je was er altijd, op het laatste moment bij Reuring omdat je wind tegen had, in de stad omdat je je auto niet meer kon vinden, in mijn mailbox met het verhaal van je leven, op Facebook met alle activiteiten waaronder de mijne, in je agenda, samengevat in je verslagen, gesprekken, hart-onder-de-riem-stekende opmerkingen, vergeefse raadgevingen en blijkbaar was ik daar ook ergens – als boegbeeld van dat schip waarop je voer, ooit, eens, een kleintje maar, dat mijn naam droeg, dank voor je gezelschap (foto in De Sociëteit, 22 februari 2020, alle sterkte voor de familie en vrienden)
De hele ochtend regende het al. De avond tevoren had ik vloekend de oude ketting van mijn fiets vervangen door een nieuwe. Maar iedere amateur fietsenmaker weet, dat een nieuwe ketting op een oude vertanding leidt tot iets dat vergelijkbaar is met een midlife-man en een vrouw van twintig. Het rijdt wel, maar je gaat er niet ver mee komen. Ten einde raad trotseerde ik de regen om mijn rijwiel af te leveren bij Biker’s Best op de Noordsingel. De enige fietsenmaker die nog bereid bleek de tandwielen van een zesendertigjarige Batavus Topper te vervangen. Vervolgens beende ik door een decor van miezer mijn weg naar het Centraal Station om een vervangende OV-fiets te halen.
Terwijl ik over de Schiekade liep voelde ik, dat de koffie van een uur eerder het effect op mijn blaas niet miste. Een plek om af te wateren zou geen luxe zijn. Ik liep het treinviaduct onderdoor en sloeg bij het Schieblock af langs Biergarten. Er was geen mens op straat. Het was donderdagochtend. Een uur of elf. Het leek zelfs of er geen auto’s reden. Mistige regen viel gestaag. Het had zo een bevroren filmdecor kunnen zijn. Door die stilte liep ik verder. Opeens ging er aan de overkant van de straat een deurtje open van een klein zwart gebouw. En jonge man met een capuchontrui strompelde naar buiten en spoedde zich weg.
Even sloeg ik het tafereel gade. Het drong langzaam tot me door, dat het gebouwtje een openbaar toilet moest zijn. Lucide stak ik de weg over en betrad de sanitaire ruimte na op het groene knopje naast de deur gedrukt te hebben. Binnen drukte ik op de rode knop om de deur te sluiten, hetgeen deze geruisloos deed. Terwijl ik mijn broek losknoopte keek ik rond. Onder wat voor een wasbak had moeten doorgaan lagen een paar kledingstukken. De vloer was overal nat. Op de wanden was met tekstmarker geschreven. Vooral de leus ‘Je moeder’ met diverse toevoegingen. Ik vond het meevallen. Gerustgesteld liet ik dat wat stromen moest, stromen.
Toen werd er ineens op de deur geramd. Ik schrok me de pleuris. Buiten riep een verwarde stem, dat ik de deur open moest maken. Ik riep vriendelijk terug, dat ik zo klaar was. Toen werd het weer stil. Ik vroeg mij af, wat er zou gebeuren als ik de deur open zou doen. De situatie voelde volkomen irrationeel. Zou het een hosselaar zijn, of een overvaller? Ik besloot ervoor te kiezen onschuldig te spelen. In het ergste geval kon ik altijd nog vertrouwen op het Spyderco knipmes in mijn rechter broekzak. Ik knoopte mijn broek weer vast en drukte op de knop. De deur schoof open. Er stond niemand.
