onze bestuurders, die immers van meet af aan geen enkele moeite gespaard hebben om het instituut dichter tot het nu bereikte doel te brengen. Ik wil enkele van hen met name noemen.
Drs. Lambo,
Nooit heeft u geschroomd om in een belangrijk conflict in laatste instantie de verkeerde kant te kiezen. Uw moed om u van dergelijke conflicten niet afzijdig te houden heeft in zaken als de affaire-Oskamp en de kwestie-Duits dan ook duidelijk zijn vruchten afgeworpen. D’ Witte Leli werd het instituut waar een ‘krities’ leraar door curatoren en u buiten de deur gehouden kon worden, terwijl een Noord-Hollandse judokampioen met losse handen en een totaal gebrek aan interesse voor wat zich in of rond studenten afspeelt, het brengen kon tot hoofddocent en in een later stadium zelfs directie-adviseur. Pluriformiteit, verdraagzaamheid en open discussie, schreef u intussen in uw veelal van ludieke titels voorziene directiebrieven.
Maar ook op andere wijze heeft u weten bij te dragen tot het blijde moment dat wij nu mogen begroeten. Geen moeite is u te veel geweest om op last van het departement van O. en W. het tweevakkensysteem in stand te houden en de opleiding van steeds minder vakkennis te voorzien. Toen het instituut, niet in de laatste plaats door uw toedoen, maximaal uit zijn krachten gegroeid was en de studies maximaal versnipperd en onoverzichtelijk waren geworden, ja, toen stelde u maatregelen voor om de groei en de versnippering tegen te gaan : het dorpenplan! Het dorpenplan. Wat klinkt dat charmant in zijn agrarische eenvoud. Studenten en docenten moeten zich opsplitsen in kleinere, autonome eenheden, in éen gebouw gaan wonen, schout en schepenen benoemen – ach, wat is dat alles prachtig. Waren zij geen ónvervalste socialisten geweest, het zou lijken of ik Proudhon of Bakoenin hoorde spreken.
Drs. Lambo, soms heb ik het gevoel dat zonder u het Instituut D’ Witte Leli nu nóg bestaan zou hebben. We kunnen u niet dankbaar genoeg zijn! (applaus)
Geachte heer Müller,
Aan u was de begeleiding van het SP (schoolpracticum) toevertrouwd, en ik wil u graag met uw werk complimenteren. Men hoort wel eens – en ik moet nu een gevoelig punt aansnijden, maar doe dit open en onverhuld – dat een aap niet in staat zou zijn dergelijk werk, waarbij immers menselijk vernuft komt kijken, adequaat te verrichten. Het is mijn heilige overtuiging dat deze opvatting gezien moet worden in het licht van een wijdverbreid wantrouwen tegen apen, zelfs zo wijdverbreid en tevens ongenuanceerd, dat wij wel van discriminatie mogen spreken. Welnu, u bent zo’n aap geweest (door uw correcte kleding trouwens veelal nauwelijks van een mens te onderscheiden, als u mij toestaat) die het er in éen woord prima heeft afgebracht. Zonder u zaten wij nu wellicht nog met de nauwelijks dragelijke ballast van een flink aantal stagescholen en bijbehorende schoolpracticumdocenten. U heeft, terwijl u toch uw beste krachten nodig had voor de BOCO (Bouwcommissie) dit probleem resoluut weten op te lossen! (applaus)
Geachte heer Schroor,
Of zal ik maar gewoon ‘boerenlul’ zeggen, Gerard? Gerard, jij en ik kennen elkaar al langer dan vandaag, uit de tijd dat het nog allemaal toffe jongens geblazen was, en, dames en heren, u moet mij dus toestaan dat ik nu even in een wat meer familiaire toon verval. Gerard, boerenlul, jij bent op dit instituut het levende bewijs dat het definitief afgelopen is met de ‘gymnasiumcultuur’, want jij bent gewoon een eerlijke knul, Gerard, met twee stevige knuisten waarmee je ieder, maar dan ook ieder probleem aanpakt. Een jongen uit het volk én uit het LBO, die dus helemaal weet waar hij over praat als hij het over onderwijs heeft, beter dan zo’n halfzachte linkse onderwijskundige die dan toevallig doctorandus magheten.
We zijn allemaal blij dat je gekomen bent, Gerard, er is weer een frisse wind gaan waaien door de sectiekamer Duits; al die bleke, trage klootzakjes van studenten met die koppen vol oproerige boekenwijsheid vlogen zó het raam uit, en de jongens met twee benen op de grond bleven over. Dat heet selectie, en het is goed dat het er is.
Je hebt het hier wel moeilijk gehad, Gerard, vaak jeukten je handen, die na je vorige school niet meer gewend waren zo lang stil te moeten liggen. Maar uiteindelijk heb je de rottigheid er toch uit weten te slaan: de laatste student heeft anderhalve maand geleden de studie gestaakt, zodat jij en je gabbers sindsdien de handen helemaal vrij hebben. Ik hoop dat je de feestelijke opheffing van ons instituut en je comfortabele wachtgeldregeling wilt zien als de kroon op je werk! (applaus)
Mevrouw Voskuilen,
Ik herinner mij uw diep betreurde man als een echt academicus, een waarlijk geleerde. Heeft hij niet als publicaties op zijn naam staan: de bezorging van de grammatica van Tinbergen-Lulofs, de bezorging van de grammatica van Tinbergen-Lulofs, de bezorging van de grammatica van Tinbergen-Lulofs, en – recentelijk nog – de bezorging van de grammatica van Tinbergen-Lulofs? En dan nog, ten overvloede, een prachtig In Memoriam, geschreven voor een overleden studievriendin? Hoe in en in triest dat wij nu hier een In Memoriam van deze grote taalkundige moeten uitspreken!