Ik stapte naar buiten en zag in een flits in mijn ooghoek beweging. Een jongen blafte geïrriteerd, dat ik er al een uur op zat en vloekte. Ik beet terug, dat ik maar een minuut binnen was geweest. Verder geen acht op mij slaand, glipte de jongen met capuchon het hok in en sloot de deur. Het was weer stil. Er was nog steeds niemand. Ik keek rond, of ik geen goed slaghout zag liggen. Er vlamde haat in me op. Mijn eerste gedachte was om hem morsdood te slaan als hij weer naar buiten kwam. Er was toch geen ziel op straat. Niemand zou het zien. Tuig als dit verdient het niet om te leven in mijn wereld. Nutteloos junkie prul. Ik haalde een keer adem. Mijn tweede gedachte was om ervan af te zien de gast af te tuigen en gewoon door te lopen. Ik was immers onderweg om een fiets te huren.
Tien minuten later zat ik weer op de fiets en was alles weer gewoon. Er was ook weer verkeer en er waren weer mensen. Ik vroeg me af wat er aan de hand was geweest en wat er gebeurd was. Waarom had die idioot zo lijp gereageerd. Toen moest ik denken aan de gast die het hokje uitglipte toen ik voorbij kwam lopen. Waarschijnlijk had mijn ‘belager’ al een uur staan wachten, tot de eerste persoon zijn shot had kunnen zetten en weer in staat was de WC te verlaten. In de tussentijd was hij een rondje gelopen en was ik de WC gaan gebruiken waar hij voor was. Dat maakte van mij degene die hem van zijn dope afhield. Ineens begreep ik het plaatje. Ik keek naar de vage, bijna niet zichtbare bloedspetters op mijn vaal zwarte jas. De troostende gedachte koesterend, dat het in het grotere plaatsje van de wereld toch allemaal niets betekende.
Fietsen gaan stuk en kunnen gerepareerd worden. Er is altijd wel ergens een WC.
VON SOLO DICHTER, COLUMNIST, PERFORMER EN CINEAST Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl
OP DE SCHOP de nieuwe bundel van JOYCE HES – een recensie
Joyce Hes is een non conventioneel tiepje. Heel in de verte wist ik wel dat ze bestond deze dichter. En ik kende haar indrukwekkende gedicht ‘De 1400 van de Blasiusstraat’ – over de deportaties uit één straat in Amsterdam Oost. Het gedicht is in haar nieuwe bundel OP DE SCHOP opgenomen:
Ze gingen de 1400 van de Blasiusstraat
De banketbakker melkbezorger naaister en regenjasplakker
(…)
De dichters Merik van der Torren en Mirjam Al nodigden mij aan het einde van vorig jaar uit om een van hun poëziemiddagen te presenteren. Ik kreeg van Merik een lijstje met namen van dichters die zouden voordragen. Een van die namen was die van Joyce Hes. je kijkt wat op google en de jurist in mij was verrast – ik las over deze Joyce – een gepromoveerd juriste, kent/kende politieke, wetenschappelijke en bestuurlijke bezigheden – kortom een druk tiepje – aan de lijst van publicaties en werkzaamheden kwam maar geen einde. Geboren in Den Haag in 1946, kinderen, kleinkinderen, proefschrift aan de Erasmus, 4 mei lezing in 2010, staatscommissies, publicaties, etc etc. In 2016 op haar zeventigste van de Derde Helmersstraat in Amsterdam verhuisd naar IJburg – toen nog een bijna onbewoonbaar opgespoten eiland oostelijk van de hoofdstad. Wat zoekt nou zo een mens in die half onbewoonbare zandhoop dacht ik.
Na de geslaagde poëziemiddag van Merik van der Torren en Mirjam Al stapte Joyce Hes op mij af met het verzoek om de presentatie te doen op IJburg bij haar nieuwe bundel OP DE SCHOP. Ik was verrast en vereerd, zei ja voor ik er zelf erg in had en ik heb het geweten. Ik stelde een interviewvorm voor. Prima vond Joyce – maar dan wel als volgt: je vraagt naar de titel, waarom van de derde helmersstraat naar een schiereiland, wat heb jij met eilanden, wat heb je eigenlijk met kroegen? met een struik, een klaproos, storm en tegenwind, lijn 26, diversiteit, een veranderend landschap dat is ook IJburg! Verder graag vragen over het buurtdichterschap, over ‘de IJopener’ het wijkblad voor amsterdam oost – www.ijopener.nl – https://www.ijopener.nl/over-ons/
vraag wat over de Coronaperiode en graag een dankwoord aan Marna van Hal de vrouw die in de bundel de illustraties verzorgde – en aan Ar Nederhof – drukwerkbegeleiding -die de bundel mogelijk maakte. Ik wist wat mij te doen stond. Ik dacht nou ja het is haar bundelpresentatie – toch altijd een feestdag voor een dichter.
Ik belde haar op, zei haar dat ik blij was met de vragen maar trachtte toch nog iets te redden van het interview dat ik voor ogen had. het werd een taai gesprek – Joyce heb jij een andere bundel met de titel OP DE SCHOP geschreven dan de bundel OP DE SCHOP die ik heb gelezen – riep ik met lichte wanhoop in mijn stem uiteindelijk met enige stemverheffing uit. Met de vragen die jij voorstelt lijkt het erop of jij een reisgids voor en door dat prachtige IJburg van je hebt geschreven – maar jouw bundel is toch echt méér – veel meer – dan een ode aan een stadsdeel in wording. we vonden een compromis – ik mocht bij de gratie van de koningin ook nog vragen stellen over haar poëzie.
U begrijpt het lieve lezer hier begint de echte recensie: Joyce schreef 42 gedichten en met die gedichten schetst zij een uniek tijdsbeeld van de door haar zo geliefde stad waarin zij al heel veel jaren leeft – een stad met een verleden – een stad met een toekomst – ‘een vrijplaats voor de geest’ zoals ze Amsterdam beschrijft, een stad waarin bestuurders foute investeringen in bijvoorbeeld biomassa en windmolens ten koste van de natuur laten bestaan – ‘het oerbos het loodje legt’ – ‘het schone IJburgse nest bevuild wordt..’ – kortom een stad zoals elke andere stad in ons land – maar dan toch een stad op zijn Amsterdams. ze schrijft over het Muiderpoortstation (“treinreiziger wist je je bestemming – wist je wat je te wachten stond..”) , over 4 mei herdenkingen ook op IJburg. en ze schrijft een ode op Nasser – vrijwilliger bij de Flexbieb:
(…) Jij leert onze taal maar door jou leren wij blijmoedig het leven te dragen zoals het komt en gaat
Je respecteert ons, oudere vrouwen en ziet achter ieder van ons het gelaat van je moeder, daar in het verre, gepijnigde Jemen.
deze bundel poëzie gaat over ons bestaan – over ‘komen en gaan’ – over de zin van het bestaan. en over ‘de grote rode zon’ die zich schaamt voor alles wat de mens de aarde aandoet. Op haar site https://www.joycehes.nl/wp/home/ krijgen we een compleet beeld van deze dichter – middels wekelijkse columns en blogs, middels lezingen, essays, onderzoeksverslagen etc. etc. – Een beeld dat ze ons daar biedt in door haar kenmerkende volop uitgeschreven kritische bewoordingen van de mens(heid), van de man, van de stad, van de natuur, van het (vrouwen)recht, van de verandering en de diversiteit, van het leven in ons tijdperk kortom.