Drs. Voskuilen had naast zijn drukke taalkundige werk ook altijd tijd voor bestuurlijke activiteiten rondom ons instituut. Notities, briefjes, agendapunten, zelfs geheime aantekeningen – geen moeite was hem te veel. En ook spréken deed hij graag en goed, en veel. Hij sprak als een waarlijk academicus, het hoofd iets over de toegesprokene heen gericht zodat de brillenglazen fonkelden, de beschaafd klinkende zachte stem uitsluitend ongrammaticale zinnen en nuancerende woorden voortbrengend. Dat wát hij zei, vaak naar geheel niets in de werkelijkheid verwees, heeft mij persoonlijk nooit gehinderd. Integendeel, het verhevigde het beeld van de in een voortdurend denkproces verwikkelde geleerde, zelfs terwijl hij zich in zijn beige regenjas en met zijn koffertje van de ene bestuurlijke vergadering spoedde naar de andere, of naar de MO-opleiding waar hij in de avonduren ook nog de paarlen van zijn wijsheid doceerde.
Mevrouw Voskuilen, het zal u bekend zijn dat uw man met name de Leli-historie in zal gaan als de grote architect van de insluizing, ofwel doorstroming, van ons instituut naar de tempel der wetenschap: het Instituut voor Neerlandistiek. Met niet aflatende zorg heeft uw man, taalkundige in hart en nieren als hij was, gewaakt over wat hij wel het taalniveau van onze studenten placht te noemen, zoals dat uit hun brieven met het verzoek om inschrijving naar voren kwam. Ook al te late inschrijvers wist hij op passende wijze voor hun incorrect gedrag te berispen. Uiteraard liet hij hierbij alle administratieve en vergelijkbare rompslomp over aan instituties als het bestuur van de Faculteit der Letteren.
Wouter Voskuilen: Rust in vrede! Ik verzoek u éen minuut stilte in acht te nemen.
Geachte aanwezigen!
Verschillende episoden uit de historie van ons instituut zijn reeds meer of minder terloops ter sprake geweest: het tweevakkensysteem, de affaire-Oskamp, de kwestie Duits, de verdwijning van de instituutsraad, de insluizing naar het Instituut voor Neerlandistiek, de bezuinigingen op ons instituut van de kant van O en W. Ongenoemd bleven nog vele andere: het verdwijnen van de Leli-Mail, het verdwijnen van mevrouw Van der Zee bij de sectie Aardrijkskunde, de overbelasting van studenten en de onderbezetting van docenten, de altijd defecte stencil- en kopieermachines, de acht gebouwen in diverse stadsdelen. Zo wijst de historie van dit instituut ondubbelzinnig in de richting van die ene oplossing, die dan ook zo dadelijk met champagne en vuurwerk zal worden binnengehaald. Het verheugt mij bijzonder dat zovelen van u die dit eerste lustrum hebben mogen meemaken, nu ook klaar staan om het in het láatste lustrum om te dopen!
Hierbij verklaar ik het Instituut voor Lerarenopleiding D’ Witte Leli voor opgeheven, en de feestelijkheden voor geopend! (applaus, knallen, joelen).
Helge Bonset

vandaag lees ik in Het Parool liefdevolle woorden bij het overlijden van Harry Haspers. weduwnaar van de eerder overleden Nelleke van ’t Hoogerhuijs lees ik ook. harry ken ik niet. nelleke wel – ik wist niet dat ze dood is – ze was advocaat in amsterdam en heeft mij een keer bijgestaan. toen het bestuur van de lerarenopleiding d’Witte leli mij van school had afgetrapt – de gristenbestuurder arie lambo was dat – een paar maanden voor mijn afstuderen. 22 jaar was ik.
ik studeerde duits en nederlands op of aan die lerarenopleiding – de sectie nederlands bestond uit bijzondere en mooie mensen/leraren als dichter rein bloem, jacques kruithof, Helge Bonset, wim van calcar, de dichter wim huiskens – de sectie duits bestond uit smerig volk – klipp heetten ze, soeters en ook schroor worstelkampioen was ie – ‘uns gehts gold – obersturmbahnführer und gefreitem’ schreven ze op ansichtskaarten aan elkaar. fijne jongens. ik vond het geen fijne jongens. ik vond dat ze de tering konden krijgen. en toen vonden zij het tijd om samen met de gristenbestuurder lambo mij van de d’witte leli af te trappen.
Nelleke stond mij bij. bij de kort gedingrechter – de legendarische Borgershof Mulder – in amsterdam bereikte zij dat het verwijderingsbesluit moest worden teruggedraaid, dat ik in een veilige omgeving moest kunnen afstuderen – zonder contact met die fijne jongens, in ieder geval zonder obersturmbahnführers. Ze wisten niet hoe snel ze mij met een diploma – haha – ik was de eerste van de opleiding die afstudeerde. het overlijden van Harry brengt mij weer even terug bij Nelleke met die mooie en deftige achternaam. soms wordt een mens jurist om een verhaal. ik werd het. en dichter oa om rein.
pom wolff