In deze prachtbundel OP DE SCHOP – (gericht op een mooiere en betere wereld voor ons allemaal) bewandelen we met de dichter dit leven in een steeds maar weer veranderend landschap – maar dan voor ons lezers beschreven in verfijnde poëtische vorm. Zo wandelen we mee met een dichter die echt wel weet dat ze de wereld niet kan redden noch met pöezie noch met proza – ‘een bij voorbaat onmogelijke opdracht’ – maar wel met een dichter die zich verzet tegen vastgeroeste dogma’s en aanpak, die de medemens als subject wenst te ontmoeten en niet als object wegzet. In een bundel waarin dichter in fictie en in non fictie thema’s als liefde, emoties, verandering en het onverwoestbare verlangen naar een betere en mooiere wereld voor kinderen en kleinkinderen en niet te vergeten voor haar in poëzie bezongen hondje – niet uit de weg gaat. De presentatie op IJburg op die prachtlocatie in de FACTORIJ – Pampuslaan 11 – sloot ik af met een vraag aan het publiek – mag ik deze bundel van Joyce Hes OP DE SCHOP u aanbevelen – en ik sprak:
wat is het toch dat deze stem – haar stem ongeacht welk woord van elk woord weer warmte maakt
echt mooi hoeft niet beschreven is in zich mooi geweten en gekend
U weet nu het antwoord! de bundel is bij Joyce Hes te bestellen – ik dacht voor een tientje. joycehes@dds.nl
Hoi Pom, Het heengaan van een buurtgenoot bracht me tot dit tekstje. Voor pomgedichten, groet, Merik
Kraaien
Hoor ze krassen in de boom voor mijn venster. Zie de gerafelde zwarte vleugels wieken. Kijk, en die blondine loopt langs met haar oude hond, strooit snoepjes naar ze. Ze krassen en leiden haar man in memoriam,
al die tijd van wachten in de rij bij de supermarkt op de trein vertraagd nu al weet je dat die overvol zal zijn op de uitslag van je rijexamen en op jou vooral op jou daarna op al die andere jou-en totdat je het weet of denkt te weten op de geboorte van het kind het telefoontje dat je komen moet omdat het afloopt met je moeder het wachten op de uitslag waarvan je hoopt dat jij nog niet aan de beurt bent liever nog wat wachten.
Zaterdag. Marktdag. Maar het is stil op de Nieuwe Rijn. Druilerig stil. Bij de visboer zelfs staat geen rij. Ondertussen voel ik de regen me ijskoud op het lijf plakken. Compleet doorweekt. Binnen een minuut of twee. Zonder jas weliswaar; helemaal niet slim, maar toch – heel eventjes dacht ik. Pijpenstelen. Ik ga voor een dikvette rooie poon die door het blauwbekkende meisje, na het beest eerst bibberend te hebben afgewogen, met stramme vingers overdreven keurig wordt ingepakt. Ik verheug me. Heerlijk met romige witte wijnsaus. Uit de oven. In de ruwstalen braadpan kan ook. Naturel op het vuur. In boter gebakken.
¨Anders nog iets?¨ Ik twijfel. Twee oesters? Drie misschien? Een opgeprikte dame klaagt dat de sashimi vorige week niet goed was bevallen en eist genoegdoening. Klaagzang. Het is zo’n type die je in de Appie met d´r volgestouwde kar bij de kassa het vel van hielen rijdt. Geen zin om het geneuzel nog verder aan te moeten horen, betaal ik contactloos en loop gniffelend richting Koornbrug waar het vorige week op de drijvende ijsbaan nog een drukte van jewelste was. Vallen en opstaan. Geen vertier vandaag. Geen ziel te bekennen. Ook hier niet. Niks dan natheid. De ijsbaan afgebroken. Ik scharrel nog een rondje langs de overkant voor haricots verts, shiitake en een rijpe avocado om even later de voordeur achter me dicht te trekken. Ik hoor de dame met klik klakkende hakken op de glad geworden klinkers parmantig voorbij tippelen. Voldaan. Ach ja. Het is maar waar je blij van wordt. Hoog tijd voor een warme douche. Morgen is de hemel blauw.
ik geloof dat we deze week de gouden eer toch aan IEN VERRIPS moeten laten – niet omdat zij oma heeft mogen worden deze week maar omdat dichter ondanks de drukke dagen in staat is geweest in zeven regels 2 levens te schetsen van leven door de jaren heen. op de een of andere manier weet Ien altijd het particuliere in een breder meer algemeen kader te plaatsen. en dat is toch een kenmerk van goede poëzie. dat je niet denkt – ach kind we hebben niet allemaal op dit moment 12 centimeter ontsluiting – dus beschrijf asjeblieft niet de laatste 8 centimeter – neen – als ien van een gedicht bevalt bevalt het gedicht iedereen. bij wijze van spreken. GOUD voor Ien van harte!
als je me met je milde ogen streelt me zachtjes kust de woorden fluistert van weleer wie of we waren toen en altijd zouden zijn toen lust nog hoogtij vierde en wij geloofden dat wij de uitzondering zouden zijn
Ien Verrips
die regel in het midden met dat zo merkwaardige woordje OF erin – wie of we waren toen en altijd zouden zijn
merkwaardig in de zin van iets van mysterie inhoudend in een verder absoluut gedicht – absoluut in de zin van compleet en niet te overtreffen meer. je mag een dichter zo een gedicht daarom niet toewensen. maar ach Ien wel – volgende week schrijft ze gewoon weer even mooi. wie of ze ook was toen en altijd zou zijn.
Frans Terken – in dagen van volle zon
Etwin Grootscholten – of jij nog…
Ien Verrips – dat wij de uitzondering zouden zijn
Rik van Boeckel -de dagen zijn voorbij
Geraldina Bankcaenen – En toch het was mooi
Rob Mientjes – even verdrinken in elkaar
Anke Labrie – samen zo de hemel in
wie wint de enige echte virtuele – en toch was het mooi dat jij me zag muziek opzette en met me danste – trofee op pomgedichten punt nl – vrij naar de foto van lisan dansend met wil. dit prachtige uitgelaten en inspirerend blij levensmoment vastgelegd door de fotograaf is deze week de inspiratie – het thema hier op de pom – natuurlijk ook de herinnering aan lisan – haar levenslust en de liefde tussen mensen – er is zoveel – er was zoveel – om over te dichten – DE DAT JIJ MIJ ZAG TROFEE deze week op de pom – u kent de regels: gedichten niet te lang svp tenzij noodzaak – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan de pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd.
je denkt een arm om je heen maar je weet het nooit met die armen
nu hij er niet meer is je zijn zwijgen niet meer hoort je je eigen adem haalt
het was toch mooi dat hij je zag muziek opzette en met je danste
pom wolff
Dag Pom,
Mooi om Lisan en Wil zo weer te zien, met gemengde gevoelens, van gemis dat blijft. Altijd in gedachten, en poëzie. Warme groet, Frans
Dagen van dansen
Hoe wij op het strand de zon wilden vangen met de gloed van onze ogen
een gat in de wolken zou welkom zijn als de arm die ik je reikte
dachten we dat er muziek in zat dansen onder dat ene sprankje dat ons even gegund was
het warmde onze voeten we draaiden rond in het zand klopten zo de hartslag op
wilden niet zien wat ons wachtte in dagen van volle zon
ergens toch ook de melancholie het gedicht in geschreven – van hoe het was en toch niet zijn kon – wat je allemaal wacht in het leven en uiteindelijk niet meer – een moment een sprankje hoop een gedicht. dat er dagen zijn van dansen maar ook jaren van niet meer.
PERSPECTIEF
te lang heb ik om een hoekje staan kijken
of jij nog van me hield
nee natuurlijk zag je me niet
Hartelijke groet, Etwin Grootscholten
ik neem aan dat de hartelijke groet aan de webmaster hier is haha en niet aan de beschreven persoon in het gedicht. het gedicht heeft iets jeugdigs in zich – over hoe het kan gaan bij bijvoorbeeld een eerste niet beantwoorde liefde. en hoe lang dat gevoel mee kan gaan met iemand dat het toch nog uiteindelijk na jaren in een gedicht belandt.
Dansen op het warme strand
Ze danste op jouw ritme met liefde in bevlogen ogen
haar armen trokken jou naar de muzikale wereld van toen
op het warme strand keek men haar vredig aan
de dagen zijn voorbij dat zij danste in de warmte.
Rik van Boeckel
een fotoschrift bij de foto van lisan en wil – lijkt mij – de kille constatering ook met warmte omlijst. de bevlogen ogen – mooi gezegd.
Het feest begint Het dansen En toen zag jij mij
En ik dacht We zijn een verhaal geworden De tijd draagt hoed en paraplu.
En toch het was mooi Dat je me zag En met me danste wang aan wang Zoute smaak van Een paar tranen die we niet aanraakten. Onze armen Om ons heen.
Geraldine Bankcaenen
Geraldine neemt de themaregels gewoon op in haar gedicht – ik zie het maar als een eerbetoon – hoewel aanhalingstekens ook best mogen hoor in deze tekst. de herinnering beschreven en wel zo dat de herinnering bij de lezer binnen komt. als een feest van angst en pijn – zoals van ostaijen het leven al eerder beschreef.
Hallo Pom, sweet memories to remember and to hold on. Klinkt warempel als een mooie openingszin voor lied of vers. We blijven hunkerbunkeren jong en oud totdat we oud jong sterven. en toch was het mooi dat zij me zag – muziek opzette en met me danste Hier mijn bijdrage voor het thema. Groet, Rob Mientjes
Mijn muze mijn muziek
Bloemen tegen de muur ijs moet nog ontdooien knikkende knieën op vloer zweet drupt van hoofd
schijnwerpers op haar gezicht hart bonkend in keel naald plugt in groef op volle toeren los
dancing king leidt queen discobal spiegelt en glundert zwieren zwaaien draaien tollen even verdrinken in elkaar
dagen dromen walsen wiegen nog hoeveel lentes lang opdat het nooit ophoudt mijn muze mijn muziek
Rob Mientjes
ja inderdaad brengt Rob ons even terug naar de discovloer met deze tekst. laatste regel en de titelregel dubbelop om te benadrukken wat het gedicht ook zonder die twee regels uitstraalt, uitglittert. je hoort de klanken van ABBA, je ziet travolta – en zij zal nu niet meer dat ranke olijfje zijn van ooit.
Prachtige foto zoveel levenslust. Zo jammer. Hartelijke groet, Anke
dansen
zijn dansschool was beroemd bij enkele ouders zelfs berucht omdat dansen zondig was
de meisjes in een petticoat de jongens met een stropdas verplicht: schoenen met leren zolen
hij leerde ons de tango en de wals de quickstep en de chachacha de rumba en de samba en ook hoe je een meisje vroeg hoe zij dan bevallig knikken moest
al snel gingen zijn lessen overboord we vonden zelf het schuifelen uit op plekken die vast zondig waren dansten we samen zo de hemel in
anke labrie (15-01-2023)
de herinnering beschreven de dansscholen van weleer ook in amsterdam – ik herken ze nog in de verhalen van mijn zus – een generatie voor mij – de generatie ook van Anke – mijn generatie dook al meteen onder – ‘op zondige plekken’- haha. zoals het is moet het zijn.
Daar is zij weer. Die wrangzoute traan, die opwelt uit kieren van wat allang verloren ging en nog altijd begraven ligt onder een dikke laag gezelligheid
of op het station staat
Daar is zij weer, die ene traan heel even bevend begaan met de wereld aan de rand van de afgrond Weergaloze woestenij, ook op dit perron
ook op dit troosteloze podium
Verdriet zo groot dat één traan volstaat voor deze kniezende ziel – een zielentraan Daar is zij weer. Bitser dan eerder, dan ooit
wachtend op de vroegste trein
dringt daar eindelijk door: de traan is de reiziger jij bent haar bagage. Het is de traan die jou voortstuwt Niet andersom. Nou jij weer.